|
Nummer 27, Publicatiedatum: 1995-12-15
Copyright © EPO, IMAST en auteurs
Overname, publicatie en vertaling zijn toegestaan voor strikt niet-winstgevende doeleinden Rehabilitatie van Irma Laplasse opent deur voor algehele amnestie |Archief MS| *Juliette Broder was weerstandster en strijdt vandaag tegen amnestie in de schoot van de Antifascistische Eenheid. Toen op 1 februari 1994 de koning ter gelegenheid van de
50ste verjaardag van de Bevrijding, op aandringen van eerste minister Dehaene
en met de goedkeuring van de regering, opriep tot verzoening tussen diegenen
die de laarzen likten van de nazis en diegenen die tegen hen vochten, waren
de verzetsmensen en de demokraten eerst stomverbaasd. Het is belangrijk te weten dat bij een amnestie de collaborateurs hun burgerrechten terugkrijgen, hun stemrecht, hun recht om verkozen te worden en dat ze hun aangeslagen goederen kunnen opeisen, hun achterstallige lonen, pensioenen, enz... Amnestie is een daad van de wetgevende macht die van de veroordeelde een burger maakt die nooit de banbliksems van de wet heeft ondergaan. Elke verwijzing naar zijn veroordeling wordt gelijkgesteld met laster waarvoor de lasteraar kan gestraft worden. De voorgeschiedenis Het is niet de eerste keer dat het Verzet tegen het nazisme gegriefd wordt. Midden in de oorlog neemt de uitgeweken Belgische regering in London al twee soorten maatregelen. Ten eerste. Zij benoemt zichzelf tot initiatiefnemer van de repressie tegen de verraders, omdat ze zich ervan bewust is dat ze zich na terugkeer niet zal kunnen handhaven als ze geen maatregelen neemt tegen de collaborateurs. Dit wordt meegedeeld via de BBC, die door brede lagen van de Belgische bevolking beluisterd wordt. Ten tweede. Het doel van de regering is heel duidelijk. De regering en rechts beven van angst. Zij vrezen het communisme en zijn invloed onder de massas, die de communisten beschouwen als vastberaden tegenstanders van het nazisme en zijn collaborateurs. Het is niet voor niets dat de massas de Belgische CP "de partij van de gefusilleerden" noemt. 1 Voor hen in Londen gaat het er vooral om "de orde te handhaven". Daarom richt de regering Pierlot op 29 juli 1943 een Hoog Commissariaat voor de Staatsveiligheid op om "de plannen geuit door sommige elementen van het Verzet om in de plaats van de wettelijke overheid de orde te handhaven" te verijdelen. Met hetzelfde doel steunt de Belgische regering in Londen het rechtse Verzet volledig, vooral op materieel gebied. Dit verzet is met name vertegenwoordigd door het Geheim Leger, waarvan de leiders (het gaat hier niet om de leden) zich twee essentiële taken hebben gesteld: vooreerst, het behoud van de vroegere orde en daarna een soepele terugkeer van Leopold III op de troon. Het gaat er dus voor de Belgische regering en haar lakeien om ten allen prijze te verhinderen dat er volkstribunalen komen. De regering wil het Verzet zo spoedig mogelijk ontwapenen en de volkswoede zo kanaliseren dat deze zich niet richt op de economische collaboratie waarmee sedert 15 mei 1940 de minister Spaak (Binnenlandse Zaken) en Gutt (Financiën) instemden; Spaak en Gutt bevinden zich trouwens in Londen. De bevrijding Om de volkswoede te kanaliseren, zal het militaire en burgerlijk gerecht na de bevrijding duizenden collaborateurs arresteren. Maar al bij de bevrijding is wat de zuivering betreft, het antagonisme duidelijk tussen diegenen die geen enkel compromis willen aanvaarden en zij die alles in het werk zullen stellen opdat misdaden, fouten en straffen snel vergeten worden. En de feiten bewijzen onweerlegbaar dat de voorstanders van de collaborateurs zegevierend uit die strijd zijn gekomen. Vanaf begin 1947, datum waarop de communisten uit de regering gesloten werden, komt er een hele serie wetten die het lot verzachten van hen die hadden verraden, gefolterd en de nazi-ideologie hadden verdedigd uit haat voor de communisten, joden, oprechte demokraten en zigeuners. Kortom, van hen die zich aan de bezetter hadden verkocht voor enkele kruimels of voor fortuinen. Na de bevrijding werd de repressie uitgevoerd zonder het verzet. Het Verzet eiste het recht op betrokken te worden bij de veroordeling van de collaborateurs. Maar dat duur bevochten recht heeft het nooit gekregen. Rechts heeft er zich altijd tegen verzet en de woorden waarmee rechts zijn standpunt verdedigde zijn beroemd. De toenmalige minister van Justitie, de PSCer Pholien, zei: "Het is niet de taak van de held om te oordelen." Er restte het Verzet niets anders dan te protesteren tegen
de "edelmoedigheid" voor de collaborateurs. Op 16 november 1947 waren
ze met 20.000 en schreeuwden ze hun woede uit in de straten van Brussel. Enkele cijfers bieden een inzicht in het lot van de slachtoffers van de nazis.
Tegenover deze cijfers staat dat bij de bevrijding 49.553 collaborateurs tot een gevangenisstraf werden veroordeeld en 242 van hen werden terechtgesteld. Vanaf het begin van de koude oorlog, waarbij in 1947 de communisten uit de regering werden gesloten, verloopt de rehabilitatie van de incivieken in een steeds sneller tempo. Socialisten, leden van de christelijke volkspartij en liberalen stemmen voor wetten en vaardigen ministeriële maatregelen uit die in het voordeel van de collaborateurs zijn. Het gaat zo snel dat professor Huyse, die voorstander is van een verzoeningsamnestie, zal toegeven: "De koude oorlog zou gaan leiden tot verdringing van schuldgevoel. Hadden de Oostfrontstrijders niet tegen de Russen gevochten?" Huyse benadrukt verder dat "het begin van de koude oorlog de toenadering tussen de socialistische en de christelijke volksbeweging mogelijk maakte. Dit leidde tot een wijziging van het beleid inzake de repressie van collaborateurs." 2 Wie blijft er in de gevangenissen van de 49.553 veroordelingen bij de bevrijding? Zo kan men een vergelijking maken met de nazi-slachtoffers. Op 31 december 1949 blijven er 6.115. De cijfers tonen hoe mild de incivieken werden behandeld. Deze cijfers tonen aan op welke wijze alle regerende burgerlijke partijen beetje bij beetje de collaboratie gerehabiliteerd hebben, om ze tenslotte discreet toe te dekken. Denk hierbij aan de heren André Leysen, Victor Leemans, die de eerste voorzitter werd van de Raad van Europa, Hector De Bruyne die minister van Buitenlandse Handel werd en de anderen... een lange lijst!
Nog andere cijfers hebben een bijzonder belang, zoals volgende gegevens over de regionale verdeling van de behandelde dossiers. Vlaanderen 53,31 % De collaboratie was dus wel degelijk een Belgisch en niet alleen een Vlaams probleem. Welke vorm de collaboratie ook aannam en welke voedingsbodem die ook had (zoals het Vlaams nationalisme), het nazisme is altijd de gemeenschappelijke factor geweest. Het Verzet en de Communistische Partij gingen er van uit dat het gerecht zich vooral moest toespitsen op de ergste feiten die streng gestraft moesten worden. Op 10 november 1945 aanvaarden ze dat de regering een juridisch reglement opstelde. Wanneer een straf van maximum 5 jaar werd uitgesproken en de beschuldigde zijn schuld erkende, kon men tot een minnelijke schikking komen die dan werd gehomologeerd door de Krijgsraad. Het is opmerkelijk dat een jaar later van de 30.750 collaborateurs die tot minder dan 5 jaar werden veroordeeld er slechts 6.464 bereid waren hun schuld te erkennen. Of ze dat ook daadwerkelijk meenden, is natuurlijk niet bekend. De grote ommezwaai Een belangrijke wending in de goedgunstige behandeling van de incivieken kwam er met de wet van 14 juni 1948 van PSC-minister Struye en de wet van 30 juni 1961 van de socialistische minister Vermeylen. Door de wet van de PSCer Struye kunnen duizenden collaborateurs hun rechten terugkrijgen en genieten van vervroegde invrijheidstelling. Bij 82% van de ter dood veroordeelden wordt de straf omgezet in levenslange opsluiting. Als de Belgische gevangenissen in 1977 nog maar één gevangene tellen, blijkt wel dat deze "levenslange opsluiting" een grote bedriegerij was. De wet Struye had ook gunstige gevolgen voor diegenen die slechts administratief uitgezuiverd werden. De wet van de socialist Vermeylen in 1961, die vandaag opnieuw ter sprake komt, betekende een rehabilitatie van de incivieken. Als de straf niet hoger was dan drie jaar, kregen ze amnestie. Voor diegenen waarvan de straf hoger was dan drie jaar was rehabilitatie, met andere woorden amnestie mogelijk op twee voorwaarden: 1. er moest een verzoek zijn van de veroordeelde aan het gerecht; 2. de veroordeelde moest de fouten die hij begaan had tijdens de bezetting erkennen en spijt tonen over zijn houding. Onder deze voorwaarden hebben 1.000 personen een aanvraag ingediend. En dan nog moeten we ons afvragen hoeveel van die 1.000 eerlijk waren. 50 jaar later wordt de amnestie opnieuw aan de orde gesteld Voor de 585 die vandaag nog overblijven willen de CVP, SP en PRL de wet Vermeylen versoepeld toepassen, omdat de stappen die de 585 onverzettelijken bij het gerecht moeten ondernemen volgens deze partijen te zwaar zijn. De koninklijke toespraak van 1 februari 1994, in feite de spreekbuis van Dehaene, roept op tot vrede en verzoening tussen de slachtoffers en hun beulen. Men moet vergeven en men verplicht niemand te vergeten. Deze vrijgevigheid moet zich concretiseren in maatregelen die deze 585 incivieken hun goede naam teruggeven; aan hen die niets wilden weten van de wet Vermeylen, aan hen die niets uit hun verleden wilden afzweren. Zij moeten gerehabiliteerd worden zonder het woord "amnestie" uit te spreken, want zoals professor Huyse, de ideoloog van de versluierde amnestie, schrijft: "Het is tijd definitief komaf te maken met de sociale en menselijke gevolgen van de repressie." Onder welke gevolgen van de zuivering lijden vandaag nog 585 collaborateurs zonder amnestie? Er zijn er vier:
Voor Luc Huyse, professor aan de KUL, moeten diegenen die het Reich hebben gesteund hun fouten erkennen. Er kunnen dan individuele gratiemaatregelen genomen worden en individuele regelingen getroffen worden. Huyse heeft op zijn minst last van een kort geheugen: hij schijnt te vergeten dat bij de wet van 30 juni 1961 van de socialist Vermeylen de incivieken, die trouw zwoeren aan de Grondwet en hun fouten erkenden, amnestie konden krijgen. Zoals Jean Brack, vice-voorzitter van het Onafhankelijkheidsfront in maart 1994 benadrukt: "De 585 gevallen waarover het nu nog gaat zijn diegenen die dit altijd geweigerd hebben..." De houding van de partijen Welke houding nemen de burgerlijke partijen aan tegenover de voorgestelde amnestie? Na de verklaring van Dehaene, aansluitend op de koninklijke toespraak, dat "hij te gelegener tijd een initiatief zou nemen", heeft zijn partij zich gehaast om als eerste een wetsvoorstel in te dienen ter versoepeling van de procedure van de wet Vermeylen. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, zullen diegenen die niet werden veroordeeld tot meer dan 20 jaar gevangenisstraf en die vandaag nog de sociale gevolgen ondervinden van hun daden, automatisch gerehabiliteerd worden. Diegenen die zwaardere straffen opliepen, zullen als zij een verzoek indienen, gelijk behandeld worden als diegenen die lichtere straffen kregen. De herstelvorderingen van de staat (ondermeer de inbeslagnames) die nog niet werden betaald zouden volledig vervallen en sommige bij verstek veroordeelden zouden hun Belgische nationaliteit terugkrijgen. Allen zouden ze hun pensioenrechten terugkrijgen. Anderzijds hebben Kamer en Senaat een wetsvoorstel van Vic Anciaux van de VU in overweging genomen. Bij deze gelegenheid hebben Agalev en Ecolo een op zijn minst cynische komedie opgevoerd. Toen in de Kamer werd gedebatteerd over de 50ste verjaardag van de opstand van het getto van Warschau en het wetsvoorstel "neergelegd door een partij die het revisionisme onderschrijft", hebben Agalev en Ecolo (volgens het analytisch verslag van de Kamer van 22 april 1993) gestemd tegen de in overweging nemen van het wetsvoorstel van de VU. En wat lezen we in het analytisch verslag van de Senaat van 23 april 1993? Agalev en Ecolo stemmen "zonder zich uit te spreken over de grond" voor de in overweging nemen van datzelfde wetsvoorstel van de VU. Het zal niet eenvoudig zijn voor Agalev en Ecolo om deze ommezwaai uit te leggen. Waaruit bestaat het voorstel van de VU? Op 2 maart 1994 verscheen er een artikel in Le Soir onder de titel "Voor een beheerste aanpak van een delicate kwestie : de VU wil een globaal plan voor amnestie". Vervolgens wordt het wetsvoorstel ontleed: "De VU wil een algemene maatregel die een echte verzoening op federaal niveau mogelijk maakt... Afgevaardigde Van Grembergen en senator Jan Loones (zonen van de collaborerende Oostendse en Oostduinkerkse burgemeesters tijdens de oorlog) hebben deze algemene maatregel voorgesteld, met aan hun zijde ex-senator Oswald Van Ooteghem die als vrijwilliger naar het Oostfront vertrok. De Volksunie herinnert eraan dat sommige Vlaamse leiders een ernstige politieke fout gemaakt hebben aangezien de Duitse bedoelingen met betrekking tot Vlaanderen vanaf 1942 bekend waren. De VU wil eerst de algemene rehabilitatie waarbij de burgerrechten van de incivieken worden hersteld en de gevolgen ervan uitwist. De partij vraagt ook een totale amnestie voor diegenen die op het ogenblik van de feiten minderjarig waren (op dat moment 21 jaar), voor de verpleegsters die werkten voor de Duitse afdeling van het Rode Kruis en voor de oud-Oostfronters... De VU vraagt ook dat diegenen die hun nationaliteit verloren die zouden terugkrijgen en naar België kunnen terugkeren. Ook zouden de rechten, verbonden aan die nationaliteit, moeten hersteld worden." Dit wetsvoorstel willen Ecolo en Agalev dus in overweging nemen. De motieven van het wetsvoorstel, ingediend bij de Senaat door het Vlaams Blok op 10 februari 1994, zijn ondubbelzinnig. De artikelen die ter stemming werden voorgelegd sluiten volledig aan bij de voorstellen van de VU, behalve dan dat het Vlaams Blok onverbloemd spreekt van "totale en onvoorwaardelijke amnestie" (art. 2). "Vandaag de dag, benadrukt het Blok in de uiteenzetting over zijn motieven, vergeet men dat talrijke burgers hebben gecollaboreerd om de bevolking te helpen. Gedurende 4 jaar moest ons land geregeerd, bevoorraad, gevoed worden. Daarvoor moest men meewerken met de bezettende overheid... In duizenden gevallen hebben de na-oorlogse magistraten, onder druk van de straat en het Verzet - dat vooral communistisch was - onbillijke veroordelingen en meedogenloze straffen uitgesproken... Na de Bevrijding zijn onschuldige mannen en vrouwen vernederd en mishandeld en werd hun de broodwinning ontnomen in soms barbaarse omstandigheden. Burgers die hadden gecollaboreerd vanuit een vaderlandslievende geest en met toestemming van koning Leopold III werden verloochend en aan hun lot overgelaten..." En het Blok voegt eraan toe: "In zijn werk De repressie van de collaborateurs 1942-1943, een nog altijd aanwezig verleden toont Luc Huyse aan dat de na-oorlogse repressie duidelijk veel strenger is geweest ten opzichte van de politieke collaborateurs dan ten opzichte van de economische. De auteur, zegt het Blok, konstateert terzelfdertijd - kalm en onbewogen - dat de repressie niets anders was dan een poging tot uitroeien van de politieke faktor die het Vlaams nationalisme was..." Het Blok gaat verder: "Het Hof (Koning Boudewijn in 1990 en Koning Albert II in 1994) heeft begrepen dat de Franstalige, naar links overhellende onverzoenlijkheid niets anders doet dan de culturele verschillen tussen de volken op de voorgrond te stellen. Het is onaanvaardbaar, in de context van de groeiende autonomie van alle gemeenschappen... dat één daarvan blijft verhinderen dat de andere zijn wens tot verzoening kan verwezenlijken..." Het Blok legt zeven artikelen ter stemming voor waarin we, zoals hierboven gezegd, terugvinden: totale en onvoorwaardelijke amnestie voor de feiten begaan voor 16 juni 1949 (de officiële datum van het einde van de vijandelijkheden) die door de wetgeving en de repressie werden onderdrukt. "Zoals de repressie, benadrukt het Blok, totaal en onvoorwaardelijk is geweest, kan ook de amnestie alleen totaal en onvoorwaardelijk zijn." Het Blok eist in artikel 3 de opheffing van alle inbeslagnames door de staat; in artikel 4 dat elke persoon die geïnterneerd werd het recht krijgt de in de gevangenis doorgebrachte jaren te laten meetellen voor zijn pensioen. In artikel 5 eist het Blok dat alle vervallen verklaringen of onbevoegdheden opgeheven worden en in artikel 6 dat er een einde gemaakt wordt aan het vermelden van de sancties, uitgesproken tegen diegenen die de repressie ondergingen, in om het even welk document. De PS, de PSC, de PRL en het FDF hebben tot op dit moment, voor zover bekend, nog geen wetsvoorstel ingediend, maar hebben hun houding wel kenbaar gemaakt. Zo verklaart de PS zich akkoord om degenen die hun fouten erkennen, van geval tot geval te onderzoeken, zonder rekening te houden met de administratieve eisen van de wet Vermeylen. De PSC, die op dezelfde lijn zit als de PS, wenst een individueel onderzoek van de familiale gevolgen van de naoorlogse maatregelen. De PRL vindt het schokkend dat de regering de viering van de 50ste verjaardag van de Bevrijding verbindt aan het toekennen of teruggeven van voordelen aan de incivieken, maar vindt niettemin dat individuele maatregelen met het oog op het corrigeren van de sociale gevolgen voor de nakomelingen van de collaborateurs kunnen overwogen worden. Het FDF geeft blijk van meer kordaatheid bij het stigmatiseren van de welwillendheid van de PS en de PSC betreffende de herziening van de wet Vermeylen. De partij verzet zich ertegen en vraagt aan de andere Franstalige partijen hetzelfde te doen en "niet in het ontoelaatbare spel van de Vlamingen te trappen". Het virus van het meest overdreven nationalisme leidt tot het ontkennen van de geschiedenis: voor het FDF is de collaboratie voor eens en voor altijd beperkt tot het noorden; het zuiden daarentegen was vrij van fascisme! Drie feiten moeten nog gesignaleerd worden :
Eerherstel voor het fascisme en criminalisering van antifascisme Deze vier jaren van bezetting, van bloedige terreur, die sommigen definitief terzijde willen schuiven, de oproep tot kalmte en verzoening door een politiek van amnestie en afzwakking van de verantwoordelijkheden betekent niets anders dan eerherstel voor het fascisme van gisteren en criminalisering van het antifascisme. Deze politiek verhult de voortschrijdende kanker van extreem-rechts, een extreem-rechts dat opnieuw toeslaat in de hoop diegenen te kunnen muilkorven die strijden tegen de verrotting van een kapitalistisch regime, dat gesteund wordt door diegenen die kalmte en verzoening prediken. Extreem-rechts wordt vandaag de dag met de nodige hypocrisie geholpen door alle partijen die op hun beurt het racistisch gif van de bewonderaars van het nazisme spuien tegen de migranten, die een makkelijke zondebok zijn voor de economische, politieke en morele krisis van het regime. Extreem-rechts kan triomferen in de anticommunistische campagne van alle partijen en de media die in hun dienst staan. Zij maken van de nazistrijders aan het Oostfront de eerste nooit begrepen helden van een antibolsjevistische kruistocht voor wie er nu gerechtigheid moet geschieden. Extreem-rechts en zijn bondgenoten die, terwijl er gepredikt wordt dat de tijd alle wonden zal helen, dat woede en verontwaardiging zullen verdwijnen, een minister van Justitie hebben gevonden die hen volledig tegemoet komt en een procedure start voor herziening van het proces tegen de collaboratrice en verraadster Irma Laplasse. Deze minister van Justitie kan niet beweren dat hij niet weet wat belangrijk is voor de incivieken van gisteren en hun bondgenoten van vandaag. Zoals het Onafhankelijkheidsfront benadrukt: "... twijfel laten bestaan over de onpartijdigheid van de militaire rechtbanken van 1945 om meer gewicht te geven aan hun vraag naar amnestie". "Amnestie, die voor het Vlaams Blok, zoals de fascist Joris Van Houthem in maart 1994 verklaart "(uitsluitend) betekent dat de repressie en de manier waarop deze werd uitgevoerd veroordeeld wordt ... aangezien België officieel nooit schuld heeft erkend over zijn optreden na de bevrijding..." We hebben dus een CVP-PSC/SP-PS regering die, via haar minister van Justitie Wathelet, een stimulans wil geven aan diegenen die moord en brand roepen over een gerecht dat blind zou zijn geworden "door de druk van de straat en het, vooral communistische, Verzet", zoals het Vlaams Blok beweert. De affaire Laplasse heronderzoeken onder druk van extreem-rechts, is de deur openzetten voor allen die een voorstander zijn van absolutie en die de oorlogsmisdaden van geval tot geval willen onderzoeken. Het is de aanzet tot amnestie voor diegenen die lafheid en winstbejag, verraad en misdaad combineerden en die men vandaag wil voorstellen als "idealisten". Men vergeet dat deze anticommunisten en racisten wel degelijk alle democratische rechten die het volk slechts door hevige strijd heeft kunnen veroveren, hebben aangetast. Welke besluiten moet men hieruit trekken? Met welke ordewoorden kunnen de antifascisten een tegenstroom op gang brengen.
Besluiten we met enkele woorden van de grote Franse dichter en verzetsheld Paul Eluard. Sprekend over degenen die stierven onder de folteringen schreef hij: "Als de echo van hun stem verzwakt, zullen wij ten onder gaan." Herziening van proces Laplasse Kan men extreem-rechts tegenhouden door te buigen voor haar oekazen? De CVP, PSC, SP en PS lappen de lessen van de geschiedenis aan hun laars en buigen. De cirkel is gesloten: van hun politiek ten opzichte van het migrantenvraagstuk tot aan de herziening van het proces Laplasse. Uiterst-rechts triomfeert. Door de naam Irma Laplasse officieel bij te schrijven op de lijst van martelaren, de "ongelukkige slachtoffers van de repressie", heeft men uiteindelijk, 50 jaar na datum, de verraders tot helden en de verzetslieden tot moordenaars gemaakt. Het burgerlijk gerecht zal zich nu eindelijk kunnen bezighouden met de hoofdpijn van de beulen en het geschreeuw van de slachtoffers overstemmen. De zaak Laplasse komt in december 1995 voor de Krijgsraad in Brussel. Deze Krijgsraad, de enige die nog bestaat, zal de hele gerechtelijke machine weer op gang moeten brengen. Irma Laplasse: feiten en geschiedenis De hele familie Laplasse had gekozen voor nauwe collaboratie met de nazis. Irma Laplasse zelf was lid van het VNV (Vlaams Nationalistisch Verbond). De dochter van Irma, Angèle, militeerde in de Dietsche Meisjesscharen, de jongerenorganisatie van het VNV, terwijl haar zoon Frederiek (Fred) op 19 jaar de gewapende wacht in dienst van de bezetter had vervoegd: het Nationaal- Socialistisch Jeugdverbond. Haar echtgenoot was een trouwe activist van het VNV. Er bestaat een recente RTBF-video waarop de familie Laplasse te zien is, niet alleen zonder enige wroeging, maar als vurige propagandisten van het nazi-ideaal. Ze beroepen er zich op dat de collaborateurs van gisteren zich in niets vergist hebben, dat zij en hun nakomelingen trouw blijven aan de fascistische en racistische ideeën. Wat is de geschiedenis van de zaak Irma Laplasse? Op 6 september 1944 trekken de Duitse troepen zich terug uit Oostduinkerke-dorp omdat het Canadese leger snel oprukt. Het Verzet komt in aktie: op 8 september worden 23 Duitse oorlogsgevangenen in de gemeenteschool door de verzetsmensen bijeengebracht. Terzelfdertijd worden enkele collaborateurs aangehouden en in dezelfde school opgesloten. Onder hen Fred, de zoon van Irma Laplasse. Op 8 september, rond 16 uur, verschijnen de Duitsers opnieuw in het dorp. In de buurt van de gemeenteschool woedt een hevig gevecht tussen de Duitsers en het Verzet. De Duitsers halen de bovenhand; zij maken tenslotte 7 leden van het verzet af, laten er één voor dood achter en bevrijden de 23 oorlogsgevangenen en de incivieken. De weerstanders zijn er onmiddellijk van overtuigd dat de aktie van de Duitsers het gevolg was van inlichtingen die hen door een verrader werden verstrekt. Aanvankelijk werd de familie Laplasse niet verdacht. Maar de commandant van het Geheime Leger, die een onderzoek deed, vernam van een lid van zijn organisatie die met observatie belast was, dat twee vrouwen - waarvan één witte kousen droeg - zich naar de Duitse posities begeven hadden, ongetwijfeld om er inlichtingen door te geven. En deze getuige verzekerde bovendien dat de dochter Laplasse altijd witte kousen droeg in de week. Op 30 september 1994 wordt ze door het Geheime Leger ondervraagd. Op de vraag wat ze op 8 september gedaan had bekent ze: "Ik heb aan de Duitse post gezegd dat mijn broer gevangen genomen was door de Witte Brigade. Zij hebben geantwoord: wees gerust, ge zult uw broer terugzien." Irma Laplasse bevestigt deze verklaring van haar dochter. Twee dagen daarna worden ze gearresteerd. Er volgt een eerste ondervraging op 4 oktober 1944 door de officier van de gerechtelijke politie te Nieuwpoort. Irma Laplasse bekent dat ze op 8 september 1944 naar de Duitse observatiepost is gegaan, samen met haar dochter Angèle. Ze verklaart dat ze daar heeft gevraagd of men iets kon doen voor haar zoon, die gearresteerd was door de Witte Brigade. Ze weigert eerst deze verklaring te ondertekenen. Haar dochter Angèle, die ook ondervraagd wordt, verklaart: "Op 8 september 1944 ben ik met mijn moeder meegegaan naar de batterij van Groendijk-Bad om aan de Duitsers te vragen of ze niets konden doen voor mijn broer die gearresteerd was door de Witte Brigade. De functionaris had geantwoord: Ge zult uw broer terugzien. Toen mijn broer terug thuis was heeft mijn moeder hem gezegd dat wij de Duitsers hadden gewaarschuwd om hem te bevrijden." Angèle Laplasse heeft deze verklaring ondertekend. Dan komt er een tweede ondervraging. Irma Laplasse wordt ondervraagd door twee wachtmeesters van de gendarmerie van Veurne en zij bekent de feiten: "Ik heb dit gedaan omdat ik vreesde voor het leven van mijn zoon. Mijn zoon is rond ongeveer 10.30u s avonds thuisgekomen." Deze verklaring werd door Irma Laplasse getekend. Angèle Laplasse bevestigt deze verklaring tegenover de beide rijkswachters en tekent ook haar verklaring. Gezien de bezwarende omstandigheden en de bekentenissen van moeder en dochter, wordt Irma Laplasse ter dood veroordeeld en op 30 mei 1945 geëxecuteerd omdat ze had verraden dat het Verzet Duitsers en collaborateurs vasthield en zo de dood van zeven verzetsmensen veroorzaakt had. Het voorgaande is ontleend aan het rapport over het antwoord van minister van Justitie, Alfons Vranckx, op 18 juni 1970 aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers naar aanleiding van de publieke verklaringen van Karel Van Isacker. Deze had de executie van Irma Laplasse bestempeld als "een in koelen bloede uitgevoerde moord". Hij had bovendien een magistraat ervan beschuldigd vrijwillig verantwoordelijk te zijn voor de dood van Irma Laplasse, "een gewone volksvrouw". De ministers van Justitie Vranckx en Vanderpoorten hadden dus in 1970 het dossier Laplasse terug in handen genomen en hun besluit was dat niets een herziening rechtvaardigde. Alhoewel de socialist Vranckx verklaarde: "De wet voorziet in een heel arsenaal straffen, die het mogelijk maken de doodstraf niet te gebruiken". Van Isacker in de aanval Aan het hoofd van het zwarte aanvalspeloton van de verdedigers van de collaboratie neemt Karel Van Isacker een geprivilegieerde plaats in. Heel zijn taktiek is erop uit te bewijzen dat Irma Laplasse een voorbeeld is van een martelaar van het "voortvarend gerecht" uitgeoefend door de straat ten tijde van de Bevrijding. Maar wie is deze Van Isacker? Hij is een jezuïet die professor Geschiedenis was aan de Katholieke Universiteit van Antwerpen en in 1968 militant wordt in een comité voor amnestie, opgericht door personen vol heimwee naar het fascisme. In 1971 wordt een hulpfonds opgericht voor steun aan extreemrechts en zijn stoottroepen, de VMO, die door het gerecht worden aangevallen en voor hun familie. In het beschermkomitee vindt men Van Isacker terug aan de zijde van notoire collaborateurs en de elite van extreem-rechts. Waarop baseert Van Isacker zijn campagne? Volgens hem is het niet bewezen dat de Duitsers hebben gehandeld op basis van de inlichtingen van Irma Laplasse. Het hadden ook andere bronnen kunnen zijn. Volgens Van Isacker zou een Duitser, Karl Borgers, verklaard hebben dat de Duitsers in Oostduinkerke niet waren geïnformeerd over de aanwezigheid van partizanen door een plaatselijke bewoner, maar door andere Duitse soldaten die uit Frankrijk kwamen. Maar Joseph Bals, een andere Duitse soldaat, heeft tijdens het proces getuigd dat een vrouw naar de bunker was gekomen om de arrestatie van Duitsers door partizanen aan te geven. Van Isacker maakt geen gewag van dit feit, maar kiest de getuigen die hem goed uitkomen. Volgens Van Isacker zou de verklaring van Borgers gestaafd zijn door de getuigenverklaring van een sedertdien overleden weerstander die eerst de theorie van verraad zou gesteund hebben en die deze verklaring later had ingetrokken. Hoe durft Van Isacker zich te baseren op dergelijke inconsistente argumenten terwijl Irma en Angèle Laplasse hebben bekend dat ze de Duitsers hebben gewaarschuwd en ze hun bekentenissen hebben ondertekend? Daar trekt Van Isacker zich niets van aan en hij komt af met twee andere beweringen.
Noteren we eerst dat Van Isacker hier zichzelf tegenspreekt! Eerst zegt hij: er is geen verraad geweest tegenover een vijandelijk soldaat. Maar vervolgens verklaart hij: Laplasse kon de consequenties van haar verraad niet voorzien. Om dit tweede punt te rechtvaardigen spreekt Van Isacker over "een gewone volksvrouw". Maar zelfs een "gewone vrouw" was in staat om na 4 jaar naziterreur te beseffen dat haar onderhoud met een Duitser, in die omstandigheden, wel gevolgen moest hebben. Zijn de Laplasses echt die gewone simpele mensen? In elk geval zijn ze dat voor de BRTN, die over Irma Laplasse praat als over: "de echtgenote van een boer met Vlaamse gevoeligheid". Dus geen collaborateur, geen nazi, maar een arme drommel met Vlaamse gevoeligheid! Wellicht is het daarom dat de BRTN geweigerd heeft het programma "Strip-tease" uit te zenden terwijl journalist Johan Anthierens uitdrukkelijk verzocht had om uitzending ervan. De RTBF blijft niet achter. Zonder enige commentaar toont zij de inciviek Fred Laplasse, die huilt over het lot van zijn arme moeder. Ja, in dit 50ste jaar na de Bevrijding, laat men ondanks alle mooie toespraken, het nazimonster terug uit zijn hol kruipen. Men is bezorgd over de hoofdpijn van de beulen en vergeet het geschreeuw van zijn slachtoffers! Noten 1 De Communistische Partij is de enige politieke
partij in België die bij de komst van de nazis niet uiteenviel. Gedurende
de hele bezetting, handelde de CP als leidinggevend centrum van het Verzet,
met haar martelaren vanaf 1940. Om er maar enkele op te noemen: in september
1940 was René Dillen, communistisch partijverantwoordelijke uit Antwerpen
bij de allereerste gevangenen van Breendonk. In april 1941 worden de communistische
volksvertegenwoordiger Jean Borremans en Jules Vanderlinden, partijverantwoordelijke
voor Brussel, gearresteerd en naar een concentratiekamp overgebracht. Daarnaast
wordt, op verzoek van Berlijn, een kaartenbak met de gegevens van 1.800 communisten
onder wie 84 leidende kaders, aan de Duitsers overgemaakt. Men moet er ook op
wijzen dat 2.000 communisten hun strijd tegen het nazisme met hun leven betaald
hebben. |