Arbeidsduurverkorting in het belang van het kapitaal

Auteur: 
Udo Paulus

Griekenland en de kwestie van de macht

Arbeidsduurverkorting is in Griekenland een thema dat oppervlakkig gezien anachronistisch lijkt. Maar dat is alleen maar schijn. De maatschappelijke en politieke realiteit toont duidelijk aan dat deze problematiek verbonden is met de macht van het kapitaal, zoals Griekenland niet meer gekend heeft sinds de dagen van de bezetting, de burgeroorlog en de fascistische militaire junta. Dramatische ontwikkelingen bedreigen nu de levensomstandigheden en de rechten van de Griekse arbeidersklasse, de boeren, de kmo’s, de studenten en de gepensioneerden.

Aanvallen op de waarde van de arbeidskracht; de lonen

  1. 150 000 ambtenaren zullen voor eind 2015 ontslagen worden waarvan 15.000 al in de loop van 2012. In Duitsland zou deze maatregel betekenen dat 1,1 miljoen werknemers in de openbare diensten hun baan zouden verliezen.
  2. De onderhandelingsvrijheid van de sociale partners over de lonen en de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) gelden niet langer.
  3. Alle lonen die volgens de nationale cao’s vastgelegd zijn, worden met 22 % verminderd. Het minimumloon dat al amper voldoende is om rond te komen, daalt van 751 tot 586 euro bruto per maand. Na aftrek van sociale bijdragen en belastingen blijft er nog 480 euro netto over.
  4. Werknemers jonger dan 25 jaar zullen maar 510 euro bruto ontvangen.
  5. De werkloosheidsuitkering daalt van 461 naar 323 euro per maand.
  6. De werkloosheid steeg in november tot een recordhoogte van 21 %.
  7. In de leeftijdsgroep van de 15 tot 24-jarigen bedraagt de werkloosheid 48 %.
  8. De media berichten over kinderen die tijdens de lessen flauwvallen door voedselgebrek en honger. Volgens de Griekse onderwijsvakbonden lijden duizenden minderjarigen aan permanente ondervoeding. Scholen verdelen voedselbonnen aan behoeftige leerlingen.
  9. In de gezondheidszorg worden er in 2012 opnieuw besparingen opgelegd voor 1,1 miljard euro, terwijl in vele openbare ziekenhuizen de zieken hun bedlinnen al zelf moeten meebrengen.
  10. De zelfmoordgraad bereikt een verontrustend hoogtepunt, in een land dat zich tot voor kort kon beroemen op de laagste zelfmoordcijfers in Europa.
  11. Vóór de crisis leefde 25 % van de Griekse bevolking dichtbij of onder de armoedegrens. Nu is dat 40 %. Armoede en dakloosheid zijn een normale zaak geworden en horen bij het straatbeeld in Athene, Thessaloniki en Patras.
  12. De achteruitgang van de levensverwachting van de getroffen bevolkingsgroepen is vandaag nog niet zichtbaar, maar ze zal zich zeker manifesteren.

Als alles verloopt volgens de richtlijnen van de trojka, die bestaat uit de Europese Commissie, het Internationaal Muntfonds, de Europese Centrale Bank en de op winst beluste nationale burgerij, is het einde van de afbraak van de lonen en de sociale zekerheid nog lang niet in zicht.

Als we de arbeidsduur vergelijken ligt Griekenland met een werkweek van 40 uur boven het gemiddelde in de Eurozone, dat 38 uur bedraagt. Duitsland bevindt zich met 37,7 uur op dezelfde plaats als Finland en Nederland met 37,5 uur, ver onderaan dus. Terwijl Frankrijk met 35,6 uur de laatste (en beste) plaats bezet.

De jaarlijkse totale arbeidsduur in Griekenland bedraagt gemiddeld 1816 uur. In Duitsland daarentegen bedraagt ze ongeveer 1658,8 uur, in Frankrijk ongeveer 1601,6 uur.[1] Deeltijds werk en uitzendarbeid, tijdelijke tewerkstelling, de aanvallen op de achturendag en de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd worden overal in de Europese Unie doorgeduwd. De door het kapitaal gedomineerde arbeidsduurvermindering stelt een vierdaagse werkweek voor, of een werkdag van vier uur met dramatische loonsverlagingen. Alle voltijdse arbeidsplaatsen in de openbare bedrijven (tot voorheen met sectorale overeenkomsten voor onbepaalde duur) moeten omgevormd worden tot tijdelijke arbeidscontracten. De creatieve koppen van het kapitaal hebben onder het motto ‘Wat u echt wilt!’ een model voor deeltijds werk bedacht met de slogan ‘afwisselende arbeid’ ; een soort deeltijdse arbeid zonder staatssteun. Dit model heeft veel weg van willekeur: minder uren werken per dag, minder dagen per week, minder weken per maand, ja zelfs minder maanden per jaar. Maar niet zoals de werknemer het wil, maar wel zoals het de werkgever past, met andere woorden: alles is ondergeschikt aan de winstverwachtingen. Zelfs een combinatie van de verschillende varianten is wenselijk, uiteraard altijd gekoppeld aan neerwaartse loonaanpassingen.

Er wordt niet enkel openlijk ingezet op een daling van het loon en de sociale levensvoorwaarden om de arbeidskosten te verminderen. Neen, de aanvallen richten zich rechtstreeks op de kostprijs van de waar zelf, op de vermindering van de waarde van de arbeidskracht, op de existentiële reproductievoorwaarden van de arbeidersklasse, om de winsten en het concurrentievermogen van het kapitaal te versterken.

Oorzaken van de crisis

In Griekenland stortten de lokale markten ineen, de economie kromp in 2011 met ongeveer 6,8 %. De staatsschuld steeg tot 350 miljard euro, terwijl het private financiële vermogen verdubbelde.[2] De Griekse crisis is een onderdeel van de internationale crisis van het kapitalisme. De marxisten menen dat de oorzaken te zoeken zijn bij de overmatige accumulatie van kapitaal in de imperialistische fase van het kapitalisme. De crisis van het financieel kapitaal krijgt het etiket ‘bankencrisis’ opgeplakt. Het monopoliekapitaal ondervindt toenemende moeilijkheden om de meerwaarde in de secundaire sector lucratief te besteden. Dus worden er investeringsmogelijkheden gezocht om een meerwaarde op de aandelen te bekomen in de tertiaire sector; ze hanteren daarbij een casinostrategie. De verdragen van de Europese Unie, in het bijzonder die van Maastricht en Lissabon, hebben aan de leidende imperialistische staten van de Unie de structuren bezorgd om de winstverwachtingen van het monopoliekapitalisme te realiseren, door een verhoging van de winstmarges. Controle van het kapitaalverkeer is strikt verboden. Het monopoliekapitaal legt bovendien arbeidsduurmodellen op, die een vermindering van de arbeidstijd koppelen aan een daling van de lonen tot op het niveau van het bestaansminimum. Dit alles in een economisch en sociaal klimaat van massale werkloosheid, dat inmiddels de toestand van de jaren dertig overstegen heeft en de ‘hoogste, en tegelijkertijd meest barbaarse’ vorm is van de door het kapitaal gedomineerde vermindering van de arbeidstijd.

De staking van de staalarbeiders in Aspropyrgos

In dit verband krijgt de staking van het staalbedrijf Halyvourgia in Aspropyrgos in de omgeving van Athene een voorbeeldig karakter. Ongeveer 400 staalarbeiders zijn al in staking sinds oktober 2011. Het bedrijf heeft getracht om een inhouding van 500 euro op het maandloon door te voeren voor alle werknemers en tegelijkertijd een vermindering van de arbeidstijd tot vijf uur per dag. 68 van de 400 werknemers werden al ontslagen (toestand februari 2012) terwijl hun bedrijf intussen winst maakte. De klassenbewuste Griekse arbeidersklasse met de Griekse Communistische Partij (KKE) en de PAME (Algemeen Strijdend Arbeidersfront) aan het hoofd, beschouwt dit klassenconflict als ‘het’ voorbeeld dat de burgerij in alle sectoren van het bedrijfsleven wil doorvoeren. De burgerij maakt zich op voor een meedogenloze strijd van de imperialistische staten om markten te veroveren, met als uiteindelijke doel het rendement van het internationale kapitaal en zijn invloedssferen te verzekeren.

Verzet en machtskwestie

De strijd tegen de door het kapitaal bepaalde arbeidsduurvermindering is in Griekenland rechtstreeks verbonden met het verzet tegen de EU-verdragen, tegen de NAVO en alle imperialistische verdragen, waarmee het imperialisme en in dit systeem de Griekse staat, de grote meerderheid van het volk knevelt. De meerderheid van het volk krijgt elke dag aanschouwelijk onderricht over het standpunt van Lenin Over de leuze der Verenigde Staten van Europa: “Vanuit het standpunt van de economische voorwaarden van het imperialisme, d.w.z. van de kapitaalexport en de verdeling van de wereld door de ‘vooraanstaande’ en ‘geciviliseerde’ koloniale mogendheden, zijn de Verenigde Staten van Europa onder kapitalistische verhoudingen ofwel onmogelijk ofwel reactionair.”[3]

De strijd om de terugtrekking uit de EU en de strategie van de tegenaanval en de omverwerping van het systeem vormt in het geval van Griekenland een coherent geheel. De scheidingslijn tussen de krachten van het verzet die hun verwachtingen zoals tevoren op de heropleving van het systeem zetten en de klassenbewuste delen van de bevolking die de activiteiten van het verzet altijd zien in verhouding tot de machtsvraag, is sinds het uitbreken van de crisis in 2007 niet langer abstracte kwestie. Maar ze wordt met elke nieuwe barbaarse maatregel concreet ervaren, of het nu in de bedrijven is, in de administraties, in de scholen, in de olijfbossen, in de ziekenhuizen of in de kiosken of elders. Voor een serieuze inschatting van de politieke krachten van het verzet, in het bijzonder van de vakbondsbeweging, moet de nationale context geanalyseerd worden. Hier moeten enkele fundamentele elementen onderscheiden worden, om in te zien dat de klassenbewuste krachten van de KKE, de PAME en de andere klassenorganisaties in de concrete klassenstrijd directer met de machtskwestie te maken hebben dan we ons in Duitsland kunnen voorstellen. De scheidingslijn met de opportunistische stellingen die illusies verspreiden over oplossingen binnen het systeem, zijn veel scherper. Voor de staalarbeiders in Aspropyrgos betekent dit concreet of ‘ik’ de solidariteitslijn van de stakers volg of de parolen van de sociale partners die stakingen breken. Zoals in de beide bedrijven van de staalindustrie Manesis in de regio Magnissia, waar ze met hun vakbondsmeerderheid de klassensolidariteit tegenwerken of op zijn minst bemoeilijken. In een interview op 20 januari 2012 heeft Giorgos Sifonios, de vakbondsvoorzitter van het staalbedrijf in Aspropyrgos, de houding van de sociale partners bevestigd. DAKE (Democratische Onafhankelijke Beweging van Werknemers) en PASKE (Pan Hellenistische Strijdende Vakbeweging) namen in het arbeiderscentrum van Volos en in de bedrijfsraad van Halyvourgia in Volou stelling tegen de staking. De AP (Aftonomi Paremvasi, Autonome Interventie), gelieerd met Syriza, heeft zich in het arbeiderscentrum van Volos bij de stemming onthouden met het argument dat het staking was die voor werkgevers paste. De leidingen van DAKE, PASKE en AP hadden eerder in de beide overkoepelende organisaties van de vakbond GSEE (Algemene Vereniging van Griekse Arbeiders) en ADEDY (Bestuur van de Verenigingen van Ambtenaren) wel verklaard dat ze solidair waren, toen PAME het voorstel tot de staking voor 17 januari indiende: “We steunen de strijd van de staalarbeiders, uiteraard zijn we solidair, we staan allen aan hun zijde.” Het duurde amper twee dagen of de voorzitter van de Aftonomi Paremvasi, Ilias Vretakos, beweerde dat er niet genoeg tijd was om de staking voor te bereiden. PAME had echter al voor Kerstmis aangedrongen op een solidariteitsstaking en het thema op de agenda van de commissies van de vakbonden geplaatst.[4] Op die manier aanvaardden de door de sociale partners gedomineerde vakbonden in deze bedrijven, niet alleen de loonsvermindering en de afbraak van sociale verworvenheden. Ze hebben er ook mee ingestemd de bestellingen die in het stakende Aspropyrgos moesten uitgevoerd worden, in Volos af te werken. Ze wezen de oproep van de PAME voor solidariteitsstaking af. “Maar wanneer anderen niet meedoen, kunnen we niet winnen”, becommentarieerde Nikos[5], een van de stakers in Aspropyrgos, de ontbrekende vakbondssolidariteit in de beide vestigingen ten noorden van Athene.

Dit betekenisvolle voorbeeld laat toe om concreet de klassentegenstellingen die tot uiting komen in het verzet van de staalarbeiders te bestuderen. De enen zetten in op strategieën die binnen het systeem blijven, zoals de voorzitter van ADEDY Kostas Tsikrikas. Volgens hem moet de markt onderworpen worden aan democratische voorschriften. Antonis Schetaki, bestuurslid van ADEDY, gelieerd met AP, verlangt dat de EU zich verder ontwikkelt en gedwongen wordt zich te perfectioneren.[6] PAME daarentegen beschouwt deze strategie als de illusie van het opportunisme, dat uiteindelijkt het burgerlijke systeem stabiliseert. PAME steunt de klassenstrijd tegen een systeem waarbinnen de Griekse arbeidersklasse geen bevrijdend perspectief heeft. Ze roept dag in dag uit op om het verzet tegen de achteruitgang van de levensomstandigheden, te verbinden met de omverwerping van het kapitalistisch systeem.

De ‘splitsing’ van de Griekse vakbeweging

Vanaf de jaren 1920 tot de fascistische militaire junta (1969-1974) staan de vakbonden in Griekenland onder sterke invloed van de klassenbewuste communisten die er stevige posities in bekleden. Tijdens hun lange geschiedenis bestonden er evenwel ook altijd opportunistische groeperingen, gaande van sociaaldemocratische, liberale of anarchistisch syndicalistische oorsprong. De vakbondsverkiezingen in de bedrijven en in de openbare sector gebeurden niet op een samenhangende wijze, meestal met versplinterde, politiek gebonden vakbonden. De vakbondsbeweging werd opgedeeld in als maar kleinere eenheden, die in basisvakbonden georganiseerd waren, of in vakverenigingen volgens beroep of regio, al naar gelang de geografische spreiding. Dergelijke basisvakbonden tellen vandaag nog duizenden leden en beslissen zelf in elke afdeling bij welke regionale, nationale of sectorale organisaties ze zich zullen aansluiten. Met het PASKE en DAKE probeerde het politieke heersende blok na 1974 het heroplevende klassenbewustzijn te verhinderen – de communisten hadden aan extreme vervolgingen blootgestaan tijdens de militaire dictatuur. Een groepering van krachten die door de traditionele regeringspartijen, PASOK en Néa Dimokratía, rechtstreeks gesteund werden, zetten vooral in de openbare sector de invloed van de sociale partners door. Na het einde van de junta hebben de politieke krachten rond Andreas Papandreou een sociaaldemocratische partij gevormd in Griekenland, de PASOK[7] (Pan Hellenistische Socialistische Beweging), die tot op vandaag geen enkele in de massa's verankerde positie inneemt in de industriële sectoren. De oprichting vond plaats met grote steun van de Europese sociaal-democratie, in het bijzonder met de invloedrijke medewerking van Willy Brandt, een Duits politicus en bondskanselier in de jaren 1970. Opportunisme drong de arbeidersbeweging binnen, zoals overal in de imperialistische context, door rechtstreekse burgerlijke beïnvloeding. De bevoorrechte arbeidersaristocratie speelde in de industriële sector in Griekenland een eerder bescheiden rol, maar dat was anders met het cliëntelistische systeem in de openbare diensten. Duizenden en duizenden arbeidsplaatsen werden beloofd en gecreëerd, niet zelden met zeer hoge salarissen, waarvan de meeste werknemers alleen maar konden dromen. Aanwervingen gebeurden in functie van de regeringsmeerderheid. De klassenbewuste arbeiders daarentegen werden in vakbonden dikwijls geconfronteerd met ‘vlijtige’ aanhangers en zelfs met de echte misdadigers van de junta. Dit speciale Griekse politieke systeem van clientelisme is van sociaal-democratische oorsprong. Daar liggen de oorzaken van de splitsing van de Griekse arbeidersklasse.

Het klassenbewuste deel van de werkende mensen, velen zeggen dat het decennia te laat gebeurde, gaf hierop een antwoord in 1999 met de oprichting van een eigen syndicale organisatie, het klassenbewuste vakbondsfront PAME. De oprichting van PAME bestreed de klassenverdeeldheid die veroorzaakt werd door sociaal-democratische illusies en stelde zich tot doel de Griekse arbeidersklasse te verenigen. Vakbondsvoorzitter Giorgos Sifonios verwoordde het tijdens de algemene staking op 17 januari 2012 op het Omonoiaplein in Athene als volgt: “Het doel van PAME is de versterking van de lijn van de klassenstrijd. Ze creëert daarmee de voorwaarden voor de heroprichting van de arbeidersbeweging, wat betekent: eenheid in de actie van iedereen in loondienst in de strijd voor politieke en sociale rechten. PAME probeert de splitsing en de willekeur van de vakbeweging te overwinnen en door de klassenstrijd, het eensgezinde verzet te organiseren tegen het kapitaal en zijn gewillige medeplichtigen in de regeringen. Het partijlidmaatschap is niet van belang om lid te zijn van PAME, maar wel een antimonopolistische en anti-imperialistische instelling. PAME hekelt de eenheid die door de werkgevers en de regeringsvakbonden nagestreefd wordt. Het is de eenheid van de onderwerping waarmee de arbeidersklasse haar politieke en sociale rechten opgeeft. PAME daarentegen geeft het model aan voor een democratische eenheidsvakbond die gericht is op actie-eenheid en actiebekwaamheid van de arbeidersklasse. In haar oprichtingsverklaring verplichtte ze zich tot een uniform vakbondsfront, dat de klassenstrijd onderschrijft en collega’s met verschillende achtergronden verenigt in de politieke actie. Deze krachten zijn verenigd in de strijd tegen het kapitaal, de EU en de regering, tegen oorlog en tegen imperialisme.”[8]

De invloed van PAME in de al in 1918 opgerichte vakbond GSEE, waartoe alle werknemers van de privé sector behoren, stijgt voortdurend. Ook in de tweede grootste overkoepelende organisatie, ADEDY, die de werknemers in de openbare dienst vertegenwoordigt, verandert de zetelverdeling ten gunste van PAME, maar ten koste van PASKE en DAKE, evenals de met de linkse alliantie Syriza gelieerde, Aftonomi Paremvasi. Dat alles werd bereikt, ondanks het jarenlange cliëntelistische beleid bij het toewijzen van betrekkingen. De destijds nog bestaande meerderheid in GSEE en ADEDY zijn de kruiwagens van de leidende politiek ten dienste van het grootkapitaal. Alle bestaande wetten tegen de belangen van de loontrekkenden en hun sociale rechten, hebben ze in het verleden ondersteund. Bij elke syndicale mobilisatie van de basis treden ze op als stakingsbrekers. Ze kanaliseren het verzet en schrikken er niet voor terug de demonstraties van klassenbewuste arbeiders openlijk te veroordelen. In de tijd van de junta ondersteunden ze de fascistische dictatuur. Ze verzekeren zich van lucratieve baantjes, desnoods door het ontslaan van onverzettelijke vakbondsleden met behulp van arresten van burgerlijke rechtbanken. Via PASKE en DAKE oefenen de regeringspartijen directe invloed uit op de verdeling van de baantjes, met gekonkelfoes bij de verkiezing van de afgevaardigden, want de geloofsbrieven komen in geen geval tegemoet aan de democratische basiswaarden. De regeringsgetrouwe fracties ‘zuiveren’ het ledenaantal om de verdeelsleutel van de afgevaardigden voor het congres van de vakbeweging te beïnvloeden.

Tot zover de kwestie van de verdeeldheid van de Griekse arbeidersbeweging. Elke beoordeling ervan moet voorzichtig gebeuren, om geen vertekend beeld te geven als we ernaar kijken met een Duitse bril. Het onuitgesproken dilemma in de discussie onder marxisten, leidt ertoe dat de Griekse en Duitse klassenomstandigheden in één pot gegooid worden. De enen pleiten voor de export van de Duitse bondsstrategieën naar Griekenland, de anderen beweren het omgekeerde. Beide leiden tot valse inschattingen, of minstens toch tot misverstanden.

Udo Paulus is een gepensioneerde leraar die in Griekenland woont. Zijn artikel verscheen in Marxistische Blätter, nr. 2, 2012, p. 85-90. (www.marxistische-blaetter.de)


[1]     European Industrial Relations Observatory, Situatie 2010. Bijgewerkt: juli 2011. http://wko.at/statistik/eu/europa-arbeitszeit.pdf.

[2]     Rapport van het ISW (Institut für sozial-ökologische Wirtschaftsforschung), 21 januari 2012, p. 7.

[3]     V.I. Lenin, 1915, “Over de leuze der Verenigde Staten van Europa”, Keuze uit zijn werken, 1973, Progres Moskou, Deel 2, p. 219.

[4]     Risospastis, 20 januari 2012.

[5]     Junge Welt, 25 februari 2012.

[6]     Risospastis, 15 januari 2012.

[7]     De politieke grondslagen van de PASOK werd opgesteld in Munchen, Duitsland.

[8]     Unsere Zeit, 3 februari 2012.