Annie Lacroix-Riz: De Franse bedrijfs- en bankwereld tijdens de bezetting

Auteur: 
Jean Pestieau

Het boek De Franse bedrijfs-en bankwereld tijdens de bezetting[1] is het resultaat van jarenlang opzoekingswerk in Franse en Duitse archieven. Het toont aan hoe de werkgeversorganisaties “de sociale oorlog tot in de details sturen en aanwakkeren”. Hun enige doel is – en dit is nooit anders geweest – de hoogst mogelijke winst op te strijken, de lonen van de werknemers te verlagen en de staat tegen het volk op te zetten.

       Annie Lacroix-Riz, een onwaarschijnlijk erudiete vrouw, heeft van het openstellen van de archieven van de jaren 1930 en 1940, gebruik gemaakt om een antwoord te zoeken op de volgende vraag: heeft de Franse ondernemers- en bankwereld zich in 1940 tegen de nazi’s verzet? Of hebben de Fransen hun Duitse collega’s warm aan de borst gedrukt om zo verder te kunnen bouwen aan de samenwerking die al tijdens de crisis van de jaren 1930 was begonnen? Dat die samenwerking werd voortgezet en tijdens de bezetting zelfs ongekende proporties aannam, is immers bewezen. Alles wat los en vast zat, van grondstoffen tot afgewerkte producten, werd aan nazi-Duitsland verkocht. Er werden ‘Europese’ kartels met een Duitse directie opgericht, er werd kapitaal samengebracht ten voordele van de nazi-oorlogsmachine (vanaf de bezetting werd ‘joods kapitaal’ geweerd), het Duitse maar ook het Franse financiële kapitalisme werd ‘geariseerd’, enzovoort.

       Ook de centrale rol die de kopstukken van de synarchie[2] tijdens het Vichy-regime en in de economie zelf speelden, is aangetoond. Die economie stond toen trouwens volledig in dienst van de nazi-oorlogsmachine. In samenwerking met de bezetter, voerden de industriëlen, bankiers en hoge functionarissen drastische maatregelen door om hun winsten te verhogen, het kapitaal te concentreren en de lonen te verlagen. Om hun doel te bereiken, was er repressie nodig en daar werkten ze dan ook actief aan mee.

       “Frans afgevaardigde voor het vierjarenplan, majoor Edinger-Hodapp, merkte in maart 1941 op, dat het groeiende verzet tegen de Duitse doelstellingen vooral werd veroorzaakt door “de invloed van de maatregelen en initiatieven van de Franse ondernemers en de organisatie van de Franse economie, op de materiële situatie en ingesteldheid van de Franse werknemers.” Dat, en “de subversieve agitatie van de Franse communisten.” [...] De werkgeversverenigingen keurden “de [Duitse] instructies met betrekking tot de loonmaatregelen” unaniem goed. Vichy legde ze vast en voerde ze uit.” (p. 582)

       “Kortom, zo stelde de AID (Algemene Inlichtingendienst) in oktober 1941, er is een heuse maffia van oud-ingenieurs en oud-inspecteurs van Financiën ontstaan, die een hechte groep vormt in het hart van een geheim genootschap met internationale vertakkingen. Het zijn haar leden die alle beslissingen op staatsniveau nemen en zo doelbewust op de militaire nederlaag van mei-juni 1940 hebben aangestuurd. Ze coördineren de georganiseerde ombuiging van de economie van dit land om enorme financiële belangen te verwerven. Met speciaal hiervoor uitgewerkte wetten en richtlijnen, loodsten ze verder handig een aantal Duitse groepen binnen. Zo verworden de organen van de Nieuwe Franse Staat tot nauwelijks meer dan de buitenlandse afdelingen van de Banque Worms.” (p. 22-23) “Zo komt het dat er van 1940 tot 1944 een financiële clan over Europa heerste, geleid door het ‘team’ Worms-Indochine-Lehideux-Nervo, dat al sinds de crisis was gevallen voor de verleidingen van de ‘continentale’ en Europese collaboratie.” (p. 23)

       Het verzet vanuit Frankrijk zelf, maar ook dat van Groot-Brittannië en vooral van de Sovjet-Unie, deed het vertrouwen van de bankiers en zakenlui in een Duitsgezind Europa echter geleidelijk aan afbrokkelen: “Stalingrad [februari 1943] betekende het ‘keerpunt’ en de Sovjetoverwinning overtuigde de synarchie ervan dat de val van het Reich niet lang meer op zich zou laten wachten. Dit was de belangrijkste zichtbare wending in de oorlog en ze maakte duidelijk dat het tijd was de American Way te gaan volgen, die weldra de nieuwe bevoorrechte economische partners met zich zou meebrengen. Maar, en hier was niet enkel de synarchie blij om, Amerika zorgde ook voor het ultieme sociopolitieke ‘bolwerk’” (p. 546) tegen de eisen en de strijd van de arbeiders en tegen de zegevierende Sovjet-Unie. “De liefde van de zakenwereld voor Amerika was net zoals hun collaboratie daarvoor, een garantie voor ‘bescherming tegen interne vijanden’ bij de ‘afzondering en omsingeling’ die volgde op de bevrijding.” (p. 570)

       De omvang van de collaboratie van de industriëlen en bankiers tijdens de bezetting, was indrukwekkend. “Maar wat sleepte het Franse grote kapitaal tijdens de ‘economische collaboratie’ nu eigenlijk in de wacht? Verdubbelde of verdrievoudigde het zijn kapitaal, zoals de grote banken aangaven? Verviervoudigde het, zoals de winst die het bedrijf Théraplix aangaf? Verzesvoudigde het, zoals de aandelenkoers van de 35 grootste ‘genationaliseerde’ naoorlogse waarden (4 banken, 6 voor de verzekeringen, 7 voor de steenkoolmijnen, 5 voor de oud-netwerken van de spoorwegen, 5 voor gas en 8 voor elektriciteit) die steeg van index 110 in 1939 naar 610 in januari 1943? Verzevenvoudigde het bijna, zoals de aandelen van de ‘vrije’ sector (van 113 naar 697) dat deden, totdat de beurs vanaf 1943 de verdere ontwikkeling van de ‘nationaliseerbare’ afdelingen niet langer vertrouwde? […] De bezetting was zeker een gouden tijd voor wie met het Reich samenwerkte.” (p. 651)

       Wanneer de krant La Marseillaise[3] opmerkt dat haar boek verbazend genoeg ook een licht werpt op het jaar 2013, antwoordt A. Lacroix-Riz: “Alles wat vroeger is gebeurd, onderstreept de actualiteit van de huidige problemen. In volle crisis behouden of verhogen de monopolies zelfs hun winsten, dankzij het drastische verlagen van de lonen, onbeperkte staatssteun en ongehoorde fiscale voordelen, en dit alles met ‘Europese’ steun. De fascinatie voor het Duitse economische en sociale model blijft in stand. De staat wordt gecontroleerd door bepaalde groeperingen waarvan de huidige leiders vaak afstammen van de industriëlen en bankiers waar ik het in mijn boek over heb. Volgens het plan dat MEDEF (de Franse werkgeversorganisatie) in 2007 aan de staat voorlegde, moest “het Franse sociale model” dat door de Conseil nationale de la Résistance (Nationale Raad voor de Weerstand) was uitgewerkt, opgedoekt worden. We zien er de triomfantelijke hartstocht in terug, waarmee de synarchie geniet van de ‘beproevingen van het vaderland’ en van de nederlaag die ze zelf hebben ‘bekokstoofd’ [en] hoe ze terugvallen op het cynische opportunisme van de hoge bourgeoisie van 1815, 1830, 1852 en 1871. Zo beschreef François Bloch-Lainé, lid van de ambtenarenelite van Vichy en een belangrijk naoorlogs bankier (net zoals zijn vader en zonen), zijn wereld in 1976. Later trok hij zijn woorden terug.”

De Frans-Belgische parallel

Aan het begin van haar boek, trekt A. Lacroix-Riz een verhelderende parallel tussen België en Frankrijk: “Ik schaar me achter de analyse van John Gillingham over het Belgische ‘grootkapitaal’. Dit had al tijdens de crisisjaren een strategie op punt gesteld, dat het vanaf de nederlaag [van 1940] in de praktijk bracht: het paste zich aan de ‘nazistische nieuwe orde’ aan.”

       België werd tijdens het interbellum door drie reuzenholdings gedomineerd. Er was de Société Générale, het rijk van de ‘ongekroonde koning’ Alexandre Galopin, “waarvan de Belgische koninklijke familie [...] de belangrijkste aandeelhouder was”. De tweede was het consortium Bank van Brussel-Confinindus-Brufina, de heersers van de steenkool-, staal- en verwerkende industrie. Aan het hoofd van dit consortium stond Baron Paul de Launoit, volgens Baron Kurt von Schröder een ‘echte eurovisionair’. Von Schröder stond niet alleen aan het hoofd van de Steinbank in Keulen, een belangrijke ontmoetingsplaats voor Duits, Brits en Amerikaans kapitaal, maar hij was ook lid van de raad van bestuur van de Bank voor Internationale Betalingen (BIB), speelde een rol [in Hitlers machtsovername] op 30 januari 1933 en was SS-commandant. Tenslotte was er de groep Société Belge de Banque van de chemiereus Solvay.

       De Société Générale [...] “controleerde alle grote sectoren van de industrie”, van de metropool tot de verborgen schat die Congo was. In deze Belgische milieus nestelden de Duitsers, vertegenwoordigers van de Staat en het grote kapitaal, zich zowel voor als tijdens de oorlog.” (p. 8-9)

       John Gillingham heeft aangetoond dat het Belgische grote kapitaal tijdens het crisisdecennium zijn productiebeleid al had afgestemd op de verwachte Duitse invasie. “Tijdens het interbellum, dat zo zwaar op de arbeiders doorwoog, stonden de vakbonden [...] en het Parlement [...] dit beleid in de weg. Maar eens die onschadelijk waren gemaakt, zouden de bankholdings de economie veel gemakkelijker kunnen concentreren en moderniseren. In feite was het stevige Duitse model dus eigenlijk dat van het ‘Franse grote kapitaal’, dat net zoals zijn Belgische tegenhanger de samenwerking tijdens het interbellum uitbreidde en dat tijdens de bezetting bloeide. Men hoeft zich dus niet langer af te vragen waarom de economische spilfiguren de bezetter zo’n hartelijke ontvangst gaven. (p. 27)


[1] Annie Lacroix-Riz, Industriels et banquiers français sous l’Occupation, hernieuwde en volledig herziene uitgave, 816 pagina’s, Armand Colin, 2013. Zie: http://www.armand-colin.com/livre/427887/industriels-et-banquiers-francais-sous-l-occupation.php. EAN13: 9782200277765. Alleen beschikbaar in het Frans.

[2] Synarchie: een geheime Franse politiek-financiële organisatie, opgericht door de crème de la crème van het grote kapitaal. Het doel is zoveel mogelijk binnen te rijven en door de lonen en de levensomstandigheden van de arbeidersklasse te verlagen en door zich de bezittingen van meer gematigde kapitalisten en ‘joodse kapitalisten’ toe te eigenen.

[3] Marseillaise, 1 september 2013. Zie: http://www.historiographie.info/marseillaise.pdf.