Annie Lacroix-Riz over de oorsprong van het Europese keurslijf (1900-1960)

Auteur: 
Jean Pestieau

Vanaf het begin van het boek[1] zet de auteur meteen de toon met de verwijzing naar de herdenking van de honderdste verjaardag van de Grote Oorlog: “Deze verjaardag wordt gevierd in volle systeemfase van een kapitalistische crisis, die vergelijkbaar is met de crisis die vanaf 1873 de aanzet en de voorbereiding van de Eerste Wereldoorlog was. Lezers die vertrouwd zijn met Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme van Lenin zijn lang niet meer de enigen die “onrustbarende gelijkenissen” vaststellen tussen de overgang van de 19e naar de 20e (1880 – 1913) en van de 20e naar de 21e eeuw. Enkele van die gelijkenissen zijn de concentratie van het financierskapitaal in enorme monopolies, met de banken voorop, de oorlog tegen de lonen (“de loonkost”) en de eeuwige oorlogen voor de controle over de grondstoffen. In de huidige conjunctuur zal dat lezerspubliek waarschijnlijk alleen maar toenemen en Le Monde (net als overigens de meerderheid van de andere kranten) speelt daarop in.” (p. 7-8)

Het werk van Annie Lacroix-Riz illustreert meerdere theoretische punten die kenmerkend zijn voor onze tijd. Ik kan de lectuur ervan dan ook alleen maar aanbevelen. Hierna volgen enkele van die punten.

  1. In het tijdperk van het monopoliekapitalisme wordt het politieke beleid bijna volledig gedomineerd door de economie, ongeacht de politieke vorm: de Weimarrepubliek, het nazisme of de Duitse Bondsrepubliek. De monopolies, vooral in de ijzer- en staalnijverheid, de metallurgie en de chemie, leggen hun specifieke dictatuur op aan de Duitse staat. Wat waar is voor Duitsland, is ook waar voor de verschillende politieke vormen van Frankrijk: de 3e Republiek, met inbegrip van het Volksfront, Vichy en de 4e Republiek. Die vaststelling geldt eveneens voor België, Nederland, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland enzovoort. En vandaag blijft het dezelfde weg opgaan!
  2. In het tijdperk van het monopoliekapitalisme leggen over het algemeen de grootste monopolies van de machtigste landen - de VS en Duitsland - hun overheersing op aan de grootste monopolies van economisch zwakkere landen zoals Frankrijk. Die relatief zwakkere monopolies kiezen voor samenwerking, zowel in vredes- als in oorlogstijd, in de wetenschap dat de grote vissen de kleine opeten. Het is een opmerkelijk treffende illustratie van de uitspraak dat “de oorlog de voortzetting is van de politiek met andere middelen”. En de oorlogspolitiek wordt tijdelijk voortgezet door de al even tijdelijke “vredespolitiek”. Op het bedrogen volk is de uitspraak van Anatole France van toepassing: “Men denkt te sterven voor het vaderland, maar men sterft voor de industriëlen.”
  3. In vergelijking met Frankrijk onderscheidt de kracht van het Duitse en Amerikaanse financierskapitalisme zich in het bijzonder door de meer solide industriële basis, door een dynamischer ontwikkeling van de productiekrachten. “Het is geen toeval dat in Frankrijk in de jaren ‘80 juist de bijzonder snelle ontwikkeling van het financierskapitaal, naast de verzwakking van het industriekapitaal, leidde tot een uiterste toespitsing van de annexionistische (koloniale) politiek.”[2]
  1. Voor de monopolies is de binnenlandse vijand - in de eerste plaats de georganiseerde arbeidersklasse die zich verzet tegen de daling van de “kosten” van de arbeid en nog heviger tegen de op de loonslavernij gebaseerde maatschappij - gevaarlijker dan de buitenlandse. De strijd tegen de binnenlandse vijand is de grootste factor van eenmaking tussen monopolies over de grenzen heen. Terzelfder tijd is er de buitenlandse vijand, want “het kenmerk van het imperialisme [is] dat enkele grote mogendheden wedijveren in het streven naar de hegemonie, d.w.z. naar het in bezit nemen van gebieden, niet zozeer direct voor zichzelf, dan wel om de tegenstander te verzwakken en diens hegemonie te ondermijnen (voor Duitsland is België bijzonder belangrijk als steunpunt tegen Engeland; voor Engeland Bagdad, als steunpunt tegen Duitsland enz.).”[3]
  2. In de plaats van het tijdperk van de machtige kartels van vóór 1939 is er nu de EU. Voor de Europese monopolies is Europa vandaag het almaar meer geperfectioneerde politieke en institutionele verlengstuk voor (1) de ontmanteling van de georganiseerde arbeidersbeweging en haar strijdinstrumenten, (2) de zo voordelig mogelijke positionering ten opzichte van de VS, de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika), Japan enzovoort. “Het Europese bouwwerk is het jongere zusje van het kartel van het interbellum, heerser over prijzen en markten.” De monopolies sloven zich uit om een van hun basisdogma’s te institutionaliseren om het dan zo snel mogelijk stiekem met voeten te treden: “Elke ‘concurrentievervalsing’ was verboden.” (1950, p. 171) In dat kader merkt een hoge ambtenaar in april 1953 op: “Toch dreigt de opening van een gemeenschappelijke markt te resulteren in een stijging van de levensduurte met alle economische, psychologische en politieke gevolgen van dien.” Dat doet Annie Lacroix-Riz opmerken dat dit “slechts een vergeeflijke zonde is, terwijl de loonsverhoging een doodzonde is. “Want de ‘Hoge Autoriteit’, die zo zwak staat tegenover de financiers, bood hun uiteindelijk bescherming aan in de vorm van een loonsanering die lange tijd werd tegengehouden door nationale protectionistische beslissingen.” (p. 169 - 170)

Annie Lacroix-Riz geeft een uitstekende schets van de rol van de notoire personen voor de ‘goede’ functionering van het monopoliekapitaal, dat in zijn ‘natuurlijke’ evolutie de sterkste polen nog meer versterkt. Zo vind je aan de zijde van de Thyssens, Krupps en de Wendels ook de Stresemanns, de Briands, verschillende personen van de oligarchie, de gebroeders Dulles, Couve de Murville, François-Poncet, Poincaré, Robert Schuman, Jean Monnet, Konrad Adenauer enzovoort. Staatsmannen en machtige captains of industry and finance werken eensgezind samen.

Vooral “De terugkeer van het kartel van 1926 en zijn vertegenwoordigers” (p. 146) en “De draaischijf van de integratie: loonbeleid en herstel van de sociale vrede” (p. 164-165) vond ik bijzonder goed.

Om een correcte beoordeling te maken van de Europese Unie van vandaag moeten we goed inzicht hebben in de geschiedenis van de (krachts)verhoudingen tussen de Amerikaanse, Duitse en Franse monopolies, gespreid over een periode van honderd jaar. En dat is precies wat het boek van Annie Lacroix-Riz, Aux origines du carcan européen (1900 – 1960) beoogt. Een aanrader voor iedereen. “Het ‘sociale Europa’ was van bij zijn ontstaan en is nog altijd een oorlogsmachine van het financierskapitaal tegen de lonen. Op dat punt kunnen we beter vertrouwen op de archieven (...) dan op de grote media en de heersende ‘geschiedschrijving’.” (p. 184)


[1] Annie Lacroix-Riz, Aux origines du carcan européen (1900-1960) : La France sous influence allemande et américaine, Le Temps des Cerises-Éditions Delga, 2014.

[2] Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, hfdst. 7, zie http://www.marxists.org/nederlands/lenin/1916/imperialisme/7.htm.

[3] Ibidem..