Archief
Nummer 55, publicatiedatum: 0000-00-00 Copyright © EPO, Marxistische Studies en auteurs — Overname, publicatie en vertaling zijn toegestaan voor strikt niet-winstgevende doeleinden.
Terug naar het archief
Over het neokolonialisme.
De bijdrage van de Communistische Partij van India (marxist-leninist) – People’s War analyseert de geschiedenis van het kolonialisme op wereldvlak sinds de 19e eeuw eng gedurende de 20e eeuw. Heel bijzonder gaat men in op de periode na de Tweede Wereldoorlog.
De CPI beschouwt het neokolonialisme als een indirecte methode van controle en onderdrukking, schadelijker en erger dan het openlijke kolonialisme. Dit neokolonialisme verschilt in de grond niet van het kolonialisme, maar het weerspiegelt niettemin de strategische verzwakking van het imperialisme als gevolg van de nationale bevrijdingsbewegingen van de jaren 50 en 60 en de opbouw van het socialistische kamp na 1945. Het imperialisme heeft na de ineenstorting van het socialisme in Oost-Europa en de Sovjet-Unie opnieuw aan agressiviteit gewonnen. Dat is eigen aan de periode 1990-2000.
In deze context gaat de CPI dieper in op de specifieke toestand van India in het huidige kader van de imperialistische globalisering en zij formuleert op basis daarvan de taken van de nationale en democratische revolutie voor de Indische communisten.
1. Neokolonialisme en kolonialisme
Wat is neokolonialisme? Hoe verschilt het van de oude vorm van kolonialisme?
Kolonialisme en neokolonialisme zijn twee types, twee methoden, twee beleidsvormen die het imperialisme gebruikt om de verdrukte landen en naties te knechten, te overheersen en uit te buiten. Terwijl kolonialisme de meest voorkomende vorm was vóór de Tweede Wereldoorlog, werd neokolonialisme belangrijk erna. Wat inhoud betreft, is er geen fundamenteel verschil tussen beide vormen.
Het belangrijkste verschil tussen neokolonialisme en het oude type van kolonialisme ligt in de overschakeling van open of directe vormen naar verborgen of indirecte vormen van slavernij, overheersing en uitbuiting van de ontwikkelingslanden. De Chinese Communistische Partij verklaarde het fenomeen neokolonialisme als volgt in De polemiek over de algemene lijn van de internationale communistische beweging tijdens het Grote Debat in 1963: “Na de Tweede Wereldoorlog hebben de imperialisten het kolonialisme zeker niet opgegeven, maar er slechts een nieuwe vorm ervan toegepast, het neokolonialisme. Een belangrijk kenmerk van zulk neokolonialisme is dat de imperialisten gedwongen werden om hun oude stijl van directe koloniale heerschappij te veranderen in sommige gebieden en een nieuwe stijl van koloniale heerschappij en uitbuiting aan te nemen door te vertrouwen op de door hen geselecteerde en getrainde tussenpersonen. De imperialisten, aangevoerd door de Verenigde Staten, knechten of controleren de kolonies en de landen die reeds hun onafhankelijkheid hebben uitgeroepen door militaire blokken te organiseren, militaire basissen op te zetten, ‘federaties’ of ‘gemeenschappen’ op te richten en marionettenregimes te installeren. Door economische ‘hulp’ of andere vormen behouden zij deze landen als afzetmarkten voor hun producten, grondstofbronnen en afzetgebieden voor hun kapitaaluitvoer, plunderen er de rijkdommen en zuigen het bloed uit de mensen van deze landen. Wat meer is, zij gebruiken de Verenigde Naties als een belangrijk instrument om in de binnenlandse zaken van zulke landen in te grijpen en om hen te onderwerpen aan militaire, economische en culturele agressie. Wanneer ze niet in staat zijn om hun heerschappij over zulke landen op een ‘vreedzame’ manier verder te zetten, organiseren ze militaire staatsgrepen, oefenen subversie uit, of zoeken zelfs hun toevlucht tot directe gewapende interventie en aanvallen.”
“De Verenigde Staten zijn zeer energiek en geslepen in het aanprijzen van het neokolonialisme. Met dit wapen proberen de VS-imperialisten de kolonies en de invloedsgebieden van andere imperialisten in te pikken en de wereldheerschappij te veroveren.”
“Dit neokolonialisme is een verderfelijkere en onheilspellendere vorm van kolonialisme.”
Neokolonialisme is niet uitsluitend een fenomeen van na de Tweede Wereldoorlog, maar het werd dan wel het overheersende fenomeen.
Lenin zelf wees op deze verholen vorm van kolonialisme wanneer hij de nadruk legde op: “de constante noodzaak om onder de breedste werkende massa’s van alle landen, en vooral van de onderontwikkelde landen, de systematisch door de imperialistische krachten toegepaste misleiding te onthullen en te verklaren die, onder het mom van politiek onafhankelijke staten, staten oprichten die volledig afhankelijk zijn van hen, economisch, financieel en militair.”1
Hij wees er ook op dat “financierskapitaal zo’n grote, zo’n beslissende zou men kunnen zeggen, kracht is in alle economische en internationale relaties, dat het in staat is om zelfs de meest politiek onafhankelijke staten te onderwerpen en dit ook doet.”2
Hij legde ook uit hoe het financierskapitaal een aantal overgangsvormen van afhankelijkheid van staten ontwikkelt: “Daar we spreken over koloniaal beleid in tijden van kapitalistisch imperialisme, moet genoteerd worden dat het financierskapitaal en zijn buitenlands beleid, dat bestaat uit de strijd van de grote machten over de economische en politieke verdeling van de wereld, tot een aantal overgangsvormen van staatsafhankelijkheid leiden. Er zijn niet alleen de twee belangrijkste groepen van landen, de landen die kolonies bezitten en de kolonies zelf, maar ook de diverse vormen van afhankelijke landen die, politiek gezien, formeel onafhankelijk zijn, maar in feite verstrikt zijn in het net van financiële en diplomatieke afhankelijkheid, dat typisch is voor deze tijd. We hebben al verwezen naar één vorm van afhankelijkheid – de semi-kolonie. Een voorbeeld van een andere vorm is Argentinië.”3
Geheel Latijns-Amerika en delen van het Midden-Oosten waren zelfs vóór de Tweede Wereldoorlog onderworpen aan de neokoloniale uitbuiting en overheersing door de verschillende imperialistische krachten. Egypte werd onafhankelijk verklaard in 1922, Irak in 1927, en Iran is zelfs nooit echt een kolonie geweest, maar toch maakten deze drie landen deel uit van de Britse ‘invloedssfeer’. Hoewel deze landen de constitutionele status van onafhankelijke staten hadden, stonden zij onder de economische, militaire en politieke dominantie van Groot-Brittannië. Ook China onder Tsjang Kai-sjek was slechts in naam onafhankelijk tot het in 1949 bevrijd werd; het was een semi-kolonie van verschillende imperialistische machten – Groot-Brittannië, de VS, Frankrijk, Duitsland, Italië en Japan hadden elk hun investeringen in China. Al deze machten hadden ‘internationale overeenkomsten’ in elke belangrijke haven met hun eigen wetten, politiemacht en gewapende krachten; ze hadden overal hun eigen fabrieken, banken en cinema’s en kanonneerboten. Er werden zowel koloniale als neokoloniale vormen gebruikt door de verschillende imperialistische krachten om semi-koloniaal China te plunderen.
Hoe dan ook, het was in Latijns-Amerika dat de neokoloniale vorm het meest voorkwam vóór de Tweede Wereldoorlog. Sinds het einde van de Spaanse koloniale heerschappij over geheel Latijns-Amerika (uitgezonderd Brazilië, dat onder Portugese heerschappij stond), die zowat drie eeuwen duurde, van de jaren 1520 tot de jaren 1820, waren de landen van Latijns-Amerika formeel onafhankelijk, maar in realiteit stonden ze onder de heerschappij van het VS-imperialisme. Het beleid van de VS tegenover Latijns-Amerika begint met de Monroe-doctrine, geformuleerd in 1823, die stelt dat “de Amerikaanse continenten (…) van nu af aan niet beschouwd dienen te worden als onderwerp voor toekomstige kolonisatie door Europese machten… We zijn het aan onze openhartigheid verschuldigd (…) om te verklaren dat we elke poging van hun kant om hun systeem uit te breiden tot om het even welk stuk van onze hemisfeer zullen moeten beschouwen als zijnde gevaarlijk voor onze vrede en veiligheid.”
Het waren natuurlijk de VS die in de jaren 1840 Texas en Californië van Mexico afnamen, bijna de helft van het land. De VS wakkerden een Panamese ‘separatistische revolutie’ aan, ontfutselde Panama aan Colombia en veranderde het in een marionettenregime. Alleen de Britse imperialisten – die bondgenoten waren van de VS – werd het toegestaan de Falklands van Argentinië en Belize van Honduras af te nemen. In het algemeen zijn de Latijns-Amerikaanse landen dus formeel onafhankelijke landen geweest gedurende meer dan anderhalve eeuw, maar zij waren onderworpen aan de economische, militaire en ideologische heerschappij van het imperialisme, voornamelijk het VS-imperialisme. Telkens strategische belangen in Latijns-Amerika in gevaar kwamen, greep het VS-imperialisme onmiddellijk in, zoals bij het VS Navy-bombardement en de inname van Veracruz in Mexico in 1914 en de inval van het VS-leger in Mexico in 1916 om de rebellenleider Pancho Villa gevangen te nemen, maar ze mislukten in hun opzet. De politiek van het neokolonialisme kwam tegemoet aan de belangen van het VS-imperialisme, dat immers te laat kwam in de strijd om de kolonies. Door het installeren van eigen marionettenregeringen in zo goed als alle twintig Latijns-Amerikaanse landen en door de Monroe-doctrine konden de VS-imperialisten de andere imperialistische grootmachten ervan weerhouden de Latijns-Amerikaanse landen in te nemen. Dezelfde strategie kon worden gezien in de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen de VS-imperialisten plannen smeedden om de hele wereld naar zich toe te trekken via de Brettonwoods-instellingen zoals de Wereldbank, het IMF en het GATT (General Agreement on Trade and Taxes).
Door het toepassen van het neokolonialisme hielden de VS niet alleen hun rivalen uit Latijns-Amerika, maar creëerden ze ook de illusie dat de landen onafhankelijk waren. Want van buitenaf gezien waren het de Mexicanen die Mexico leidden, Venezolanen die Venezuela leidden, Bolivianen die Bolivia leidden, Cubanen die Cuba leidden, enzovoort. Porfirio Diaz, de gehate Mexicaanse dictator, was een Mexicaan; Juan Vicente Gómez, de slachter van Venezuela, was een Venezolaan; Batista, de Cubaanse despoot, was een Cubaan. Of om recentere voorbeel den te nemen: Pinochet, de dictator van Chili was een Chileen, en Fujimori was een Peruviaan. Constitutioneel waren al deze landen onafhankelijk, maar de echte macht lag in Wall Street en in Washington.
Een levendige beschrijving van hoe zo’n VS-heerschappij tot stand kwam in deze gebieden werd in 1935 gegeven door majoor-generaal Smedley: “Ik was drieëndertig jaar en vier maanden in actieve dienst als lid van de knapste militaire kracht van ons land, het marinecorps. Ik diende in alle rangen, van tweede luitenant tot majoor-generaal. Tijdens deze periode bracht ik de meeste tijd door als een eersteklas Superman voor de grote zakenwereld, voor Wall Street en voor de bankiers. Kortweg, ik was een afperser in dienst van het kapitalisme…”
“Zo hielp ik Mexico en vooral Tampico veilig maken voor de Amerikaanse oliebelangen in 1914. Ik werkte mee om van Haïti en Cuba geschikte plaatsen maken voor de National City Bank om er inkomsten te verzamelen. (…) Ik hielp Nicaragua uit te zuiveren voor de internationale bankiersfirma van de Brown Brothers in 1909-1912. Ik bracht licht in de duisternis van de Dominicaanse Republiek voor de Amerikaanse suikerbelangen in 1916. Ik hielp Honduras ‘geschikt’ te maken voor de Amerikaanse fruitbedrijven in 1903…”4
1.1. Het neokolonialisme na de Tweede Wereldoorlog
De verhulde methodes van kolonialisme zijn geen volledig nieuwe vormen van koloniale overheersing. Het nieuwe aan het fenomeen van neokolonialisme in de periode na de Tweede Wereldoorlog is dat het de regel geworden was en niet langer de uitzondering. Het is de desintegratie van het systeem van directe koloniale heerschappij door de anti-imperialistische opstoot van de onderdrukte naties in de kolonies en de opkomst van een sterk socialistisch kamp dat het imperialisme ertoe noopte de nieuwe strategie van het neokolonialisme aan te nemen. Hoewel de opkomst van het neokolonialisme geen nieuw stadium is, betekent het toch de verzwakking van het imperialisme in zijn nieuwe fase na de Tweede Wereldoorlog. De impact van de nationale bevrijdingsbewegingen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika was zo groot in de wereldgeschiedenis, dat de imperialistische machten, zoals de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland en Portugal verplicht waren de staatsmacht over te geven aan hun vroegere kolonies. De ernstige klappen die door de wereldbevolking uitgedeeld werden hebben het imperialisme genoopt de mantel van de nieuwe verborgen vorm van kolonialisme aan te trekken; voor het imperialisme was zo’n beleid geen kwestie van keuze maar bittere noodzaak.
Om het in één zin samen te vatten: neokolonialisme is de typische vorm van koloniaal beleid aangenomen door het imperialisme in het stadium van zijn strategische terugtrekking en verval.
De zwakheid van het imperialisme kon gemeten worden aan het feit dat terwijl in 1919 meer dan 1.200 miljoen mensen op een totale wereldbevolking van 1.800 miljoen (bijna 70%) in kolonies leefden, de directe koloniale overheersing in 1966 zo goed als verdwenen was in Azië, Afrika en de Caraïben. Het is de combinatie van de volgende drie belangrijkste politieke krachten op de internationale scène die het systeem van directe koloniale overheersing bezegelde:
1. de opkomst van een krachtig socialistisch kamp dat zijn grote steun uitgebreid had tot de nationale bevrijdingsstrijd;
2. de onvermoeibare anti-imperialistische nationale bevrijdingsbewegingen zelf;
3. de bewegingen van de werkende klassen en de bewegingen voor het herstel van democratie en de rede in de imperialistische landen.
De Tweede Wereldoorlog had bijgedragen tot de versterking van de bovenvermelde politieke krachten, en tezelfdertijd het imperialisme in zijn geheel verzwakt, en hierdoor was het verplicht zich terug te trekken.
Na eeuwen van directe koloniale heerschappij slaagden de meeste onderworpen landen erin de directe imperialistische heerschappij af te schudden binnen de eerste twee decennia na de Tweede Wereldoorlog. Bijna geheel Azië kwam onder de directe imperialistische heerschappij uit in de eerste tien jaar na de oorlog; in Afrika kwam het einde van de directe koloniale heerschappij in de daaropvolgende tien jaar. In 1955 hadden pas vijf staten in gans Afrika zich onafhankelijk verklaard, hoe formeel die onafhankelijkheid ook was. Het ging om Egypte, Liberia, Ethiopië, Libië en Zuid-Afrika, waar het blanke racistische minderheidsregime aan de macht was. Tegen het midden van 1968 waren 40 landen onder de directe koloniale heerschappij uitgekomen. Het jaar 1960 werd het Afrika-jaar genoemd omdat dan 17 landen ‘onafhankelijk’ werden verklaard. Met deze enorme groei van nationaal bewustzijn diende rekening gehouden te worden door de verschillende imperialistische machten in het uitlijnen van hun toekomstige strategieën om hun plundering en uitbuiting van deze gebieden verder te zetten. De erkenning van deze nieuwe realiteit en de noodzaak om een nieuwe aanpak uit te werken werd het duidelijkst uitgesproken door generaal Charles De Gaulle, het Franse staatshoofd, in zijn toespraak tot de Franse legerofficiers in december 1960. Hij zette zijn legerofficieren aan om rekening te houden met wat er in de wereld gebeurde, om te begrijpen dat de oude methoden van onderdrukking en overheersing door wapengeweld en de directe uitoefening van de staatsmacht onmogelijk werden, en dat er een nieuwe manier gevonden diende te worden om “het werk van Frankrijk in Algerije verder te zetten”.
Om hun werk in de vroegere kolonies verder te zetten hebben de imperialisten hun methoden van uitbuiting en overheersing verfijnd en uitgebreid. Nieuwe agenten en instrumenten als de VN, de Wereldbank, IMF, GATT, USAID, enz. werden in werking gesteld, nieuwe personeel werd aangenomen en nieuwe wapens werden gebruikt – dit alles samen vormde het systeem van neokolonialisme.
1.2. Vruchteloze pogingen om de directe heerschappij te bestendigen
Natuurlijk gaven de verschillende imperialistische krachten hun oude methode van directe heerschappij niet zomaar op. In 1945, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, gebruikten de Westerse imperialisten alle middelen die ze hadden om de Aziatische gebieden te heroveren die ze tijdens de oorlog aan de Japanse fascisten kwijtgeraakt waren. Het socialistische kamp was nog niet volledig geconsolideerd (China was nog in vrijheidsstrijd) en de nationale bevrijdingsbewegingen waren nog niet volgroeid. Door gebruik te maken van deze situatie, probeerden de Westerse imperialisten vlug hun koloniale heerschappij te herstellen in grote delen van Azië door de bevrijdingsbewegingen met buitengewone wreedheid uit te roeien.
Tijdens de oorlog werden alle westerse imperialistische machten verdreven uit het Aziatisch Stille Oceaan-gebied door de Japanse imperialisten – de Britten uit Birma en Maleisië, de Fransen uit Indochina, de Nederlanders uit Indonesië en zelfs de Amerikanen uit de Filippijnen. Deze machten konden noch het volk verdedigen tegen het fascisme noch hen de wapens geven om zichzelf te verdedigen. Het volk kwam natuurlijk in opstand tegen het Japanse fascisme en bij de nederlaag van Japan in 1945 waren er overal volksopstanden.
De Democratische Republiek Vietnam werd in 1945 opgericht in geheel Vietnam, noord én zuid. In Indonesië nam het volk de staatsmacht over van Japan en stichtte haar eigen republiek in augustus 1945. In diezelfde maand nam de Anti-Japanse Unie van het Maleise volk de staatsmacht over in gans Maleisië na de heldhaftige weerstand van het Maleise Anti-Japanse Volksleger tijdens de wereldoorlog. In Zuid-Korea werd in september 1945 een Volksrepubliek uitgeroepen tijdens het nationale congres in Seoel. In de Filippijnen verdreef in september 1944 het 10.000 man sterke en over 40.000 reserves beschikkende Filippijnse Anti-Japanse Volksleger, de Hukbalahap, de Japanners, en had tegen het einde van de oorlog de controle over het gehele land.
In China kwam de strijd voor de complete bevrijding van het feodalisme en het imperialisme onder leiding van de Chinese Communistische Partij van Mao na de val van Japan tot het stadium van strategisch offensief. In India brachten de zeemuiterij van 1946, de Tebhaga- en Telangana-opstanden en de nieuwe naoorlogse opstand van de verschillende bevolkingsgroepen de grondvesten van het Britse imperialisme aan het wankelen.
In Vietnam vielen Britse, Franse en Japanse troepen samen de nieuwe regering aan, ontbonden de volksmilitie en de politie, riepen de staat van beleg uit, namen alle vitale staatsorganen over en herstelden de Franse heerschappij in het land. De gebeurtenissen van 1945 in Vietnam werden door een auteur als volgt samengevat: “Bij de gratie van de Britten, en met de hulp van de Japanners, hadden de Fransen een houvast herwonnen in Indochina.” Maar de Fransen werden verslagen bij Dien Bien Phu in 1954 en werden gedwongen hun troepen uit Vietnam terug te trekken. Later nam het VS-imperialisme deze taak weer op, maar zij kregen in 1973 een vernederende nederlaag te verwerken door het Vietnamese volk.
Bij een gelijkaardig manoeuvre in Indonesië namen de Nederlanders, met behulp van de Britse gewapende machten en de 80.000 man sterke Japanse troepen die door de Britten vrijgelaten en bewapend waren, alle sleutelsteden weer in, met inbegrip van Jakarta, en probeerden hun heerschappij over hun ex-kolonie te herstellen. Maar de onophoudelijke gewapende strijd met het Indonesische volk gedurende de volgende drieëneenhalf jaar dreven de Nederlandse imperialisten uit het land en Indonesië werd een republiek in 1948. De pogingen om de imperialistische overheersing in Indonesië te herstellen bleven ook later nog voortduren; in oktober 1965 werden honderdduizenden communisten en andere patriotten en democraten door een militaire coup afgeslacht.
In Maleisië kwamen de Britse troepen aan binnen de maand na de machtsgreep van de Maleisische anti-Japanse Unie, weigerden de nieuwe autoriteit te erkennen en lanceerden een grootscheepse, brutale aanval op de vakbonden en andere democratische organisaties. Duizenden werden gedood of gearresteerd. De gewapende strijd tegen de Britten werd voortgezet maar werd brutaal neergeslagen door een Brits leger van 130.000 man. Pas in 1957, nadat de revolutionaire krachten in Maleisië forse klappen hadden gekregen en de Britten in staat waren de macht over te dragen aan de inlandse feodale en compradore-klassen5, verkreeg Maleisië constitutionele onafhankelijkheid.
In Birma werden de Britten in 1948 verplicht de onafhankelijkheid toe te staan, maar slechts na het vermoorden van Aunug San en de meeste anti-imperialistische leiders.
De Amerikaanse troepen die een maand na de Japanse overgave van september 1945 in Zuid-Korea aankwamen onderdrukten de democratisch verkozen regering van de Volksrepubliek van Korea, vermoordden de liberale leider Lyuh Woonhgung, en installeerden een rechts Amerikaans marionettenregime onder leiding van dictator Syngman Rhee, tegen de wil van het Koreaanse volk in.
Vooraleer ze de onafhankelijkheid verklaarden van de Filippijnen in juli 1946 op basis van de Filippijnse Onafhankelijkheidswet van het VS-congres van 1934, namen de VS-imperialisten alle voorzorgen om de revolutionaire krachten te verpletteren en om hun economische en politieke controle te behouden. De Filippijnen werden gedwongen in te stemmen met vrijhandel met de VS en om de VS 22 basissen toe te staan met een gratis huur van 99 jaar. De Nationale Boeren Unie, de Hukbalahap en de Communistische Partij werden gebannen en de Amerikaanse stroman, president Manuel Rojas, geruggensteund door 90.000 man sterke Amerikaanse troepen, lanceerde een bloedige oorlog om de boerenbevolking en de verschillende revolutionaire krachten te onderdrukken.
Ook in India, hadden de Britten, met een revolutie in het verschiet, geen andere keuze dan het overdragen van de macht aan de grote landheren-compradoreburgerij om hun economische belangen in het land veilig te stellen.
Tussen 1945 en 1948 pompten de VS-imperialisten 5 miljard in China om het decadente Tsjang Kai-sjek-regime te vrijwaren. Maar ze konden de overwinning van de Chinese revolutie niet voorkomen.
In Afrika werden de volksstrijden gedurende een gans decennium na de Tweede Wereldoorlog bloedig onderdrukt. Duizenden werden afgeslacht in Madagaskar in 1947 door Franse troepen. In Ghana, Nigeria, Kameroen, Kenia, Kongo, Algerije, Tunesië en Marokko moesten duizenden de wapens opnemen om de brutale repressie van de verschillende imperialistische krachten te bevechten.
Gedurende een heel decennium vochten de verschillende imperialistische machten dus wanhopig en meedogenloos om het oude patroon van directe koloniale heerschappij te herinstalleren in Azië en in Afrika, maar zij werden door de groeiende kracht van de nationale bevrijdingsbewegingen en het socialistische kamp gedwongen het te vervangen door het neokoloniale patroon. Het neokoloniale systeem werd pas uitgebouwd na het vernietigen van de anti-imperialistische en revolutionaire krachten, zoals we reeds gezien hebben. Contrarevolutie is dus een essentieel onderdeel van neokolonialisme. Het doel van de imperialisten was ten allen prijze de opkomst van onafhankelijke regeringen, bestaande uit de meest consistente anti-imperialistische krachten, te verhinderen.
Voordat ze formele onafhankelijkheid toestonden, verzekerden de imperialisten zich er dus van dat de meest conservatieve en rechtse krachten aan de macht kwamen in deze landen.
In Guyana werd de vraag om onafhankelijkheid toe te staan meer dan tien jaar lang in beraad gehouden om zich ervan te verzekeren dat hun eigen compradoren aan de macht kwamen. Vanaf 1953, toen de People’s Progressive Party (PPP) onder leiding van dr. Cheddi Jagan de verkiezingen won en een regering vormde onder het toen bestaande systeem van beperkt binnenlands zelfbestuur, spanden de Britse en de VS-imperialisten ontelbare strikken om de PPP eronder te krijgen alvorens Guyana onafhankelijkheid toe te staan. De PPP won de verkiezingen driemaal tussen 1953 en 1964, maar de macht werd overgedragen aan een coalitie van compradore-partijen in 1964 voor ‘onafhankelijkheid’ werd toegestaan. De belangrijkste motieven achter de imperialistische manoeuvres om te weigeren Guyana onafhankelijkheid toe te staan werden door een journalist van The Guardian omschreven als: “…de haat voor Jagan, de angst voor om het even welk soort socialisme en het economisch veiligstellen van de hemisfeer voor Standard Oil, International Telephone en de United Fruit Company en anderen…”
In Basutoland (het huidige Lesotho), kregen de Basutoland Congress Party en de Moremaflou Freedom Party de meerderheid der stemmen tijdens de verkiezingen van 1963, net voor de ‘onafhankelijkheid’. Maar de Britse regering droeg de macht over aan Chef Leabua en zijn ‘National Party’ die openlijk gesteund werd door Zuid-Afrika en West-Duitsland.
Ook in Latijns-Amerika werd dezelfde contrarevolutionaire strategie gevoerd na 1945. De Braziliaanse Communistische Partij, die 800.000 stemmen haalde in de verkiezingen van 1946, werd gebannen in 1947. In Venezuela werd de liberale regering van Gallegos omvergeworpen door een coup in 1948, de Communistische Partij werd geweerd in 1947 en een bloedige onderdrukkingscampagne werd gestart. Militaire staatsgrepen tegen liberale regeringen, de moord op leiders van de werkende klassen, massale arrestaties, aanvallen op communistische partijen en de algemene opheffing van democratische rechten waren de essentiële elementen van de VS-strategie in Latijns-Amerika. Daarom stond in de Tweede Verklaring van Havana: “Latijns-Amerika kent vandaag een wreder, sterker en meedogenlozer imperialisme dan onder het Spaanse koloniale rijk.”
In het tijdperk van het imperialisme kunnen nationale democratische revoluties in een kolonie of semi-kolonie alleen tot uitvoering gebracht worden door het proletariaat. Daarom was het slechts in China, Noord-Korea, Noord-Vietnam en Cuba dat het imperialisme samen met het feodalisme volledig omvergeworpen kon worden, dankzij het proletarische leiderschap van de nationale democratische revolutie. Zoals aangetoond door de geschiedenis en onderstreept door Mao, is de nationale burgerij van een kolonie of een semi-kolonie “economisch en politiek uiterst zwak” en “geneigd tot verzoening met de vijanden van de revolutie”.
Mao haalde het Turkse voorbeeld aan. De nationale burgerij had in 1922 een onafhankelijke republiek gesticht, maar ze kwam snel in een ondergeschikte positie tegenover het imperialisme. Mao: “Hoewel de dictatuur van de kleinburgerij der kemalisten6 opkwam in Turkije na de eerste imperialistische wereldoorlog en na de Oktoberrevolutie, dankzij specifieke voorwaarden (het succes van de burgerij bij het afweren van Griekse agressie en de zwakheid van het proletariaat), kan er geen tweede Turkije zijn, en nog minder een ‘Turkije’ met een bevolking van 450 miljoen, na de Tweede Wereldoorlog en de verdienste van socialistische constructie in de Sovjet-Unie. Door de specifieke omstandigheden van China (de zwakte van de burgerij, met haar geneigdheid tot verzoening en de sterkte van het proletariaat met zijn revolutionaire doortastendheid), zijn de dingen niet zo gemakkelijk als in Turkije. Riepen niet sommige leden van de Chinese burgerij om kemalisme na het falen van de Eerste Grote Revolutie in 1927? Maar waar is China’s Kemal? En waar zijn de dictatuur van de burgerij en de kapitalistische maatschappij in China? Daarenboven diende zelfs kemalistisch Turkije zich in de armen van het Engels-Frans imperialisme te storten, en werd hierdoor meer en meer een semi-kolonie en deel van de reactionaire imperialistische wereld. In de huidige internationale situatie sluiten de ‘helden’ van de kolonies en semi-kolonies zich ofwel bij het imperialistische kamp aan en worden deel van de contrarevolutionaire wereldmachten, ofwel sluiten zij zich aan bij het anti-imperialistische front en maken deel uit van de krachten van wereldrevolutie. Zij moeten het één of het ander doen, want er is geen derde weg.”7
In elke kolonie die de ‘onafhankelijkheid’ bereikte, kwamen ofwel de conservatiefste, compradore grootgrondbezitterskrachten aan de macht in alliantie met het imperialisme, zoals in India, ofwel, daar waar de nationale burgerij aan de macht kon komen door krachtige opstanden van het volk zoals in Algerije, Kongo, Zambia, enz. gaf die zichzelf over aan imperialisme, hierdoor die laatste kans gevend de uitbuiting en overheersing verder te zetten door indirecte methoden. In Zanzibar bijvoorbeeld werd de macht in 1963 overgedragen aan pro-Britse krachten, maar binnen 33 dagen na de overdracht van de macht werd het pro-Brits regime omvergeworpen door een gewapende opstand, gesteund door het volk. Maar door de afwezigheid van een proletarisch leiderschap viel het land opnieuw in de val van de neokolonialisten. Het oude type kolonie werd dus overal omgevormd tot ofwel semi-kolonies of wel tot neokolonies.
De Chinese Communistische Partij verklaarde hoe het neokolonialisme via de achterdeur weer binnenkwam, en verzette zich tegen het revisionistische sovjetstandpunt, dat stelde dat het kolonialisme verdwenen was of aan het verdwijnen is in de huidige wereld en dus niet langer een bedreiging vormde: “…de leiders van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU) verspreiden vaak de idee dat het kolonialisme verdwenen is of aan het verdwijnen is in de huidige wereld. Zij benadrukken dat ‘vijftig miljoen mensen op aarde nog steeds kreunen onder koloniale heerschappij’, dat de restanten van het kolonialisme enkel te vinden zijn op plaatsen zoals (Portugees) Angola en Mozambique in Afrika, en dat de afschaffing van de koloniale heerschappij reeds het ‘eindstadium’ is ingetreden.”
“Wat zijn de feiten?”
“Beschouw om te beginnen de situatie in Azië en Afrika. Een hele groep landen daar hebben hun onafhankelijkheid verklaard. Maar veel van deze landen hebben de imperialistische en koloniale controle en het slavendom niet volledig afgeschud en blijven het voorwerp van imperialistische plundering en agressie en conflictgebieden tussen de oude en nieuwe kolonialisten. In sommige landen zijn de oude kolonialisten veranderd in neokolonialisten en hebben ze hun koloniale heerschappij behouden door hun getrainde stromannen. In andere landen is de wolf door de voordeur naar buiten gegaan, maar is de tijger langs de achterdeur binnengekomen. Het oude kolonialisme werd vervangen door het nieuwe, sterkere en gevaarlijkere kolonialisme van de Verenigde Staten. De volkeren van Azië en Afrika worden ernstig bedreigd door de tentakels van het neokolonialisme, vertegenwoordigd door het VS-imperialisme.”8
De verklaring van de 81 partijen van 1960 stelde ook dat “de imperialisten, met de VS op kop, hopeloze inspanningen doen om koloniale uitbuiting van de volkeren van de vroegere kolonies te bestendigen door nieuwe methoden en onder nieuwe vormen” en dat zij “proberen hun grip op de hefbomen van de economische controle en politieke invloed te behouden in Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen”.
Waar de macht van het financierskapitaal een derdewereldland niet op de knieën krijgt, proberen de imperialisten het met alle andere middelen zoals economische blokkade, moordplannen en coups, daarbij inbegrepen directe militaire interventie om het weerspannige regime te onderwerpen, zoals in Vietnam, Korea, Nicaragua, El Salvador en recent in Irak, Libië en Haïti.
Neokolonialisme is dus niet alleen een kwestie van het behouden en uitbreiden van de economische controle van het imperialisme, maar omvat alle facetten van het leven. De Derde Conferentie van de Pan-Afrikaanse Volkeren die in 1961 bijeenkwam in Caïro benadrukte dat “het neokolonialisme, het overleven van het koloniale systeem spijts de formele erkenning van politieke onafhankelijkheid in ontwikkelingslanden die het slachtoffer worden van een indirecte en subtiele vorm van overheersing door politieke, economische, sociale, militaire of technische wegen, de grootste bedreiging vormt voor Afrikaanse landen die pas hun onafhankelijkheid hebben bekomen of dit statuut naderen.”
Een gelijkaardige resolutie over ‘kolonialisme en neokolonialisme’ werd aangenomen op de Eerste Solidariteitsconferentie van de Afro-Aziatische en Latijns-Amerikaanse volkeren in januari 1966 in Havana. Ze benadrukte het all-round karakter van het neokolonialisme: “Om zijn dominantie te garanderen poogt het imperialisme de nationale, culturele en spirituele waarden van elk land te vernietigen, en vormt een overheersingsapparaat dat bestaat uit nationale gewapende krijgsmachten onderworpen aan hun politiek, de vestiging van militaire basissen, de creatie van repressieorganen, met technische adviseurs van imperialistische landen, het ondertekenen van geheime militaire pacten, de vorming van regionale en internationale oorlogstokende allianties. Het moedigt staatsgrepen en politieke moorden aan en voert ze uit om marionettenregeringen te verzekeren; tezelfdertijd grijpt het op het economische vlak naar verraderlijke formules, zoals het zogenaamde Vooruitgangspact, Voedsel voor Vrede en andere gelijkaardige vormen, terwijl het gebruik maakt van internationale instellingen zoals het Internationaal Muntfonds en de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling om zijn economische dominantie te versterken.”9
Er was natuurlijk een groeiende haat tegen de neokoloniale methoden die het imperialisme na de Tweede Wereldoorlog aannam. De groeiende economische en militaire macht van het socialistisch blok in de jaren 1950 moedigde ook sommige heersende klassen van de Derde Wereld aan om soms een anti-imperialistisch standpunt in te nemen. Er was een groeiend besef in de imperialistische landen dat sommige derdewereldlanden, waar de tegenstand van het volk groot was, de weg van het socialisme zouden kiezen of bij het anti-imperialistisch blok zouden aansluiten. De tegenstelling tussen het door het VS-imperialisme geleide imperialistische kamp aan de ene kant en het socialistische kamp aan de andere kant tijdens de jaren ’50, en de tegenstelling tussen het imperialistische kamp en het sociaal-imperialistische kamp tijdens de jaren ’60 en ’70, gaf sommige heersende klassen van de Derde Wereld de kans om te manoeuvreren en enkele toegevingen te bekomen van de imperialisten. Tijdens de VN-Conferentie over Handel en Ontwikkeling (UNCTAD) in Genève in 1965, stemden 85 van de 121 aanwezige landen voor het voorstel dat stelde dat “bijkomende maatregelen genomen dienden te worden om prijsdalingen van grondstoffen te corrigeren om de producenten van grondstoffen te behoeden voor inkomstenverliezen”. Slechts dertien landen stemden tegen, waaronder de VS en Groot-Brittannië.
De Bandung-conferentie van de Afro-Aziatische leiders in 1955, de bevestiging door leiders als Nasser van Egypte en, bovenal, de bevrijding van Cuba in 1959 na het omverwerpen van Batista, de stroman van de Verenigde Staten, en de dreiging van echte revoluties in sommige derdewereldlanden dwongen de imperialisten ertoe hun strategie te verfijnen. Zij zagen in dat de gewapende bestrijding van het verzet vergezeld diende te worden van een zekere mate van economische stabiliteit of zelfs welvaart. De essentie van de nieuwe, vooruitstrevende beheersingsstrategie werd in 1964 als volgt samengevat door Robert McNamara, de staatssecretaris van Kennedy: “Het voedselhulpprogramma is het beste wapen dat we hebben om te verzekeren dat onze eigen geüniformeerden niet moeten vechten” en dat de “armen een groter deel van de nationale rijkdom kunnen bekomen zonder politieke en sociale beroering of zonder de lokale elites ernstig te ontrieven.” Het is overduidelijk dat dit op lange termijn een onmogelijke strategie is. Dit betekent immers de kool en de geit sparen; het status-quo behouden en tegelijkertijd een groter deel van de nationale rijkdom voorzien voor de armen. Omdat geprobeerd werd deze strategie ten uitvoer te brengen door reusachtige injecties van vreemd kapitaal in de derdewereldlanden, mislukte dit met het uitbreken van de schuldencrisis in de jaren ’70. De Wereldbank had zich echter gedurende de eerste 25 jaar van haar bestaan gebaseerd op het ‘neo-keynesiaanse’ model, dat de nadruk legde op staatssplanning en -uitgaven om banen te scheppen, tesamen met de aanmoediging van privé-ondernemingen. Deze nieuwe liberale beheersingsstrategie weerhield de VS-imperialisten er natuurlijk niet van om een oorlog te starten in Vietnam, maar belangrijk is dat de VS ook immense fondsen pompte in Zuid-Vietnam om de kapitalistische groei aan te moedigen om het volk zo van het socialisme weg te lokken.
De zogenaamde Alliantie voor Vooruitgang (Alianza), in feite een alliantie voor neokolonialistische plundering, is waard vermeld te worden: het was een groots plan dat ontwikkeling met beperkte sociale hervormingen beloofde voor Latijns-Amerika.
Alianza is een tienjarig coöperatief ontwikkelingsprogramma voor Latijns-Amerika gestart door John F. Kennedy in 1961 met een uitgave van 100 miljard dollar; 80 miljard kwam van Latijns-Amerika zelf, 20 miljard werd door de VS gefinancierd. De grootte van het plan kon gemeten worden aan het feit dat zelfs het Marshall Plan, dat de weg vrijmaakte voor de heropbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog, slechts 17 miljard dollar kostte. De VS pompte gedurende tien jaar via USAID, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Wereldbank en het IMF 2 miljard dollar per jaar in Latijns-Amerika om het ‘gevaar’ van het communisme af te weren. Deze strategie veranderde heel Latijns-Amerika in de achtertuin van het VS-imperialisme. Hoewel er van buitenaf gezien schijnbaar een snelle economische groei was, was alles gesteund op buitenlandse schulden en deze ontwikkeling creëerde slechts een klasse van nieuwe rijken uit de middenklassen, terwijl de grote meerderheid van de bevolking een precair leven leidde van armoede en ellende.
De Alianza, het Vredescorps, de zogenaamde Hulpprogramma’s die ondernomen werden door de neokoloniale instellingen als het IMF, de Wereldbank en andere imperialistische agenten hebben de bankschroef van de multinationals, de multinationale banken en de imperialistische landen over de economieën van de Derde Wereld, en dan vooral Latijns-Amerika, alleen maar verder aangehaald in de late jaren ’70. In Brazilië stonden de multinationals in voor de helft van de totale verkoop aan gemanufactureerde producten10 in de late jaren ’70 en in Mexico namen ze bijna 30% van de afzet voor hun rekening.
De multinational is tevoorschijn gekomen als het belangrijkste instrument van neokoloniale uitbuiting van de derde wereld. In 1984 hadden de 200 grootste multinationals een turn-over van meer dan 3 triljoen dollar – wat overeenkomt met bijna 30% van het BBP van de wereld.
Terwijl de multinationals elk aspect van het leven begonnen te overheersen, kenden de schendingen van de mensenrechten in de Derde Wereld, vooral in Latijns-Amerika, geen grenzen. In Latijns-Amerika hebben de VS-corporaties met behulp van de CIA en het Amerikaanse staatsapparaat 60 militaire staatsgrepen opgezet gedurende de eerste vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog. De situatie verslechterde nog gedurende de jaren ’70 en ’80. Bolivia onder generaal Hugo Banzer tussen 1971 en 1978, Chili onder Pinochet, die na de moord op Salvator Allende in september 1973 de macht overnam, Nicaragua onder Somoza, Guatemala onder de slachter generaal Lucas Garcia, Haïti onder ‘Papa’ en ‘Baby’ Duvalier tot 1986, en El Salvador, Colombia, Honduras, Peru, Brazilië en de landen van Latijns-Amerika en de Caraïben hebben duizenden mensen – vakbondsleiders, boerenactivisten, linkse intellectuelen, studenten en mensenrechtenactivisten, enz. – zien verdwijnen. In Guatemala werden ten minste 25.000 burgers gedood door de regeringstroepen tijdens de terreur onder generaal Lucas Garcia tussen 1978-1982. Een enorme militarisering werd in elk Latijns-Amerikaans land opgezet om elke vorm van dissidentie en oppositie tegen de plunderingen van de multinationals en de pro-imperialistische (voornamelijk pro-VS) politiek van de heersende klassen de kop in te drukken. Het is belangrijk uit de speech van Salvator Allende tot de VN te citeren, waarin hij de wereld waarschuwde voor de dreigingen van de multinationals: “Wij staan voor een directe confrontatie tussen de grote transnationale bedrijven en de staten. De multinationals komen tussen in de fundamentele politieke, economische en militaire beslissingen van de staten. De multinationals zijn globale organisaties die niet afhangen van één of andere staat en wiens activiteiten niet gecontroleerd worden door een parlement of een andere instelling die het collectieve belang vertegenwoordigt. Om kort te gaan: de politieke structuur van de wereld wordt ondermijnd.”
Hij voorvoelde tevens het gevaar van deze multinationals voor de soevereiniteit van zijn land: “Wij lijden niet alleen onder de financiële blokkade, maar zijn ook het slachtoffer van duidelijke agressie. Twee bedrijven die deel uitmaken van de centrale kern van de grote transnationale bedrijven die hun tanden in mijn land gezet hebben, de International Telegraph and Telephone Company en de Kennecott Copper Corporation, probeerden ons politiek leven te leiden.”
“ITT, een immense multinational waarvan het kapitaal groter is dan het budget van verschillende Latijns-Amerikaanse landen samen en groter dan dat van sommige geïndustrialiseerde landen, startte duistere acties om mij ervan af te houden president te worden, van zodra de volksbeweging overwon in de verkiezingen van september 1970.”
In september 1973, drie maanden na zijn speech tot de VN, werd Allende vermoord door de CIA om Chili veilig te stellen voor ITT. Zijn pogingen om het imperialisme te bevechten door te steunen op hetzelfde oude staatsapparaat dat tot dan toe getraind en gevoed werd door het VS-imperialisme kon dan ook niets anders dan zo’n ramp voortbrengen. De situatie in de Filippijnen, Zuid-Korea, Singapore, Taiwan, Indonesië en in de meeste Afrikaanse en Midden-Oosterse landen was niet erg verschillend.
Om slechts een paar voorbeelden van imperialistische tactieken van ondermijning en openlijke inmenging in deze landen op te sommen: in Indonesië werden tot één miljoen communisten en andere patriotten afgeslacht in de jaren ’60; in Kongo werd Patrice Lumumba, de leider van de Kongolese nationale bevrijdingsbeweging, vermoord; in Ghana werd Kwame Nkruma omvergeworpen; in Irak werd de volksoverwinning van 1958 ondermijnd door een coup die duizenden doden maakte (de recentere aanvallen tegen Irak door de door de Verenigde Staten geleide coalitie leidde tot de afslachting van honderdduizenden Irakezen); de meest barbaarse wreedheden werden gepleegd door de VS-imperialisten in Indochina tijdens hun decennialange oorlog; de VS bombardeerden het presidentieel paleis in Libië in 1986 in een poging om Moeammar Khadaffi uit de weg te ruimen; de VS viel Grenada, de kleine eiland-staat, binnen; Noriega van Panama en communistische en anti-imperialistische krachten in zo goed als elk land werden vervolgd.
Wat economische uitbuiting betreft, overtreft de schaal van plunderingen van de derdewereldlanden door de imperialisten in de neokoloniale fase sterk die gedurende de koloniale periode. De imperialisten gebruiken ontelbare methoden om de Derde Wereld te ontdoen van hun land, werkkracht, rijkdommen en bronnen. De belangrijkste drie zijn: 1. directe buitenlandse investeringen; 2. ongelijke goederenruil en 3. hoge interesten op leningen.
De totale netto directe kapitaalinput van de VS bijvoorbeeld was 13,7 miljard dollar tussen 1950 en 1961, terwijl de totale inkomsten van deze investeringen 23,2 miljard dollar bedroegen voor diezelfde periode, wat een opbrengst van 9,5 miljard betekent. Alleen al in Latijns-Amerika bedroegen de directe buitenlandse investeringen tussen 1950 en 1960 6,2 miljard dollar, terwijl de naar het buitenland getransfereerde opbrengsten 11 miljard dollar bedroegen, wat voor Latijns-Amerika een netto verlies van 5 miljard betekende.
In zijn toespraak tot de VN in december 1972, een paar maanden voor hij vermoord werd, sprak de Chileense president Salvador Allende van de ongebreidelde plunderingen van zijn land door de VS-bedrijven zoals de Anaconda Company en de Kennecott Copper Corporation via één grondstof, koper: “Deze firma’s die het Chileense koper gedurende vele jaren uitbaatten maakten meer dan 4.000 miljoen dollar winst gedurende alleen al de laatste 42 jaar, terwijl hun oorspronkelijke investering minder dan 30 miljoen dollar bedroeg. Een simpel en pijnlijk voorbeeld, een acuut verschil: in mijn land zijn er 600.000 kinderen die nooit op een menselijke manier van het leven kunnen genieten omdat zij niet genoeg eiwitten kregen tijdens de eerste acht maanden van hun leven. Mijn land, Chili, zou helemaal anders zijn met deze 4.000 miljoen dollar. Slechts een klein deel van dit bedrag zou voldoende zijn voor eiwitten voor alle kinderen van mijn land.”
Met de toenemende crisis van de wereldeconomie verhoogden de imperialistische landen massaal hun directe investeringen in de Derde Wereld vanaf de jaren ’70. Doordat de derdewereldlanden goedkope arbeidskracht leverden (het gemiddelde maandinkomen van een VS-arbeider was 1.220 dollar in 1972, terwijl een Taiwanese arbeider gemiddeld 45 dollar kreeg, een Zuid-Koreaanse 68 dollar, een Singaporese 60 dollar en een arbeider in Hongkong 82 dollar) verplaatsten de grote multinationals hun operaties meer en meer naar de lageloonlanden om de dalende winstmarges het hoofd te bieden die voortkwamen uit een enorme stijging in de organische samenstelling van het kapitaal.
Van 1965 tot 1980 verviervoudigde de buitenlandse private investeringen van 50 miljard dollar tot 214 miljard. De globale directe buitenlandse investeringen bereikten 500 miljard dollar in 1980. Gedurende de jaren ’80 en ’90 moesten meer en meer derdewereldlanden hun markten, ook hun dienstensector openstellen, voor het imperialistisch kapitaal, technologie en goederen. Er werden specifieke maatregelen zoals swaps11 en privatiseringsprogramma’s opgezet en de buitenlandse investeringen in de Derde Wereld bereikte onthutsende proporties. In de periode 1986-90 groeiden deze tegen een jaarlijks gemiddelde van 21%. De totale voorraad verdriedubbelde van 500 miljard in 1980 tot 1.700 miljard dollar in 1990. Hoewel het meeste daarvan tussen de imperialistische landen zelf was, was er toch een grotere stroom naar de Derde Wereld nadat de Wereldbank haar eerste structurele aanpassingsprogramma begon in 1980.
In 1991 stegen de buitenlandse investeringen in de derdewereld tot 36 miljard dollar en in 1992 tot 40 miljard dollar. Het aandeel van de Derde Wereld in de directe buitenlandse investeringen was tegen 1991 gestegen tot 25%. Het is interessant dit te vergelijken met de cijfers van kapitaalsexport tijdens de koloniale periode. In ongeveer 30 jaar van snelle kapitaalsuitvoer naar de landen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika van de oude imperialistische landen Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland tussen 1880 en 1913, was het totaal aan buitenlandse investeringen in deze landen slechts 19 miljard dollar in prijzen van 1970.
Met zo’n massale invoer van buitenlands kapitaal in de Derde Wereld, worden de lokale industrieën, banken en andere diensten steeds geconfronteerd met sluitingen; zij zijn niet in staat te concurreren met de krachtige multinationals en de transnationale banken.
Daardoor worden de volkeren van de Derde Wereld uitgebuit door de multinationals als arbeiders (die hun goedkope werkkracht verkopen aan de buitenlandse monopolies), als landbouwers (wiens landbouwproducten aan extreem lage prijzen worden opgekocht) en als consumenten (die goederen aankopen tegen zeer hoge prijzen).
Een andere methode om de rijkdommen van de derdewereldlanden te doen wegvloeien is door te lenen tegen zeer hoge interesten. De buitenlandse schuld van de Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen bedroeg 9,7 miljard dollar in 1956. Hierop betaalden ze een bedrag gelijk aan 3% van hun opbrengsten op uitvoer en diensten van dat jaar. Bij het begin van de schuldencrisis in 1982 steeg de schuldenlast van de Derde Wereld tot 785 miljard dollar en tegen 1993 bereikte het de verbluffende hoogte van 1.500 miljard dollar, dubbel zoveel dus dan tien jaar tevoren en 150 keer meer dan in 1956. De netto overdracht van financiële rijkdommen van de Derde Wereld naar de commerciële banken bedroeg 178 miljard dollar tussen 1984 en 1990. De totale buitenlandse schuld van de 47 Afrikaanse landen bedraagt nu 110% van hun totale BNP. De schuldterugbetalingen van alle derdewereldlanden steeg meer dan vijfvoudig in 12 jaar – van 7 miljard in 1980 tot meer dan 36 miljard dollar in 1992. Sinds het uitbreken van de schuldencrisis in 1982 is er een omgekeerde stroom van rijkdommen uit de derdewereldlanden naar de imperialistische landen geweest van gemiddeld 30 miljard dollar per jaar. Elk jaar betalen zij hun imperialistische schuldenaren dus 30 miljard dollar meer dan wat zij ontvangen via nieuwe leningen. Deze massale uitstroom van rijkdommen uit de Derde Wereld heeft geleid tot ongehoorde armoede, dakloosheid en werkloosheid in de Derde Wereld. In Afrika leven nu 200 miljoen mensen op een totale bevolking van 690 miljoen onder de armoedegrens. In Latijns-Amerika, met een bevolking van ongeveer 450 miljoen, leefden in begin van de jaren ’90 bijna 180 miljoen mensen in armoede. De relatie tussen buitenlandse schuld en armoede werd levendig beschreven door de aartsbisschop van Sao Paulo. Hetzelfde is toepasbaar voor elk ander derdewereldland vandaag. “De enorme inspanningen van de voorbije twee jaar resulteerden in een uitvoeroverschot van een miljard dollar per maand. Maar dit geld diende enkel om de intresten op de schulden te betalen. Het is onmogelijk om op deze manier verder te gaan; we hebben reeds alles dat de mensen te eten hadden genomen, hoewel tweederden onder hen honger lijden. Toen we leenden waren de interesten vier percent; nu zijn ze acht percent en op een gegeven moment waren ze zelfs 21 percent. Erger nog, deze leningen werden aangegaan door de militairen, voornamelijk voor militaire doeleinden – 40 miljard dollar werden verzwolgen door zes kerncentrales, waarvan er vandaag geen enkele in werking is. Het volk wordt nu verondersteld deze schulden af te betalen met lage lonen en honger. Maar we hebben de schuld al terugbetaald, reeds één- of tweemaal, rekening houdend met de betaalde interesten. We moeten ermee ophouden het bloed en de ellende van ons volk te geven om de Eerste Wereldoorlog te betalen.”12
In de gehele Derde Wereld is het totale aantal mensen dat in volstrekte armoede leeft bijna 700 miljoen. Het grootste gedeelte van Afrika is een chronisch hongersnoodgebied geworden en honderdduizenden mensen vallen elk jaar als vliegen. Zelfs nu de grote meerderheid van de mensen in de Derde Wereld sterven van honger en ziekte, blijft de honger van de neokoloniale heersers onverzadigbaar. De bedrijfsactiva in de landen met schulden worden door de grote monopolies verkregen door schema’s zoals de schuldenswaps.
Ongelijke handel is nog een andere methode om de Derde Wereld te beroven. De meeste derdewereldlanden hangen af van de uitvoer van primaire grondstoffen en de invoer van industriële goederen en technologieën uit het Westen. Terwijl de prijzen van de primaire grondstoffen ieder jaar dalen op de internationale markt, voornamelijk te wijten aan de kuiperijen van de agro-industrie en andere monopolies, gaan de prijzen van industriële producten de hoogte in. Van 1955 tot 1959 daalden de uitvoerprijzen bijvoorbeeld met 15%, wat tropisch Afrika een totaal verlies van 600 miljoen dollar opleverde, tweemaal het jaarlijks bedrag aan buitenlandse hulp.
Een simpele vergelijking tussen de in- en uitvoerprijzen geeft een duidelijk beeld van de diefstal die de neokoloniale roofdieren uit ongelijke handel halen.
| Om één ton ingevoerd staal te kopen | In 1951 | In 1961 | Toename |
| Diende Ghana volgend gewicht acao uit te voeren | 90 kg | 255 kg | 283 % |
| Diende Brazilië volgend gewicht koffie uit te voeren | 70 kg | 169 kg | 241 % |
| Diende Maleisië volgende gewicht rubber uit te voeren | 58 kg | 196 kg | 332 % |
In 1952, onder de directe koloniale overheersing, kreeg Ghana 467 Britse pond per ton geëxporteerde cacao. Tegen de ‘onafhankelijkheid’ in 1957 daalde dit tot 200 Britse pond per ton. Tegen 1968 was de prijs ingezakt tot 85 pond per ton. Deze diepe val van de marktprijs van cacao, het belangrijkste product van Ghana – hun hele economie hangt er vanaf – leidde tot ontevredenheid onder de massa’s en resulteerde in een coup tegen president Kwame Nkruma. Ook vandaag nog is Afrika volledig afhankelijk van de uitvoer van zijn traditionele rijkdommen als diamant, koper, voedsel, drank, enz. 90 tot 95% van de Zambiaanse buitenlandse handel bestaat uit één enkel metaal: koper. Tegen 1985 viel de prijs van koper tot een derde van de prijs in 1966 terwijl de prijzen van voeding, brandstof en de essentiële industriële goederen verveelvoudigde. Binnen de vijfentwintig jaar na de ‘onafhankelijkheid’ is Zambia een land geworden met grote schulden, dat zelfs voor voedsel afhangt van de imperialisten.
Argentinië, een grote voedselexporteur, was het slachtoffer van een verlies van tenminste 2 miljard dollar in 1986 door de scherpe daling van zijn uitvoer. De zwaar gesubsidieerde graanuitvoer van de VS en de Europese Economisch Gemeenschap13 is de reden voor de val van de graanprijs op de wereldmarkt.
De imperialistische landen en hun multilaterale instellingen zoals de Wereldbank hebben de derdewereldlanden gepusht om van voedingsgewassen over te schakelen op marktgewassen. Dit leidde tot het complete bankroet van de economie van verscheidene derdewereldlanden door de scherpe val van de marktprijzen voor deze gewassen. In 1986 daalde de prijs van thee – een belangrijk exportproduct van Kenia – met 100% tegenover het vorige jaar. In Tanzania waren de inkomsten uit de uitvoer van gewassen zoals katoen 40% lager in 1985 dan in 1980. De situatie verslechterde nog in 1986. Zoals de Tanzaniaanse president Julius Nyerere het stelde: “De boeren in onze belangrijkste katoenkwekende gebieden hebben hun katoenoogst meer dan verdubbeld tegenover de oogst van vorig jaar. Wij hebben een schrijnend tekort aan buitenlands geld waarmee we essentiële producten kunnen aankopen, en katoen is één van onze belangrijkste exportproducten; wij waren dus zeer opgetogen over deze grote opbrengststijging. Maar de prijs van katoen op de wereldmarkt zakte van 68 cent per pond tot 34 cent per pond op één enkele dag in juli dit jaar. Het resultaat voor onze economie – en het inkomen van de boeren – gelijkt op het resultaat van een natuurramp: de helft van onze gewassen, en dus de helft van ons inkomen, is verloren. Onze boeren en ons land hebben de inspanning geleverd, maar het land verdient er geen enkele extra cent aan in buitenlandse valuta. Dat is diefstal!”14
Door zijn afhankelijkheid van de wereldmarkt voor haar overleven werd ook Tanzania een met schulden beladen land en wordt het nu gedwongen om 60% van alle uitvoerinkomsten te gebruiken om zijn schulden af te betalen.
Na de ‘onafhankelijkheid’ van Frankrijk in 1956 werd Marokko door de Wereldbank aangeraden exportgewassen te produceren zoals citrusvruchten en verse groenten. Hiervoor werd er geïnvesteerd in dammen en er werden leningen toegestaan. Resultaat: Marokko, eens een Noord-Afrikaanse graanschuur en een belangrijke leverancier voor Frankrijk, importeert nu meer dan drie miljoen ton tarwe per jaar, terwijl de sinaasappelen en de tomaten op het veld rotten door het gebrek aan vraag op de wereldmarkt. Daarenboven heeft Marokko vandaag een buitenlandse schuld van 16 miljard dollar en moet het 47% van zijn jaarlijks budget spenderen aan het afbetalen van de schuld. Op advies van het IMF voerde Thailand de uitvoer van rubber op met 31% gedurende de eerste helft van 1985 vergeleken met dezelfde periode van 1984, maar de inkomsten daalden met 8% door de daling van de rubberprijs. Bedrijven die grondstoffen uit de Derde Wereld verwerken hadden het voordeel dat de prijzen van landbouwgrondstoffen met 10% en de metaalprijzen met 15% daalden tussen 1984 en 1985. Dat betekent dat er in één jaar tijd een uitstroom is van 65 miljard dollar uit de Derde Wereld dankzij de prijsdalingen van basisgrondstoffen. Zo ziet de massale plundering van de imperialisten eruit in de neokoloniale tijd.
In de meeste derdewereldlanden worden ook de informatiebronnen beïnvloed of gecontroleerd door de imperialisten. Via hun wereldomvattende netwerk pogen de Westerse media, radio, tv, opvoeding enz., de meningen en de ideeën van het volk te vormen ten voordele van het Westerse kapitalistische model en tegen socialisme, zelfvoorziening en democratie.
Het neokolonialisme zet de oude koloniale politiek van politieke onderwerping en economische uitbuiting van de volkeren van de Derde Wereld verder. Het blijft superwinsten uit de Derde Wereld halen langs vele wegen. Gedurende de jaren ’50 en ’60 (en zelfs tot in het midden van de jaren ’70) was er een massale volksopstand tegen de koloniale en neokoloniale plunderingen en de overheersing van de Derde Wereld, zelfs met enkele opvallende successen die te danken waren aan de georganiseerde sterkte van de bevrijdingsoorlogen, de sterkte en de steun van de socialistische landen (ondanks de degeneratie van een deel van het socialistisch kamp na de opkomst van Chroesjtsjov) en de solidariteit van de werkende klassen en het volk van de imperialistische landen. Maar het imperialisme heeft vanaf het midden van de jaren ’70 een gigantisch offensief ingezet. De diepe crisis waarin het imperialisme zichzelf heeft doen belanden vanaf de vroege jaren ’70 en de groeiende samenzweringen en conflicten tussen de verschillende imperialistische machten voor een groter aandeel van de wereldmarkt leidde tot de intensifiëring van het offensief tegen de Derde Wereld.
Een van de specifieke kenmerken van neokolonialisme is dat het, naast het geven van nieuwe kansen voor uitbuiting voor elke imperialistische kracht afzonderlijk, ook hun ‘gezamenlijke exploitatie’ van de Derde Wereld mogelijk maakt, dat betekent collectief kolonialisme door gezamenlijke instellingen als de Wereldbank, het IMF, de GATT, enz. Deze pogingen tot collectief kolonialisme staven niet de stelling van Kautsky van het ultra-imperialisme, maar tonen de zwakte van het imperialisme als een geheel aan. Zonder twijfel zullen de groeiende algehele crisis en de dalende winstmarges mettertijd leiden tot wredere conflicten en gewelddadige confrontaties tussen de verschillende imperialistische machten en hun multinationals.
Te beginnen met Latijns-Amerika verspreidde het neokolonialistisch offensief zich over de rest van de Derde Wereld tijdens de jaren ’80 en ’90. In het nieuwe offensief, gelanceerd met uiterste wreedheid en gewetenloosheid, werd de winst, hoe klein ook, die de derdewereldbevolking vroeger had gehad, ondermijnd. Daarom moeten we niet de illusie koesteren dat het neokolonialisme slechts imperialisme op de terugweg is (hoewel het zich in zijn eindfase bevindt). Het heeft in feite voor het imperialisme een nieuwe basis gelegd om de plundering van de Derde Wereld verder te zetten.
2. De impact van het neokolonialisme op de feodale en semi-feodale verhoudingen in de landbouw en op de ontwikkeling van het kapitalisme in de onderontwikkelde landen
Wat is de impact van het neokolonialisme op de feodale en semi-feodale verhoudingen in de landbouw en op de ontwikkeling van het kapitalisme in de onderontwikkelde landen?
Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft men verscheidene theorieën geopperd over de rol van het neokolonialisme in de derdewereldlanden. Sommigen stellen dat het imperialisme, door de neokoloniale politiek, een grondige kwalitatieve verandering teweeg heeft gebracht in de prekapitalistische productieverhoudingen door een snelle groei van de productiekrachten in de Derde Wereld om een markt voor zijn goederen te creëren en een afzetmarkt voor het geaccumuleerde kapitaalsoverschot en om de goedkope werkkracht, het land en de grondstoffen van de derdewereldlanden uit te buiten. Anderen weigeren welke verandering dan ook te zien in de oude prekapitalistische productieverhoudingen. De waarheid ligt evenwel in het midden. Voordat we de veranderingen veroorzaakt door de neokoloniale vormen van uitbuiting na de koloniale heerschappij in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog kunnen begrijpen, moeten we eerst kijken naar de veranderingen gedurende de koloniale periode.
2.1. De impact van de directe koloniale overheersing op de prekapitalistische structuren en klassen
Het oude systeem van directe koloniale overheersing was in essentie een samengaan van extern imperialisme en de lokale prekapitalistische krachten – de feodale landeigenaren, prinsen, sjeiks, stamhoofden enz. –, hoewel in sommige ontwikkelde landen zoals India ook delen van de lokale kapitalistische klassen meewerkten en samenspanden met het imperialisme. Dit kwam doordat de productieverhoudingen in de kolonies en semi-kolonies voornamelijk prekapitalistisch waren en de nationale burgerij dus ofwel niet bestond (zoals in het grootste deel van Afrika) ofwel zeer zwak was.
Onder het kolonialisme was er een zekere ontwikkeling, maar het ging om een compleet wangedrocht met een totaal onevenwichtige economie en verarming van de grote meerderheid van de bevolking. Het imperialisme transformeerde de kolonies tot grondstofproducerende gebieden – mineralen en landbouwgewassen voor de export. De hele economie van een land was vaak gebaseerd op de productie en uitvoer van één of twee producten – die van Ghana op cacao, Gambia op aardnoten, Zanzibar op kruidnagel, Tanzania op sisal en koffie, Malakka (nu Maleisië) en Indonesië op rubber en tin, Ceylon op thee en rubber, Jamaica op suiker en bananen, enz. Alle mijnen en plantages waren in handen van de grote monopolies die de plaatselijke werkkrachten tegen extreem lage lonen tewerkstelden of goedkope werkkrachten importeerden (zoals Chinese arbeiders naar delen van Zuidoost-Azië). De buitenlandse handelsmonopolies kochten ook de producten van de plaatselijke boeren op aan zeer lage prijzen. Handelsverhoudingen werden ontwikkeld door land in een koopwaar te veranderen, door belastingen te innen in cash, door de lonen cash uit te betalen in de Europese plantages en mijnen, door grondstoffen als katoen, jute, aardnoten, suiker enz. van de lokale boeren op te kopen voor de monopolies, en door de imperialistische goederen aan de bevolking van de kolonies te verkopen. De belangen van het oude systeem van kolonialisme bestonden er dus in industrialisatie in de kolonies te verhinderen en deze landen te bewaren als hinterland voor de aanvoer van goedkope grondstoffen – landbouw- en mijnproducten – voor de industrieën van de imperialistische landen.
Het Zesde Congres van de Derde Internationale, in zijn Stellingen over de revolutionaire beweging in kolonies en semi-kolonies, verklaarde deze verwrongen kapitalistische ontwikkeling als volgt: “In zoverre koloniale exploitatie een zekere aanmoediging van de ontwikkeling van de productie in de kolonies vooronderstelt, is deze ontwikkeling dankzij het imperialistische monopolie enkel gericht op en in gang gezet in een mate die overeenkomt met de belangen van de metropool (de imperialistische landen) en in het bijzonder met de belangen van het behoud van haar koloniale monopolie. Dit kan tot gevolg hebben dat een deel van de boeren bv. overgaat van graanproductie naar de productie van katoen, suiker of rubber (marktgewassen), maar dan op zo’n manier dat het niet alleen op geen enkele wijze overeenkomt met de belangen van de onafhankelijke economische ontwikkeling van de kolonie, maar integendeel de afhankelijkheid van de imperialistische metropool nog vergroot. Om de grondstoffenvoorziening voor het wereldimperialisme uit te breiden werden nieuwe landbouwgewassen gecreëerd in de plaats van de gewassen die door het koloniale beleid werden vernietigd. Nieuwe irrigatiesystemen worden met hetzelfde doel aangelegd in de plaats van de oude die vernietigd werden, en worden in de handen van de imperialisten een wapen om de uitbuiting van de boeren te vergroten. Om de interne markt te vergroten worden pogingen ondernomen om de kapitalistische productiewijze toe te passen in landbouwverhoudingen die deels door het koloniale beleid zelf gecreëerd werden. Plantages van allerlei aard dienen de belangen van het imperialistische financierskapitaal. De exploitatie van de minerale rijkdommen van de kolonies wordt uitgevoerd in overeenstemming met de noden van de industrie van de imperialistische landen, vooral met hun nood om een einde te stellen aan hun afhankelijkheid van grondstoffen van andere landen tot waar het monopolie van dit imperialisme niet reikt.”
“Dit zijn de belangrijkste terreinen van de koloniale productie. In elk geval zijn de door de imperialisten in de kolonies gecreëerde kapitalistische ondernemingen (met uitzondering van een aantal ondernemingen die voor militaire noden werden gesticht) voornamelijk of uitsluitend agrarisch, en worden ze gekenmerkt door een lage organische samenstelling van kapitaal. Echte industrialisatie van de kolonies, in het bijzonder de opbouw van een bloeiende technische industrie, die de onafhankelijke ontwikkeling van de productiekrachten van het land mogelijk zou maken, wordt door de imperialisten verhinderd. Dit is de essentie van de functie van koloniale knechting: de kolonie wordt verplicht de belangen van haar onafhankelijke ontwikkeling op te geven en om de rol te spelen van een economische (landbouwproducten)-annex van het buitenlands kapitalisme, dat, ten koste van de arbeidersklasse van de kolonie, de economische en politieke macht van de imperialistische bourgeoisie versterkt om het monopolie van deze laatsten te bestendigen in de kolonies en om haar expansie verder uit te bouwen in vergelijking met de rest van de wereld.”
Om deze vervormde ontwikkeling van de economieën van de kolonies duidelijker te maken, nemen we het voorbeeld van Ghana.
“Ten tijde van de onafhankelijkheid van Ghana in 1957, stelde het land vast dat het bauxiet exporteerde en aluminium potten en pannen importeerde; palmolie exporteerde en zeep importeerde; hout exporteerde en meubelen en papier importeerde; huiden exporteerde en laarzen en schoenen importeerde. Terwijl Ghana de grootste cacaoproducent ter wereld was, moest het elke reep chocolade en elk blikje cacao dat het nodig had, invoeren. Het land spendeerde elk jaar zelfs honderdduizenden pond om juten zakken in te voeren waarin de cacaobonen konden uitgevoerd worden. Even vreemd of nog vreemder is dat een Britse firma die limoenplantages in Ghana bezat de limoenen perste, het sap in bulk naar Groot-Brittannië verscheepte, waar het gebotteld werd; het afgewerkte product werd terug naar Ghana geëxporteerd waar het tegen een hoge prijs verkocht werd in de lokale winkels.”15
Maar om deze plunderingen uit te voeren dienden de koloniale machten wegen en spoorwegen aan te leggen, havens te bouwen en een zekere infrastructuur te voorzien die leidde tot de groei van zekere kapitalistische verhoudingen. De kapitaaluitvoer van de laatste tien jaar van de 19e eeuw beïnvloedde en versnelde deze ontwikkeling. Lenin benadrukte dat: “De kapitaaluitvoer beïnvloedt en versnelt de ontwikkeling van het kapitalisme in de landen waarnaar het wordt geëxporteerd.”
Maar zoals eerder vermeld was deze kapitalistische ontwikkeling vervormd en kwam ze slechts tegemoet aan de grondstofnoden van de imperialistische monopolies. De paar industrieën die opgebouwd werden, werden gecontroleerd door de imperialisten; de mijn- en olie-extraherende industrieën en de plantages waren volledig in handen van het imperialistisch kapitaal. Doordat deze scheve kapitalistische ontwikkeling in de kolonies niet bedoeld was voor de interne markt maar om de imperialistische moederlanden te dienen, kon deze slechts binnen bepaalde grenzen groeien. En om dezelfde reden bleven de prekapitalistische verhoudingen overheersen in de kolonies, terwijl de kapitalistische verhoudingen artificieel geplaatst werden van buitenaf, anders dan de groei van het kapitalisme in de schoot van bestaande prekapitalistische sociale structuren in Europa en Amerika, waar de binnenlandse markt de stevige basis vormde van de volledige ontwikkeling van het kapitalisme. Het opkomende kapitalisme in de Westerse landen had een intern dynamisme voor onbeperkte expansie en om feodale, semi-feodale en andere prekapitalistische structuren om te vormen en zelfs te vernietigen. Elke vernietiging van het oude was tezelfdertijd een creatie van nieuwe kapitalistische verhoudingen. De snelle ontwikkeling van de productiekrachten in de kapitalistische landen was gebaseerd op hun eigen binnenlandse markt, ondanks de enorme plunderingen van de kolonies en semi-kolonies en de barbaarse slavenhandel, wat de initiële impuls gaf doordat dit zorgde voor de oorspronkelijke kapitaalsaccumulatie.
Zelfs in Japan, waar tot de Tweede Wereldoorlog door de onvoltooide democratische revolutie semi-feodale verhoudingen bestonden in de landbouw, kon het kapitalisme zich snel ontwikkelen omdat het geheel gestoeld was op het binnenlands kapitaal, dat een onafhankelijke ontwikkeling kende. Ondanks de extreme achterlijkheid van het land tot het laatste kwart van de 19e eeuw en een ernstig gebrek aan grondstoffen, was het voornaamste voordeel van Japan dat het nooit een kolonie of een semi-kolonie geweest is. Omdat de binnenlandse markt voor de Tweede Wereldoorlog zeer beperkt was door de semi-feodale verhoudingen die remmend werkten, maakte het Japans kapitaal zich meester van buitenlandse markten en grondstofbronnen, hierbij geholpen door een zeer gemilitariseerde staat.
In sterk contrast hiermee werd de oude productiewijze slechts gedeeltelijk vernietigd in de oude kolonies en semi-kolonies, zonder dat er iets nieuw in de plaats kwam. Hierdoor ontwikkelden zich kapitalistische ‘enclaves’ naast de prekapitalistische structuren en verhoudingen. De geruïneerde ambachtslieden konden niet opgenomen worden in de productie, omdat er zeer weinig nieuwe industrieën waren en zij dus moesten terugvallen op het land, waardoor ze de landbouwcrisis versterkten. Er was een echte economische terugval die leidde tot een verdere terugval van de binnenlandse markt van de kolonies en semi-kolonies. Door de zeer zwakke binnenlandse markten in de kolonies en semi-kolonies kwamen de initiële buitenlandse investeringen in deze landen bijna uitsluitend ten goede aan de imperialistische markt. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was de verhouding van buitenlandse investeringen in industrieën voor de binnenlandse markten bijvoorbeeld slechts 15% van de totale buitenlandse investeringen in de kolonies, de semi-kolonies en de afhankelijke landen. Mijnindustrie, plantages, transportbedrijven, handelsconcerns, banken en verzekeringsmaatschappijen enz. waren allemaal gericht op de export. De kapitalistische sector stond in het ontwikkelingsproces dus buiten de lokale economie. De prekapitalistische verhoudingen en structuren werden aangepast aan de noden van de koloniale leiders maar niet radicaal hervormd om een echte kapitalistische productiewijze te scheppen. Ook politiek was er de noodzaak voor de koloniale heersers om sociale steunpunten te voorzien voor de minderheid van hun leidinggevend personeel.
De handels- en kredietburgerij, als ze bestond, verbond zich met het buitenlands kapitaal en zo werd ze een compradore-burgerij. De landheren en stamhoofden werden de sociale pijlers van de koloniale heersers.
Mao Zedong verklaarde dit fenomeen binnen de Chinese context. Mao citeert de Stellingen over de revolutionaire beweging in de koloniale en semi-koloniale landen van het Zesde Congres van de Communistische Internationale in 1928 en Stalins tekst over De revolutie in China en de taken van Communistische Internationale: “De imperialistische machten hebben de klasse van feodale landheren en de klasse van de compradoren tot de belangrijkste instrumenten van hun heerschappij in China gemaakt. Het imperialisme ‘lieert zich eerst met de heersende lagen van de vorige maatschappelijke structuur, met de feodale heren en de handels- en kredietburgerij, tegen de meerderheid van het volk. Overal poogt het imperialisme al deze prekapitalistische uitbuitingsvormen te bewaren en te bestendigen (vooral in de dorpen), die dienen als bestaansreden voor zijn reactionaire bondgenoten.’ ‘Het imperialisme, met al zijn financiële en militaire macht, is in China de kracht die de feodale overlevenden steunt, inspireert, voedt en beschermt, samen met hun volledige bureaucratische en militaristische superstructuur’.”16
Hij stipte verder aan: “Hoe dan ook, de opkomst en ontwikkeling van het kapitalisme is slechts één aspect van de verandering die heeft plaatsgehad in China sinds de imperialistische penetratie. Er is een ander samenvallend en hinderend aspect, namelijk de samenzwering van het imperialisme en de Chinese feodale krachten om de ontwikkeling van het Chinese kapitalisme tegen te houden.”17
Maar tegelijk met de sociale klassen die karakteristiek zijn voor de prekapitalistische groepen zoals feodale landheren, onvrije of aangehechte boeren, ambachtslui en vaklieden uit de dorpen, priesters, chefs, sjeiks en radja’s, ontstonden er ook nieuwe klassen van loonarbeiders en kapitalisten tijdens de koloniale periode. Ook professioneel, technisch en dienstpersoneel, dat bescheiden posten bekleedt in de koloniale administratie, het leger, de post, ziekenhuizen, scholen en universiteiten enz, verscheen als een nieuwe kracht. Mao verklaarde deze nieuwe veranderingen in China aan de vooravond van het opkomen van een kapitalistische sector in de Chinese economie in Over de nieuwe democratie: “De Chinese maatschappij is geleidelijk aan van karakter veranderd sinds de opkomst van een kapitalistische economie in China; het is niet langer een geheel feodale maar een semi-feodale maatschappij, hoewel de feodale economie nog steeds overheerst. Vergeleken met de feodale economie is deze kapitalistische economie nieuw. De politieke krachten van de burgerij, de kleinburgerij en het proletariaat zijn de nieuwe politieke krachten die zijn opgekomen en gegroeid tezamen met deze nieuwe kapitalistische economie. En de nieuwe cultuur weerspiegelt en versterkt deze nieuwe economische en politieke krachten in de ideologie. Zonder de kapitalistische economie, zonder de burgerij, de kleinburgerij en het proletariaat, en zonder de politieke kracht van deze klassen, zou de nieuwe ideologie of de nieuwe cultuur niet kunnen zijn ontstaan.”18
Hoewel het kapitalisme zich ook tot op zekere hoogte in de landbouw ontwikkelde – de snelheid van de ontwikkeling werd zelf bepaald door de omvang van de uitvoer van marktgewassen die nodig waren voor de imperialistische landen – leefde het als een secundaire vorm naast de feodale en semi-feodale verhoudingen. Dit werd uiteengezet in de Stellingen van de Communistische Internationale: “Het kapitalisme dat het koloniale dorp heeft ingepast in zijn systeem van belastingen en zijn handelsapparaat, en dat de prekapitalistische verhoudingen heeft omvergeworpen (bv. de vernietiging van de dorpsgemeenschap), bevrijdt hierbij niet de boeren van het juk van de feodale vormen van knechting en uitbuiting, maar geeft hieraan slechts een monetaire uitdrukking (feodale diensten en huur terwijl het betalen van belastingen in natura vervangen wordt door geld, enz.) dat het lijden van de boeren nog vergroot. Woekeraars komen de boer in zijn ellende ‘ter hulp’ en beroven hem en onder bepaalde voorwaarden (bv. in sommige delen van China en India) creëren zij een erfelijke schuldslavernij.”
“Niettegenstaande de grote verscheidenheid in agrarische verhoudingen in verschillende kolonies en zelfs in verschillende delen van één en hetzelfde land, is de armoedige positie van de boerenmassa’s bijna overal dezelfde.”
“Grootgrondbezit is hier zo goed als niet gekoppeld aan grootschalige landbouw, maar is slechts een manier om huur van de boeren te verkrijgen. Er is vaak een hiërarchie te vinden van landheren en onderlandheren, parasitaire intermediaire verbindingen tussen de werkende teler en de grote landheer (landpachter) of de staat. (…) Grote massa’s van de boerenklasse worden uit het productieproces gegooid; zij hebben geen kansen om werk te vinden in de steden en vinden zelden werk in het dorp, waar zij tot miserabele koelies verworden.”
“De zielige pogingen om agrarische hervormingen door te voeren zonder het koloniale regime te schaden zijn bedoeld om de geleidelijke conversie van semi-feodaal landeigendom in kapitalistisch landbezittersschap te vergemakkelijken; en in sommige gevallen om een kleine laag van koelakken19 te vormen. In de praktijk leidt dit slechts tot een steeds toenemende verpaupering, die op zijn beurt de ontwikkeling van binnenlandse markten verlamt!”
Verwijzend naar de veranderingen die plaatsvonden in China door de komst van het buitenlands kapitaal, schreef Mao Zedong: “De fundamenten van de autarkische natuurlijke economie van de feodale tijd werden vernietigd, maar de uitbuiting van de boeren door de klasse van de landheren, die de basis vormt van het systeem van feodale uitbuiting, blijft niet alleen intact maar domineert duidelijk het maatschappelijke en economische leven van China, gekoppeld als het is aan het kapitaal van compradoren en woekeraars.”
“Het nationale kapitalisme is tot op zekere hoogte ontwikkeld en heeft een aanzienlijk aandeel gehad in het politieke en culturele leven van China, maar het is niet het belangrijkste patroon geworden in de sociale economie van China; het is zwak en voornamelijk in verschillende graden verbonden met buitenlands imperialisme en binnenlands feodalisme.”20
Tenslotte mag niet vergeten worden dat de gevolgen van de koloniale heerschappij niet gelijk waren in de kolonies. Deze effecten hangen af van de ontwikkelingsgraad van de lokale economieën ten tijde van de koloniale heerschappij en de sterkte van de sociale klassen in de kolonies. De ontwikkelingen in Latijns-Amerika dat gedurende meer dan drie eeuwen onder directe koloniale overheersing stond, maar waar de macht werd overgedragen op de bourgeoisie der grootgrondbezitters en compradoren tijdens het eerste kwart van de 19de eeuw – lang voor de komst van het moderne imperialisme – verschillen sterk van de ontwikkelingen in het Afrika bezuiden de Sahara, dat noch grootgrondbezitters noch enige compradore- of nationale burgerij had aan het einde van de koloniale heerschappij. Het agrarisch kapitalisme van het latifundium-type, gebaseerd op reusachtige plantages, ontwikkelde zich veel eerder in Latijns-Amerika, hoewel semi-feodale structuren en de beperkingen opgelegd door een uitvoereconomie nog steeds de volledige ontwikkeling hinderen. In India, Egypte, enz. bestond er een sterke burgerij ten tijde van de koloniale verovering en werd die dan ook snel getransformeerd tot een compradore-burgerij.
Het agrarisch kapitalisme kwam in Azië niet tot een betekenisvolle ontwikkeling onder de koloniale heerschappij, hoewel de feodale verhoudingen en structuren geleidelijk veranderden in semi-feodale. Moderne kapitalistische plantages van Unilever, United Fruit, Firestone, enz. bestonden naast de landbouw voor eigen gebruik. Zelfs in de kapitalistische sector van de landbouw werden feodale vormen van knechting en uitbuiting gebruikt om er grotere winsten uit te halen.
Afrika bevond zich nog steeds in een primitief ontwikkelingsstadium ten tijde van de koloniale verovering, en werd als laatste gekoloniseerd tegen het einde van de 19e eeuw.
In Noord-Afrika verhinderde de nederzetting van arme blanken de vorming van klassen zoals in Azië. Het volledig administratief personeel werd gerekruteerd uit de buitenlandse kolonisten, in tegenstelling tot wat gebeurde in andere kolonies in Azië en het Midden-Oosten. In deze laatste gebieden ontwikkelde het kapitalisme zich eerst in steden, en de stedelijke grote burgerij, die sterke banden had met de klasse der grootgrondbezitters, was sterk ontwikkeld, terwijl de plattelandsburgerij of de koelakkenklasse zeer zwak was.
Afrika kende nauwelijks een stedelijke ontwikkeling of groei van een stedelijke burgerij. De plattelandsburgerij aan de andere kant is geleidelijk ontwikkeld tijdens de koloniale periode in Afrika door de verandering van primitieve landbouw naar plantage-economie voor export naar de imperialistische landen. Het is deze plattelandsburgerij die zichzelf langzaam begon te ontwikkelen tot een stadsburgerij.
Deze verschillende types van ontwikkeling gedurende de koloniale heerschappij hebben een directe invloed op de positie en status in de neokoloniale periode van het imperialisme na de Tweede Wereldoorlog.
2.2. Het verband tussen neokolonialisme, sociale klassen en productieverhoudingen in de Derde Wereld
De immense veranderingen die optraden na de Tweede Wereldoorlog, waaronder de opkomst van een sterk socialistisch kamp en de groeiende bevestiging van de nieuwe politieke en sociale krachten die verschenen waren in de kolonies als gevolg van de kapitalistische ontwikkeling, hoe klein en vervormd ook, noopten het imperialisme er niet alleen toe over te schakelen op de methodes van de indirecte overheersing, op het neokolonialisme dus, maar ook om een nieuwe maatschappelijke basis te zoeken voor de bestendiging van zijn roofbouw en uitbuiting. Het ‘spook van het communisme’ achtervolgde de imperialisten en hun slippendragers overal, en de oude prekapitalistische lagen – de feodale landheren, prinsen, radja’s, sjeiks en chefs die optraden als de belangrijkste tussenpersonen van het oude kolonialisme – werden grondig in diskrediet gebracht in verscheidene landen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika; ze werden niet langer vertrouwd door het volk. De nationale bevrijdingsbewegingen in de meeste kolonies en semi-kolonies waren niet alleen gericht tegen het imperialisme maar ook tegen de prekapitalistische klassen die beschermd en bevoorraad werden door de imperialistische troepen. Terwijl de oude, traditionele heersers zich tevreden stelden met het handhaven van het economisch en sociaal systeem dat reeds tientallen jaren bestond, vertegenwoordigden de nieuwe maatschappelijke krachten die opgewekt werden door de nationale bewegingen, klassen die moderne staten, nieuwe industrieën, universiteiten en parlementaire instellingen wilden creëren.
De koloniale krachten realiseerden zich dat zij de nieuw gevormde staten alleen konden controleren via deze nieuwe sociale krachten die in sommige landen aan de macht waren gekomen – de ontluikende burgerij, de kleinburgerij, de intellectuelen, de bureaucratische en technische elites, de militaire leiders, enz. Waar mogelijk onderhield het imperialisme de contacten met de prekapitalistische krachten – met feodale landheren en stamhoofden. In landen als Nigeria, Ghana, Niger, Maleisië, de Filippijnen, Indonesië, Soedan en India werden de nieuwe regeringen gevormd als een coalitie tussen de prekapitalistische krachten en de burgerij, samen met het imperialisme. In landen zoals India, waar een klasse van compradore-burgerij tamelijk ontwikkeld was, werd de macht direct overgedragen aan een alliantie van de feodale krachten en de grote compradore-burgerij. In de meeste landen van Afrika, waar de primitieve economie en de kolonie van blanken de opkomst van een kapitalistenklasse verhinderde, begonnen de koloniale machten vrijwillig een nieuwe middenklasse te vormen die het imperialisme diende. Dit werd openlijk gesteld op verschillende forums van de imperialistische agenten.
De Afrikaanse plattelandsburgerij is niet in staat om zelf een moderne industrie te creëren omdat ze de financiële middelen en de technische capaciteiten niet bezit en te zeer verdeeld en te weinig gestructureerd is. De enige optie die de jongere generatie van de Afrikaanse bourgeoisie had, was in staatsdienst treden. De nieuwe bureaucratie werd zo een geprivilegieerde elite en de belangrijkste drijvende kracht in de Afrikaanse maatschappij. De ambtenaren investeren het geld van hun kennissen en de dorpsbewoners in sectoren als wegenaanleg, taxi’s, diensten, bouw en andere publieke werken die niet teveel kapitaal vergen. Het is met deze staatsbureaucratie en de plattelandsburgerij dat het imperialisme zich verbond in het grootste deel van Afrika, voornamelijk in de neokoloniale fase, in plaats van met de traditionele heersers. Deze administratieve bureaucratie hervormde zichzelf geleidelijk tot een staatsburgerij die het imperialisme diende.
Een essentieel doel van het neokolonialisme is het voorkomen van een revolutionaire hervorming in de derdewereldlanden, wat een constante strijd zou betekenen tegen het imperialisme en het feodalisme door het bondgenootschap tussen de arbeiders en de boeren. Omdat ze niet in staat waren feodale en semi-feodale maatschappijen in stand te houden als steunpilaar voor hun invloed, startten de imperialisten in sommige Aziatische en Afrikaanse landen zelf landhervormingen, zoals in Taiwan, Zuid-Korea en Zuid-Vietnam. Ze creëerden een nieuwe klasse van koelakken (kapitalistische landbouwers) en een kapitalistische klasse die het imperialisme dienden. Sommige van de vroegere landheren werden ook grootschalige kapitalistische landbouwers, zoals in Egypte, Taiwan en delen van India.
Het politieke motief om sommige veranderingen teweeg te brengen in de prekapitalistische productieverhoudingen in de derdewereldlanden komt voort uit de wereldconcurrentie tussen het kapitalisme en het socialisme en de angst voor een mogelijk afdrijven van sommige van deze staten naar het socialisme. Het economische motief wordt gevormd door de expansie van de kapitaaluitvoer en de handel van de imperialistische landen. Een andere drijfveer bestaat erin een deeltje van de imperialistische buit aan de nieuwe heersende klassen van deze landen te geven en om tenminste gedeeltelijk aan de groeiende verwachtingen van het volk tegemoet te komen; dat kon met de oude productiewijze alleen niet bereikt worden. Daarom werd een zekere expansie van de markten in de Derde Wereld aangemoedigd, samen met een beperkte technologische ontwikkeling.
Dit betekent niet dat de klassenbelangen van de burgerij, die aan de macht is gekomen in de derdewereldlanden, tegengesteld zijn aan de belangen van de feodale en prekapitalistische maatschappelijke krachten. In feite gaat het overal om een alliantie van feodale landheren die hun vroegere, geprivilegieerde positie in de maatschappij willen behouden of terugwinnen, handelaren en speculanten die de komst van het socialisme vrezen en die als tussenpersonen willen optreden voor de grote internationale monopolies, van delen van de nieuwe elites die zich verrijken met smeergelden en door misbruik van overheidsgelden, en alle aanhangers van het kapitalisme, de nieuwe rijken, de politici, de diplomaten, de politieoversten en militaire chefs – allen die maar al te graag de dividenden in ontvangst nemen die de vroegere koloniale machten uitdelen terwijl de overgrote meerderheid in vreselijke omstandigheden leven. Één der belangrijkste doelen van het neokolonialisme is het voeden en vormen van zulke parasitaire klassen. Het is door deze krachten dat het imperialisme nog steeds de derdewereldlanden controleert.
In Zaïre bijvoorbeeld is er vandaag een kleine minderheid van 2.700 zeer rijke families en 27 miljoen mensen die volledig verarmd zijn en bijna nooit genoeg te eten hebben. Mobutu, de tiran en stroman van het imperialisme, stal 5 miljard dollar van de rijkdommen – een bedrag gelijk aan de totale buitenlandse schuld van het land – kocht ontelbare villa’s in Europa; hij bezit ontelbare schepen, straalvliegtuigen en een plantage-imperium dat een zesde van de landbouwexport voortbrengt, naast aandelen en andere eigendommen.
Volgens het Braziliaanse Instituut voor Sociale en Economische Analyse was in 1978 het gemiddelde inkomen van de hoogste klassen in Brazilië 225 keer hoger dan dat van de armste klassen. Tweederde van de Brazilianen – 86 miljoen mensen – leden in 1985 volgens schattingen aan ondervoeding.
Terwijl de 10% rijksten in Brazilië de helft van de gezinsinkomens bezaten, ontvingen de 20% armsten een magere 2% volgens de enige beschikbare cijfers van 1972.
In de Dominicaanse Republiek monopoliseert 0,07% van de landeigenaren 45% van de landbouwgrond. Meer dan de helft van de bevolking leeft er in extreme armoede.
In de Filippijnen vond men tenminste 15% van de buitenlandse schuld terug in de zakken van dictator Marcos toen hij in 1986 het land uitvluchtte.
Volgens een schatting van de president van de Inter-American Development Bank bedroeg de kapitaalvlucht uit Mexico alleen al 90 miljard dollar tussen 1979 en 1983. In heel Latijns-Amerika stuurden de rijke families van de heersende klassen ongeveer 130 miljard dollar naar het buitenland. In elk derdewereldland heeft het imperialisme dus de macht overgedragen aan ofwel de hogere compradore-burgerij (die zelf verbonden was met de klasse van de grootgrondbezitters) waar die sterk genoeg was om de macht uit te oefenen, ofwel bracht het een zekere groei van kapitalisme om een nieuwe compradore-klasse te scheppen die het imperialisme zou steunen. Zoals Amilcar Cabral, de volksleider van het ‘Portugese’ Guinea verklaarde, bestaat een van de essentiële doelen van het neokolonialisme erin “een valse burgerij creëren om een rem op de revolutie te zetten en om de mogelijkheden van de kleinburgerij te vergroten om de revolutie te neutraliseren.”
Het is belangrijk in te zien dat de mogelijkheden tot ontwikkeling van nationaal kapitaal zeer beperkt zijn in de landen die gedomineerd worden door buitenlands kapitaal zoals in Latijns-Amerika of in sommige landen van Azië en het Midden-Oosten, zoals India en Egypte. In Afrika zijn de omstandigheden nog veel slechter omdat daar zelfs geen minimum aan oorspronkelijke accumulatie was; op het einde van de koloniale heerschappij bestond er dus geen echt nationaal kapitaal. Afrika werd eigenlijk geïntroduceerd op de wereldmarkt in een primitief stadium van sociale ontwikkeling waarin zelfs het gebruik van geld marginaal was. Historisch gezien was het geïnvesteerde kapitaal afkomstig van de exploitatie van niet-kapitalistische sectoren, dus door primitieve kapitaalsaccumulatie. Later werden de opbrengsten van het geïnvesteerde kapitaal gespaard om te herinvesteren om de productiecapaciteit te verhogen – een proces van toegenomen reproductie. Zonder oorspronkelijke accumulatie van kapitaal en verhoogde reproductie kan er geen kapitalistische ontwikkeling plaatsvinden. In de meeste derdewereldlanden is het niveau van oorspronkelijke kapitaalsaccumulatie door de lokale heersende klassen zeer laag door de plunderingen van het imperialisme en door de voortdurende uitvoer van de overschotten naar de imperialistische landen. De omvang van de reproductie door de inlandse kapitalisten wordt ook beperkt door een zwakke binnenlandse markt en de extreme afhankelijkheid van de buitenlandse markt. Onder de voorwaarden van het imperialisme kan de lokale burgerij slechts ontwikkelen binnen de grenzen die door het beleid van het heersende kapitaal wordt toegelaten. Onder het neokolonialisme dus, wanneer belangrijke economische functies nog steeds gecontroleerd worden door buitenlands kapitaal, zijn in de meeste derdewereldlanden de mogelijkheden voor reproductie en kapitaalaccumulatie uiterst gelimiteerd.
De staat speelde daarom een belangrijke rol in de gehele Derde Wereld bij het promoten van de kapitaalsaccumulatie en bij de ontwikkeling van de privé-burgerij. In een paar landen, die gebruik maakten van de hulp van de socialistische landen of de tegenstellingen tussen de verschillende imperialistische machten onderling, groeide het staatskapitalisme sneller en nationaliseerde het zelfs buitenlands kapitaal, zoals in Egypte, Kongo, Zambia en Tunesië, zij het niet overal in dezelfde mate. In India groeide de staatskapitalistische sector fenomenaal in de 40 jaar volgend op de overdracht van de macht, met de hulp van imperialisme en sociaalimperialisme, zonder nationalisering van buitenlands kapitaal. Over het geheel genomen had de staatssector in de Derde Wereld een compradore-karakter. Het creëerde een grotere binnenlandse markt en bracht enkele veranderingen aan in de feodale en andere prekapitalistische productieverhoudingen in de landbouw. Over de gehele wereld heeft het imperialisme het feodalisme en andere prekapitalistische productieverhoudingen veranderd en gekneed naar de eigen steeds veranderende noden. Terwijl het agrarisch kapitalisme, gebaseerd op moderne plantage-economie en gericht op de export van één of een paar marktgewassen, gedurende de neokoloniale periode betekenisvol gegroeid is in sommige Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen en in sommige delen van Aziatische landen, blijkt het om een afstervende groei te gaan, omdat deze ontwikkeling niet afhangt van de noden van de lokale markt maar van de vereisten en vragen van de imperialistische wereldmarkt. Een prijsdaling op de wereldmarkt voor de marktgewassen, gaat steeds gepaard met een ernstige agrarische crisis in deze landen en met de verpaupering van het grootste deel van de boerenbevolking. Landen die correct geclassificeerd worden als agrarisch wat betreft hun economie, zijn vreemd genoeg afhankelijk van voedselimport voor hun dagelijkse noden.
Zo was Marokko in de jaren ’50 een graanexporteur, maar vandaag kan het slechts een vijfde van de eigen behoeften dekken. De voedselimport steeg gemiddeld met 17% per jaar tussen 1970 en 1983 – in totaal 220%!
Vanaf het midden van de jaren ’60, toen het VS-imperialisme te kampen kreeg met een zware overproductiecrisis van landbouwmachines en landbouwgrondstoffen, begon het via de Wereldbank de Groene Revolutie door te drukken. Het ‘hulppakket’ van het VS-imperialisme en later ook van de andere imperialistische machten voor de Derde Wereld omvatte meststoffen, hoog renderende zaden, herbiciden, pesticiden, dorsmachines, oogstmachines en andere landbouwbenodigdheden. De Derde Wereld kende een enorme toename van het gebruik van deze machines en producten in de jaren ’70 en ’80. Het imperialisme heeft dus, om de eigen economische crisis op te lossen, de kapitalistische ontwikkeling in de landbouw in de Derde Wereld versneld in de voorbije 25 jaar. Dit leidde tot de opkomst van een nieuwe koelakkenklasse, een klasse van kapitalistische boeren. Maar in verschillende landen bleven de semi-feodale structuren een hinderpaal voor de volledige overgang naar kapitalistische landbouw.
Al deze veranderingen onder het neokolonialisme betekenen dus slechts een gedeeltelijke breuk met de prekapitalistische vormen van economie. Een complete breuk met de feodale en andere prekapitalistische vormen is onmogelijk in het huidige imperialistische wereldsysteem zonder een echte proletarische revolutie.
Samengevat kunnen we stellen dat er een snellere ontwikkeling van het kapitalisme in de landbouw en in de industrie was in de derdewereldlanden tijdens de neokoloniale periode, zonder dat deze economieën echter zelf kapitalistisch werden. De semi-feodale structuren en de heerschappij van buitenlands kapitaal, techniek, goederen (en nu zelfs diensten) in de derdewereldlanden zijn remmen op de volledige ontwikkeling van het kapitalisme in deze landen en reduceren hen tot het statuut van semi-feodale, semi-koloniale landen of neokolonies. Enkel door uit de kapitalistische wereldeconomie te breken kan een derdewereldland een samenhangend geheel worden en een zelfbedruipende economie ontwikkelen door het scheppen van een ruime binnenlandse markt.
2.3. De hedendaagse trends: de globalisering en de impact ervan op de Derde Wereld
De globalisering is op zich geen nieuw fenomeen, maar wat nieuw is in de neokoloniale fase van het imperialisme is dat de globalisering tegen een ongekende snelheid voortschrijdt en steeds nieuwe vormen aanneemt om het overleven van het imperialisme te verzekeren.
Het kapitaal heeft een inherente neiging tot constante expansie en tot het integreren van de verschillende economietypes in één wereldmarkt. Een wereldmarkt is reeds ontstaan in de laatste helft van de 19e eeuw, zoals door Marx zelf werd opgemerkt. Sinds toen heeft het kapitalisme gepoogd de over de hele wereld verspreide economische activiteiten te integreren en de verschillende vormen van economie in een ééngemaakte wereldmarkt onder te brengen.
Gedurende de eerste fase, van de jaren 1860 tot het begin van de 20e eeuw, nam de globalisering van het kapitalisme de vorm aan van internationale handel van goederen. Hierbij voegde zich vanaf het einde van de 19e eeuw de export van financierskapitaal. Lenin, die leefde toen de uitvoer van kapitaal een prominent kenmerk van de wereldeconomie werd, wees erop dat dit zou leiden tot “de vergroting en uitdieping van het kapitalisme over de hele wereld”.
Stalin sprak hier ook over in 1925: “Dankzij de toename van de kapitaalexport naar de onderontwikkelde landen, een toename aangemoedigd door de relatieve stabilisering van het kapitalisme, ontwikkelt het kapitalisme zich in de kolonies en zal het zich snel blijven ontwikkelen. Op deze manier breekt het de oude sociale en politieke omstandigheden af en plant het nieuwe in.”21
De Tweede Wereldoorlog werd gevolgd door een periode van globalisering van investeringen door geld, kredieten en hulp. Na de start van de langste crisis van het imperialisme in de vroege jaren ’70 nam de globalisering van de productie door directe buitenlandse investeringen de overhand. Het is een welbekend fundamenteel principe dat het enige doel van het kapitaal is kapitaal te accumuleren en te blijven accumuleren. Alle bovenvermelde veranderingen in de globale economie zijn alleen nodig om meer en meer kapitaal te accumuleren voor de imperialistische monopolies.
De veranderende rol van de landen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika en de veranderingen die in deze economieën plaatshebben kunnen alleen begrepen worden tegen de achtergrond van de veranderingen die optraden in het gehele globaliseringsproces van het kapitalisme zoals hierboven beschreven.
Zo stellen we vast dat in de eerste fase van de globalisering van het kapitalisme hele gebieden van Azië, Afrika en Latijns-Amerika veranderd worden in achtertuinen om landbouw- en andere grondstoffen te leveren voor de Europese industrieën. Het Europese kapitaal werd in deze periode geïnvesteerd in plantages, mijnen en in de tertiaire sectoren die verbonden waren met de koloniale ontwikkeling, zoals spoorwegen, havens, banken en verzekeringen, handel en andere diensten. Terwijl de imperialistische landen de consumentengoederen produceerden, leverden de kolonies, de semi-kolonies en de afhankelijke landen de grondstoffen; zij speelden dus de rol van grondstofproducerende aanhangsels van de geïndustrialiseerde centra van het Westen.
Tijdens de 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog was het karakteristieke kenmerk van de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen (waarvan de meeste al onder de directe koloniale heerschappij uit waren) de oprichting van lichte industrieën. Deze politiek van ‘importsubstitutie’ (goederen produceren die vroeger geïmporteerd werden) was geen politiek die zelfvoorziening aanmoedigde zoals de revisionisten beweren, maar werd volkomen gedicteerd door de noden van het imperialisme in de neokoloniale fase. De productie van consumptiegoederen (lichte industrie) vereist uitrustingsgoederen, dit zijn productiemiddelen zoals moderne machines en technische knowhow. De imperialistische landen ‘industrialiseerden’ de Derde Wereld gedurende de Tweede Wereldoorlog en vlak erna om twee redenen. Vooreerst was er een ongekende overvloed van kapitaalgoederen in de imperialistische landen en ten tweede was de productiekost lager en de winstmarge hoger in de derdewereldlanden. Dus sloegen de imperialisten twee vliegen in één klap – ze raakten van de uitrustingsgoederen af die anders na verloop van tijd op de schroothoop zouden belanden (het sluiten van de bedrijven die machines produceerden zou werkloosheid op grote schaal met zich meebrengen in de imperialistische landen en een ondraaglijke sociale crisis) en het zelf gebruiken van de goedkoper geproduceerde consumptiegoederen van de Derde Wereld. Daarenboven werd in verschillende derdewereldlanden (en in geheel Afrika behalve het imperialistische Zuid-Afrika) de lichte industrie ook gesticht door de multinationals. Deze bedrijven exporteerden de meeste winsten naar het buitenland omdat er geen enkele druk was van de heersende compradore-klassen om deze buitenlandse monopolies te doen herinvesteren in de betrokken landen. Daarnaast waren de machines die aan de inlandse kapitalisten verkocht werden van minderwaardige kwaliteit, terwijl de multinationals toch de meest geavanceerde technologieën bezaten. Hierdoor konden de lokale producenten van consumptiegoederen onmogelijk in concurrentie treden met de buitenlandse producenten. Om competitief te zijn waren sommige kleine en middelgrote ondernemingen in de Derde Wereld maar al te graag bereid om op één of andere manier mee te werken met de multinationals. De imperialistische lenigen, ‘hulp’ enz. die naar de Derde Wereld gingen waren verbonden aan een aantal voorwaarden die nadelig waren voor de Derde Wereld. Deze zogenaamde industrialisatie van de Derde Wereld via het oprichten van lichte industrieën was daarom een vervormde en afhankelijke ontwikkeling; zij was constant overgeleverd aan de genade van de imperialisten voor de verbetering van de technologieën. In deze periode verscheen dus een nieuwe internationale verdeling van arbeid waarbij de imperialistische landen de kapitaalgoederen leverden en de Derde Wereld de consumptiegoederen produceerden,maar deze lichte industrie werd in de verschillende landen gedomineerd door de multinationals. Het beleid van de derdewereldregeringen in de jaren ’50 en ’60 en in de eerste helft van de jaren ’70 werd gedicteerd door het imperialisme om het hierboven beschreven proces van verplaatsing van een deel van de productie van consumptiegoederen naar de Derde Wereld te vergemakkelijken. Een immense industriële infrastructuur, zoals wegen, nieuwe spoorweglijnen, havens, fabrieken en telecommunicatienetwerken, enz. werd ook via Wereldbankschema’s ontwikkeld voor het efficiënt functioneren van deze nieuwe internationale arbeidsverdeling.
De zware crisis veroorzaakt door de zo goed als stagnerende wereldmarkt sinds de vroege jaren ’70, de scherpe competitie tussen de verschillende multinationals en internationale monopolies en de constante daling van de industriële winstmarges in de imperialistische landen dreef de imperialistische monopolies tot het zoeken van nieuwe wegen van internationale specialisatie. Productieglobalisering is het verdelen en onderverdelen van een productieproces in verschillende handelingen op zo’n manier dat deze gelokaliseerd worden in verschillende landen om de totale winst te verhogen. De buitengewone wetenschappelijke en technische revolutie van vandaag maakt een in de ruimte gedecentraliseerde productie met een gecentraliseerd management mogelijk. De ultramoderne industrieën, die gekenmerkt worden door een hoge organische samenstelling van de arbeid en zeer geschoolde werknemers vergen zoals kernenergie, satellietverbindingen en andere ruimtevaartactiviteiten, de productie van computers en andere geavanceerde elektronica, robotten enz., worden in de imperialistische landen gehouden. Alle andere industrietakken, daarbij inbegrepen de productie van productiemiddelen voor de traditionele industrieën, worden gaandeweg verplaatst naar de goedkope arbeidsmarkten van de Derde Wereld. De hooggeschoolde werkkrachten van de Derde Wereld daarentegen worden overgebracht naar de imperialistische landen, een proces dat brain drain wordt genoemd.
De derdewereldlanden worden ertoe aangezet ‘exportproductiezones’, ‘vrijhandelszones’ of ‘industrieparken’ op te richten. Daar worden laaggeschoolde en ongeschoolde werkkrachten tewerkgesteld in slechte omstandigheden om te assembleren of chemische producten te maken die uitsluitend bestemd zijn voor de export. De opkomst van deze exportbevorderende ‘kampen’, vooral vanaf de jaren ’70, komt voort uit de nood van de multinationals om de arbeidsintensieve operaties in hun globaal gefragmenteerde productieprocessen te herlokaliseren; in deze enclaves zijn de lonen zeer laag (de lonen liggen er 40 tot 80 keer lager dan in de eigen landen) en de arbeiders zijn er ongeorganiseerd en dus gemakkelijker uit te buiten. De overgang van importsubstitutie (industrialisatie onder staatsplanning met de steun van buitenlands kapitaal tijdens de jaren ’50 en ’60) naar exportgerichte industrieën sinds de jaren ’70, kan slechts begrepen worden door de globalisering van de productie voor ogen te houden en het verschijnen van ‘globale fabrieken’. De hoge concentratie en specialisatie die het transnationale kapitaal heeft bereikt gedurende de twee decennia na de Tweede Wereldoorlog – jaren van snelle expansie van de wereldeconomie – en de daaropvolgende val van de industriële winstmarges waren hiervan de oorzaken. Zolang de winstvoeten verschillend zijn in verschillende landen (met andere woorden, zolang de winstvoet niet gelijk is op wereldvlak) leidt de inherente tendens van het kapitaal tot mondiale expansie onvermijdelijk tot de verdere integratie van de wereldmarkt in een ééngemaakt netwerk van kapitalistische productie en handel. Dat is de enige weg die overblijft voor het internationaal kapitaal in zijn onlesbare dorst naar accumulatie op wereldschaal.
Het beleid van de verschillende neokoloniale instellingen zoals de Wereldbank, het IMF, de GATT enz., is er sinds de jaren ’70 op gericht de bovenvermelde integratie van de wereldmarkt te bereiken. Dit is de belangrijkste factor die het ene derdewereldland na het andere ertoe aanzet van importsubstitutie over te schakelen naar het ‘voer uit of sterf’-syndroom. De zwakte van de interne markten van de derdewereldlanden vormt een andere factor. Neofeodale of zelfs primitieve structuren die de overgrote meerderheid in miserabele omstandigheden doet leven, maken het voor hen zeer moeilijk om zelfs maar voldoende voedsel aan te kopen, laat staan basisconsumptiegoederen.
Deze industrieën zijn uitermate afhankelijk van de wereldmarkt die helemaal geen hoop biedt op snelle uitbreiding. De groeiende concurrentie tussen de derdewereldlanden onderling (en met de niet tot de Derde Wereld behorende landen als China, de Oost-Europese landen en de vroegere sovjetrepublieken) spoort hen aan hun overvloedige werkkrachten steeds goedkoper te leveren aan de imperialisten. De levensomstandigheden van de massa’s zullen verder verslechteren en dat zal leiden tot een verdere ineenstorting van de binnenlandse markten en bijgevolg tot een nog nijpendere crisis in de wereldeconomie. Slechts een klein deel van de bevolking – de tot de heersende klassen behorende elites en kleine lagen van de hogere middenklasse – heeft hierbij voordeel; de middenklasse en zelfs delen van de nationale burgerij zullen verpauperen, om niet te spreken van de overgrote meerderheid der zwoegende massa’s.
Maar het handjevol compradore-kapitalisten en de heersende elites van de derdewereldlanden, die enorme rijkdommen hebben vergaard door de ploeterende massa’s uit te buiten samen met het imperialisme en die het, in plaats van de ontelbare draden die hen met de semi-feodale structuren verbinden, voordeliger vinden hun alliantie te behouden met deze parasitaire krachten en zo de groei van een binnenlandse markt verhinderen, willen maar al te graag ‘globaliseren’ en zij stellen zich tevreden met de marktaandelen die de imperialisten hen toebedelen.
De globalisering van de productie die de industrieën in de Derde Wereld reduceert tot niet meer dan deeltjes van de globale fabrieken van de multinationals, zal leiden tot een ongekende crisis in de economieën van de derdewereldlanden wanneer de crisis van de wereldeconomie verscherpt. Hoe meer een land geïntegreerd is in de wereldmarkt, hoe groter de ramp tijdens een ernstige wereldcrisis. De zogenaamde Aziatische Tijgers zoals Zuid-Korea, Taiwan, Singapore en Hongkong en de opkomende ‘tijgers’ van Zuidoost-Azië, die voornamelijk afhangen van de wereldmarkt voor hun basisbehoeften, zullen het hardst worden getroffen.
2.4. Neokolonialisme en India
De veranderingen die plaatsvonden in India na de overdracht van de macht kunnen begrepen worden in het bredere kader van de veranderingen van de wereldeconomie die hoger geschetst werden.
Zoals de communistische revolutionairen die de nieuwe democratische revolutie leiden en gewapende strijd leveren tegen feodalisme en imperialisme goed weten, werd onze maatschappij omgevormd tot een semi-feodale, semi-koloniale maatschappij na het einde van de directe koloniale heerschappij door Groot-Brittannië. We zullen kort de veranderingen opsommen die optraden gedurende de lange periode van Britse overheersing. Voor de Britse overheersing kenden wij een feodale maatschappij met een ontwikkelde goedereneconomie gebaseerd op bloeiende steden; zij droeg de zaden van het kapitalisme in zich. Ten tijde van de Britse verovering was er reeds een aanzienlijke hoeveelheid rijkdom geaccumuleerd door de Indische handelsklasse door internationale en nationale handel en door woeker. Ambachtslui bezaten grote vaardigheden en hadden reeds veel opstanden geleid in verschillende delen van het land, zoals tijdens de Bhakti-bewegingen. Verscheidene natiestaten hadden kunnen ontstaan met de verdere ontwikkeling van het kapitalisme en in de loop van de strijd tegen het feodalisme door de opkomende burgerij van de verschillende nationaliteiten. Zonder de Britse bezetting had de Indische maatschappij zich dus geleidelijk ontwikkeld in een kapitalistische maatschappij door het omverwerpen van het feodalisme.
Deze natuurlijke evolutie van de Indische maatschappij werd tegengehouden door de koloniale verovering in de laatste helft van de 18e eeuw. De indringing van buitenlands kapitaal en de tussenkomst van de koloniale staat leidde tot de desintegratie van India’s natuurlijke autarkische economie22, vernietigde de ambachten en reduceerde de grote stadscentra tot grote dorpen. De handels- en woekerburgerij verenigde zich met het Britse kapitaal, zij werden compradores en evolueerden tot een grote compradore-burgerij in de loop der tijd door te investeren in moderne industrieën.
Maar de ontwikkeling van het kapitalisme kwam tot stilstand door de Britse politiek van verbintenissen met de traditionele heersers en de creatie van een nieuwe klasse van zamindars (grootgrondbezitters of belastingpachters) op het platteland. Het Britse imperialisme stelde zich tevreden met het ontvangen van belastingen van deze belastingpachters en gebruikte ze als maatschappelijke steun voor hun heerschappij. Maar, door de Britse politiek die land omzette in privé-bezit, belastingen van de belastingpachters en de boeren hief in geld, en doordat de Britse handelaars met geld betaalden voor de landbouwproducten, ontwikkelde de goedereneconomie zich tot op zekere hoogte op het land. Zoals overal creëerden de Britten ook plantages in sommige gebieden en moedigden de boeren aan – of liever, verplichtten hen – om van graan over te schakelen op marktgewassen voor de uitvoer, zoals katoen en jute. Hierdoor begon de feodale productiemethode in de landbouw uiteen te vallen en veranderde die in een semi-feodale vorm.
Twee voorwaarden dienen vervuld te zijn opdat de kapitalistische productiewijze tot stand kan komen: goederenproductie moet de algemene productievorm zijn en er moet vrije loonarbeid bestaan. Zoals Lenin stelde: “Kapitalisme is goederenproductie op het hoogste stadium van ontwikkeling, wanneer de werkkracht zelf een goed wordt.”
De andere kenmerken van de kapitalistische productiewijze, zoals betaling van lonen in baar geld, verhoogde reproductie (de overschotten herinvesteren om meer overschotten te verkrijgen, wat tot nog grotere accumulatie leidt), een gestage en voortdurende polarisatie van de maatschappij in een klasse van kapitalisten en een klasse van loontrekkers enz., vloeien allen voort uit de bovenvermelde definitie van kapitalisme.
Alleen door de radicale verandering van de feodale en andere prekapitalistische productiewijzen kan de kapitalistische productiewijze een dominerende positie verwerven binnen de hierboven gestelde voorwaarden. Maar in India, door de alliantie van het Britse imperialisme met de compradore-burgerij en de feodale krachten en de niet voltooide democratische revolutie, kon zo’n omvorming niet doorgaan. De kapitalistische en de feodale productiewijzen bestonden naast een semi-feodale productiewijze die ten slotte de overwegende vorm werd in de landbouw.
Zelfs ten tijde van de machtsoverdracht werd slechts 35% of een derde van de totale landbouwproductie geproduceerd voor de markt. Tweederden van de verkoop bestond uit noodverkopen in de dorpen zelf. Daardoor was goederenproductie niet de dominante en determinerende vorm van landbouwproductie. De landarbeiders waren ook niet vrij. Zij hadden ofwel schulden ofwel kende ze een vorm van lijfeigenschap of een andere vorm van dienstbaarheid aan de landheren, vaak van dezelfde familie.
Tijdens de machtsoverdracht waren er drie pachtstelsels in India: 57% belastingspacht (zamindari), 38% pacht (ryotwari) en 5% onderpacht (mahalwari). Maar de agrarische verhoudingen onder deze stelsels waren een variant van semi-feodale productieverhoudingen, gekenmerkt door een extreem asymmetrische verdeling van het land, onderpacht, woeker, schuldarbeid enzovoort. Deze semi-feodale productieverhoudingen leidden natuurlijk naar de stagnatie van de landbouwproductie en de verarming van de boerenbevolking.
Na de machtsoverdracht, als de grote compradore-burgerij een alliantie aanging met het feodalisme en het imperialisme, waren er geen fundamentele veranderingen in de semi-feodale productieverhoudingen in de landbouw. Het kapitalisme kent als systeem een onverzoenlijke tegenstelling met het feodalisme, omdat dit laatste als een rem werkt op de verdere ontwikkeling van het kapitalisme. Feodalisme werkt remmend op de marktexpansie door grote delen van de boerenmassa’s te ketenen in lijfeigenschap. Kapitalisme heeft de neiging de markt uit te breiden door alle prekapitalistische verhoudingen te vernietigen en de boeren te bevrijden van het feodale lijfeigenschap en er loonarbeiders van te maken, ‘vrij’ om hun werkkracht te verkopen op de markt volgens de wetten van vraag en aanbod. Het kapitalisme vergroot zo de productiekrachten op enorme wijze.
In India is er altijd een overvloed geweest aan goedkope arbeidskrachten in de steden, meer dan voldoende voor het lage industrialisatieniveau in het land. In het begin van de Britse overheersing was er zelfs het vreemde fenomeen van migratie van de werklozen van de steden naar het platteland, wat de druk op de landbouw vergrootte. Zelfs nu hangt 70% van de Indische bevolking af van de landbouw. Met een laag industrialisatiepeil en een groot reserveleger aan werklozen, is er geen economische dwang voor de grote Indische burgerij om de boerenbevolking te bevrijden van het juk van de semi-feodaliteit. Ook politiek is het gevaarlijk voor de grote burgerij om de boeren te bevrijden van dat juk omdat de tot bewustzijn gekomen massa’s niet zullen stoppen alvorens een sociale revolutie door te voeren omdat er geen industrie bestaat die de meerderheid van hen kan opslorpen. Omdat de Indische economie vastgeketend zit aan de karrenwielen van het imperialisme, komt er geen grootscheepse uitbreiding van de industrialisatie om het surplus van de boerenbevolking op te slorpen; de Indische burgerij en het imperialisme vinden het verstandiger om de meerderheid van de boeren opgesloten te houden in het keurslijf van de semi-feodale verhoudingen.
Toch worden er enkele pogingen gedaan om de productiviteit in de landbouw op te drijven door het introduceren van geavanceerde machines, technologieën, meststoffen, hoog renderende zaden, irrigatie enzovoort in enkele geselecteerde regio’s. Dit wordt gedaan om de landbouwproductie te verhogen zodat ze tegemoet komt aan de steeds groeiende economische noden en om een markt te creëren voor de producten van de multinationals en de bedrijven in handen van de grote burgerij. In Punjab, Haryana, westelijk Uttar Pradesh, de Krishna-Godavari-delta in Andhra Pradesh, en in sommige delen van Kerala, Tamil Nadu, West-Bengalen – in ongeveer eenderde van het gecultiveerde gebied heeft er een kapitalistische transformatie plaatsgevonden. Deze verandering heeft een nieuwe klasse van koelakken of kapitalistische boeren doen ontstaan die in sommige staten reeds politieke autoriteit hebben verworven. Ook sommige feodale landheren zijn nu kapitalistische landbezitters geworden. Maar zelfs in deze gebieden van agrarisch kapitalisme worden feodale uitbuitingsvormen gecombineerd met kapitalistische vormen.
Over het geheel genomen blijven de semi-feodale productieverhoudingen vandaag het Indische platteland domineren. Er is een hoge concentratie van land in de handen van een paar landheren. In de vroege jaren ’80 bezat 4,29% van de holdings in Andhra Pradesh 37,25% van het land, 1,35% in Bihar bezat 15,34%, en 6,33% in Punjab en Haryana bezat 40,29%. Er is ook een belangrijke verpachting van land. Kleine en marginale gezinnen, waaronder landloze gezinnen hebben 6.255.000 hectare in pacht. Landbouwschulden blijven de boerenbevolking achtervolgen. Schuld uit traditionele bronnen – aan kredietverstrekkers, werkgevers en landheren in de dorpen – en steeds tegen buitengewone intrestvoeten, blijven een belangrijke rol spelen in het economische leven van de boerenfamilies. Op de vlaktes van Bihar, Telangana en verschillende andere delen van India is de manier van toe-eigening van meerwaarde van de directe producenten voornamelijk pacht en woeker. Een belangrijk deel van de landarbeiders kent een verschillende graad van ‘verslaving’; zij zijn niet werkelijk vrij om hun arbeidskracht te verkopen op de markt. ‘Jajmani’, de traditioneel bepaalde jaarlijkse betaling in natura of onder de vorm van landbouwgrond of beide aan de dienstenklasse en de ambachtslieden, is nog steeds in zwang in de plattelandsgebieden van Bihar en elders. Niet-economische dwang door de landheren, zoals klacht neerleggen tegen de boeren en hen naar de gevangenis sturen onder valse beschuldigingen zoals diefstal of andere misdaden, is een algemene praktijk in grote landelijke gebieden in India.
We stellen ook vast dat de meeste rijke boeren en landheren de geaccumuleerde meerwaarde niet herinvesteren in het land maar pogen in andere zaken te investeren zoals rijstfabrieken, olieraffinaderijen, wegaanleg, transport enz. Hierdoor is de organische samenstelling van kapitaal laag, wat leidt tot lage productieniveaus. Er is ook geen klassentegenstelling ontstaan van het slag waartoe een kapitalistische omvorming onvermijdelijk zou leiden in de meeste rurale gebieden van India. Kleine delen land in de handen van arme en middelgrote boeren komt nog steeds vaak voor in verschillende delen van India. Polarisatie van kapitalistische landheren die de productiemiddelen bezitten en ruraal proletariaat dat enkel afhangt van de verkoop van zijn werkkracht is nog steeds slechts een marginaal fenomeen.
Sommige marxistisch-leninistische groepen menen dat de kapitalistische productieverhoudingen of zelfs kapitalistische productiewijzen overwegen. Zij gebruiken daarvoor secundaire indicators zoals marktproductie en uitbetaling van lonen in baar geld; zij stellen dat de grote Indische burgerij, in het belang van haar eigen klasse, het feodalisme hebben omgevormd tot agrarisch kapitalisme. Zich baserend op een oppervlakkige analyse houden zij vol dat het feodalisme vandaag slechts voortleeft in de superstructuur – dus in ideeën, gewoonten, cultuur enz.
Sommigen, zoals de aanhangers van de ‘centrum-periferie’ of ‘metropool-satelliet’-theorie van de Latijns-Amerikaanse school zoals Andre Gunder Frank, Emmanuel Arrigghiri, Samir Amin (een Egyptenaar) en anderen, stellen dat het imperialisme het feodalisme heeft veranderd in elk land van Azië, Afrika en Latijns-Amerika. De taak van het proletariaat van deze landen bestaat er nu in een socialistische en niet langer een nieuwe democratische revolutie te voeren. Ook sommige marxist-leninisten beweren dat de huidige fase in India rijp is voor een socialistische revolutie is en niet voor een nieuwe democratische revolutie.
Zelfs een arme boer die zijn eigen werkkracht gebruikt, produceert voor de markt als hem dat beter uitkomt. Voor een deel gaat het om noodverkopen. Ook landbouw voor eigen gebruik is op aanzienlijke schaal te vinden in meerdere delen van India. Maar om hieruit te besluiten dat nu de kapitalistische productieverhoudingen of de kapitalistische productiewijze overheerst in de landbouw is op zijn minst belachelijk. Lonen uitbetalen in baar geld is een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor kapitalisme. Zelfs lijfeigene landarbeiders worden in cash uitbetaald als dat voordelig is voor de landheer. Geldcirculatie en uitbetaling van lonen treft men ook aan in prekapitalistische maatschappijen.
Terwijl we het overwicht van de semi-feodale verhoudingen in de Indische landbouw erkennen, moeten we er wel voor opletten niet te vervallen in het andere uiterste dat door bepaalde marxistisch-leninistische groepen wordt aangehangen; zij ontkennen zelfs iedere beperkte kapitalistische verandering in de Indische landbouw. Terwijl ze wijzen op de snelle uitbreiding van de verdediging van groepsbelangen (communalisme) en de wreedheden van kasten, beweren zij zelfs dat er een ‘herfeodalisering’ aan de gang is in India. Dat is een volstrekt onhistorische en niet-dialectische karakterisering. In feite zijn de kaste-wreedheden een antwoord van de hoogste kasten op de groeiende verdediging en het democratisch bewustzijn van de dalits (naam die de onaanraakbaren aan zichzelf geven; betekent de verdrukten) en de andere verdrukte kasten door de groei van de kapitalistische verhoudingen. Het imperialisme, trouw aan de eeuwenoude politiek van ‘verdeel en heers’, heeft samen met de leidende Indische klassen rellen tussen de gemeenschappen aangestookt om het volk af te leiden van de revolutionaire weg.
Diegenen die elke ontwikkeling van kapitalisme in de Indische landbouw ontkennen en die stellen dat het imperialisme geen enkele hervorming in de landbouwverhoudingen kan teweeg brengen, zijn niet minder gevaarlijk voor de Indische revolutie dan zij die volhouden dat het feodalisme volledig is verdwenen en volledig is omgezet in kapitalisme. Terwijl de laatsten aandringen op het staken van de antifeodale strijd en de gewapende landbouwrevolutie, streven de eersten ernaar de revolutionaire strijd te beperken tot antifeodale eisen en weerhouden ze zo het proletariaat ervan initiatief te nemen in het leiden van de brede massa’s tegen de groeiende imperialistische aanvallen.
We moeten dus deze beide stromingen afwijzen en ons daarentegen in het hele land concentreren op het vormen van een beweging van volksverzet tegen de imperialistische aanvallen door ons stevig te steunen op de gewapende agrarische revolutie om de semi-feodale verhoudingen af te schaffen.
Gedurende de laatste vier decennia sinds de machtsoverdracht en langer is er een kapitalistische omvorming geweest in de Indische landbouw in sommige gebieden en een desintegratie van de extreme vormen van feodalisme in meerdere delen van het land. Maar deze verandering was zelf gebaseerd op de steeds veranderende noden van het imperialisme en de Indische compradore-burgerij, zoals we eerder al aantoonden. Maar over het geheel genomen blijven de semi-feodale productieverhoudingen overheersen op het platteland; zij staan hierbij de ontwikkeling van de productiekrachten in India in de weg. De wil van de Indische compradore-burgerij om zich te integreren in de ‘globalisering’ komt voort uit haar onmacht en onwil om deze feodale ketenen te breken die de uitbreiding van de eigen markt belemmeren.
Tezelfdertijd moeten we de politieke en sociale betekenis van de kapitalistische veranderingen in de Indische landbouw erkennen, hoe klein die ook mag zijn. De belangrijkste ontwikkeling die in overweging dient genomen te worden om de nieuwe democratische revolutie succesvol door te voeren, is dat de Indische boeren, vooral de middenklasse en rijke boeren, die sterk afhankelijk zijn van de markt om hun producten te verkopen en voor het aankopen van hun werktuigen en landbouwmateriaal, steeds meer in conflict komen met het imperialisme en de Indische compradore-burgerij. Met de laatste globaliseringsfase van het imperialisme en met het vrolijk meelopen van de compradore-burgerij van India door het ondertekenen van de GATT-akkoorden, zullen de middenklassen en de rijke boeren zich steeds meer overgeleverd zien aan de genade van een wereldmarkt die volledig gecontroleerd en beheerd wordt door de reusachtige imperialistische monopolies. Dit zal ook de boeren ertoe nopen militant te strijden tegen de imperialistische overheersing. Om de nationale democratische revolutie succesvol te voeren met de gewapende agrarische strijd als spil, moeten de communisten niet alleen de armen en de landlozen en de lagere middenklassen-boeren mobiliseren in een antifeodale strijd om de wurggreep van de semi-feodale productieverhoudingen te verbreken, maar ook de andere delen van de boerenbevolking die een essentieel onderdeel zijn van de drijvende krachten van de Indische democratische revolutie, in een militante anti-imperialistische strijd. Zo zullen de communisten de twee opdrachten vervullen die erin bestaan het feodalisme en het imperialisme te overwinnen.
3. India, een semi-kolonie of een neokolonie?
Zijn de meeste derdewereldlanden vandaag neokolonies van het imperialisme? Wat is het verschil tussen een kolonie, een semi-kolonie en een neokolonie? En is het, gezien de zwakheid van het imperialisme in zijn geheel, mogelijk de derdewereldlanden te reduceren tot neokolonies?
Sommige marxistisch-leninistische groepen geven bijna alle derdewereldlanden het statuut van neokolonie. Zij verklaarden ook India tot een neokolonie van het imperialisme.
Een dergelijk standpunt kan voortkomen uit ofwel een begripsverwarring over neokoloniale uitbuiting en neokolonie, ofwel uit de verkeerde conclusie dat de voornaamste tegenstelling in de derdewereldlanden die is tussen het imperialisme en het volk van deze landen.
Bij het ontstaan van de CPI(ML) hadden wij ook geen duidelijk standpunt over neokolonies. In de Verklaring van het All India Co-ordination Committee of Communist Revolutionaries van 14 mei 1969 stond: “India, dat meer dan twintig jaar geleden een Britse kolonie was, is nu een neokolonie geworden van verscheidene imperialistische machten, waarvan de belangrijkste de VS en de USSR zijn. De VS-imperialisten, de agressiefste vijanden van de mens, zijn ook de ergste vijanden van de Indiërs. Hun neokoloniale greep op India is nu volledig.”
Dezelfde verklaring beschreef India ook als “een neokolonie van zowel de VS als de USSR”.
Toch hebben het Coördinatiecomité en onze partij gedurende de 25 jaar van hun bestaan correct erkend dat de voornaamste tegenstelling in ons land die tussen het feodalisme en de massa’s is. Er was slechts verwarring over de begrippen van neokoloniale uitbuiting en neokolonie.
Maar marxistisch-leninistische groepen zoals Red Flag daarentegen erkennen weliswaar oppervlakkig het Programma van de partij uit 1970. In de feiten hebben zij als uitgangspunt dat het imperialisme de economie in India heeft veranderd en dat de belangrijkste tegenstelling in India de tegenstelling is tussen het imperialisme en het Indische volk. Hun opvatting over India als een neokolonie vertrekt hiervan.
We hebben al heel gedetailleerd aangegeven wat een neokoloniale vorm van uitbuiting en overheersing inhoudt. Het gaat om een nieuwe tactische stijl van het imperialisme omdat het gedwongen was de koloniale overheersing op te geven. Een neokolonie produceert volgen een welbepaald uitbuitingsschema consumptiegoederen eigen aan een bepaald land. De gehele economie en de staatsmacht van dit land worden gecontroleerd door één imperialistische mogendheid in het bijzonder, alhoewel de staatsmacht wordt uitgeoefend door een marionet van die imperialistische macht. In een neokolonie overheerst een bepaalde imperialistische macht op onrechtstreekse wijze met behulp van een marionettenregime.
In zo’n situatie zal de belangrijkste tegenstelling in dat land veranderd worden in die tussen het imperialisme (de imperialistische macht die de economie en de staatsmacht controleert) en de gehele bevolking van dat land. De tegenstelling tussen het feodalisme en de grote massa’s, die de voornaamste was voor de verandering van dat land in een neo-kolonie, zal tijdelijk naar de tweede plaats schuiven. De werkende klassen moeten er dan naar streven een breed gezamenlijk front te vormen, dat zelfs die delen van de heersende klassen omvat die verbonden zijn met de andere imperialistische machten en zelfs enkele toegevingen doen aan deze laatsten om het voornaamste doel te treffen. Dit volgt uit de marxistisch-leninistische opvatting van een neokolonie.
Aan de andere kant komt het beschrijven van een land als een neokolonie van het imperialisme in zijn geheel erop neer de inter-imperialistische contradicties en botsingen te ontkennen die het imperialistisch systeem zo lang als het bestaat karakteriseren. Het blaast in feite nieuw leven in aan Kautsky’s stelling van het ultra-imperialisme, een stelling die Lenin reeds lang geleden weerlegde door aan te tonen dat het imperialisme de hele wereld kan niet kan domineren of knechten op een vreedzame manier door het gezamenlijk delen op basis van een collectieve verstandhouding.
Men moet natuurlijk niet het feit ontkennen dat de verschillende imperialistische machten en internationale monopolies – zoals de transnationale en de multinationale bedrijven – tijdelijke allianties kunnen aangaan voor de gezamenlijke uitbuiting van een bepaald land of bepaalde landen (via de Wereldbank, het IMF, GATT enz.) of gezamenlijk kunnen optreden om een bepaald opstandig regime “een lesje te leren” (zoals het geval was in Irak). Maar zo’n gezamenlijke uitbuiting door de verschillende imperialistische machten reduceert op zichzelf een bepaald land niet tot het statuut van neokolonie. Ook in elke semi-kolonie zijn er geschillen en botsingen tussen de verschillende imperialistische machten. In een neokolonie worden de betwistingen in feite het scherpst als een bepaalde imperialistische macht die het economische en politieke leven van de neokolonie controleert de andere imperialistische krachten hindert zich een deel van bekomen meerwaarde toe te eigenen.
Het onderscheid tussen een kolonie en een neokolonie bestaat erin dat de eerste direct geleid wordt door een imperialistische macht met een eigen rijksadministratie en een eigen leger; terwijl in een neokolonie de politieke controle uitgeoefend wordt via agenten en marionetten, dus via indirecte middelen. In beide gevallen echter wordt aan de andere imperialistische machten belet enig aandeel te hebben in de staatsmacht, waardoor scherpe tegenstellingen optreden tussen de compradore-feodale groepen die gelieerd zijn met verschillende imperialistische machten.
Een semi-kolonie is daarentegen een overgangsvorm van staatsafhankelijkheid die gekenmerkt wordt door indirecte overheersing door meer dan één imperialistische macht via hun compradore-handlangers. Wanneer we zeggen dat de semi-koloniale vorm een overgangsvorm is van staatsafhankelijkheid, bedoelen we daarmee dat het een voorbijgaand fenomeen is – het moet ofwel zichzelf van de wurggreep van de verschillende imperialistische machten ontdoen, wat alleen door een revolutie mogelijk is, ofwel na verloop van tijd omgevormd worden tot een ne-kolonie van een dominante imperialistische macht. Dit is wat Lenin bedoelde wanneer hij een semi-kolonie beschreef als een overgangsvorm van staatsafhankelijkheid.
Het kenmerk van een semi-kolonie is dat ze niet onder de directe of indirecte heerschappij staat van één enkel imperialistisch land maar gedomineerd wordt door verschillende imperialistische machten met economische, politieke, diplomatieke en zelfs militaire druk.
Mao verklaarde dit als volgt: “Zoals we allemaal weten is China bijna honderd jaar een semi-koloniaal land geweest, gedomineerd door verscheidene imperialistische machten tegelijk. Dankzij de strijd van het Chinese volk tegen het imperialisme en dankzij conflicten tussen de imperialistische machten is China in staat geweest een semi-onafhankelijk statuut te behouden. De Eerste Wereldoorlog gaf het Japanse imperialisme voor een tijdje de kans om China exclusief te domineren. Maar het verdrag dat China overgaf aan Japan, de ‘21 Eisen’ ondertekend door Yuan Shih-kai, de aartsverrader van die tijd, werd onvermijdelijk tot niets herleid door de strijd van het Chinese volk tegen het Japanse imperialisme en door de interventie van andere imperialistische machten. In 1922, tijdens de Conferentie van de Negen machten, bijeengeroepen door de Verenigde Staten, werd een verdrag getekend dat China opnieuw onder de gezamenlijke heerschappij van verschillende imperialistische machten plaatste. Maar de situatie veranderde niet lang daarna opnieuw. Het incident van 18 september 1931 gaf het startsein voor de huidige Japanse kolonisatie van China. Wanneer de Japanse agressie tijdelijk beperkt bleef tot de vier noordoostelijke provincies dachten sommigen dat de Japanse imperialisten waarschijnlijk niet verder zouden gaan. Vandaag staan de zaken anders. De Japanse imperialisten hebben reeds hun intentie getoond om ten zuiden van de Grote Muur door te dringen en geheel China te bezetten. Nu willen ze heel China omvormen van een semi-kolonie gedeeld door verschillende imperialistische machten tot een kolonie gemonopoliseerd door Japan.”23
Over de belangrijkste tegenstelling in een semi-koloniaal land zei Mao: “In een semi-koloniaal land zoals China, is de verhouding tussen de belangrijkste tegenstelling en de andere tegenstellingen een ingewikkeld geheel.”
“Wanneer het imperialisme een aanvalsoorlog begint tegen zo’n land, kunnen alle klassen van dat land, behalve sommige verraders, zich verenigen in een nationale oorlog tegen het imperialisme. Op zo’n moment wordt de tegenstelling tussen het imperialisme en het betrokken land de belangrijkste tegenstelling, terwijl alle tegenstellingen tussen de verschillende klassen binnen het land (daarbij inbegrepen de voorheen belangrijkste tegenstelling tussen het feodale systeem en de grote massa’s) tijdelijk op een tweede en ondergeschikte plaats komen. Zo was het in China tijdens de Opiumoorlog van 1840, de Chinees-Japanse oorlog van 1894 en de Yi Ho Tuan-oorlog van 1900, en zo is het nu in de huidige Chinees-Japanse oorlog.”
“Maar in een andere situatie veranderen de tegenstellingen van plaats. Als het imperialisme zijn onderdrukking niet door oorlog maar door mildere middelen doorvoert – politiek, economisch en cultureel – geven de heersende klassen in semi-koloniale landen zich over aan het imperialisme, en de twee vormen een alliantie voor de gezamenlijke onderdrukking van de massa’s. Op zo’n ogenblik gaan de massa’s vaak over tot burgeroorlog tegen de alliantie van imperialisme en de feodale klassen, terwijl het imperialisme vaak indirecte methoden in plaats van directe actie gebruikt om de reactionairen in de semi-koloniale landen te helpen om het volk te onderdrukken, en zo worden de interne tegenstellingen uiterst scherp. Dit is wat gebeurde in China tijdens de Revolutionaire Oorlog van 1924-27, en tijdens de 10 jaar van de Agrarische Revolutionaire Oorlog na 1927. Oorlogen tussen de verschillende reactionaire heersende groepen in de semi-koloniale landen, bv. de oorlogen tussen de krijgsheren in China, vallen onder dezelfde categorie.”24Na de invasie van Japan in China (tijdens 1931-45) heeft Mao het karakter beschreven van de Chinese maatschappij niet als zijnde semi-koloniaal en semi-feodaal, maar als koloniaal, semi-koloniaal en semi-feodaal: “Sinds de invasie van buitenlands kapitalisme en de geleidelijk groei van kapitalistische elementen in de Chinese maatschappij, is het land geleidelijk veranderd in een koloniale, semi-koloniale en semi-feodale maatschappij. Het China van vandaag is koloniaal in de door Japan bezette gebieden en voornamelijk semi-koloniaal in de Kwomintang-gebieden, en is voornamelijk feodaal of semi-feodaal in beide. Dat is dus het karakter van de huidige Chinese maatschappij en de staat van zaken in ons land. De politiek en de economie van deze maatschappij is voornamelijk koloniaal, semi-koloniaal en semi-feodaal, en de overheersende cultuur, die de politiek en de economie weerspiegelt, is ook koloniaal, semi-koloniaal en semi-feodaal.”25
India is een semi-kolonie van verschillende imperialistische machten geweest sinds de machtsoverdracht in 1947. Maar zo’n overgangsvorm van staatsafhankelijkheid kan niet lang duren. In de laatste 47 jaar van India’s semi-koloniaal bestaan hebben verschillende veranderingen plaatsgehad in de economie, de politiek en de cultuur, zoals hierboven gesteld. Ook de verhoudingen van India tot de verschillende imperialistische machten zijn veranderd zoals uiteengezet in de politieke resolutie van augustus 1992. Eerst het VS-imperialisme, en later gedurende de jaren ’70 en de eerste helft van de jaren ’80 het sociaal-imperialisme van de Sovjet-Unie, probeerden wanhopig India om te vormen in hun respectievelijke neo-kolonie. Maar geen van beide supermachten slaagden in hun opzet door het groeiende volksverzet over de hele wereld tegen hun plannen voor globale hegemonie. De volkeren van Korea, Vietnam, Laos, Cambodja, Peru, de Filippijnen, Afghanistan, Eritrea, Somalië, Nicaragua, El Salvador en verscheidene andere landen hebben heroïsche weerstand geboden tegen de twee supermachten en droegen bij tot hun verzwakking. Daardoor was het moeilijk voor de supermachten om een groot land als India om te vormen in een neokolonie van één van hen, hoewel ze hun neokoloniaal beleid verder zetten in India en in de rest van de Derde Wereld. De conflicten tussen de verschillende imperialistische machten – de VS, Duitsland, Japan, Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk – om de controle over India moeten wel verscherpen in de toekomst. De heersende klassen van een semi-koloniaal land, dienstbaar aan het imperialisme in het geheel, kunnen soms enige toegevingen verkrijgen van het imperialisme door de scherpe tegenstellingen tussen de verschillende imperialistische machten uit te spelen. Maar zelfs het vermogen van de heersende klassen van de derdewereldlanden om te manoeuvreren is verzwakt gedurende de voorbije tien jaar omdat elk land de andere landen probeerde te overtroeven in het samenzweren met het imperialisme, en onderling te concurreren om hun goedkope werkkracht, bronnen en markten te verkopen aan het imperialisme om een paar kruimels te vergaren die van de tafel vallen tijdens de fase van de globalisering, ingezet door het imperialisme. Sommige derdewereldlanden, vooral de kleinere, staan zelfs op het punt om neokolonies te worden van één of andere imperialistische macht. Hoewel het imperialisme elke dag een beetje zwakker wordt, zou het naïef zijn te denken dat de imperialistische mogendheden niet de capaciteit bezitten om sommige derdewereldlanden om te vormen tot hun respectievelijke neokolonies. Terwijl het Amerikaans imperialisme probeert de absolute controle te hebben over geheel Latijns-Amerika vertrekkende van de nieuw opgerichte NAFTA, is Japan plannen aan het smeden om de verloren droom van een groter Oost-Aziatische welvaartsgebied ten uitvoer te brengen in de Aziatisch-Pacifistische regio. De EEG, en vooral Duitsland, probeert de banden niet alleen aan te halen met de Oost-Europese landen en sommige republieken van de vroegere Sovjet-Unie, maar ook de controle over Noord-Afrika en andere streken te vergroten. Het is slechts via een proletarische revolutie dat de derdewereldlanden het imperialisme in zijn geheel kunnen verslaan. In landen waar het proletariaat en de anti-imperialistische krachten zwak zijn, bestaat er het gevaar dat de heersende klassen van de compradores de marionetten worden van één of andere imperialistische mogendheid en daardoor de status van die landen reduceren tot neokolonies.
Kan men de term “rekolonisering” dan gebruiken om de groeiende wurggreep van het imperialisme op de derdewereldlanden te beschrijven? Leidt het gebruik van die term niet tot de indruk dat de derdewereldlanden vroeger echte onafhankelijkheid hebben genoten en dat zij pas nu veranderen in semi-kolonies?
Die term wordt gebruikt omdat hij populair is in de media en het jongste offensief van het imperialisme beschrijft in Azië, Afrika en Latijns-Amerika via de structurele aanpassingsprogramma’s en andere neokoloniale beleidsmaatregelen van de Wereldbank, het IMF, GATT enz., waarbij zelfs de onafhankelijkheid in naam van deze landen bedreigd wordt. Letterlijk genomen kan de term “rekolonisering” aanleiding geven tot de indruk dat de derdewereldlanden tot nu toe echte onafhankelijkheid genoten hebben, hoewel niemand die onze volledige standpunten heeft gevolgd zo’n illusie kan koesteren. Maar de term kan leiden tot verwarring en daarom is het beter dat woord niet te gebruiken en te vervangen door termen als “groeiende imperialistische wurggreep”.
De tekst die we hierboven afdrukken is overgekomen uit het tijdschrift People’s War van de Communistische Partij van India (marxist-leninist) en hij is een commentaar op de Politieke resolutie die op hun Congres in 1992 werd aangenomen. De tekst verscheen voor het eerst in het nummer van september-december 1994 van People’s War.
Noten
Alle citaten werden door de vertaler hervertaald vanuit het Engels.
1. Lenin, Complete Works, Verhandeling over “Het nationale en koloniale vraagstuk”, juni 1920, Vol. 31, p.150.
2. Lenin, Complete Works, Imperialisme, het hoogste stadium van het kapitalisme, Vol. 22, p.259.
3. Lenin, Complete Works, Vol. 22, p.263.
4. Geciteerd uit An introduction to Neo-colonialism, Jack Woddis, International Publishers, New York.
5. Compradore: deze term wordt gebruikt om de collaboratie van deze groepen met buitenlandse imperialistische machten aan te duiden.
6. Afgeleid van Kemal Ata Turk, de leider van de nationale burgerij die de Turkse republiek invoerde na de Eerste Wereldoorlog.
7. Mao Zedong, Selected Works, “On New Democracy”, Vol. II, p.355-56.
8. Communistische Partij van China, Apologists of Neo-colonialism, Vierde commentaar op de open brief van het Centraal Comité van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.
9. Geciteerd uit An introduction to Neo-colonialism, Jack Woddis, International Publishers, New York.
10. Onder manufacturen verstaat men producten van een weverij, stoffen van zijde, katoen, linnen, wol.
11. Swaps: financiële operaties die – ruim – het bedrag van de schuld en de aflossing ervan dekken.
12. Uit Susan George, A fate Worse than Debt.
13. Europese Economische Gemeenschap (EEG): dit is de voorloper van de huidige Europese Unie.
14. Uit Susan George, A fate Worse than Debt.
15. Geciteerd uit An introduction to Neo-colonialism, Jack Woddis, International Publishers, New York.
16. Mao Zedong, Selected Works, “Chinese Revolution and Chinese Communist Party”, Vol. II, p. 312.
17. Mao Zedong, Selected Works, idem.
18. Mao Zedong, Selected Works, idem.
19. Koelak betekende een rijke boer op het Russische platteland.
20. Mao Zedong, Selected Works, “Chinese Revolution and Chinese Communist Party”, Vol. II, p. 312-313.
21. Stalin, On Opposition, p.204.
22. Autarkisch: die kan voorzien in de eigen behoeften.
23. Mao Zedong, Selected Works, Vol. I, p.153-154.
24. Mao Zedong, Selected Works, Vol. I, p. 331, 332.
25. Mao Zedong, Selected Works, “On New Democracy”, Vol. II, p.341.





