Archief
Nummer 56, publicatiedatum: 0000-00-00 Copyright © EPO, Marxistische Studies en auteurs — Overname, publicatie en vertaling zijn toegestaan voor strikt niet-winstgevende doeleinden.
Terug naar het archief
DEEL III: Welke maatschappij voor welk onderwijs?
1. Kapitalisme of socialisme?
"Vindt u ze humaner, deze maatschappijen die voortspruiten uit de neokoloniale en imperialistische politiek, waar 50% van de bevolking, als het niet 60% of meer is, niet kan lezen of schrijven? En zelfs als het gaat om 30%, 20% of 1%, is dat reeds voldoende. 1% op een bevolking van 10 miljoen, dat gaat over 100.000 mensen. Het is een schande wanneer 100.000 mensen kunnen lezen noch schrijven. (…) Is zo’n systeem beter? Is het menselijker? Betekent het dan niets, dat we het analfabetisme uitgeroeid hebben, dat we zo’n hoge scholingsgraad bereikt hebben, dat we alle inwoners dezelfde kansen geven? Stelt het dan niets voor dat de zoon van een boer, de zoon van een arbeider een voortreffelijk chirurg of een briljante wetenschapper kan worden, dat hij toegang heeft tot alle functies? (…) Kan men stellen dat een maatschappij niets betekent, dat ze inhumaan is, wanneer zij de intelligentie van miljoenen mensen stimuleert, het potentieel van miljoenen mensen aanspreekt? Is het menselijker en democratischer om slechts aan een minderheid van geprivilegieerden de mogelijkheid te geven om naar de universiteit te gaan, om er cultuur op te doen en ervan te profiteren? Is het menselijker om 10 miljoen Cubanen de kans te geven te studeren, om de mooiste scheppingen van de mens op het spirituele en culturele vlak te waarderen, of geeft men er de voorkeur aan, zoals vaak het geval is, om deze mogelijkheid slechts te geven aan een handvol middelmatigen, de enigen die het geluk hebben toegang te hebben tot het onderwijs?116
Deze toespraak werd in 1987 door Fidel Castro gehouden om de prioriteiten van een socialistische maatschappij in herinnering te brengen, een maatschappij die zich niet opsluit binnen het kader van de markteconomie, maar wel uitgaat van de noden van het volk. Alle vragen die 15 jaar geleden in deze toespraak gesteld werden, zijn vandaag relevanter dan ooit.
1.1. De minimumvoorwaarde voor een democratisch hoger onderwijs: polytechnisch onderwijs tot 16 jaar
Vandaag vormt de selectie in het middelbaar onderwijs één der grootste bronnen van sociale selectie in het hoger onderwijs. Meer dan de helft van de jongeren, voor de overgrote meerderheid arbeiderskinderen, wordt op de leeftijd van 12, 13, 14 of 15 jaar georiënteerd naar de technische -en beroepsafdelingen. Deze afdelingen, die steeds minder algemeen vormend en steeds meer beroepsgericht zijn, behoren tot de belangrijkste instrumenten van de maatschappelijke selectie. Zij snijden de meerderheid van de jongeren af van elke algemene en theoretische kennis. Het deeltijds onderwijs dat onze regeringen thans zo aanprijzen beperkt, de algemene vorming tot het strikte minimum: per week één uur wiskunde, één uur Nederlands, één uur wetenschappen, één uur geschiedenis of aardrijkskunde, één uur godsdienst of zedenleer, enz. In totaal gaat het om acht uur algemene vorming per week, om er zeker van te zijn dat de arbeiderskinderen afgesneden zijn van elke theoretische kennis en van elke mogelijkheid hogere studies te volgen. Aan de andere kant geeft men in het algemeen vormend onderwijs uitsluitend theoretische lessen gedurende 32 of 34 uur, zonder enige technische kennis of kennis die met productie te maken heeft: hoe werkt een fabriek, concreet de strijd van de arbeiders beleven die strijden opdat de rijkdommen die zij produceren naar hen terugkeren via betere lonen, betere levens- en werkomstandigheden, een beter onderwijs voor hun kinderen, enz.
Deze realiteit maakt dat Nico Hirtt, specialist ter zake, zegt: "Men moet dus de opheffing van deze afdelingen en voortijdige specialiseringen beogen, die de enen veroordelen tot technische -en beroepsoriënteringen, en die de algemene vorming beperken tot een deel van de leerlingen. Minstens tot de leeftijd van 16 jaar zouden alle jongeren een polyvalente en voor het grootste deel gezamenlijke opleiding moeten kunnen krijgen."117
Is een dergelijk onderwijs mogelijk? Is dit niet meer dan een puur theoretische bespiegeling? Het voorbeeld van het onderwijs in de voormalige Duitse Democratische Republiek is leerrijk om de mogelijkheden te begrijpen die zo’n systeem kan bieden. "Sinds 1959 had Oost-Duitsland een uniek en verplicht polytechnisch onderwijs geïntroduceerd van 10 jaar, voor alle jongeren tussen 6 en 16 jaar. ‘Uniek’ omdat er voor 16 jaar geen enkele vorm van afdeling of hiërarchie was. ‘Polytechnisch’, omdat vanaf de leeftijd van 12 jaar alle jongeren boven op hun algemene vorming vier uur technische vorming kregen, waarvan twee uur productiewerk. Tijdens de eerste jaren was deze technische en praktische vorming ongedifferentieerd: iedereen nam nu eens deel aan landbouwactiviteiten, dan eens aan de industriële productie. Het doel was om aan alle jongeren een begrip van het geheel der activiteiten waarop de productie van de nationale rijkdommen berustte, bij te brengen. In de loop van de laatste twee jaren (vanaf 14-15 jaar) besloeg de technische vorming, die nog steeds verplicht was voor iedereen, 5 uur per week, en werd wat gespecialiseerder. De leerling kon kiezen uit een aantal industrie-, diensten- of landbouwsectoren, zonder dat dit een determinerend gevolg had voor zijn latere studiekeuze. Aan het einde van deze Oberschule werd een uniek diploma uitgereikt. Het slaagpercentage was opmerkelijk, daar 98,8% van de jongeren de cyclus volbracht zonder een jaar over te zitten, dus wanneer ze 16 jaar oud waren. Pas op dat moment kon de leerling kiezen om ofwel twee bijkomende jaren algemeen vormend onderwijs te volgen om zich rechtstreeks voor te bereiden op het universitair hoger onderwijs, of te beginnen aan een twee jaar durende beroepsopleiding, met de mogelijkheid om vervolgens over te gaan naar een ‘ingenieursschool’ of een hogere beroepsschool, wat ook nog kon uitmonden in een universitaire opleiding."118
Dit voorbeeld toont aan dat elke bespiegeling over hoger onderwijs niet kan losgemaakt worden van een reflectie over het onderwijs in het algemeen en over de maatschappij die nodig is om een hoger onderwijs in dienst van het volk te ontwikkelen. De socialistische landen vormen inderdaad een levend voorbeeld van wat een onderwijs dat ten dienst staat van de bevolking betekent in tegenstelling met een onderwijs dat ten dienste staat van de concurrentiepositie van de multinationals in onze kapitalistische landen.
1.2. De ‘mirakels’ van de socialistische landen
De huidige socialistische landen zijn, gezien vanuit de derdewereldlanden die de imperialistische globalisering ondergaan, echte mirakels. In al deze landen vormt het onderwijs een der allergrootste prioriteiten van de overheid.
Cuba: Chiqui, een textielarbeider, wordt veearts
Cuba is een derdewereldland waarvan het nationaal product per inwoner 23 keer kleiner is dan dat van België. Nochtans, ondanks dertig jaar Amerikaans embargo tegen het eiland, zijn de drie beloften van de revolutie van 1959 meer dan ooit van toepassing: elke Cubaan moet gratis onderwijs krijgen, elke Cubaan moet gratis gezondheidszorgen krijgen en het land moet toebehoren aan zij die het bewerken. Voor de revolutie van januari 1959 was 25% van de volwassenen analfabeet, had 70% van de plattelandsbevolking geen toegang tot de lagere school. 55,6% van de kinderen tussen 6 en 14 jaar ging niet naar school, terwijl tezelfdertijd 10.000 leraren werkloos waren.
In 1961 werden de scholen gedurende acht maanden gesloten. 250.000 studenten en leraren werden naar het platteland gestuurd om de lokale bevolking te leren lezen en schrijven. Deze campagne stond tegelijkertijd duizenden jongeren uit de stad toe in contact te komen met de realiteit op het land, wat de kloof tussen de steden en het platteland hielp te dichten. Deze alfabetiseringscampagne werd gevolgd door het op poten zetten van allerlei vormen van volwassenenonderwijs. Militaire gebouwen werden bijvoorbeeld omgevormd tot scholen.119
Het hoger onderwijs is voor alles gericht op de noden van de bevolking. Door deze oriëntatie is Cuba momenteel het land dat het meeste artsen telt per inwoner: 1 dokter per 166 inwoners. Deze krachttoer staat het land toe aan de bevolking een gezondheidszorg te verstrekken die niet alleen gratis is, maar ook hoogstaand. Dat wordt bevestigd door de kindersterfte en de levensverwachting in Cuba, die beide vergelijkbaar zijn met cijfers van ontwikkelde landen zoals België.
Met de val van het socialisme in de Oost-Europese landen en in de Sovjet-Unie, heeft Cuba een ernstige crisis gekend. Alle handelspartners verdwenen van de ene dag op de andere. Cuba had en heeft nog steeds problemen met de bevoorrading van papier, schriften en ander didactisch materiaal. Nochtans werd geen enkele leraar ontslagen. De universitaire klassen tellen nog steeds maximaal 40 studenten!
Hoger onderwijs in Cuba, dat betekent ook de mogelijkheid voor arbeiders en boeren om naar de universiteit te gaan. In 1997 hebben 124 jongeren het eiland gedurende één maand bezocht. Tijdens deze periode hebben zij twee weken doorgebracht op een landbouwfaculteit. Daar hebben ze Chiqui (de kleine) ontmoet, die hun ploegbaas was bij het werk op de maïsvelden.120 Chiqui was een ex-arbeider uit de textielsector. Hij was één van de modelarbeiders die de gelegenheid kregen om naar de universiteit te gaan. In 1997 zat hij in het vierde jaar diergeneeskunde.121
Noord-Korea: ‘Het land van de studie’
Het socialistische Noord-Korea is niet zo’n bekend land. Nochtans verdienen de Koreaanse verwezenlijkingen op het gebied van het onderwijs ruime bekendheid. Het land werd door Japan bezet tot 1945. In het noordelijk deel hadden de Japanners niet één school gebouwd, en vlak na de bevrijding telde het land slechts vier technici voor het hele noorden!122 De regering van de Volksrepubliek van Korea besteedde onmiddellijk 19% van het budget aan het onderwijs. "Zoals vroeger in de Sovjet-Unie, was de eerste prioriteit de alfabetisering. Onder het ordewoord ‘Kennis maakt macht en onwetendheid brengt ten val’, leerde een reusachtige alfabetiseringscampagne 2,3 miljoen ongeletterde volwassenen lezen en schrijven, tot de laatste!"123 Het verplicht lager onderwijs werd ingesteld vanaf 1950. De Koreaanse oorlog stelde voorlopig een einde aan deze vooruitgang: tussen 1950 en juli 1953 werd 72% van de schoolgebouwen vernietigd, voornamelijk door Amerikaanse bombardementen.
Na de oorlog zet Korea alle zeilen bij om de schade te herstellen: in 1956 werd het verplichte lager onderwijs in het hele land weer ingesteld. In 1958, amper 5 jaar na de oorlog, werd het secundair onderwijs tot 16 jaar verplicht in het hele land. Noord-Korea is na Japan het tweede Aziatische land dat zo’n maatregel trof.
Vandaag besteedt Noord-Korea 23% van het BNP aan onderwijs.124 Onderwijs is er verplicht tussen 5 en 16 jaar. Het is volledig gratis, van kribbe tot universiteit. Alle kosten, zonder uitzondering, worden door de staat gedragen: boeken, materiaal, schoolbussen, studentenkamers, kantines, uitstappen, schoolreizen. De leerlingen dragen een uniform dat ze zich voor een bescheiden prijs kunnen aanschaffen. Nico Hirtt, die het land bezocht heeft, getuigt: "De Koreaanse studenten waren geschokt te horen dat men in België weinig arbeiderskinderen aantreft in de universiteiten. Daar zijn de kinderen van arbeiders of boeren even talrijk als in de maatschappij."
Tussen 10 en 16 jaar volgen de leerlingen polytechnisch onderwijs. Er zijn geen afdelingen of netten. Iedereen krijgt zowel theoretische als praktische lessen: wiskunde, wetenschappen, literatuur, talen en geschiedenis, maar ook informatica, mechanica, elektriciteit en houtbewerking, enz. Tijdens de lessen mechanica, bijvoorbeeld, ontmantelt men een dieselmotor en tijdens de lessen elektriciteit een televisie.
Op 17 jaar heeft men de keuze tussen de hogere scholen, de universiteiten of een programma dat studie en werk combineert. Men kan ook in het leger gaan en tegelijkertijd hogere studies volgen.
De Koreaanse mobiliteit
In de Koreaanse Democratische Volksrepubliek bestaan geen barrières tussen de studie en het actieve leven. Een arbeider of een landbouwer kan terwijl hij werkt, studeren. Hij krijgt daarvoor kredieturen: zes uur werken in de fabriek of op het veld en twee uur om te studeren. Dit systeem maakt deel uit van een campagne voor de ‘intellectualisering van de hele maatschappij’. Het doel hiervan is alle inwoners op een cultureel en technisch peil te brengen dat overeenkomt met dat van de diploma’s van de hogere scholen. Veel arbeiders, die gepassioneerd zijn door hun werk, kiezen er voor om op die manier ingenieur te worden. Zij ontwikkelen de meeste nieuwe machines en productieprocessen. Op het land zijn het de landbouwers die landbouwingenieurs geworden zijn, die nieuwe rijstvariëteiten op punt stellen, die nieuwe teeltmethoden ontwikkelen, aangepast aan het moeilijke klimaat van het land. De Koreanen noemen hun land het ‘Land van de studie’. Men studeert er inderdaad op elke leeftijd. Men kan overal mensen zien lezen: in de parken, ’s avonds onder een straatlantaarn, enz.
2. Manifest voor een democratisch hoger onderwijs
Dit manifest wil een strijdinstrument zijn voor de studentenbeweging. Het kan in de komende jaren gebruikt worden in elke strijd tegen de selectie,- hiërarchiserings- en uitsluitingsmachine van de multinationals en de Europese Unie.
- Voor gratis hoger onderwijs. Gratis in iedere betekenis van het woord. Een studentenloon voor iedereen, zodat iedereen kan studeren en leven in goede omstandigheden gedurende de hele studieperiode. Afschaffing van het inschrijvingsgeld, gratis syllabi en studentenkamers, enz.
- Een hoger onderwijs dat toegankelijk is voor de kinderen van het volk. Een polytechnisch secundair onderwijs voor iedereen tot 16 jaar als minimumvoorwaarde voor de opheffing van de sociale selectie. Geen numerus clausus of ingangsexamens. Gelijke rechten voor buitenlandse studenten.
- Een hoger onderwijs met GIV-mobiliteit. Ontwikkeling van een mobiliteit die gratis, internationalistisch en voor het volk is (GIV). Het onderwijs en het openbaar vervoer moeten gratis zijn om een maximale mobiliteit voor iedereen te garanderen. De mobiliteit moet internationalistisch zijn: gelijke rechten voor buitenlandse en Belgische studenten. Internationalistisch betekent ook dat de mobiliteit niet de braindrain van de Derde Wereld beoogt, maar wel de derdewereldlanden moet helpen het aantal artsen, wetenschappers enz. te verhogen om werkelijk bij te dragen tot de ontwikkeling van het Zuiden. Tenslotte moet de mobiliteit ten dienste staan van het volk: arbeiders toelaten gemakkelijk naar het hoger onderwijs te gaan en het universitair personeel toelaten te werken voor de arbeiders: onderzoek om de veiligheidsomstandigheden in de fabrieken te verbeteren, juridische hulp bij processen tegen syndicale afgevaardigden, enz.
- Hoger onderwijs in dienst van het volk. Onze universiteiten en onze scholen moeten solidair zijn met de arbeidersklasse, hen bijstaan in hun strijd. Dat betekent ook dat de universiteiten en de scholen onder bescherming dienen te staan van de vakbonden in plaats van de vertegenwoordigers van de multinationals: uitsluiting van de patronale vertegenwoordigers in het onderwijs. Ontwikkeling van onderzoek dat gericht is op de noden van het volk op het gebied van medicijnen, voedselveiligheid, werk, enz. De resultaten van het onderzoek behoren toe aan de mensheid, geen enkele ontdekking kan gebrevetteerd of geprivatiseerd worden.
- Voor modern hoger onderwijs. De onderwijsinstellingen moeten goed uitgerust zijn: moderne computers, aangesloten op het internet en vrij toegankelijk. Kleine auditoria waar de professoren interactief lesgeven en moderne pedagogische middelen gebruiken.
- Een hoger onderwijs gefinancierd volgens de behoeften. Geen budgettaire enveloppen. Internationale herfinanciering van het onderwijs: minimum 7% van het BNP. Dat stemt overeen met het niveau van financiering van het onderwijs in België eind van de jaren ’70, begin van de jaren ’80. De Europese Unie beschikt over voldoende middelen. In België hebben de 30.000 grootste bedrijven hun winsten tussen 1997 en 1999 weten te verhogen met 26%: van 30,9 miljard euro naar meer dan 39 miljard euro. Het jaar 2000 was nog beter. Waarom kan de onderwijsbegroting niet omhoog met 26%? De staat moet het geld halen bij de banken en de multinationals om het onderwijs te financieren en het volk alle nodige openbare diensten te verlenen.
Marc Botenga (°1980). Student tweede licentie rechten aan de Vrije Universiteit Brussel. Voorzitter van de Marxistisch-Leninistische Beweging aan dezelfde universiteit. In februari 2001 was hij een van de initiatiefnemers voor de bezetting van het rectoraat van VUB als protest tegen de toepassing van de Verklaring van Bologna. Tijdens het academiejaar 1999-2000 vertegenwoordigde hij de VUB in de Vereniging van Vlaamse Studenten.
Benjamin Pestieau (°1977). Licenciaat fysica aan de UCL. Tussen september 1996 en juni 1999 was hij verantwoordelijk voor de Marxistisch-Leninistische Beweging aan de UCL. Sinds februari 2000 is hij de nationale verantwoordelijke voor de studentenwerking van de Jongenbeweging van de PVDA.
Noten
1. MLB staat voor Marxistisch-Leninistische Beweging, de studentenorganisatie van de Partij van de Arbeid van België.
2. Dirk Van Damme, Bologna: het signaal, maart 2001, Hogeschool Gent, p.17.
3. Persmededeling van de Europese ministers belast met het hoger onderwijs in Praag, Towards the European Education Area, 19 mei 2001.
4. Europese Commissie, Les objectifs concrets futurs des systèmes d’éducation, p.6; COM (2001) 59 eindversie, Brussel, 31 januari 2001.
5. De Top van Lissabon is de aldaar gehouden Europese Ministerraad van maart 2000.
6. Europese Commissie, Les objectifs concrets futurs des systèmes d’éducation, op.cit., p.4.
7. Jacques Willems, Academische rede uitgesproken ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar 1999-2000 aan de universiteit van Gent, 1 oktober 1999.
8. ERT, Onderwijs en competentie in Europa, februari 1989, p.4.
9. Idem, p.4.
10. E.R.T., Een europees onderwijs, naar een lerende maatschappij, 1995.
11. Le Monde Diplomatique, december 2000.
12. Jean-Claude Buffle, Alain Moreau, N...comme Nestlé, le lait, les bébés et la mort, Parijs, 1986. Beschikbaar op www.transnationale.org.
13. Le Monde Diplomatique, december 1997, p.27.
14. Le Monde Diplomatique, december 2000.
15. Solidair, nr. 8, 24 februari 1999.
16. Persverklaringen (Reuters, AP, enz.) van 27 augustus. Beschikbaar op Yahoo of Le journal perm@nent, 27 augustus 2001: http://quotidien.challenges-eco.com/societe/20010813.OBS7405.html?1234
17. Idem.
18. Karl Marx, Le Capital, Hoofdstuk XXI, "Het ontstaan van de industriële kapitalist", 1867.
19. Gezamenlijke verklaring van de Franse president en eerste minister, van de kanselier van de Federale Republiek Duitsland en van de eerste minister van het Verenigd Koninkrijk, december 1997.
20. West-Europese Unie, de tak van de Europese Unie die belast is met militaire zaken.
21. Gordon Adams, Tussen samenwerking en concurrentie: de transatlantische defensiemarkt, januari 2001, Instituut voor Veiligheidsstudies van de WEU 2000.
22. Idem.
23. Ignacio Ramonet, Géopolitique du chaos, Gallimard, Parijs, 1999, p.92.
24. Serge Cols, L’Europe de la Table Ronde, L’avenir de l’Europe, ATTAC-Brussel - documenten, 2001.
25. Gordon Adams, Tussen samenwerking en concurrentie: de transatlantische defensiemarkt, januari 2001, Instituut voor Veiligheidsstudies van de WEU 2000.
26. Thomas L. Friedman, New York Times Review, 28 maart 1999.
27. Dit punt wordt speciaal onderlijnd door de Europese Commissie.
28. Europese Commissie, Penser l’éducation de demain, promouvoir l’innovation avec les nouvelles technologies, COM(2000) 23 eindversie, Brussel, 27 januari 2000, p.11-12.
29. Idem, p.12.
30. ERT, Investir dans la connaissance, februari 1997.
31. Europese Commissie, Rapport van de werkgroep onder leiding van Edith Cresson, Accomplir l’Europe par l’Education et la Formation, Samenvatting en aanbeveling, december 1996.
32. Verklaring van Malcolm Webb, toen human resources directeur bij Petrofina Belgium, voor de UNESCO, 1997: geciteerd in Tribune CGSP-enseignement, januari 2001.
33. Meer informatie vindt de geïnteresseerde lezer op de site van Indymedia: www.indymedia.be.
34. Le Monde Economie, 2 april 2001.
35. Le Monde Economie, 2 april 2001.
36. Wanneer we spreken van kenniseconomie, verstaan we hieronder de economie die verbonden is met nieuwe technologieën in brede zin (informatica, maar ook biotechnologie, hooggespecialiseerde chemie, enz.)
37. Le Soir, 27 juni 2001.
38. Le Soir, 27 juni 2001.
39. ERT, Vaincre la crise, Charte pour l’avenir industriel de l’Europe, december 1993, p.19.
40. Dirk Van Damme, Bologna : het signaal, maart 2000, p.17.
41. ERT, Une éducation européenne, Vers une société qui apprend, juni 1995.
42. Europese Commissie, Rapport de la Commission, Les objectifs concrets futurs des systèmes d’éducation, COM(2001)59 eindversie, Brussel, 31 januari 2001, p.13-14.
43. Idem, p.13-14.
44. Idem.
45. Le Soir, 27 juni 2001.
46. Bulletin de la Fondation Industrie-Université, Déclaration des fondateurs de 1956, 25 november 1981.
47. Institut Administration-université, Evolution de la Fonction publique et exigences de formation, Brussel, 1968, p.5.
48. http://www.ivpv.ftw.rug.ac.be.
49. ERT, Education et compétence en Europe, februari 1989, p.9.
50. Idem.
51. Europese Commissie, Memorandum sur l’Enseignement supérieur dans la Communauté européenne, december 1991.
52. Terminologie gebruikt door Marx in zijn beschrijving van het leger werklozen die het kapitalisme gecreëerd heeft.
53. De generische afgeleide van een medicijn is een kopie van het medicijn met een merknaam, maar dan uitgezonderd de kostprijs, die lager ligt. De prijs kan tot 80% lager zijn dan de prijs van het oorspronkelijke merkproduct.
54. De Standaard, 3 maart 2001. Geciteerd in Internationale Solidariteit, Globalisering en gezondheid, nr. 8, mei 2001.
55. De Standaard, 15 maart 2001.
56. Jean-Yves Cloutier, consultant in toxicomanie, Centre l’Etape (1998).
57. Els Toreele, onderzoekster aan de VUB. Geciteerd in Internationale Solidariteit, nr. 8, mei 2001.
58. Enquête Marxistisch-Leninistische Beweging van Louvain-la-Neuve, zie inleiding.
59. Voor informatie over dit onderwerp, zie de website van Oproep voor een Democratische School: http://users.skynet.be/ovds.
60. Verklaring van Bologna
61. Algemeen, nr. 13, 20 april 2001, ACW-nieuws.
62. Dirk Van Damme, Bologna: het signaal, p.18.
63. CRE, Salamanca 2001, Shaping our own future in the European Higher Education Area, Convention of European Higher Education Institutions, Notes for discussion groups, Salamanca, 29-30 maart 2001, p.29.
64 Onder het ‘processus van Bologna’ verstaat men de doorvoering van de hervormingen en veranderingen die in het Europees hoger onderwijs werden gestart sinds de Verklaring van Bologna.
65. CRE, Salamanca 2001, Shaping our own future in the European Higher Education Area, Convention of European Higher Education Institutions, Notes for discussion groups, Salamanca, 29-30 maart 2001, p.31.
66. Le Soir, 18 mei 2001.
67. Le Monde Economique, 2 april 2001.
68. CRE, Salamanca 2001, Shaping our own future in the European Higher Education Area, Convention of European Higher Education Institutions, Notes for discussion groups, Salamanca, 29-30 maart 2001, p.31.
69. Idem.
70. Stephan Adam, Transnational education project report and recommendations, CRE, maart 2001.
71. Algemeen, nr. 13, 20 april 2001, ACW-nieuws.
72. ESIB, The recommendations of the students concerning the Bologna process, Praag, april 2001. In België maken het Front des Etudiants francophones (FEF) en de Vereniging van Vlaamse Studenten (VVS) deel uit van ESIB. ESIB groepeert 120 studentenorganisaties uit heel Europa.
73. Interview met M. Michael Usdan, voorzitter van het Institute for Educational Leadership, een instelling die de belangen van de zaken- en onderwijswereld behartigt, The American Society, 1997.
74. Interview met M. Michael Usdan.
75. Willy Legros, Rector van de Luikse Rijksuniversiteit, Persconferentie, 21 juni 2001.
76. Ernesto Guevara, Che genaamd, een Argentijnse revolutionair, was één van de leiders van de Cubaanse revolutie. Hij was dokter van opleiding.
77. Deze conferentie bracht 350 specialisten samen van de internationale handel in diensten. Onder hen waren 170 zakenlui. De conferentie werd gesponsord door de Commerce’s Service Industries and Finance Unit en door de US Coalition of Service Industries. Bron: Les cahiers de l’école démocratiques, "L’OMC lorgne sur l’école, L’organisation Mondiale du Commerce et la libéralisation du marché de l’éducation et de la formation", APED-OVDS, Brussel, p.6.
78. Results of SERVICES 2000, A Conference and Dialogue on Global Policy Developments and US Business, Vrijdag 16 oktober 1998. http://www.ita.doc.gov/sif/2kfullreport.htm.
79. Dirk Van Damme, Bologna: het signaal, maart 2000, Wrox, Gent, p.47.
80. Dirk Van Damme, Bologna: het signaal, maart 2000, Wrox, Gent, p.21.
81. Dirk Van Damme, Bologna: het signaal, maart 2000, Wrox, Gent, p.47.
82. Libération, 11 en 12 december 1999, http://www.libe.fr/multi/actu/semaine991206/art991211.html.
83. Gerhard Cromme, Commentaar op de European Business Summit in de workshop: Nurturing Innovators Trough Education, 9 juni 2000.
84. Deze cijfers zijn beschikbaar op http://usinfo.state.gov.
85. www.unext.com.
86. Voor meer informatie zie: www.niit.com.
87. Toespraak van CN Madhusdan op de conferentie: "Investment opportunities in private education in developping countries", een internationale conferentie gesponsord door de International Finance Corporation, Washington D.C., 2-3 juni 1999. Zie Les cahiers de l’école démocratique, n° 5, APED, Brusssel, augustus 2000.
88. Zo noemen alle ministers, rectoren, enz., het Europese hervormingsproces ingeluid door de Verklaring van Bologna.
89. Les geven en leren; naar een cognitieve samenleving. Witboek over onderwijs en vorming, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Brussel, 29 november 1995.
90. ERT, Een Europese opvoeding, naar een lerende maatschappij, Brussel, juni 1995, p.18.
91. Slotverklaring van de Topbijeenkomst in Salamanca van de Europese Instellingen van Hoger Onderwijs, maart 2001. Beschikbaar op de site: www.salamanca2001.org.
92. Europese Commissie, White Paper on growth, competitiveness, and employment- The challenges and ways forward into the 21st century, Brussel, 5 december 1993.
93. ERT, Onderwijs en Competenties in Europa, Brussel, 1989, p27
94. ERT, Een Europees onderwijs, naar een lerende maatschappij, juni 1995.
95. Europese Commissie, Verslag van de Denkgroep over Onderwijs en vorming, Europa maken via onderwijs en vorming, samenvatting en aanbevelingen, december 1996.
96. Guy Haug, Evolutie van de structuren van hoger onderwijs in Europa: tendensen en vragen (Beknopt verslag), Bologna, juni 1999.
97. De ERT formuleerde deze vraag om de gemiddelde studieduur in te korten al uitdrukkelijk in 1989 in haar brochure Education et compétence en Europe.
98. Guy Haug et Christian Tauch, Tendances des structures d’éducation dans l’enseignement supérieur (II), Opvolgingsrapport ter voorbereiding van de Conferenties van Salamanca en Praag in maart-mei 2001, april 2001.
99. Idem.
100. Idem.
101. Idem.
102. Idem.
103. De Standaard, 16 februari 2001.
104. ACW-niewss, nr. 13, 20 april 2001.
105. Idem.
106. De Standaard, 16 februari 2001.
107. Bruikbaarheid betekent dat een dipoma direct nuttig is voor een beroep of te gebruiken valt op de arbeidsmarkt.
108. Guy Haug en Christian Tauch, Tendances et structures dans l’enseignement supérieur (II), op.cit.
109. De teksten spreken over een ‘binair’ of tweeledig systeem. Men doelt daarmee op twee types van onderwijs: universitair onderwijs en hogescholen die direct opleiden tot een beroep.
110. Guy Haug en Christian Tauch, Tendances et structures dans l’enseignement supérieur (II), op.cit.
111. Idem.
112. De Standaard, 16 februari 2001.
113. Europese Commissie, Questions clés de l’éducation en Europe, deel 2, Le financement et la gestion des ressources dans l’enseignement obligatoire, Hoofdstuk 6: "Enseignement et marché concurrentiel", p.277.
114. Idem.
115. Idem.
116. Fidel Castro, Toespraak gehouden in Havana, 17 september 1987, geciteerd in Nico Hirtt, L’Ecole sacrifiée, EPO, 1997.
117. Nico Hirtt, L’Ecole sacrifiée, EPO, 1997, p.250.
118. Nico Hirtt, L’Ecole sacrifiée, EPO, 1997, p.267.
119. Hugo Van Droogenbroeck, Lut Adriaensens, "Waar een arm derdewereldland groot in is", Brandpunt, juli 1999.
120. De faculteit was zo goed als zelfbedruipend: de professoren, de studenten en het hele personeel namen deel aan alle aspecten van de productie. Het is bijvoorbeeld heel gewoon om samen met zijn professor biologie te oogsten!
121. Het verhaal van de 124 jongeren is te lezen in het boek El Che Vive!, EPO 1997.
122. Nico Hirtt, L’Ecole sacrifiée, EPO, 1997, p.272.
123. Nico Hirtt, L’Ecole sacrifiée, p. 272, EPO, 1997.
124. Nico Hirtt, L’Ecole sacrifiée, p. 272, EPO, 1997.




