Bernie Sanders en de toekomst van links in de Verenigde Staten

Auteur: 
Daniel Zamora

Gesprek met politicoloog Adolph Reed

Adolph Reed (alreed2 at earthlink.net) is professor in de politieke wetenschappen aan de universiteit van Pennsylvania en heeft meegewerkt in de campagne van de Bernie Sanders.

Daniel Zamora (dzamora66 at gmail.com) is socioloog en werkt aan de universiteit van Illinois te Chicago en de Université Libre te Burssel (ULB).

De campagne van Bernie Sanders in de voorverkiezingen van de Democraten is in veel opzichten historisch. Een jaar geleden nog spotte David Axelrod, de vroegere hoofdstrateeg van Barack Obama, met deze kandidatuur: “De mensen laten zich nu meeslepen door Bernie. Maar die bevlieging heeft geen enkele toekomst. Je weet dat dat hij het niet lang zal uithouden en sommige mensen zullen hiermee flirten.” Bernie zou in de politiek zoiets zijn als Tinder in de romantiek: een kortstondige fantasie voordat men terugkeert naar meer ernstige dingen. Maar tegen alle verwachtingen in bleek dat hij enkele maanden later meer dan 200 miljoen dollar aan kleine bijdragen had ingezameld, meer dan 13 miljoen stemmen had behaald (43 % van het totaal) en in 23 staten de verkiezingen won. Het enorme enthousiasme dat hij heeft losgemaakt zal misschien wel een hele generatie tekenen en langdurig nazinderen in het politieke leven. Wat is er precies gebeurd? Het is onmogelijk om een fenomeen als Sanders dat veel verder reikt dan zijn persoon, volledig te verklaren. Maar enkele fundamentele kenmerken van zijn campagne en de betekenis ervan voor de toekomst van de arbeidersbeweging in de Verenigde Staten springen daarbij wel in het oog. Daniel Zamora realiseerde dit exclusieve interview voor Marxistische Studies waarin Adolph Reed ingaat op het belang van de Sanders’ campagne en de oorzaken van zijn succes.

Laten we beginnen met het succes van Sanders’ campagne. Ook al heeft hij de voorverkiezingen verloren, het blijft een feit zonder voorgaande: een zelfverklaarde ‘democratische socialist’ verslaat bijna de zo goed als machtigste politica in de Verenigde Staten. Het opgehaalde campagnegeld, het grote aantal mensen dat hij heeft bereikt en de ideeën die hij heeft verspreid onder de bevolking, het was allemaal zeer onverwacht. Hoe verklaart u dat?

Adolph Reed. Verschillende factoren liggen aan de basis van zijn succes. En het was wel degelijk een succes. We hebben altijd geweten dat het zo goed als onmogelijk was voor Sanders om de democratische nominatie in de wacht te slepen, laat staan president te worden, ook al vermoedden velen van ons ironisch genoeg dat hij op een bepaalde manier een sterkere kandidaat zou zijn dan Clinton. Uiteraard moesten we allemaal werken alsof hij wel had kunnen winnen en na Iowa kwam die mogelijkheid ook een stuk dichterbij. Trouwens: hoe hadden we anders het maximum kunnen halen uit de campagne? Maar het is begrijpelijk dat sommigen nauwelijks konden weerstaan aan het uitbundige optimisme en bijgevolg ook de grotere verwachtingen. Optimistisch verlangen gekoppeld aan een pessimistische redenering, dat is een belangrijk kenmerk van links in de VS.

In deze campagne heb ik vaak gezegd dat we ons moesten spiegelen aan sergeant Pavlov in Stalingrad1: zoveel mogelijk steun werven ongeacht waar we ons op dat moment bevonden, en ons niets aantrekken van de opiniepeilingen of de resultaten in andere staten. Ik kan dit niet genoeg benadrukken want ik hoorde onlangs nog dat zogenaamd ‘progressieve’ commentatoren het tegenovergestelde beweren en zeggen dat de campagne gefaald heeft. Bij sommigen was dat te wijten aan onrealistische verwachtingen, die deels gebaseerd waren op wat op mij overkomt als naïviteit over verkiezingspolitiek. Maar aan de basis lag eveneens een onderschatting van het gewicht van ons partijapparaat, van de banden die de partij heeft van lokaal tot nationaal met onze bondgenoten zoals de meeste vakbonden en de burgerrechten- en vrouwenorganisaties. Wie maar al te graag beweert dat de campagne gefaald heeft, wordt gemotiveerd door andere ideologische doelstellingen. De trotskisten bijvoorbeeld en ook nog anderen die elke samenwerking met de Democraten als het hoogst mogelijke politieke verraad beschouwen, beweren dat Sanders verder zou geraakt zijn als onafhankelijke kandidaat. In mijn ogen is dat een illusie. Vooreerst omdat een onafhankelijke kandidatuur buiten de Democratische en Republikeinse voorverkiezingen om helemaal geen aandacht zou gekregen hebben. Voor ons zou dat een verloren jaar geweest zijn en bovendien zou geen enkele vakbond of andere organisatie die kandidatuur gesteund hebben. Antiracistische activisten beweren of impliceren dat de campagne de nominatie van Clinton zou verhinderd hebben als we het beter hadden gedaan bij de zwarten. Ze bedoelen daarmee dat zij de status van woordvoerders van de zwarte kiezers hadden moeten krijgen. De kwestie van ‘de zwarte stem’ en de campagne van Sanders is complexer dan wordt verondersteld door de zogenaamde ‘eenheid van denken’ onder de Afro-Amerikanen. Er zijn veel zwarte kiezers van wie de voorkeuren, bekommernissen, motieven, ideologische tendensen en institutionele banden verschillen. Ik weet dat we hierop later nog terugkomen maar Sanders nu verwijten dat hij niet méér zwarte kiezers heeft aangetrokken, is niet verstandig.

Naast deze critici zijn er nog andere neoliberale Democraten en commentatoren die de campagne vanaf het begin hebben vergeleken met het gevecht van Don Quichot tegen de windmolens en die Sanders en zijn basis onophoudelijk probeerden te bagatelliseren. We hadden niets anders verwacht. Wanneer je aan de hand van een nationale verkiezingscampagne probeert je beweging uit te bouwen, dan is het heel belangrijk wat de newsfotainment2 industrie zoals ik die vaak noem, erover zegt. Maar het is bepaald dom uit die hoek eerlijke verslaggeving en beoordeling te verwachten.

De campagne speelde in zekere mate in op de algemene frustratie bij het kiespubliek, het gevoel dat noch de doorsnee Democraten noch de Republikeinen een oplossing zoeken voor de bekommernissen en de ongerustheid van het volk. Je mag er zeker niet van uitgaan dat alle of zelfs de meeste van die aanhangers overtuigde linksen zijn of zelfs doorwinterde linkse critici van het neoliberalisme. Meestal gaat het om mensen die gebukt gaan onder hun miserabele economische toestand. De motieven om de campagne van Bernie te ondersteunen zijn zeer verscheiden. Velen kijken argwanend naar de knieval van zowel Democraten als Republikeinen voor Wall Street en dat scepticisme is de rode draad geweest in de steun aan Sanders, maar het zou verkeerd zijn dit te veralgemenen. Volgens mij wordt teveel betekenis gehecht aan het feit dat zijn aanhangers zich achter zijn ‘democratisch socialistisch’ label schaarden. Het gepalaver erover doet mij denken aan wat vroeger schertsend gezegd werd van de Occupybeweging, namelijk dat haar grootste overwinning lag in het feit dat de New York Times berichtte over ongelijkheid. Twintig jaar of langer was het onzinnig te denken dat de term socialisme, in welke vorm ook, enige bijzondere of coherente betekenis had voor de grote meerderheid van de Amerikanen ongeacht hun partijlidmaatschap. Ik begrijp wel waarom Sanders er zo vaak op terugkwam. In het begin van de campagne haalde hij vaak het voorbeeld van Denemarken aan om het uit te leggen of om de gemoederen te bedaren; zijn pogingen leken mij ietwat ver gezocht en politiek ondoeltreffend maar ik kon er wel inkomen. Hij had nu eenmaal al dat etiket en het was begrijpelijk dat hij de discussie daarover in de hand wilde houden door het zelf aan te snijden. Toen het etiket opdook in het publieke discours werd het enthousiast onthaald en daar zijn twee redenen voor. Enerzijds de marginaliteit van links en haar vermogen tot wensdromen; anderzijds het feit dat, zelfs binnen zogenaamd links, de in oorsprong inhoudelijk magere, maar in rake slogans verpakte garanties van het doorsnee politieke discours het debat domineerden. Ik veronderstel dat dit is wat er gebeurt als zelfs links zich laat overhalen tot het plakken van etiketten. Het is om dezelfde reden dat ik nooit te vinden was voor de truc van de ‘politieke revolutie’. Maar al te vaak heb ik, zelfs in deze campagne, mensen ontmoet die er meer concrete betekenis aan hechten dan ze heeft. Klaarblijkelijk is het effectief als politieke retoriek maar dat komt doordat het gaat om een gelaagd symbool dat voor verschillende mensen een verschillende betekenis heeft; voor de meesten heeft het overigens geen enkele concrete betekenis of is het niet gelieerd aan een of ander specifiek programmapunt.

We weten dat Sanders’ oproepen voor gratis openbaar onderwijs en nationale gezondheidszorg, voor overheidsinvesteringen en het aan banden leggen van de financiële sector zeer ruime weerklank kregen. Maar de belangrijkste kwestie is hoe we nu verder moeten. De campagne heeft lange lijsten met potentiële activisten opgeleverd die de grondslag kunnen vormen voor organisatie op lange termijn. Binnen de partij en onder de basisactivisten, bijvoorbeeld in het Labor-for-Bernie-initiatief, wordt hevig gediscussieerd over onze volgende stappen.

Sommigen beweren dat de nederlaag te wijten is aan het gebrek aan interesse voor racisme, seksisme enzovoort. Angela Davis3 bijvoorbeeld schreef dat Bernie Sanders ‘aarzelt om racisme aan te pakken’ en zich verliest in ‘een soort economisch reductionisme dat hem verhindert te spreken, dat hem verhindert een woordenschat te ontwikkelen waarmee hij klaarheid zou kunnen scheppen in het voortbestaan van racisme, racistisch geweld, overheidsgeweld’. Paul Krugman4 van zijn kant argumenteerde dat Bernie niet in staat was iets te doen aan de ‘horizontale ongelijkheid’ en zo de stemmen van de ‘minderheden’ voor hem te winnen. Wat antwoordt u daarop?

Adolph Reed. Dat heb ik al enigszins gedaan. Doordat ze geen concrete inhoud hebben is het eigenlijk moeilijk om te reageren op zulke zware beschuldigingen. Doorheen de campagne heb ik me telkens weer afgevraagd hoe de zwarte Amerikanen of de latino’s, die waarschijnlijk in onevenredige mate voorbestemd zijn om te werken tegen lage lonen, zich niet aangesproken zouden voelen door een nationaal minimumloon van 15 dollar per uur (nu ligt het op 7,25 dollar). Hoe kan niet-vermarkte nationale gezondheidszorg geen punt zijn voor de zwarten? Of gratis hoger onderwijs? Of massale overheidsinvesteringen? Of een heronderhandeling van bestaande ‘handels’-verdragen en de blokkering van het Trans Pacific Partnership dat de macht van de ondernemingen tegen alle werkende mensen nog zou vergroten enzovoort? Niemand heeft ooit gezegd dat zwarte of andere niet-blanke Amerikanen niet onevenredig zouden profiteren van de uitvoering van die punten in Sanders’ programma.

Maar we moeten ons ook de vraag stellen wat juist bedoeld wordt met ‘aanpakken van het racisme’. Niemand in de Amerikaanse politieke wereld die enigszins respectabel wil zijn, spreekt zich openlijk uit voor racisme − zelfs Donald Trump niet. In feite zegt iedereen, zelfs Trump, dat ze ertegen zijn. Hoe kan een campagne met een programma dat zoveel mogelijk werkende mensen wil verenigen rond kwesties die heel de klasse, ongeacht, ras, gender of andere scheidslijnen deelt, als ‘economisch reductionisme’ bestempeld worden? Is het niet ironisch dat we nu in de Amerikaanse politiek een linkse formatie hebben voor wie elke verwijzing naar politieke economie wordt weggezet als ‘economisch reductionisme’?

Er is bovendien geen enkel bewijs dat Sanders enkel schoorvoetend zou willen discussiëren over rassendiscriminatie of genderongelijkheid. Wat betekent het ‘om klaarheid te brengen in het voortbestaan van racisme enzovoort’? Angela heeft in elk geval geen behoefte aan meer klaarheid, ze heeft er zelf een boek over geschreven. Dit soort kritiek ligt ergens tussen psychogezwets en het zoeken van drogredenen. In dezelfde zin is het leerrijk dat sommige feministen herhaaldelijk beweerden dat de steun voor Sanders alleen kwam van linkse seksistische mannen. Dat is misleiding zoals we in het verleden ook gekend hebben: er bestond toen zogezegd een besloten groep van misogyne brocialist5 mannen die vrouwen bedreigen met verkrachting of andere vormen van geweld omdat ze aarzelden om hun feministische bekommernissen te onderwerpen aan een door mannen geleid, klasseloos socialisme.

Het spreekt boekdelen dat we nu in de VS een ‘linkse’ beweging hebben die het socialisme beschouwt als een teken van achterlijkheid. De ontmaskering daarvan is deels te danken aan Bernies campagne en dat had ik of waarschijnlijk niemand voorzien. Het is goed dat er nu duidelijkheid is, het is altijd goed om te weten hoe de mensen tegenover de klassenstrijd staan.

Krugmans bewering vond ik bijzonder interessant alsook Clintons bezwaar dat een opdeling van de banken geen einde zou maken aan racisme of seksisme. Het zou ook geen einde maken aan de zonnestormen, laat staan Bahrein aan de wereldbeker helpen. Krugman loopt in het vertrouwde spoor van het naoorlogse liberalisme dat het idee van ongelijkheid loskoppelt van de politieke economie en het enkel voorstelt als groepsongelijkheid. Dat was in feite de meest betekenisvolle maar nog altijd niet vaak erkende klap die Daniel Patrick Moynihan uitdeelde in zijn schofferende werk van 1965 The Negro Family: The Case for National Action, dat meer bekend is als het Moynihan Report.6 Zulke liberalen begonnen al in de late jaren veertig de massale overheidstussenkomst van de New Deal7 weg te moffelen. Oscar Handlin, de belangrijkste historicus van zijn tijd inzake Amerikaanse etniciteit − we zouden zelfs kunnen zeggen dat hij dat onderzoeksveld heeft uitgevonden, wat ook veelzeggend is – schreef in 1949 een verhandeling over etnische groepsmobiliteit zonder de New Deal of het Congress of Industrial Organizations8 zelfs maar te vernoemen, terwijl beide op dat ogenblik nog actueel en dynamisch waren. Het is vooral stuitend dat Krugman e.a., nu de economische ongelijkheid historische niveaus heeft bereikt, dit aspect aan de kant schuiven en benadrukken dat we ons nu moeten bezighouden met hoe de massale en almaar toenemende ongelijkheid onder de verschillende groepen of volkscategorieën verspreid is. Deze antwoorden op Sanders’ kritiek verklaren nog beter hoe fundamenteel antiracistische en andere identiteitsprogramma’s niet alleen de linkervleugel vormen van het neoliberalisme maar actief het idee van de grenzen van het politiek denkbare opleggen, een soort intellectuele en culturele grenswacht van het neoliberalisme.

Maar denkt u niet dat zijn campagne in zekere zin geen antiracistische campagne was? Zeker is dat hij vooral een socio-economische boodschap bracht. Veel linksen zijn van mening dat dat gedeeltelijk verklaart waarom hij er in de voorverkiezingen niet in slaagde de steun te krijgen van de zwarte gemeenschap in de zuidelijke staten. Hoe is daar de ongelooflijk grote steun voor Clinton te verklaren? Ik ben daarover zeer bezorgd omdat het lijkt alsof Bernie eigenlijk alleen maar vroeg wat mensen als Martin Luther King ook al hadden gevraagd. Er was toch helemaal geen sprake van een louter ‘blanke agenda’?

Adolph Reed. Je moet begrijpen dat verkiezingspolitiek opereert buiten een bepaalde partijdige logica. Cedric Johnsons Jacobin essay, “Fear and Pandering in the Palmetto State”9, is zonder twijfel de beste analyse van het relatieve succes van Clinton bij de zwarte kiezers. Veel had te maken met het feit dat Clinton sterke banden heeft met elitaire netwerken die stemmen opleveren. Er waren ook nog andere redenen. Belangrijk is dat Johnson onder andere waarschuwde de zwarte kiezers vooral niet te behandelen als één black vote, een groep waarin iedereen hetzelfde denkt.

Het geloof dat je wat kunt bereiken door te gaan stemmen is ook in de afgelopen dertig jaar of meer langzamerhand afgekalfd. Dat bleek duidelijk in South-Carolina toen John Lewis, sinds lang lid van het Congres en voormalig icoon van de burgerrechtenbeweging, Sanders’ voorstel voor gratis openbaar hoger onderwijs onverantwoordelijk noemde omdat de mensen dan van de overheid gaan verwachten dingen voor niets te krijgen − dat wil zeggen niet-vermarkte goederen en diensten. “Niets is gratis in Amerika”, snauwde Lewis.

Naarmate de campagne verder reisde, weg van het Zuiden, dichtte Sanders de kloof. Toch zou ik in de keuze voor Clinton geen aanwijzing zien dat de zwarte kiezers in het algemeen meer de antiracistische politiek en zijn bijhorende agenda genegen zijn dan een verbetering van hun materiële voorwaarden en zekerheid. Dat is het verhaal dat de organisatie Black Lives Matter10 en andere activisten in naam van de zwarte kiezers willen ventileren. Maar het is hun verkoopspraatje, vooral omdat ze sowieso geen echte basis hebben onder de zwarte kiezers.

Bernie Sanders bleek ook heel goed in staat om zijn campagne te verbinden met de ruimere arbeidsbeweging in de VS. Van de minimumlooneis van 15 dollar tot zijn steun aan de staking van de werknemers van Verizon11, altijd werkte hij aan een positieve dynamiek tussen de vakbondsactivisten en zijn campagne. Moet dit volgens u de toekomstige strategie van links in Amerika worden?

Adolph Reed. Ja. Voor mij is het evident dat er zowel in de VS als elders geen sprake kan zijn van een ernstige linkse formatie zonder een stevige verankering in de arbeidersbeweging. Velen horen dat niet graag maar dat zijn hoofdzakelijk mensen die op puur emotionele basis liever hun fantasieën zien bewaarheid worden dan te streven naar politieke macht met het oog op de opbouw van het socialisme.

Voor mij is veeleer Clinton de echte neoliberale kandidate en niet zozeer Trump. In feite stemden de kiezers van Sanders en Trump tegen alles waar Clinton voor staat: vrijhandel, gelijke kansen in plaats van gelijkheid, de vrije markt, een agressief buitenlands beleid, haar pro-Wall-Street-opstelling… Aan de andere kant sprak Trump zich op de hem eigen demagogische manier uit tegen het vrijhandelsakkoord, het buitenlands beleid van Clinton en ook tegen immigratie, die volgens hem een bedreiging vormt voor de jobs van de Amerikanen. Op veel vlakken ging het in zijn uitspraken niet alleen over ‘Democraten’ tegen ‘Republikeinen’ maar ook over het neoliberalisme en zijn gevolgen. Het ziet ernaar uit dat er in de westerse wereld binnen rechts een extremer discours opduikt dat de steun wil winnen van de ‘verliezers’ van de globalisering. In zo’n situatie is het verontrustend dat links geen ander antwoord lijkt te hebben dan het spuien van beschuldigingen van racisme aan het adres van de ‘blanke werkende klasse’. In die zin vertegenwoordigt Sanders toch een sprankje hoop en het begin van een perspectief voor een linkse beweging die de werkende klasse zou kunnen verenigen over al die identiteitskwesties heen.

Adolph Reed. Clinton is absoluut de neoliberale kandidate. Ik ben niet zeker wat ik over Trump moet zeggen behalve dat hij een sociopaat en een opportunist is die maar al te graag naar de gunst dingt van de vertegenwoordigers van de gevaarlijkste tendensen in de Amerikaanse politiek. Ik ben het met je eens dat Trump heel goed past in de rechtse populistische trend die zowel in Europa als hier de kop opsteekt. Vergeet ook niet dat het mediane inkomen van een Trumpkiezer een paar maanden geleden meer dan 77.000 dollar (ongeveer 70.000 euro) per jaar bedroeg. Dat is niet de werkende klasse maar dat zijn de kleine ondernemingen of kleine zelfstandigen die wanhopig proberen hun ingebeelde lidmaatschap van de respectabele lagen te verzekeren of te behouden, diegenen die zichzelf beschouwen als de ‘echte’ Amerikanen, zich identificeren met de rijken en bang zijn voor de aantasting of het verlies van status in vergelijking met de werkende klasse en meer speciaal de niet-blanken uit die klasse. Het is dezelfde laag van gentlemen of property and standing12 die leidde tot de anti-abolitionistische13 bendes in de periode voor de Burgeroorlog14 en tot de grootste en mogelijk politiek machtigste versie van de Ku Klux Klan als nationaal verschijnsel in de jaren twintig, en ook tot de NSDAP en alle andere fascistische en autoritaire bewegingen.

Het is ook juist dat Sanders met zijn campagne hoop heeft gegeven. De campagne toonde aan dat het mogelijk is om banden te smeden met de werkende klasse en ik word me almaar meer bewust van de mate waarin wij, ook de linksen, het andere kamp toelaten in onze plaats de grenzen van de werkende klasse te bepalen. Zoals Nelson Lichtenstein15 argumenteert, beperkte de reactionaire herziening van de arbeidswet na de Tweede Wereldoorlog – in het bijzonder de wet Taft-Hartley, een hervorming van de wet op de Arbeidsrelaties in het tijdperk van de New Deal die sinds het midden van de jaren dertig het vakbondslidmaatschap aanmoedigde – in ernstige mate de categorieën werkers die voor vakbondslidmaatschap in aanmerking konden komen. Doel daarbij was zoveel mogelijk bedienden en ambtenaren uit te sluiten. Zoals je weet is er al veel inkt gevloeid over de vraag waarom de VS nooit een overheidssysteem van sociale bescherming heeft ontwikkeld zoals de meeste landen van Europa. Maar er is een eenvoudige verklaring voor: na de oorlog was de burgerij in grote delen van Europa fel verzwakt en door haar banden met het fascisme in diskrediet gebracht. Onze burgerij daarentegen kwam sterker dan ooit uit de oorlog en werd door haar bijdrage aan de oorlogsinspanning volledig politiek gerehabiliteerd.

In elk geval is het vooral de vraag hoe we verder kunnen bouwen op het elan dat door de campagne werd gecreëerd, of we onze contacten kunnen verdiepen en verbreden in de vakbonden, op de werkvloer, in de gemeenschappen, op de studentencampussen. We moeten beseffen dat de evolutie traag zal zijn en wellicht tientallen jaren zal eisen. We moeten ervan uitgaan dat we nu echt aan het begin staan van langdurig organisatiewerk. Wat ons vooral zorgen baart of althans zou moeten zorgen baren is de tendens bij de enthousiaste linkse krachten om allianties te sluiten op basis van wazige programmapunten, en het klassenprogramma ondergeschikt te maken aan een identiteitspolitiek terwijl beide juist de solidariteit zullen bemoeilijken. We moeten nu voortbouwen op de meer visionaire aspecten van het programma, bijvoorbeeld de eis voor gratis hoger onderwijs, niet-vermarkte gezondheidszorg enzovoort, en het vitale gevecht om het TPP16 een halt toe te roepen. En natuurlijk ook de strijd tegen discriminatie op basis van ras, gender, seksuele geaardheid enzovoort en ook tegen het neoliberale beleid en de almaar grotere samenwerking van de overheid met de privé in het gevangeniswezen. Wat wij moeten begrijpen en ook anderen duidelijk maken, is dat het gaat om een klassenkwestie.

Kan deze campagne volgens u ook gevolgen hebben die verder reiken dan de verkiezingen? Zelfs Bernie Sanders zei vaak dat wat hij wou, niet door een president alleen kan gedaan worden, zelfs niet als hij die president zou zijn. Zijn campagne ging ook over de opbouw van een politieke beweging die het politieke landschap in de VS zou kunnen hertekenen. Is er nog een toekomst voor Bernie? En welke plaats nemen de vakbonden daarin in?

Adolph Reed. Alles was tot nu toe enkel voorbereiding, zo denk ik er althans over. Voorbereiding in die zin dat we met deze campagne wilden aantonen dat een open discussie over de bekommernissen en programma’s van de werkende klasse weerklank kon vinden. We wilden ernstige activisten, mensen met organisatietalent, lokaliseren en samenbrengen en een begin maken met de organisatie en mobilisatie voor campagnes rond belangrijke kwesties en misschien af en toe ook rond een kandidatuur voor de verkiezingen. Dat is nog een obstakel dat links in dit land moet uit de weg ruimen: haar voorspelbare neiging om te zoeken naar een kandidaat of te streven naar een fraai stukje wetgeving. Beide moeten uitdrukkingen zijn van de sterkte van de beweging; en hoe sterk de volgelingen van de Vierde Internationale17 of andere fantasten ook mogen geloven dat zij daarvoor de uitgelezen actoren zijn, dat is niet zo.

Tot slot nog dit: ziet u de toekomst van de arbeidersbeweging in uw land optimistisch tegemoet?

Adolph Reed. Dat moet ik wel. Zonder een dynamische arbeidersbeweging komen we nergens. Sam Gindin, al jarenlang vakbondsafgevaardigde van de automobielarbeiders in Canada, en ook andere vakbondskameraden zeggen dat de arbeidersbeweging nood heeft aan een dynamische linkse beweging. Dat wordt ook almaar duidelijker. Vanuit de arbeidersbeweging komen er veel positieve signalen. Het Labor-for-Bernie-initiatief was een van de sterkste uit heel de campagne en heeft voor een groot deel van de linkse arbeidersbeweging – met inbegrip van veel kameraden uit mijn oude Labor Party – een context geschapen waarin ze elkaar kunnen ontmoeten en strategisch nadenken en samenwerken. Zelfs los van de campagne zijn er in verschillende vakbonden sterke krachten die geleid worden door progressieve en linkse mensen die in de opbouw van de bredere sociale beweging een rol in petto hebben voor de vakbonden. Het is een langdurig en traag proces en dat moeten wij als militanten goed voor ogen houden. Maar die moeizame en lange weg om mensen te organiseren is een specialiteit van de arbeidersbeweging: het patroon van verbreden, consolideren en nog meer verbreden.

Ik kan niet zeggen dat ik alle vertrouwen heb in een positieve uitkomst; we hebben heel veel tegen. Kijk naar Brazilië en Venezuela, hoe de corrupte burgerij aldaar tekeer gaat uit angst dat ze de maatschappij niet langer langs democratische weg kan controleren. Hoe meer succes we zullen hebben, hoe gevaarlijker het zal worden. Het verschil tussen de huidige en de vroegere marxisten is dat wij, met uitsluiting van de starre, sektarische religieuze fanatici, niet beschikken over de troost van het vertrouwen op God. Er is geen apocalyptisch moment, geen objectief vast te stellen ogenblik waarop de boel zal instorten. We weten ook niet hoe de geschiedenis zal evolueren; we kunnen alleen proberen haar te beïnvloeden. Ik zei het al in het begin: sergeant Pavlov is op een of andere manier een goed voorbeeld voor ons. We hoeven niet mee te stappen in de dagelijkse wedren die ons als nieuws wordt voorgeschoteld; we hoeven ook niet de slimste commentator van de hele bloggerswereld te zijn, de eerste die weet waar er koopjes zijn of het Next Big Thing over de toonbank gaat, de nieuwste trendy bron die je leert hoe je zelfstandig en onafhankelijk kunt kiezen voor verandering. Het is veeleer onze taak met volharding de strijd aan te gaan daar waar we actief zijn, in de wetenschap dat we een klein radertje zijn in een groot geheel en dat we ons moeten inspannen om dat radertje groter en sterker te maken. Misschien helpt een metafoor uit de sportwereld: wie de bal in het spel gooit, moet klaar staan om doeltreffend te reageren op de vaak onvoorspelbare spelsituatie die daardoor ontstaat. Dat vereist uiteraard dat je de spelregels kent maar ook de sterkte en zwakte van de tegenspelers en je eigen team.


1 Pavlovs Huis was de naam van een versterkt appartementencomplex tijdens de Slag om Stalingrad. Het appartementencomplex werd van 27 september 1942 tot 25 november 1942 bezet door een peloton onder leiding van Sergeant Jakov Pavlov.

2 Newsfotainment: samentrekking van nieuws, informatie en entertainment.

3 Angela Davis is een Amerikaanse filosofe, schrijfster en politiek activiste.

4 Paul Robin Krugman is een Amerikaans neokeynesiaans econoom, columnist en publicist, en winnaar van de Nobelprijs economie.

5 De term brocialist (samentrekking van brother en socialist) typeert personen die een zekere minachting voor gendergelijkheid en vrouwenrechten (zouden) hebben binnen radicaal links.

6 Zijn rapport focuste op de diepe wortels van de armoede onder de zwarten in de VS. Zijn controversiële besluit was dat het hoge aantal eenoudergezinnen een grote hindernis zou zijn voor de zwarte bevolking op de weg naar economische en politieke gelijkheid. Zijn rapport stuitte op grote weerstand van zowel de burgerrechtenbeweging als de feministen.

7 De Amerikaanse New Deal was het overheidsprogramma van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt om de Verenigde Staten uit de Grote Depressie van 1929 te trekken. Grootscheepse interventie en investeringsprogramma’s door de overheid dienden de economie nieuw leven in te blazen.

8 Congress of Industrial Organizations (CIO): vakbondsfederatie die de werkers organiseerde in industriële vakbonden in de VS en Canada van 1935 tot 1955. De CIO steunde Franklin D. Roosevelt en de New Deal Coalition en stond ook open voor Afro-Amerikanen.

9 Cedric Johnson, “Fear and Pandering in the Palmetto State”, Jacobin Magazin, 29 februari 2016. Zie https://www.jacobinmag.com/2016/02/sanders-clinton-south-carolina-primar.... Palmetto State is een bijnaam voor Zuid-Carolina.

10 Black Lives Matter (Zwarte levens doen ertoe) is een internationale beweging die ontstaan is in de zwarte gemeenschap in de Verenigde Staten als reactie op politiegeweld tegen Afro-Amerikanen.

11 39.000 arbeiders van Verizon gingen op 1 juni 2016 terug aan het werk na een staking van zeven weken. Ze gaven niet toe aan de eisen van het management voor meer flexibiliteit en gemakkelijker ontslagen, bekwamen 1.300 bijkomende jobs, 10,5 % loonopslag gespreid over 4 jaar, hogere pensioenbijdragen en betere bescherming tegen het uitbesteden van jobs in call centers.

12 Gentlemen of property and standing waren handelaars die nauwe commerciële banden hadden met het Zuiden in de periode voor de Burgeroorlog (1861-65).

13 Anti-abolitionistisch: tegen de afschaffing van de slavernij.

14 De Amerikaanse Burgeroorlog eindigt met de nederlaag van de zuidelijke staten en de afschaffing van de slavernij.

15 Nelson Lichtenstein, State of the Union: A Century of American Labor, 2003, Princeton University Press, 352 p.

16 TPP of Trans-Pacific Partnership is een vrijhandelsverdrag waarover sinds 2005 wordt onderhandeld tussen Australië, Brunei, Canada, Chili, Japan, Maleisië, Mexico, Nieuw-Zeeland, Peru, Singapore, de Verenigde Staten en Vietnam.

17 De Vierde Internationale werd door Trotski gesticht in 1938. Vandaag beschouwen tientallen grotere en kleinere trotskistische koepelorganisaties zichzelf als opvolger van de oorspronkelijke Vierde Internationale.