CETA en TTIP brengen het algemeen belang in gevaar

Auteur: 
Wolfgang Reinicke-Abel

In december 2015 stelt Die Linke in de Duitse Bondsdag een belangrijke vraag aan minister van Economische Zaken en Energie Sigmar Gabriel (SPD): welke overheidsinstantie zal na de inwerkingtreding van het CETA[1] eventuele schadevergoedingen moeten betalen? Staatssecretaris Uwe Beckmeyer (SPD), toegevoegd aan de minister van Economie, antwoordt dat met de clausule van de investeerder-staatsarbitrage[2] alleen staten kunnen worden aangeklaagd. Als een investeerder zijn zaak wint, “zou alleen de federale overheid schadevergoeding moeten betalen.” Hoe hoog de kosten van de vergoeding zijn, wordt bepaald door de nationale wetgeving en in Duitsland is dat de grondwet. “De interne verdeling van de vergoeding is vastgelegd in artikel 104 A Sectie 6 van de grondwet en de belastingwet”, aldus Beckmeyer. “Daardoor dragen de federale overheid en de deelregeringen de schadelasten” van de internationale verplichtingen van Duitsland. Of en in welke mate de deelregeringen de kosten kunnen verhalen op gemeenten wanneer die maatregelen hebben genomen die in strijd zijn met het internationaal recht, wordt geregeld door de deelstaatwetgeving. Wat erop neerkomt dat ook lokale overheden kunnen aangesproken worden om eventuele schade te vergoeden.

Significante risico’s en koehandel

Naar verwachting zal de reactie van de federale regering het scepticisme van de provincies en gemeenten over de geplande handelsovereenkomsten alleen maar doen toenemen. Zowel in de deelparlementen als in de gemeenteraden maken veel afgevaardigden zich zorgen. De Duitse Vereniging van Steden en Gemeenten waarschuwt voor “significante risico’s voor het algemeen belang”. Zij vreest dat op privatisering zal aangestuurd worden. EU-woordvoerders proberen die zorgen weg te nemen: “Openbare diensten zijn geen thema in de TTIP-onderhandelingen”, argumenteren ze...

Gesloten forum

In het Noord-Amerikaanse vrijhandelsverdrag NAFTA is een nieuwigheid ingevoerd, die nu ook door het CETA en het TTIP is overgenomen. De regels voor de vrije handel worden niet in detail uitgewerkt. De uitwerking van de bevoegdheden wordt overgelaten aan een Forum voor Regelgevende Samenwerking. Het verdrag zelf bepaalt enkel het kader. Dit Forum ontsnapt echter aan elke parlementaire controle, terwijl lobbyisten er kind aan huis zijn.

     Op latere datum zal het Forum de bepalingen waarover nog geen akkoord bestaat, verder uitwerken en bindende regels vastleggen. Er zal een ‘negatieve lijst’ opgesteld worden van alles wat niet voor liberalisering in aanmerking komt, al de rest mag geprivatiseerd worden. Gebeurt het niet vrijwillig, dan kan het via een klacht afgedwongen worden. Het gevaar van zo’n lijst is dat ze een hypotheek legt op mogelijk toekomstige beslissingen. Wie had de voorbije decennia kunnen voorzien dat internet en e-mail zo’n hoge vlucht zouden nemen? Wie weet vandaag hoe alles binnen enkele decennia in zijn werk zal gaan? Wat er ook van zij: als het niet op de negatieve lijst staat, dan moet de overheid er vanaf blijven.

     Dit betekent dat de parlementen geen keuzevrijheid meer hebben. Het Forum controleert altijd op voorhand en al wat indruist tegen de geest van het CETA of het TTIP, zal verworpen worden. Toch doorgaan betekent een schending van de overeenkomst met schade-eisen tot gevolg. Zelfs als het TTIP er niet komt maar het CETA wel, kunnen de Amerikaanse ondernemingen Europa nog onder de duim houden via hun Canadese vestigingen.

     Van groot belang voor het Forum is de zogenoemde ratchet clause waardoor op een eenmaal genomen beslissing niet mag teruggekomen worden. Een privatisering ongedaan maken kan dus niet. De parlementen verliezen hier de vrijheid om van gedacht te veranderen, ook al is bewezen dat de aanvankelijke beslissing verkeerd was, ook al verzet het volk zich tegen de gevolgen ervan.

Vrijhandel en de lokale politiek

Naast de onderhandelingen over het TTIP tussen de EU en de VS en het geplande maar minder bekende TiSA, onderhandelt de EU sinds juni 2009 dus ook met Canada. Het CETA werd in oktober 2013 al politiek beklonken.

     Uit de gelekte inhoud blijkt dat ook bij het CETA − net als bij het TTIP – niet alleen over de afschaffing van een aantal douanerechten wordt onderhandeld maar ook over de “afschaffing van de niet-tarifaire handelsbelemmeringen” − zoals maatregelen ten voordele van het milieu, de werkgelegenheid en de consument. Ook de bescherming van de investeringen van de transnationale ondernemingen ligt op tafel. Het verdrag met Canada weegt economisch zeker niet zo zwaar als het TTIP maar de onderhandelingen zijn wel al veel verder gevorderd. Bovendien is de Canadese markt gekoppeld aan de Amerikaanse door het in 1994 afgesloten NAFTA-verdrag. Het CETA dient dan ook als blauwdruk en breekijzer voor het TTIP en het TiSA.

     Zowel in Canada als in Europa − bijvoorbeeld in Frankrijk − gaan de burgers in het verweer tegen het CETA. Het Trade Justice Network in Canada en de 10.000 collectivités territoriales françaises contre le GMT in Frankrijk hebben opgeroepen tot verzet tegen de drie akkoorden. Het Canadese Network wijst erop dat ook de gemeenten heel erg getroffen worden door het CETA, doordat het sectoren van lokaal algemeen belang zou kunnen vermarkten en dus duurder maken. Veel Canadese gemeenten hebben nu resoluties aangenomen waarin de regering gevraagd wordt het CETA niet af te sluiten.

Dreigende privatisering van basisdiensten

In Canada, de VS en de EU bestaat het risico dat de lokale autonomie wordt uitgehold door een mogelijke privatisering van de openbare diensten. De verregaande liberalisering en privatisering van maatschappelijk noodzakelijke goederen zoals water, onderwijs en gezondheidszorg is geen recente doelstelling maar staat al lang op het verlanglijstje van veel privédienstverleners. De zoektocht naar maximum winst kan daarbij leiden tot kwaliteitsverlies en prijsverhogingen. Mensen met een laag inkomen riskeren daardoor uitgesloten te worden van openbare dienstverlening. Ook kunnen beslissingen van lokale overheden om bepaalde openbare diensten in de eigen regio zelf aan te bieden, door privébedrijven aangevochten worden voor arbitragerechtbanken en eventueel verijdeld worden. De levering van schoon drinkwater, goedkope en milieuvriendelijke elektriciteit, klantgericht openbaar vervoer en sociale huisvesting worden bedreigd door het privéwinstbejag. In de toekomst zal het nog nauwelijks mogelijk zijn in de gemeenten om opdrachten toe te wijzen op basis van sociale en ecologische criteria.

     Op die manier worden de gemeenten beroofd van een belangrijk instrument voor regionale economische ontwikkeling en dat is de reden waarom bijvoorbeeld de Beierse Vereniging van Steden waarschuwt voor het vrijhandelsverdrag. Het verdrag betekent een nieuwe impuls voor verdere privatisering in het onderwijs, de cultuursector, de gezondheidszorg, de sociale diensten, de riolering en de afvalverwerking, de energie, het vervoer en de watervoorziening.

     Nadat Greenpeace een pak belastende documenten van het TTIP had gelekt, maakte de Europese Commissie op 26 september 2014 snel zelf de Engelstalige documenten van het CETA openbaar. Zo konden we ons een concreet beeld vormen van de impact van het CETA en het TTIP op het algemeen belang.

     Voor de Duitse lokale overheden is de organisatorische vrijheid in het kader van het plaatselijk zelfbestuur zeer belangrijk. Het is immers op dat niveau dat de betrokkenheid van de burgers, de doelstellingen van algemeen belang en de efficiëntie van de openbare diensten op elkaar worden afgestemd. Art. 28 lid 2 GG (grondwet) geeft de gemeenten het recht om zelf lokale diensten aan te bieden. Traditioneel gaat dit om de basisbehoeften van de bevolking, zoals energie, water, transport, afvalbeheer en huisvesting.

1. Energie

Belangrijk bij internationale verdragen is de vraag in hoeverre bepaalde maatregelen van de overheid een handels- of investeringsbarrière kunnen vormen, bijvoorbeeld maatregelen ter bescherming van het milieu, ter verbetering van de energie-efficiëntie of ter bevordering van duurzame energie. Maar wie hierover klaarheid wil vindt die noch in het CETA noch in het TTIP. De EU behoudt zich wel het recht voor om actie te ondernemen ingeval een Canadees bedrijf dat gecontroleerd wordt door een onderneming of een persoon uit een derde land, meer dan 5 procent van de totale invoer van olie, gas of elektriciteit naar de EU voor zijn rekening neemt. Enig ander voorbehoud in het domein van de energie hebben we niet kunnen vinden.

     Hetzelfde geldt voor toekomstige ontwikkelingen zoals smart grids, dat zijn intelligente stroomnetwerken die alle actoren op de elektriciteitsmarkt door het samenspel van productie, opslag, netwerkbeheer en consumptie in één overkoepelend systeem integreren. Het valt te vrezen dat de grootste IT-multinationals (bv. Google) de bestaande leemten zullen opvullen waardoor de gemeentelijke energiebedrijven naast de boot vallen. De Europese Commissie beschouwt de telecommunicatiediensten als geliberaliseerd. Maar in het licht van de jongste ontwikkelingen treedt de vraag naar democratische controle over de IT-diensten van algemeen belang weer op de voorgrond. Als het CETA en het TIPP worden goedgekeurd, zullen de gemeentelijke energie- en IT-diensten volledig onderworpen zijn aan de liberaliseringsverplichtingen.

2. Water

De EU heeft bestaande en toekomstige maatregelen met het oog op de winning, behandeling en distributie van water voor huishoudelijke, industriële, commerciële en andere gebruikers, inclusief de voorziening en het beheer van drinkwater, uit het verdrag met Canada gelicht. Aan de watervoorziening wordt dus door het CETA niet geraakt. Toch blijft voorzichtigheid geboden. De investeringsbescherming in het verdrag zou beleggers bijzondere rechten kunnen verlenen ten nadele van ondernemingen die alleen in eigen land actief zijn, zoals de openbare nutsbedrijven van Keulen en Düsseldorf. Die bijzondere rechten kunnen een impact hebben op de verdeling van de waterrechten en de bevoegdheid van de overheid beperken in het voordeel van buitenlandse investeerders. Een voorbeeld hiervan is de klacht van Vattenfall (2009-2011) tegen de bepalingen van de verleende waterrechten voor kolencentrale Moorburg, die vervolgens werden versoepeld.

     Gemeentebedrijven zouden bijvoorbeeld benadeeld kunnen worden wanneer een al gevestigde buitenlandse investeerder zou mee concurreren voor een door een gemeentebedrijf benutte grondwaterbron. Bovendien zou de CETA- investeringsbescherming bij de toewijzing van beschermde watervoorraden zeer nadelig uitvallen voor de lokale gemeentebedrijven en waterwerken. In tegenstelling tot haar beloften heeft de Europese Commissie in haar TTIP-voorstel over de diensten bepaalde toezeggingen aangeboden verbonden aan de watervoorziening − zelfs in verband met het verlenen van markttoegang aan privéondernemingen. Voorts is de lijst van mogelijke afwijkingen in het CETA-verdrag onvolledig. Wij willen dat de gemeentelijke watervoorziening in alle handels- en investeringsverdragen volledig en juridisch bindend als uitzondering wordt ingeschreven.

     De toekenning van concessies betekent voor de gemeentelijke watervoorziening vaak grote rechtsonzekerheid. De geplande interpretatie in de Europese concessierichtlijn ten koste van de gemeenten en de gemeentelijke watervoorziening werd in 2013 na lange strijd afgevoerd en er werd een uitzondering voor het waterbeheer bedongen. De vraag is evenwel of dit probleem niet opnieuw langs de achterdeur zal binnensluipen in de TTIP- onderhandelingen over aanbestedingen. Alvast een aantal aanwijzingen in de onderhandelingen baren ons zorgen.

     Het voorzorgsbeginsel dat geldt in de EU en Duitsland, geldt niet in de VS en Canada. Met het oog op de preventieve bescherming van de watervoorziening speelt het voorzorgsbeginsel nochtans een niet te onderschatten rol in de onderhandelingen.

3. Stads- en regionaal transport

Overheidsmonopolies en exclusieve rechten in de transportsector vallen in het CETA niet onder de verplichte markttoegang. De uitzondering geldt voor bestaande en toekomstige maatregelen. Of ook het TTIP en het TiSA hierin meegaan, valt af te wachten maar is op zijn minst twijfelachtig.

4.      Afvalverwerking

In Duitsland wordt het beheer van afvalstoffen geregeld door de wet op de kringloopeconomie, de daarbij horende regelgeving en andere wetgeving inzake afvalverwerking van de federale overheid (bijvoorbeeld de wet op afgedankte elektrische en elektronische apparaten) en door wetgeving van de deelstaten (bijvoorbeeld de afvalverwerkingswet) en dat volgens de 5-traps afvalhiërarchie: (1) preventie, (2) voorbereiding voor hergebruik, (3) recyclage, (4) andere verwerkingen en (5) vernietiging. Duitsland heeft in het CETA een uitzondering laten opnemen voor Waste management: sewage, refuse disposal, and sanitation services (Afvalbeheer: riolering, afvalverwijdering en zuivering van afvalwater). De omschrijving van de verschillende diensten die vallen onder de term refuse disposal, die in feite enkel slaat op de verwijdering van afvalstoffen, is ontoereikend. Daarbij bestaat het gevaar dat bij de overgang van een afvaleconomie naar een recyclage-economie het begrip waste niet langer relevant is.

     Ook de bestaande en toekomstige milieuwetgeving mag niet ondermijnd worden. Afval verwijderen of storten is bijvoorbeeld goedkoper in de Verenigde Staten dan de CO2-neutrale verbrandingsovens of de omslachtige recyclagesystemen in Europa. Misschien is het wel voordeliger hele ladingen afval naar de VS te verschepen. De Duitse recyclagewet (afvalhiërarchie, quota voor afvalverwijdering enzovoort), de technische handleiding voor het huishoudelijk afval en de 17e Federale Wet op het immissiebeleid[3] van 2 mei 2013 moeten gehandhaafd worden.

     Voor de gemeentelijke afvalverwijderingsbedrijven is het overigens van belang dat niet geraakt wordt aan de intercommunale samenwerking en de interne toewijzing van contracten. Het zijn instrumenten van de lokale overheid, uitdrukkelijk erkend door de huidige EU-wetgeving, maar noch in het CETA noch in het TTIP is daarvan iets terug te vinden.

5. Andere gemeentelijke diensten

Alle terreinen waarvoor in de toekomst beperkte markttoegang voor de privé mogelijk is maar die van de liberaliseringsbepalingen uitgesloten kunnen worden, komen zoals gezegd op een ‘negatieve’ lijst. Tal van gemeentelijke diensten worden echter niet vermeld, onder andere openbare verlichting, openbare parkeerplaatsen, groene zones, breedbanddekking, sociale huisvesting, gerealiseerd zowel door de gemeentelijke overheid als door nationale huisvestingscorporaties, studentenhuisvesting of schoolkantines.

     Door te werken met een negatieve lijst worden in feite alle nieuwe diensten verplicht onderworpen aan de markt. Daardoor kunnen bepaalde toekomstige overheidsmaatregelen in die domeinen als ‘discriminerend’ opgevat worden. Vooral de IT-diensten kunnen daarmee in de toekomst geconfronteerd worden.

6. Cultuur

Hoewel audiovisuele media zijn uitgesloten, wordt geen algemene uitzondering gemaakt voor cultuur. Het VN-Verdrag inzake de bescherming van de culturele diversiteit[4], goedgekeurd door de Europese Unie en Canada, verzekert de ondertekenaars van de wederzijdse erkenning van een onafhankelijk cultuurbeleid volgens het internationaal recht. Dat de Amerikaanse regering dit verdrag nog niet heeft ondertekend, stemt in relatie tot TTIP, tot nadenken. Het weerspiegelt op zijn minst een andere opvatting over de overheid en dus ook over de rol van de overheid in culturele aangelegenheden. Ook de definitie van culturele goederen en diensten blijft vaag in het CETA. Zo kun je je bijvoorbeeld afvragen of ook het digitale aanbod van download portals daarvan deel uitmaakt. Vermoedelijk steken hier proactieve Amerikaanse belangen achter. Ook wordt met geen woord gerept over de openbare, grotendeels door de deelstaten gecontroleerde radio-omroepen en stedelijke orkesten, en de lokale en nationale culturele instellingen.

7. De rechten van de werknemers

Het CETA holt de rechten van werknemers uit. De vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Canada zou meer handel genereren en daardoor meer werkgelegenheid scheppen. Maar hoeveel? Waar en wat voor banen?

     De weinige en dan nog misleidende verklaringen in de overeenkomst doen het ergste vrezen: het gaat niet om ‘goed werk’, maar om waardeloze banen. Het CETA maakt geen einde aan de negatieve spiraal van de loondumping, integendeel.

     In het begin van de tekst lezen we dat partijen zich zullen houden aan de acht ‘fundamentele normen’ van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).[5] Dat klinkt goed, de IAO is immers een gespecialiseerd agentschap van de VN, dat wereldwijd arbeids- en vakbondsrechten toetst aan de universele rechten van de mens.

     Maar het verdrag mag dan al een aantal belangrijke fundamentele normen vermelden, de gelijke verloning van mannen en vrouwen staat er niet bij. Niet belangrijk genoeg misschien?

     Bij nader toezien wordt de kwestie van de werknemersrechten met een juridische spitsvondigheid omzeild. Het CETA-verdrag steunt namelijk niet op de oorspronkelijke IAO-regelgeving maar op een verklaring van 1998 inzake fundamentele beginselen en rechten op het werk van de IAO en de verklaring van 2008 over sociale rechtvaardigheid voor een eerlijke globalisering.

     Uitgesloten zijn: het verbod voor ondernemers om van henzelf afhankelijke, ‘gele’ werknemersafgevaardigden te ondersteunen en de controle van de IAO-organen op de naleving van de beslissingen. Ook zijn geen sancties voorzien in geval van overtreding van de al fel afgezwakte arbeidsrechten.

     Maar dat is nog niet alles. In het CETA ontbreken ook alle andere 181 IAO-normen, waaronder het recht op bescherming tegen ontslag, op betaald verlof en betaalde pauzes, het recht op een vergoeding die bescherming biedt tegen armoede, op sociale verzekering, bescherming tegen gevaren op de werkplek, het recht op vergoeding bij arbeidsongevallen en beroepsziekten. Het verdrag stelt daarentegen dat “Partijen […] de aanvaardbare minimum arbeidsnormen voor loontrekkers” moeten herdefiniëren.

     En nog houdt het niet op. Komt er geen oplossing in de CETA-organen, dan wordt een “groep van deskundigen” met eigen “arbitrageregels” ingeschakeld. Daarenboven moeten de partijen “bij geschillenbeslechting op elk gewenst moment een beroep doen op goede diensten, verzoening of bemiddeling.”

     Tot slot kan de Commissie voor Handel en Duurzame Ontwikkeling procedurewijzigingen voorstellen. Dit betekent dat ze eigen bevoegdheid krijgt naast de nationale arbeidsrechtbanken en de IAO. De uitgebreide liberaliseringsverplichtingen en de strengere regels voor openbare aanbestedingen oefenen extra druk uit op de collectieve arbeidsovereenkomsten en de lonen. De rechten van de werknemers kunnen ook via arbitrageprocedures aangevallen worden, zoals blijkt uit de klacht van het Franse concern Veolia tegen het minimumloon in Egypte.

     Harmonisatie of aanpassing van de normen leiden tot een neerwaartse spiraal doordat de partijen het doorgaans eens zijn over de kleinste gemene deler. Het is niet gelukt om de ratificering van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO als voorwaarde te stellen voor de afsluiting van handelsovereenkomsten. Die normen regelen de basisrechten van de werknemers, zoals het verbod op kinderarbeid en vrije vakbondsactiviteit. De Verenigde Staten hebben tot op heden slechts twee van de acht fundamentele IAO-arbeidsnormen geratificeerd. Daarom eisen wij dat de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie behandeld worden als universele mensenrechten. Er moeten bij inbreuken ook sancties voorzien worden zoals boetes of handelssancties!

***

     In het kader van het CETA worden organen voorzien, die verregaande rechten krijgen om het geplande akkoord duidelijker te interpreteren. Hierdoor wordt de verdere ontwikkeling van het internationaal handelsrecht aan zuivere uitvoeringsorganen toevertrouwd, weg van de parlementen, waardoor democratische participatie uitgesloten is.

     De vrijhandelsverdragen hebben rechtstreeks invloed op de gemeentelijke diensten, dat wil zeggen op de invulling van de basisbehoeften van de burgers, zoals de energie- en watervoorziening, het openbaar vervoer of de vuilophaling.

     Het Keulse netwerk van diensten van algemeen belang heeft uitgezocht welke impact het CETA op hen zal hebben. En wat blijkt? Alle diensten die in de toekomst zullen ontstaan als gevolge van technologische, sociale of demografische veranderingen, worden aan de gemeenten onttrokken. Daarnaast zijn tevens de gemeentelijke netwerken voor elektriciteit, gas, water en stadsverwarming, breedbanddekking, smart grids, openbare verlichting, groene zones, binnenhavens en zeehavens, sociale huisvesting… niet tegen privatisering beschermd.

     De levering van basisdiensten van goede kwaliteit tegen redelijke prijzen maar ook het aanbod van betrouwbare infrastructuur voor de regionale kleine en middelgrote ondernemingen komen in het gedrang. Er dreigen prijsstijgingen tot 400 %. Dat heeft de privatisering van de drinkwatervoorziening ons geleerd. In Berlijn heeft men daarom de watervoorziening terug in handen van de stad gegeven. Bovendien was de kwaliteit van het water er aanzienlijk op achteruit gegaan. De privatiseringen gaan ook meestal gepaard met een inkrimping van het personeelsbestand en loonverlagingen. Dit alles ontneemt de regio’s en deelstaten koopkracht en knabbelt aan de sociale begroting.

     Nu vloeit de winst van de openbare nutsbedrijven nog naar de begroting van steden en gemeenten. Gevreesd wordt dat die door de vrijhandelsverdragen financieel gekortwiekt zullen worden. De Keulse overheidsbedrijven bijvoorbeeld storten elk jaar zo’n 110 miljoen euro in de stadskas. Als een deel van die inkomsten wegvalt door privatisering, wordt het budget van de stad erg krap. Een ander gevaar is dat de ondernemingsbelasting, de grootste bron van inkomsten van de stad, sterk zal dalen. In Keulen wordt die voor een groot deel betaald door de kleine en middelgrote bedrijven, die samen zowat 95 % van alle ondernemingen in het gebied rond Keulen uitmaken. Nu worden ze in hun bestaan bedreigd door het CETA en het TTIP.

     Uit een rapport van het Europees Juridisch Centrum in Bremen over het CETA blijkt dat sociale normen, arbeids- en milieunormen en de mensenrechten onvoldoende in het verdrag verankerd zijn. Beschermende maatregelen dienen nu eenmaal ter vrijwaring van verscheidene normen, omdat men het belangrijk vindt dat het milieu intact blijft en de werknemers sociaal verzekerd zijn. Het CETA daarentegen zal ondernemingen toelaten lagere normen te hanteren zodat ze hun producten en diensten goedkoper kunnen aanbieden. Zo worden middelgrote bedrijven, die niet internationaal actief zijn en hogere normen handhaven, benadeeld.

     Eén van de grote punten van kritiek op het vrijhandelsverdrag is de zogenaamde ‘bescherming van de investeerder’. Het zou ideaal zijn als de gemeenteraad, het deelstaatparlement of de Bondsraad[6] zich bij elke beslissing zou afvragen: heeft de burger hier iets aan of schaadt het hem? Na de afsluiting van soortgelijke overeenkomsten zal in de toekomst nog maar één vraag van tel zijn: “Halen we ons met die beslissing een arbitragerechtszaak op de hals?”

     Alleen al in Duitsland hebben ondertussen ongeveer vierhonderd steden en gemeenten resoluties aangenomen tegen de drie vrijhandelsverdragen. Het is belangrijk dat nog veel meer mensen de Europese burgerinitiatieven ondersteunen. 3,4 miljoen Europeanen hebben al tegen de overeenkomsten gestemd. Keulen was de eerste Duitse miljoenenstad die in maart 2015 met grote meerderheid een resolutie heeft aangenomen tegen de drie vrijhandelsverdragen.

Hoe moet het nu verder?

Dat deze campagnes resultaten kunnen opleveren, blijkt alleen al uit de jongste ontwikkelingen. Het establishment wordt bepaald zenuwachtig. Het Waalse regionale parlement weigert, op het ogenblik dat we dit artikel schrijven, in te stemmen met het CETA. Dat betekent dat België de overeenkomst niet kan goedkeuren.

     Zelfs in Luxemburg maande het parlement op 7 juli de regering aan niet in te stemmen met het CETA in zijn huidige vorm. De parlementsleden zijn vooral gekant tegen de clausule van de investeerder-staatsarbitrage.

     Ook in het Nederlandse parlement was een grote meerderheid sceptisch: de afgevaardigden oordeelden dat de regering niet mag instemmen met de voorlopige uitvoering van het CETA zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van het parlement.

     Sigmar Gabriel, Duits federaal minister van Economie, beloofde eerst dat zonder goedkeuring van de Bondsraad noch het CETA noch het TTIP er komen. Later zei hij dan weer dat het CETA-verdrag al voorlopig – dus zonder goedkeuring van de Bondsdag en de Bondsraad − in werking moest treden. De Bondsregering mag daar in geen geval mee instemmen. Op een voorlopige uitvoering zal nog zeer moeilijk teruggekomen kunnen worden, wat bevestigd wordt door een nieuw juridisch advies, gepubliceerd in Der Spiegel van 22 augustus 2016.

     Om een afwijzing van het vrijhandelsakkoord in het parlement te bekomen moet de straat dan ook de druk op de ketel houden en aan heel Europa laten zien dat er een groot bondgenootschap tot stand is gekomen tegen de akkoorden. Op zaterdag 17 september 2016 stapten alleen al in de Bondsrepubliek Duitsland 320.000 betogers door de straten en dit ondanks de aanhoudende regen; 70.000 in Berlijn, 65.000 in Hamburg, 55.000 in Keulen, 50.000 in Frankfurt, 40.000 in Stuttgart, 15.000 in Leipzig en 25.000 in München. Die acties bewijzen de kracht van de protestbeweging en laten zien wat de bevolking werkelijk denkt van het ondemocratische, ondernemingsvriendelijke en antisociale karakter van beide overeenkomsten. Sinds de legendarische betogingen van de jaren 1981-1983 in Bonn tegen het NAVO-dubbelbesluit[7] zijn nog nooit zoveel mensen de straat opgegaan om te protesteren tegen een overeenkomst en te ijveren voor eerlijke wereldhandel.

     Ook de Deutsche Gewerkschaftsbund (DGB) was weer van de partij en riep op om massaal mee te betogen.

     Tijdens dat weekend verklaarde Sigmar Gabriel, SPD-partijleider en minister van Economie, dat het TTIP “praktisch mislukt” was. Was het TTIP dan dood? Alvast niet voor bondskanselier Merkel, VS-onderhandelaar Michael Froman en de Europese Commissie die reageerden op het interview met Gabriels. Waarom zei de

     Een al te doorzichtige zet waarmee hij alleen de druk van de ketel wilde halen. Als hij erin zou slagen het CETA door te drukken, zou het TTIP snel herrijzen.

            De geschiedenis van het verzet tegen de vrijhandels- en investeringsovereenkomsten heeft aangetoond dat die antidemocratische neoliberale dwangbuizen tegengehouden kunnen worden als de in het geheim onderhandelde teksten worden gelekt en gepolitiseerd. In de late jaren 1990 bijvoorbeeld had de globaliseringsbeweging al het voor velen onbekende MAI-verdrag[8] openbaar gemaakt. Net als een vampier kon het niet lang overleven zodra een kritisch publiek debat erover op gang kwam. In oktober 1998 verliet Frankrijk de onderhandelingstafel. De krachten in Europa die strijden voor ontvoogding moeten met alle mogelijke middelen blijven weerstand bieden, want het CETA en het TTIP zijn nog niet van de baan. We blijven verder werken om voor eens en voor altijd van die nachtmerrie verlost te zijn. De komende maanden richten we al onze pijlen op het CETA, dat nu als eerste geratificeerd moet worden. Veel van de nadelige clausules in het TTIP zijn immers ook opgenomen in de overeenkomst met Canada.

Wolfgang Reinicke-Abel is een medewerker van Marxistische Blätter. Dit artikel verscheen in nr. 5, 2016 onder de titel “CETA & TTIP gefährden die Daseinsvorsorge”.


[1]     CETA: Comprehensive Economic Trade Agreement - Allesomvattend Economisch Vrijhandelsverdrag tussen de EU en Canada; TTIP: Trans-Atlantic Trade and Investment Partnership - Transatlantisch Handels- en Investeringspartnerschap tussen de EU en de VS; TiSA: Trade in Services Agreement - Verdrag inzake de liberalisering van de dienstensector tussen de VS, de EU en 22 andere landen.

[2]     Investeerder-staatsarbitrage (Engels:Investor-State Dispute Settlement, ISDS) is een clausule in internationale handelsverdragen en internationale investeringsovereenkomsten die de investeerder het recht geeft om zelfstandig een arbitragezaak tegen een vreemde overheid aanhangig te maken op basis van internationale wetgeving. Bijvoorbeeld: iemand investeert in land A, dat betrokken partij is in een internationaal handelsverdrag dat een ISDS-clausule bevat. Als land A een wet aanneemt die het verdrag schendt, kan de investeerder een schadeclaim indienen bij de overheid van land A. Deze schadeclaim wordt vervolgens behandeld door een daarvoor opgerichte rechtbank.

[3]     Stoffen die uit schoorstenen, uitlaten van voertuigen of uit natuurlijke bronnen zoals vulkanen, in de atmosfeer terechtkomen, noemt men emissies of uitstoot. Die stoffen komen uiteindelijk terecht op leefhoogte in de nabije of verdere omgeving, waar ze een zekere concentratie vertonen. De stoffen die terecht komen op leefhoogte worden immissies genoemd.

[4]     Het Verdrag betreffende de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen werd op de 33e Algemene Conferentie van de UNESCO op 20 oktober 2005 in Parijs aangenomen en trad op 18 maart 2007 in werking. Het verdrag voorziet in een internationaal bindende basis voor het recht van alle lidstaten op een zelfstandig cultureel beleid. Op basis van dat Verdrag heeft elke staat het recht om maatregelen te nemen ter bescherming van de diversiteit van culturele uitingen zodat die niet in gevaar kunnen komen.

[5]     De verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie omvatten volgende fundamentele arbeidsnormen: vrijheid en bescherming van vereniging, recht op collectieve onderhandelingen, gelijkheid van verloning, afschaffing van dwangarbeid, discriminatie (arbeid en beroep), verbod op en onmiddellijke maatregelen tegen kinderarbeid.

[6]     De Bundesrat of Bondsraad van Duitsland is de vertegenwoordiging van de zestien deelstaatregeringen.

[7]      Het NAVO-dubbelbesluit verwijst naar de beslissing van de NAVO van 12 december 1979 om 572 Amerikaanse middellangeafstandsraketten (kruisvluchtwapens en Pershing II-raketten) met een enkelvoudige kernlading in Europa te stationeren als reactie op SS-20-raketten door de Sovjet-Unie. Gelijktijdig − vandaar de naam dubbelbesluit − zouden de Sovjet-Unie onderhandelingen aangeboden worden over een beperking van deze categorie wapens.

[8]     Het MAI-verdrag (Multilateral Agreement on Investments) was een poging van de OESO − de club van rijkste industrielanden − om de ‘rechten van investeerders’ te verankeren in een wereldwijd akkoord. Daarmee zouden multinationals allerlei ongekende rechten krijgen voor hun investeringen, naast mogelijkheden om nationale staten aan te klagen als die rechten overtreden werden.