Coöperaties: een alternatief voor het kapitalisme?

Auteur: 
Bogdan Van Doninck

Al sinds het begin van de Industriële Revolutie zijn mensen op zoek naar remedies tegen de uitwassen van het kapitalisme. Eén daarvan is de coöperatie. Bij elke crisis zwelt de belangstelling weer aan en duiken nieuwe initiatieven op.

Dat mensen de maatschappelijke problemen trachten op te lossen door een samenleving van gelijkgezinden te stichten is niet nieuw. Religieuze dissidenten bijvoorbeeld probeerden zich uit de ‘zondige’ samenleving terug te trekken en een nieuwe gemeenschap op te richten. In de 18e en 19e eeuw trokken ze daarvoor dikwijls naar het buitenland, bij voorkeur naar Noord-Amerika, en stichtten daar een of andere vorm van ‘kolonie’. Engels beschreef in 1845 de ‘communistische kolonies’ van de Shakers en van twee groepen dissidente Duitse Lutherse gelovigen die zich in de VS hadden gevestigd.[1]

     De coöperatieve principes verlenen de coöperaties een sterke ideologische dimensie. Het idee van ‘één man, één stem’ op de bedrijfsvloer, de zorg voor de gemeenschap, kortom, de hoop door coöperatieve arbeid een betere wereld te creëren, kan een sterke motivatie zijn om aan te sluiten. Die dimensie van sociale utopie[2] komt in onze verdere uiteenzetting evenwel niet aan bod. Niet omdat ze niet belangrijk zou zijn, want dat is ze wel degelijk. Maar hier willen we enkel ingaan op de vraag naar de betekenis van de coöperaties in de politieke economie van het hedendaagse kapitalisme. Ook de vraag of de coöperatie bijdraagt tot de versterking en verspreiding van een socialistische visie is zeker een studie waard, maar wordt hier niet behandeld.

De zeven regels van de coöperatie

De International Co-operative Alliance (ICA) definieert een coöperatie als een “autonome vereniging van personen die vrijwillig samenkomen om aan hun gemeenschappelijke economische, sociale of culturele noden of verlangens tegemoet te komen door middel van een onderneming die gemeenschappelijk eigendom is en democratisch wordt gecontroleerd.”[3]

     Op basis van de reglementen van de Rochdale Society of Equitable Pioneers die in 1844 werd opgericht en lang genoeg heeft bestaan om tot inspiratie van andere coöperaties te dienen, heeft de ICA volgende zeven regels vastgelegd:

1. vrijwillig en open lidmaatschap,
2. democratische controle door de leden,
3. economische participatie van de leden,
4. autonomie en onafhankelijkheid,
5. onderwijs, vorming en informatieverstrekking,
6. samenwerking tussen coöperaties,
7. aandacht voor de gemeenschap.

     Bij heel wat voorstanders van de coöperatie leeft de opvatting dat een veralgemening van die regels de samenleving zelf coöperatief zal maken, met gemeenschappelijke eigendom van de economie, democratische controle, zorg voor de gemeenschap enzovoort.

De grote soorten coöperaties

De coöperaties kunnen op verschillende manieren ingedeeld worden maar de overgrote meerderheid behoort tot een van de volgende groepen: productiecoöperaties, aan- en/of verkoopcoöperaties, coöperatieve financiële instellingen en sociale coöperaties.

     In de productiecoöperaties zijn de deelnemers tegelijk eigenaar en werknemer. Het kan gaan om bedrijven die de arbeiders van de grond af hebben opgebouwd en daarvoor uit eigen middelen geput hebben om het nodige kapitaal bijeen te brengen, of om bestaande ondernemingen die failliet zijn gegaan en ofwel door de arbeiders zijn overgenomen ofwel door de eigenaars aan de arbeiders zijn overgedragen. De bekende Mondragongroep uit Spaans Baskenland heeft verschillende productiecoöperaties opgericht, terwijl de meest recente golf van door arbeiders overgenomen bedrijven zich voordeed in Argentinië. In het begin van deze eeuw veroorzaakte de crisis in dat land een groot aantal faillissementen. En deel van de betrokken ondernemingen werd als coöperatie door de arbeiders voortgezet. Het zou gaan om 161 coöperaties met in totaal 7.135 arbeiders.[4]

De Mondragongroep

Mondragon Corporación Cooperativa is een groep van coöperaties, ontstaan en met hoofdzetel in Mondragón (Arrate), Spaans Baskenland. In 1956 hielp de priester José María Arizmendiarrieta (bekend als Arizmendi) vijf oud-leerlingen van de technische school die hij eerder had gesticht, bij de oprichting van een productiecoöperatie van huishoudtoestellen, Ulgor (naar de initialen van de vijf).

     In 1959 werd de coöperatieve bank Caja Laboral opgericht. De Spaanse overheid sloot de coöperanten uit van de reguliere sociale zekerheid voor werknemers omdat de coöperanten ‘eigenaars van hun bedrijf’ waren. Daarop richtte Arizmendi in 1959 Lagun Aro op, een coöperatieve socialezekerheidskas. In 1961 werd Arrasate (werktuigmachines) opgericht, een bedrijf dat samen met Ulgor (later: Fagor Electrodomésticos) de drijvende kracht zou worden achter de oprichting van nieuwe productiecoöperaties. Eroski was in 1969 het resultaat van de fusie van acht al bestaande kleinere coöperaties. In 1974 werd het centrum voor industrieel onderzoek Ikerlan opgericht en in 1997 Mondragon Unibertsitatea.

     De verschillende bedrijven begonnen nauwer samen te werken (solidariteit tussen coöperaties is een van de principes van de groep), wat leidde tot de oprichting, in 1991 van Mondragon Corporación Cooperativa (tegenwoordig gewoon Mondragon genoemd). Dat is een overkoepelend orgaan van de coöperaties, die wel zelfstandig blijven, maar een gezamenlijk beleid, algemene principes en regels voor onderlinge samenwerking en bijstand uitwerken. De Assemblea General van Mondragon bestaat uit 650 verkozen leden.

     Volgens het jaarverslag van 2013 bestaat de groep, de grootste onderneming in Spaans Baskenland, tegenwoordig uit 103 coöperaties, 122 dochterbedrijven, 8 stichtingen, 1 sociale hulpkas, 10 overkoepelende diensten en 13 internationale diensten. De groep realiseerde een omzet van 12,5 miljard euro en telt 74.060 medewerkers (leden en niet-leden) in 41 landen.

     Het is de bedoeling uit te breiden naar de landen van de NAFTA (North American Free Trade Agreement): Canada, VS en Mexico.

Bronnen: Jaarverslag Mondragon. Zie: www.mondragon-corporation.com/eng/about-us/economic-and-financial-indica...

Juan Francisco Juliá Igual (coord.), “Economía Social: La actividad económica al servicio de las personas”, Colección Mediterráneo Económico, nr. 6, Cajamar Caja Rural. Zie: www.publicacionescajamar.es/publicaciones-periodicas/mediterraneo-econom....

Aan- en/of verkoopcoöperaties zijn geen eigendom van hun werknemers: ze zijn opgericht met bijdragen van de coöperanten die verwachten zich zo beter te kunnen bevoorraden of hun producten aan de man te brengen. Beter betekent over het algemeen − en zeker voor de eerste verbruikscoöperaties in de 19e eeuw − goedkoper, maar het kan ook betekenen: van betere kwaliteit, of nog: op plaatsen die anders niet bereikbaar zijn. Producten kunnen goedkoper aangeschaft worden doordat de prijzen in de winkels van de coöperatie lager zijn of doordat de coöperanten op het einde van het jaar een ristorno krijgen in verhouding tot hun aankopen. Verbruikscoöperaties richten zich op allerlei soorten waren. In de 19e eeuw ging het vooral om brood, kruidenierswaren en vlees, maar vandaag bestaan er zowel coöperatieve warenhuizen als coöperatieve apotheken. In België hadden de socialistische en de katholieke zuil met respectievelijk Coop en Welvaart hun eigen verbruikscoöperatie. Beide zijn verdwenen maar de Britse Coop (The Co-operative Group) telt nog altijd 3.750 winkels.[5] In de landbouw is er een groot aantal aan- en verkoopcoöperaties: voor de gezamenlijke aankoop van materiaal en inputs (zaaigoed, meststoffen, bestrijdingsmiddelen …) en/of de verkoop van landbouwproducten. In de verkoopketen kan eventueel sprake zijn van een veredeling, zoals bij de coöperatieve melkerijen. Die kopen dan niet alleen de melk op bij de boeren maar verwerken hem ook tot diverse zuivelproducten. In de energievoorziening vinden we coöperatieve elektriciteitsbedrijven. Een aantal daarvan biedt groene energie aan. De zogenaamde alternatieve energie nodigt meer uit tot een coöperatieve aanpak doordat de installaties (bv. windmolens) kleinschaliger zijn dan die van traditionele elektriciteitscentrales.[6] De distributie door grote centrales kan natuurlijk ook in coöperatief verband georganiseerd worden.

     Financiële coöperaties vinden hun oorsprong in de coöperatieve spaar- en kredietkassen. Zowel vroeger als nu richt(t)en ze zich tot een specifieke groep, maar ze proberen steeds meer een ruimer publiek te bereiken. De Duitsers Hermann Schulze-Delitsch, liberaal politicus en promotor van het ‘help uzelf’-idee onder de stadsbewoners, en de christelijke politicus Friedrich Wilhelm Raiffeisen, wiens initiatieven vooral op plattelandsbewoners waren gericht, hebben talrijke coöperatieve financiële instellingen geïnspireerd. [7] In België liggen de wortels van de KBC onder meer in de CERA, of de Centrale Raiffeisenkas. Naast spaar- en kredietkassen zijn er nu ook coöperatieve verzekeringen (bijv. ziekteverzekering, uitvaartverzekering) tot zelfs coöperaties voor beleggingsadvies!

     De coöperaties die soms het wat ongelukkige adjectief ‘sociaal’ meekrijgen − alsof andere types van coöperaties niet sociaal zouden zijn − beogen een of andere sociale nood te lenigen, andere noden dus dan hierboven beschreven. Zeer bekend zijn de woningcoöperaties, die hun leden/klanten aan een onderkomen helpen tegen betere voorwaarden dan die welke ze individueel kunnen bedingen. Er zijn coöperatieve kinderdagverblijven en rust- en verzorgingstehuizen maar ook culturele initiatieven zoals de Mondragonuniversiteit of muziekgroepen enzovoort.

     Voor sommige sociale coöperaties is het produceren van goederen of het leveren van diensten veeleer een middel om initiatieven, gericht op de maatschappelijke integratie van specifieke bevolkingsgroepen, financieel leefbaar te houden. In de VS bestaat een coöperatie die moedermelk inzamelt, screent en verdeelt: “De enige melkbank die 100 % eigendom is van haar donors.”[8] In Italië, Zweden, Ethiopië, Bolivia of het Verenigd Koninkrijk bestaan zelfs gevangenencoöperaties, die de gevangenen wat zakgeld bezorgen en hen voorbereiden op een bestaan na hun gevangenschap.[9]

     Coöperaties kunnen zich verenigen in federaties of koepels om op diverse manieren samen te werken of hun gemeenschappelijke belangen te verdedigen, bijvoorbeeld om te komen tot een voor hen gunstige wetgeving op het coöperatief ondernemingsschap. In België is er nog altijd FEBECOOP, dat de socialistische coöperaties groepeert, en er was LVCC (Landsbond van Christelijke Coöperaties), het latere ARCOFIN. FEBECOOP is een federatie maar LVCC was ook het financiële apparaat van de christelijke coöperatieve beweging.[10] In 1895 werd de International Co-operative Alliance opgericht om het model van de coöperatieve onderneming internationaal te promoten. “De Alliance zorgt voor een wereldwijde stem en een forum voor kennis, expertise en gemeenschappelijke actie van en voor coöperaties.”[11]

     Die koepels of federaties spelen niet alleen een technische rol (bijvoorbeeld de gemeenschappelijke commercialisering van producten van verschillende coöperaties, een gemeenschappelijke kredietinstelling, een opleidingscentrum voor coöperatieve technieken …), maar ook een politieke. In heel wat landen zijn de oprichting ervan, de organisatie van de boekhouding, de manier waarop het overheidstoezicht gebeurt, de belastingwetgeving enzovoort wettelijk geregeld. In België dateert de eerste wet op de coöperatieve ondernemingen van 1873. De wetgeving op de coöperaties kan op zich het toneel zijn van politieke strijd, bijvoorbeeld over de vorm die coöperaties kunnen of moeten aannemen en de werking die ze kunnen ontplooien. De Duitse wetgeving, het Gesetz betreffend die Erwerbs- und Wirtschaftsgenossenschaften (bekend als Genossenschaftsgesetz) werd op 1 oktober 1889 van kracht. Deze wet weerspiegelt de invloed van de liberale econoom Hermann Schulze-Delitzsch. Hij slaagde erin het principe van een politiek neutrale coöperatie zonder overheidsgoedkeuring te doen aanvaarden, zeer tegen de zin van Bismarck, de toenmalige Duitse kanselier, die voorstander was van overheidscontrole. Hij boekte daarmee ook nog een late overwinning op Ferdinand Lassalle, een van de vaders van het Duitse socialisme (die in 1869 al gestorven was) en voorstander van politiek actieve coöperaties en een belangrijke rol voor de staat.[12]

Een omstreden concept

Proudhon of Marx?

Met de zogenaamde ‘utopische socialisten’ dook het idee van een of andere vorm van coöperatie weer systematisch op in de discussies over mogelijke alternatieven voor de kapitalistische samenleving. Charles Fourier (Frankrijk) en Robert Owen (Groot-Brittannië) waren bij de eersten die concrete initiatieven namen. Pierre-Joseph Proudhon en Karl Marx formuleerden het scherpst de vraag naar de verhouding tussen coöperatie en socialisme en hun standpunten bleven gedurende een aantal generaties de discussies binnen de internationale socialistische beweging beheersen. We schetsen ze hier kort.

     Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865) was de eerste die zichzelf anarchist noemde (hoewel hij zich in de loop van zijn leven nog andere benamingen aanmat, zoals mutualist of federalist, naargelang de politieke standpunten waarop hij de nadruk wilde leggen). Hij was tegen het kapitalistisch systeem gekant en wilde het op vreedzame wijze vervangen door een samenleving, gebouwd op individuele vrijheid, individuele eigendom en samenwerking en zo weinig mogelijk overheidstussenkomst. Hij noemde dit de ‘mutualistische vereniging’. Proudhon gebruikte zelf de term ‘coöperatie’ niet omdat die niet a priori de notie van collectief bezit, die hij bestreed, uitsluit. Deze mutualistische vereniging zou de bouwsteen zijn voor een maatschappij, gebaseerd op de samenwerking van individuele eigenaars.[13]

     Marx was van oordeel dat de coöperaties het bewijs leverden dat grootschalige arbeid georganiseerd kan worden zonder kapitalistische overheersing, op voorwaarde dat ze deel uitmaken van een strategie voor de verovering van de politieke macht. In zijn openingstoespraak voor het congres van de Eerste Internationale zei hij: “Om de werkende massa’s te redden moet de coöperatieve arbeid op een nationale schaal worden ontwikkeld en dus ook met nationale middelen ondersteund. Maar de landheren en de heren van het kapitaal zullen altijd hun politieke voorrechten aanwenden voor de verdediging en de bestendiging van hun economische monopolies. Verre van ze in de hand te werken, zullen ze elke mogelijke belemmering opwerpen om de vrijmaking van de arbeid tegen te gaan. [...] De politieke macht verwerven is daarom de grote plicht van de werkende klassen.”[14]

     Ook mensen die niet de geringste politieke aspiraties hadden en bewegingen van verschillende strekkingen pikten de coöperatieve gedachte op.[15] In België waren er zowel socialistische als katholieke en liberale coöperaties. Ze beperkten zich niet tot de verbetering van de levensvoorwaarden van de coöperanten, maar wilden ook de werkende bevolking binden aan een partij of een ideologische stroming en de massabasis ervan verbreden en consolideren. Een deel van de winst van de met een partij of sociale beweging verbonden coöperaties diende vaak ook om politieke of syndicale propaganda te bekostigen. Zo werd de Vooruit in Gent in 1880 mee opgericht door bakkers die zich hadden afgescheurd van de coöperatie De Vrije Bakkers (opgericht in 1873): zij wilden een deel van de winst gebruiken voor socialistische propaganda, terwijl De Vrije Bakkers de winsten uitsluitend aan de coöperanten uitkeerde. In Antwerpen zorgde de liberale bakkerscoöperatie dan weer mee voor de financiering van het liberale volkshuis.[16] De socialist Jules Guesde stelde in 1901 op het congres van de Parti Ouvrier Français vast: “Ik kijk naar België en ik zie daar bewonderenswaardige socialistische coöperaties, maar er zijn ook andere sterke coöperaties, die zijn georganiseerd door de klerikale partij of door de liberale partij. En ik vraag me af of deze vorm van samenwerking die zo met alle mogelijke sauzen wordt opgediend, nu eens conservatief, klerikaal, burgerlijk en dan weer socialistisch en revolutionair, niet volstaat om te bewijzen dat de coöperatie in zichzelf niet socialistisch is.”[17]

     Maar ook binnen de socialistische beweging leefden sterk uiteenlopende standpunten over de rol van de coöperatie in de weg naar het socialisme. Op het congres van de Tweede Internationale in Kopenhagen (1910) werd gediscussieerd over de vraag of en hoe de coöperaties passen in een strategie van machtsovername door de socialistische partijen. Lenin vatte de tegenstellingen als volgt samen: “Het is duidelijk dat hier twee grote politieke lijnen zijn: de ene, die van de proletarische klassenstrijd: erkenning van de coöperaties als een wapen, een hulpmiddel in die strijd, en vastlegging van de voorwaarden waaronder de coöperaties werkelijk zo’n rol kunnen spelen en geen loutere commerciële ondernemingen blijven. De andere lijn is de kleinburgerlijke: ze versluiert de rol van de coöperaties in de klassenstrijd van het proletariaat en ze haalt de visie op de coöperatie van de proletariër en die van de eigenaar door elkaar, ze drukt de doelstellingen van de coöperaties uit in algemene frases die zelfs voor de burgerlijke hervormers aanvaardbaar zijn, die ideologen van de progressieve werkgevers, groot en klein.”[18]

Voor elk wat wils?

In de 20e eeuw werd de diversiteit van ideologieën waarbinnen de coöperatie een plaats kon vinden, alleen maar groter. Zo hebben de nazi’s (weliswaar om opportunistische redenen) hun best gedaan het coöperatieve model een plaats te bezorgen binnen de nationaalsocialistische ideologie. Op 14 mei 1939 verklaarde NSDAP-GauleiterFritz Sauckel: “De coöperatie is niet alleen een oer-Duits idee, maar dat idee is in zijn aard ook volkomen nationaalsocialistisch en vertoont geen enkele tegenstelling met ons partijprogramma of onze ideeënwereld. Ik zou nog meer zeggen: coöperaties zijn vandaag voor ruime kringen van de Duitse economie even noodzakelijk als onmisbaar”.[19]

     Ook Gandhi was een voorstander[20] en de Chinese coöperaties tijdens de burgeroorlog werden zowel door de Guomindang als de Chinese Communistische Partij gesteund.[21] Chávez bevorderde de vorming van coöperaties in Venezuela.[22] Op 25 februari 2015 verklaarde de paus tijdens een toespraak tot afgevaardigden van de (katholieke) Confederazione cooperative italiane: “De Kerk heeft de coöperaties altijd erkend, naar waarde geschat en aangemoedigd.”[23]

De coöperaties vandaag

Een telling in opdracht van het Departement voor Economische en Sociale Zaken van de Verenigde Naties vond gegevens voor 2.514.598 coöperaties in de wereld, met een jaaromzet van 2.980 miljard dollar, dat is 4,30 % van het bruto binnenlands product (bbp) van de landen waarin ze actief zijn.[24]

     Die omzet wordt vooral gegenereerd in Europa en Noord-Amerika: respectievelijk 1.482 miljard dollar (7,05 % van het bbp) en 744 miljard dollar (4,12 % van het bbp). Dat is meer dan twee derde van de omzet van de coöperaties op wereldvlak. In Afrika ten zuiden van de Sahara zijn de cijfers: 851 miljoen dollar omzet of 0,08 % van het bbp. Voor de landen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten gaat het om 3.619 miljoen dollar omzet of 0,27 % van het bbp.

     Qua omzet is de verzekeringssector veruit de belangrijkste: 3.644 bedrijven met een totale jaarlijkse omzet van 1.219 miljard dollar of zowat 41 % van de totale omzet van alle coöperaties. De tweede sector is die van de aan- en/of verkoopcoöperaties: 41.865 coöperaties met een totale omzet van 736,6 miljard dollar of nog eens 24,8 %.[25]

     Zowat twee derde van de omzet van de coöperaties wordt gerealiseerd in de economisch sterkste landen of sectoren. De coöperaties in de sectoren banken/kredietinstellingen en verzekeringen (samen 214.203 bedrijven) hebben in totaal 18.762 miljard dollar aan tegoeden, de andere samen 844,5 miljard dollar.

     Nochtans gaat het in bijna de helft van de coöperaties (1.224.650) ter wereld om landbouwcoöperaties. Het cijfer is benaderend omdat de definitie van landbouwcoöperatie niet in alle landen dezelfde is. Ze hebben gemiddeld elk een jaarlijkse omzet van 275.756 dollar, tegenover een gemiddelde van 334.652.058 dollar in de verzekeringssector.

     Ook de International Co-operative Alliance (ICA) brengt in haar rapporten indrukwekkende cijfers over de prestaties van de coöperaties. Zo lezen we in de World Economic Monitor van 2014[26] dat de 1.926 coöperaties in 65 landen in hun databank in 2012 een gezamenlijke omzet van 2.623,1 miljard dollar realiseerden. 1.303 coöperaties in 50 landen hebben een omzet van meer dan 100 miljoen dollar (!) per jaar. Hun gezamenlijke omzet bedraagt 2.603,02 miljard dollar. Hiervan nemen de Amerikaanse coöperatieve bedrijven 669,86 miljard dollar voor hun rekening.

     De cijfers over de tewerkstelling in de sector slaan alleen op de G20. Een grote groep ontwikkelingslanden wordt niet vermeld. Nochtans is het net in die landen dat de coöperaties het dichtst bij de bevolking staan en waar we de verhouding tussen de coöperaties en de opbouw van een alternatief economisch systeem zouden kunnen bestuderen. Op Zuid-Afrika na ontbreekt Afrika helemaal, van de Amerika’s zijn alleen de VS, Canada, Mexico, Brazilië en Argentinië opgenomen, de Centraal-Aziatische republieken worden niet behandeld en Zuidoost-Azië (behalve Indonesië) is eveneens afwezig. Het rapport besteedt bijna uitsluitend aandacht aan de 300 grootste coöperaties of die met een omzet van meer dan 100 miljoen dollar. Geen spoor dus van de coöperatieve spinnerijen in de Andes of de aan- en verkoopcoöperaties van kleine boeren in Ethiopië.

     Voorts worden ook ondernemingen die wel naar de vorm maar niet naar de geest van de 19e-eeuwse pioniers coöperaties zijn, in de Monitor opgenomen. Sommige coöperaties zijn door ondernemingen opgericht, bijvoorbeeld omdat de wetgeving op de coöperaties hun de interessantste juridische vorm bood of omdat de samenwerking hun concurrentiepositie verbeterde. Zo vinden we voor België onder andere de Centrale der Werkgevers aan de Haven van Antwerpen[27] in de gegevens van de World Co-operatives Monitor terug en voor Frankrijk de supermarktketen Leclerc.[28] Voornoemde Centrale is een cvba (coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), die in 1929 door de werkgevers van de Antwerpse haven werd opgericht om gezamenlijk de havenarbeid in Antwerpen te organiseren. Leclerc is een coöperatie van winkeluitbaters, die zich verenigd hebben om hun concurrentiepositie te verbeteren. Voor België vinden we in de Monitor ook nog een paar samenwerkingsverbanden tussen gemeentelijke overheden (bijvoorbeeld de Intercommunale de Santé publique du Pays de Charleroi[29], die een ziekenhuis en enkele rust- en zorgtehuizen beheert). In Nederland vinden financiële instellingen de coöperatie dan weer almaar meer een interessante juridische vorm.[30]

     De Monitor neemt in zijn overzicht ook de non-co-operative enterprises op. Dat zijn bedrijven die geen coöperatie zijn maar waarvan de meerderheid van de aandelen in handen is van coöperaties. Een voorbeeld hiervan is Südzucker. De geschiedenis van Südzucker (met zetel in Mannheim) gaat terug op een in 1837 gestichte suikerfabriek. De hieruit ontstane Südzuckergroep is nu de grootste Europese producent van suiker en aanverwante producten (onder andere bio-ethanol). De Tiense Suikerraffinaderij is een van de negenentwintig suikerfabrieken van de groep. Na de Tweede Wereldoorlog moest Duitsland zijn industrie heropbouwen en middelen vinden om bijkomende suikerfabrieken te bouwen: de boeren konden immers meer produceren dan de suikerfabrieken konden verwerken en de financiering door het Marshallplan volstond niet. In 1950 werd daarom de Süddeutsche Zuckerrübenverwertungs-Genossenschaft (SZVG) opgericht. Door een vernuftig systeem (boeren schreven bij de levering van suikerbieten in op aandelen van Südzucker) kon de coöperatie aandelen verwerven in Südzucker en in 1988 had ze uiteindelijk de meerderheid ervan in handen. Bovendien koopt de coöperatie systematisch aandelen van Südzucker op om te voorkomen dat haar aandeelhouderschap bij een eventuele kapitaalsverhoging onder de 50 % zou zakken. Volgens het laatste jaarrapport telde Südzucker 18.459 personeelsleden en realiseerde een omzet van 7,735 miljard euro en een winst van 658 miljoen euro.[31] Dit is geen type van bedrijf dat we spontaan onder de coöperaties zouden rangschikken, maar volgens de Monitor hoort het er wel thuis.

     Hierna zullen wij het enkel nog hebben over coöperaties die door individuele leden worden gevormd omdat die de oorspronkelijke opvatting van de coöperatie het dichtst benaderen (aanvankelijk ging het bij coöperaties alleen om personen, later werd het begrip in vele landen zodanig gedefinieerd dat ook rechtspersonen lid konden zijn).

Coöperatie en overheid

We schetsen de verhouding tussen de overheid en de coöperaties in kapitalistische landen aan de hand van drie concrete situaties: de houding van de overheid tegenover de coöperaties in de oorlogvoerende landen tijdens de Eerste Wereldoorlog, de fascistische regimes en de coöperaties, en de coöperaties in de Verenigde Staten.

Overheid en coöperaties tijdens de Eerste Wereldoorlog

In de loop van de 19e eeuw hadden de coöperaties in verschillende Europese landen voet aan de grond gekregen en in 1895 was de International Co-operative Alliance opgericht. Het was de tijd waarin het besef groeide van het dreigende oorlogsgevaar. De socialisten spraken zich uit tegen oorlog en militarisering. Op de congressen van de Socialistische Internationale was beslist dat de werkende klassen en hun parlementaire vertegenwoordigers al het mogelijke moesten doen om de oorlog te voorkomen. Brak de oorlog toch uit, dan moesten ze alles in het werk stellen om hem zo snel mogelijk te beëindigen en van de door de oorlog veroorzaakte economische crisis gebruik maken om het einde van de kapitalistische klassenheerschappij te bespoedigen.”[32]

     Ook de International Co-operative Alliance had zich op haar congres van 1913 tegen een mogelijke oorlog uitgesproken en de coöperatie als een oplossing gepropageerd: “De redenen voor de voortdurende bewapening en de mogelijkheid van conflicten zullen verdwijnen als het sociale en economische leven van elke natie volgens de coöperatieve principes wordt georganiseerd, en bijgevolg vormt de vooruitgang van de coöperatie een van de meest waardevolle waarborgen voor het handhaven van de wereldvrede.”[33]

     In tegenstelling tot de Socialistische Internationale riep de ICA niet op tot concrete actie om de oorlog te verhinderen of van de oorlog gebruik te maken om het kapitalisme te vernietigen.

     De oorlog leidde bij de socialistische partijen tot een grote splitsing: verschillende (fracties van) socialistische partijen steunden toch de oorlogsinspanningen van hun leidende klassen. Dat betekende het einde van de Internationale. De coöperaties van hun kant vochten geen grote discussies uit over de loyaliteit aan de nationale overheid. Ze aanvaardden het beleid van hun respectieve overheden en werden zelfs in de nationale oorlogsinspanningen ingeschakeld. Er ontstond immers al snel een leemte in de nationale bevoorrading doordat de privéondernemingen in tijden van economische onzekerheid terugschrokken voor grote investeringen.[34] Een aantal regeringen besloot voor de voedselvoorziening samen te werken met de coöperaties. Zo vroegen de Franse overheden de Parijse coöperaties in te staan voor de bevoorrading van de hoofdstad en wijde omgeving met de meest levensnoodzakelijke goederen (melk, vlees, droge groenten, steenkool).[35] Een van die coöperaties was La Bellevilloise (20e arrondissement), een van de bolwerken van de coöperatieve beweging in Frankrijk. Die coöperatie was niet alleen economisch welvarend en bijzonder actief op cultureel vlak (volksuniversiteit, orkesten, koren, jeugdbeweging…), maar liet zich ook op politiek vlak niet onbetuigd: tijdens de staking van 1906 deelde zij 10.000 kg brood en 2.000 liter melk uit aan haar stakende leden.[36]

De deelname van de coöperaties aan de bevoorrading van de bevolking in de oorlogvoerende landen leidde in een aantal gevallen tot een sterke omzetstijging. Doordat de Duitse bevolking geen geld aan consumptie kon of wilde besteden, stegen de spaartegoeden in de financiële coöperaties van 60 miljoen Reichsmark in 1914 tot 177 miljoen in 1918. In Frankrijk openden sommige coöperaties winkels en restaurants voor fabrieksarbeiders, terwijl andere hun goederen verkochten in de buurt van het front om de soldaten te beschermen tegen woekeraars.[37] De al genoemde Bellevilloise had in 1897 7.900 leden. Tegen het einde van de oorlog waren het er 9.000.[38]

     Een aantal coöperaties had het moeilijk maar dat had veeleer te maken met de problemen om aan grondstoffen te geraken of met het wegvallen van de kaders dan met overheidsbemoeienissen. Zo kampten de bouwcoöperaties in Duitsland met een tekort aan bouwmaterialen.[39]

Fascisme en coöperaties

Over het algemeen overleefden de coöperaties economisch gezien de crisis van de jaren dertig redelijk goed. Globaal gezien bereikten ze in 1937 weer het niveau van vóór de crisis.

     In vrijwel alle landen met een autoritaire of fascistische regering bracht de overheid de coöperatieve koepels of federaties onder haar controle. Ze deed dit niet zozeer om de coöperatie als onderneming te treffen, maar wel om het bestaan van onafhankelijke politieke bewegingen de pas af te snijden. Alleen het Oostenrijk van Dolfuss en nazi-Duitsland maakten de coöperaties het leven moeilijk of onmogelijk. Al voor hun machtsgreep vielen de nazi’s de coöperaties aan, niet alleen vanwege hun grotendeels sociaaldemocratische signatuur maar ook vanwege hun democratische principes, die indruisten tegen het Führerprinzip. Zo noemde de Völkische Beobachter van 4 juli 1931 de verbruikscoöperaties “marxistische verbruikscoöperaties”, “politiek en kapitalistisch opgefokte pestbuilen” en “voorhoede van het marxisme”.[40] Het naziregime hief van bij zijn aantreden alle productiecoöperaties op omdat ze te dicht bij de linkse partijen aanleunden en legde de verbruikerscoöperaties net als in Oostenrijk allerhande belemmeringen op. De kleine middenstanders hadden zich voorheen al beklaagd over de concurrentie van de verbruikscoöperaties. Met de nieuwe maatregelen wonnen de regimes dan ook aan populariteit onder de kleine middenstanders.[41] Uiteindelijk werden de coöperaties op 18 februari 1941 omgevormd tot Gemeinschaftswerk der deutschen Arbeiterfront. Alleen de landbouwcoöperaties konden op de blijvende steun van het naziregime rekenen.[42] Opmerkelijk was wel dat de nazi’s de coöperaties in de bezette landen meestal zodanig nuttig achtten dat ze mochten verder werken, zij het onder strikte overheidscontrole.

     Voorts verzekerden de nazi’s zich van de politieke controle op de coöperaties door vertrouwenspersonen te droppen in topposities. Op 23 oktober 1936 benoemde minister van Economie Hjalmar Schacht de vroegere Reichsführer van de Hitlerjugend, Dr. Theodor Adrian von Renteln, tot voorzitter van het Deutsche Genossenschaftsverband. In die functie bedankte von Renteln de naziregering “in naam van 5.000 handelscoöperaties voor de ‘Verordnung zur Ausschaltung der Juden aus dem deutschen Wirtschaftsleben’ (de wet die de joden uitsluit uit het Duitse economische leven n.v.d.r.) […]. De coöperaties zijn u nog meer dankbaar omdat zij tot nog toe geen rechtsgrond hadden om de joden hun lidmaatschap te ontnemen. […] Heil Hitler!”[43]

     De Italiaanse fascisten beschouwden de coöperaties als organisaties met een socialistische, christendemocratische of republikeinse ideologie. In het begin van de jaren twintig vielen ze hen dan ook fysiek aan.[44] Eenmaal aan de macht, schakelde Mussolini de socialistisch en communistisch gezinde Lega nazionale delle cooperative e mutue uit en richtte in 1926 de Ente Nazionale Fascista per la Cooperazione op. Voorts probeerde hij de coöperaties te winnen voor de fascistische ideologie. Toen het fascisme op sterven na dood was, deed hij nog een poging om de massabasis van de Repubblica Sociale Italiana te versterken door in het Manifest van Verona van november 1943 onbewerkt land aan de coöperaties toe te wijzen.[45]

     De Spaanse Republiek had de vorming van coöperaties ondersteund, maar het Franco-regime was van oordeel dat de coöperaties, als potentiële politieke instrumenten van economisch beleid, onder overheidscontrole moesten komen. Onder de voogdij van de overheid kon men ook de herinneringen aan vroegere coöperaties met een revolutionaire ideologie uit het geheugen wissen.[46] Tot 1936 bestond de coöperatieve beweging in Spanje vooral uit landbouwcoöperaties, die steun kregen van de katholieke coöperatieve beweging als tegenwicht tegen de productiecoöperaties in de steden, die veeleer socialistisch van strekking waren.[47] De overheid verbood in 1942 de koepels en federaties van coöperaties maar de coöperaties als zodanig mochten voortbestaan. In dat jaar waren er in Spanje 2.200 coöperaties en in 1971 14.984 met samen meer dan 2,6 miljoen leden. De eerste Mondragoncoöperaties werden opgericht toen Franco nog leefde. De inspirator, pater José Maria Arizmendiarrieta (beter bekend als Arizmendi), kreeg in 1965 de gouden medaille Al Mérito del Trabajo.[48] Hij had daar niet om gevraagd, maar vond het wijs ze te aanvaarden.

Coöperaties in de Verenigde Staten

“Coöperaties zijn niet, zoals soms wordt aangenomen, tegengesteld aan de doelstellingen van het kapitalisme. Als dat wel zo zou zijn, zouden coöperaties niet zo’n belangrijke rol spelen in de Amerikaanse economie. Zo’n 48.000 coöperaties, actief in zowat elke bedrijfssector die men zich kan inbeelden, staan ten dienste van 120 miljoen leden, dat is ongeveer 4 op 10 Amerikanen. De top 100 coöperatieve bedrijven in de VS beschikten in 2002 elk over minstens 346 miljoen dollar aan inkomsten en samen over 119 miljard dollar. Zij zijn actief in de landbouw, financiën, voeding, gezondheidszorg, ontspanning en energie.”[49] Volgens de World Co-operative Monitor zijn er van de 300 grootste coöperatieve bedrijven ter wereld (uiteraard volgens de ruime definitie van de Monitor die we al hebben bekritiseerd) niet minder dan 84 uit de Verenigde Staten.

     Zowel de Amerikaanse overheid als de privésector bevorderen de coöperaties. Dat gebeurt respectievelijk door de administratie voor plattelandsontwikkeling van het Ministerie van Landbouw (voor landbouwcoöperaties) en de Small Business Administration (algemeen). Uit de uitleg die de Small Business Administration aan potentiële coöperanten verstrekt, blijkt dat de coöperatie volgens haar visie probleemloos in een kapitalistisch systeem kan worden ingepast. De voordelen van een coöperatie zijn immers: minder belastingen, betere financieringsmogelijkheden door de toegang tot overheidskredieten, kostenverlaging en verbetering van goederen en diensten door schaalvoordelen, meer continuïteit van het bedrijf en tot slot ook democratische organisatie.[50] Geen verwijzing naar een mogelijke alternatieve maatschappijvorm. Worker co-operatives (dat zijn coöperaties die in handen zijn van de mensen die er werken) maken 1 % van het totaal uit en worden nog maar sinds kort ondersteund.[51] Het is fiscaal voordeliger voor werknemers deel te nemen aan een employee stock ownership plan (ESOP – een systeem waarbij werknemers aandelen van hun bedrijf kopen) dan aan een worker co-operative. Er zijn dan ook veel meer ESOPs dan worker co-operatives.[52]

     De universiteit van Wisconsin verzamelde gegevens van 11.311 coöperaties uit de sector van de sociale dienstverlening. Ze tellen 1 miljoen leden en bijna 100.000 werknemers. In aantal vormen de wooncoöperaties de grootste groep, maar naar omzet, aantal leden en aantal personeelsleden komen die in de gezondheidssector op de eerste plaats.[53] Het gaat hier om diensten die in de meeste landen van Europa, en zeker in België, in belangrijke mate door de diverse overheden worden (binnenkort: werden?) geleverd: de coöperaties vormen hier als het ware een vangnet omdat de overheid tekortschiet. Sociale voorzieningen worden aan de privésector overgelaten en in een aantal gevallen zijn dat coöperaties. De twee grootste coöperaties in de sociale en gezondheidssector ter wereld zijn de Amerikaanse bedrijven Healthpartners en Group Health Co-operative, met een jaarlijkse omzet van respectievelijk 3,98 miljard dollar en 3,63 miljard dollar.[54]

     De Amerikaanse coöperatieve sector telt enkele banken waarvoor, vreemd genoeg, de overheid het initiatief heeft genomen. De grootste coöperatieve kredietinstellingen zijn te vinden in de landbouwsector: zij gaan terug op het Farm Credit System dat het Congres in 1916 instelde onder het presidentschap van Theodore Roosevelt. Het was de bedoeling de landbouwsector leefbaar te houden met kredieten.[55] Onder de instellingen die de kredieten kanaliseren vinden we ook enkele coöperaties: Agribank en Cobank behoren wereldwijd tot de grootste coöperatieve kredietinstellingen.[56]

     De National Co-operative Bank wil “coöperaties helpen groeien door hen te steunen en de pleitbezorger te zijn van de coöperaties in Amerika en hun leden, met bijzondere nadruk op het tegemoetkomen aan de noden van de gemeenschappen die het economisch het moeilijkst hebben”. Deze bank werd in 1978 door het Amerikaanse Congres opgericht als een overheidsinstelling die leningen moest verstrekken aan coöperaties in alle sectoren. De bank werd in 1981, onder de regering Reagan, geprivatiseerd en werd eigendom van haar coöperanten. In 1985 kreeg de onderneming haar huidige naam. Intussen heeft ze haar activiteiten uitgebreid en verstrekt ze bijvoorbeeld ook hypothecaire leningen aan niet-leden.[57]

     De National Co-operative Business Association Co-operative League of the USA (NCBA CLUSA) is de overkoepelende organisatie van de coöperaties in de VS. Naast de ondersteuning van de nationale coöperatieve sector wil deze instelling ook de oprichting van coöperaties bevorderen in andere landen, meer bepaald in de derde wereld. Ze doet dat alleen of in het kader van de Overseas Co-operative Development Council (OCDC), een samenwerkingsverband van negen coöperaties die actief zijn op het vlak van ontwikkelingssamenwerking. De OCDC-leden hebben projecten lopen in meer dan 70 landen en beheren de grootste portefeuille van programma’s voor coöperatieontwikkeling. Ze werken al meer dan 40 jaar samen met de Amerikaanse regering, maar krijgen ook financiële steun uit andere bronnen.[58]

     Projecten van NCBA CLUSA en OCDC worden gesteund door USAID, de Amerikaanse overheidsinstelling voor ontwikkelingssamenwerking.[59] USAID steunt projecten van het Law and Regulation Initiative van de OCDC om coöperatieve bewegingen die lobbyen voor wetten en regels inzake coöperaties, te ondersteunen. De eerste wet die in Mozambique tot stand kwam op basis van een initiatief van de civiele samenleving, ging precies over die kwestie. De senior associate van NCBA CLUSA, Maria José Novoa, formuleerde de doelstelling als volgt: “Mozambikaanse coöperaties waren een klassiek voorbeeld van ontwikkeling van coöperaties onder het socialisme. We hebben een lang veranderingsproces in gang gezet. Van ouderwetse naar moderne coöperaties.”[60]

     Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is er ook een nieuwe golf van coöperaties op gang gekomen, met inbegrip van productiecoöperaties (worker co-operatives). Deze kaderden binnen de protestbewegingen van die tijd (de strijd voor burgerrechten, tegen de oorlog, voor gendergelijkheid, voor de bescherming van het leefmilieu...) en de initiatiefnemers beschouwden ze vaak als een alternatief voor de bestaande ondernemingen. Alternatief betekent hier vooral dat deze bedrijven, meer dan de andere, oog hebben voor een product of dienstverlening op mensenmaat en voor alternatieve verhoudingen tussen de werknemers.[61]

     In aantal zijn die nieuwe coöperaties niet verwaarloosbaar – het totale aantal in de VS verdubbelde er zowat door – maar qua omvang kunnen ze geen vergelijking met hun oudere broers doorstaan. En ook de ideeën van een ‘solidaire economie’ die in die groep leven, dringen vooralsnog niet door tot de grote coöperaties of de koepels ervan en zeker niet in het Amerikaanse regeringsbeleid.

     In hun zoektocht naar een nieuwe aanpak komen de aanhangers als vanzelfsprekend bij de Mondragongroep uit. Diverse Amerikaanse publicaties die aandacht besteden aan coöperaties, ruimen in hun kolommen plaats in voor het Baskische voorbeeld, en een aantal Amerikaanse groepen trok op studiereis naar het Baskenland. Wat hen daarin aantrekt, is niet het perspectief van een verandering van het Amerikaanse politieke en economische systeem, want Mondragon heeft nooit de ambitie gehad de problemen van de Spaanse economie als geheel op te lossen noch tot een verandering van het systeem te komen. De doelstelling was en is zich binnen het bestaande systeem te laten inspireren door het succes dat te danken is aan een performante interne organisatie van de coöperatie.[62]

     In 2009 sloten Mondragon, de United Steelworkers International Union (USW, de grootste Amerikaanse vakbond) en het Ohio Employee-Ownership Center (OEOC) van Kent State University een overeenkomst om het model van Mondragon in de VS te promoten. De USW wil daarmee de bedrijven in de Rust Belt (dat is het gebied dat binnen de Verenigde Staten het zwaartepunt van de (zware) industrie vormde) als worker co-operatives (productiecoöperaties) nieuw leven inblazen.[63]

     Het OEOC beschrijft zijn doelstelling voor de ondersteuning van coöperaties als het bevorderen van de eigendom door de werknemers door employee stock ownership plans (ESOPs) en productiecoöperaties (worker co-operatives) om het kapitaalbezit te verbreden, het verdiepen van de deelname van werknemers, het behouden van plaatselijke jobs en het verhogen van de levensstandaard van de werkende gezinnen en hun gemeenschappen.[64] Ook hier is geen sprake van systeemverandering.

     In maart 2012 publiceerden de drie partners een soort handboek voor de oprichting van coöperaties onder de titel Sustainable Jobs, Sustainable Communities: The Union-Co-op Model. In het persbericht van de USW van 26 maart 2012 met als titel Worker ownership for the 99 % lezen we dat het samenwerkingsmodel tussen vakbond en coöperatie een “uitdrukking is van de Amerikaanse kernwaarden van steunen op eigen krachten, solidariteit met de gemeenschap en eigendom als onontbeerlijk onderdeel van de Amerikaanse droom, die gebaseerd is op concurrentiële handelspraktijken.”[65]

     We kunnen dit model beschouwen als een alternatief binnen het geheel van de Amerikaanse coöperaties omdat het nieuwe worker co-operatives tot stand wil brengen. Vandaag tellen we in de VS een marginaal aantal van maximum 300 productiecoöperatieven. Als die coöperaties slagen, bieden ze ook een alternatief voor werkloosheid en armoede.

De coöperatie en de kapitalistische economische verhoudingen

Een specifieke sector: de landbouw

Hoewel de coöperaties ontstaan zijn in de steden is het net onder de boeren dat ze een hoge vlucht hebben genomen. Wereldwijd vind je de meeste coöperaties in de landbouwsector.[66] Plaatselijke of historische omstandigheden hebben bijgedragen tot de ontwikkeling ervan, zoals de landbouwcrisis in Europa op het einde van de 19e eeuw, de economische crisis van de jaren dertig of de marginale positie van de kleine boeren in de ontwikkelingslanden. De structurele oorzaak daarentegen moeten we zoeken in de aard van het landbouwbedrijf. In de meeste landen zijn de gezinsbedrijven in de meerderheid. Dat is zowel het geval voor de ontwikkelingslanden, waar 85 % van de bedrijven niet boven 2 ha uitkomt[67], als voor de geïndustrialiseerde landen, waar de landbouwers nog slechts een kleine fractie van de werkende bevolking uitmaken. (België telt nog 43.000 landbouwbedrijven met elk gemiddeld 1,89 arbeidskrachten.)[68]

     De landbouw vertegenwoordigt dus een groot aantal individuele grondstoffenproducenten die, als ze aan zichzelf worden overgelaten, bijzonder zwak staan. De toegang tot inputs en afzetmarkten, krediet en kennis zijn noodzakelijke voorwaarden om het welzijn van de gezinnen te verbeteren, soms zelfs om hen boven het niveau van de overlevingslandbouw te tillen. Diverse overheden stimuleren landbouwcoöperaties om de familiale landbouw betere overlevingskansen te geven. “De versterking van de onderhandelingspositie in de vorm van coöperaties en lidmaatschap van landbouworganisaties werd genoemd als een van de meest geschikte instrumenten voor de leefbaarheid van de familiale landbouw in een onzekere en mondialiserende levensmiddeleneconomie.”[69]

     In het kader van de neoliberale beleidsmaatregelen (de zogenoemde structurele aanpassingsplannen) moesten de betrokken ontwikkelingslanden onder meer de tussenkomst van de overheid in de werking van de coöperaties terugdringen. “Een uitdrukkelijke erkenning van de coöperaties als ondernemingen uit de privésector, gevormd en bestuurd door hun leden, en bij hun interne werking niet onderworpen aan overheidsbemoeienis. […] Een beschrijving van de maatregelen die de regering zal nemen om haar rol in het toezicht op de coöperaties te verminderen.”[70] Na twintig jaar is het duidelijk geworden dat, in tegenstelling tot wat de Wereldbank wenste, de privébedrijven in veel gevallen de rol van de teruggedrongen overheidsinstanties of parastatale instellingen niet hebben overgenomen. Daarom wil de Wereldbank actiever de landbouwcoöperaties ondersteunen, maar natuurlijk nog steeds in de context van een geliberaliseerde economie.[71] De Wereldbank is immers van oordeel dat ruimere sociale doelstellingen, zoals bijstand aan financieel zwakkere leden, de leefbaarheid van de coöperatie niet ten goede komen en dus beter worden vermeden.[72]

     De Europese Commissie van haar kant beveelt de ontwikkeling aan van landbouwcoöperaties in de EU. Het Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling heeft een studie laten uitvoeren om na te gaan hoe die landbouwcoöperaties het beste kunnen worden ondersteund.[73] Het doel is de instandhouding van de familiale landbouw, gekoppeld aan technologische vooruitgang, twee principes die werden vooropgesteld op de Conferentie van Stresa van 1958, waar de krijtlijnen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid werden uitgetekend.[74]

     Landbouwcoöperaties integreren de kleine landbouwondernemingen in de nationale en wereldwijde economie zonder veranderingen aan te brengen aan de economische en politieke verhoudingen die de boeren in een zwakke positie hebben gedrongen. Zowel in de ontwikkelingslanden als in de ontwikkelde landen zorgen de landbouwcoöperaties voor de inschakeling van een prekapitalistische productiewijze, die van de familiale landbouw, in de kapitalistische economie.

     Net zoals andere coöperaties worden landbouwcoöperaties op hun beurt ten volle in het kapitalistisch systeem ingeschakeld. Ze kunnen zelfs zeer grote ondernemingen worden, zoals Sunkist[75], een coöperatie van sinaasappelkwekers, die op wereldvlak actief is. Landbouwcoöperaties hebben zeer vaak aandelen in verwerkingsbedrijven, zoals de Zuivelcoöperatie FrieslandCampina U.A., een coöperatie met 19.000 leden in Nederland, België en Duitsland. Deze coöperatie bezit alle aandelen van de Koninklijke FrieslandCampina N.A., een van de grootste zuivelbedrijven ter wereld.[76]

De coöperatie als werkgever

In productiecoöperaties zonder externe personeelsleden zijn de werknemers eigenaar van het bedrijf. Zij bepalen dus zelf onder andere de lonen en arbeidsvoorwaarden, maar doen dat niet in volledige vrijheid. Binnen een productiecoöperatie wordt wel de uitbuiting uitgeschakeld die ontstaat wanneer een arbeider zijn arbeid verkoopt aan een kapitalist. Maar een coöperatie is geen ‘communistisch eiland’, zoals Rosa Luxemburg zegt. Ze opereert binnen een kapitalistische economie en is dus onderworpen aan de wetten van de markt. Dat heeft zijn weerslag op de loon- en arbeidsvoorwaarden binnen het bedrijf. Zo stellen we vast dat de werknemers in productiecoöperaties soms vlugger geneigd zijn loonsverminderingen te aanvaarden dan in gewone kapitalistische bedrijven, vooral als de coöperatie het resultaat is van de bezetting en overname van een failliet bedrijf.[77] Sommigen schrijven dat toe aan de ideologische motivatie van de werkers, die hun gemarginaliseerd bedrijf willen redden.[78] Als de werkvoorwaarden in productiecoöperaties beter of slechter zijn dan in andere ondernemingen, is dat niet de uitdrukking van de vrije wil van de leden maar van de positie van de coöperaties op de markt. Südzucker is in meerderheid eigendom van de Süddeutsche Zuckerrübenverwertungs-Genossenschaft. Ondanks die meerderheidspositie is het ondenkbaar dat de SZVG een prijs zou afdwingen die afwijkt van de marktprijs van suikerbieten in de rest van Duitsland.

     Binnen bepaalde perken kunnen coöperanten zich natuurlijk wapenen tegen mogelijke crisissituaties. De accumulatie van (een deel van) de winst binnen de coöperatie kan dienen als verzekering tegen werkloosheid.[79] De ervaring leert dat de lonen van de coöperanten minder schommelen in coöperaties die zo’n buffer hebben aangelegd.[80]

     Verbruiks-, huisvestings- en kredietcoöperaties en andere sociale coöperaties werken met personeel in dienstverband. Als die personeelsleden ook leden zijn, is dat vaak veeleer toevallig. Ook de productiecoöperaties tellen zeer veel werknemers in loondienst. De grote meerderheid van de coöperaties, met inbegrip van de productiecoöperaties, werkt dus met betaald personeel. De verhouding tussen het personeel dat geen lid is en de leden van de coöperatie is niet anders dan die tussen personeelsleden en eigenaars van om het even welke andere onderneming: de arbeider verkoopt zijn arbeid aan het bedrijf. Sommige coöperaties passen een beleid van corporate social responsibility[81] toe; andere doen dat niet, terwijl bepaalde privébedrijven het dan weer wel doen (bv. de bedrijven die voldoen aan de criteria van de Fair Wear Foundation, die streeft naar correcte arbeidsvoorwaarden in de kledingindustrie). Het gaat hier dus in wezen om kapitalistische arbeidsverhoudingen die, net zoals buiten de coöperatieve sector, meer of minder menselijk kunnen zijn (wat onder andere te maken heeft met de wetten en collectieve overeenkomsten die van kracht zijn).

     De verhoudingen worden echt problematisch in de productiecoöperaties waar producenten en leden van de coöperatie in principe samenvallen. Als de coöperatie winst maakt en een gedeelte van die winst niet uitkeert maar herinvesteert, kan de coöperatie uitbreiden. Als de coöperatie de uitbreiding kan bekostigen door uitsluitend een beroep te doen op de geherinvesteerde winst (dus niet op de financiële inbreng van nieuwe leden), dan is het voor de leden van de coöperatie interessanter personeel aan te werven dan nieuwe leden te maken. Die nieuwe leden zouden immers niet alleen mede-eigenaar worden van het bedrijf maar ook van de winst die de bestaande leden hebben gegenereerd.[82] De praktijk leert dat het principe van het ‘open lidmaatschap’ vaak niet wordt gevolgd.[83] Een aantal coöperaties hebben het principe niet helemaal opzij geschoven, maar toch erg beperkt. Bij de Italiaanse coöperatie SACMI uit Imola, die ondertussen aan het hoofd staat van een groep met vestigingen in alle werelddelen en 3.000 werknemers die geen lid zijn van de coöperatie, moeten potentiële leden eerst vijf jaar in het bedrijf werken, voor ze aanvaard worden door de andere leden en moeten ze een lidmaatschapsbijdrage van 100.000 euro betalen. SACMI heeft 80 filialen in 24 landen, maar werknemers van buitenlandse vestigingen kunnen geen coöperant worden.[84]

     Het in dienst nemen van niet-leden biedt bovendien het voordeel dat die werknemers kunnen afgedankt worden zodra het economisch minder goed gaat. De coöperanten van de verschillende bedrijven van de Mondragongroep (Mondragon Corporación Cooperativa) kunnen in andere bedrijven van de groep aan de slag als het in hun eigen bedrijf slecht gaat, maar die waarborg bestaat niet voor niet-leden. Tussen 2007 en 2010 daalde de werkgelegenheid in de Spaanse bedrijven van Mondragon met 9,3 % ten gevolge van de crisis en dat was bijna volledig te wijten aan de afvloeiing van personeel op contracten.[85] Dat was mogelijk doordat er veel werknemers met tijdelijke of deeltijdse contracten zijn. Antonio Cancelo, de toenmalige directeur van MCC verantwoordde dit tegenover de correspondent van The Guardian als volgt: “Onze klanten kunnen ons geen permanent vol orderboek verzekeren, daarom hebben wij een aantal mensen op tijdelijke contracten. Wij leven in een markteconomie, daar kunnen wij niets aan veranderen.”[86] Een coöperatie kan ook een bestaand bedrijf overnemen zonder het in de coöperatie in te schakelen. In dit geval treedt de coöperatie op als holding: het overgenomen bedrijf wordt dan een dochteronderneming van de coöperatie en het statuut van het personeel verandert niet, dat wil zeggen het blijft personeel van het overgenomen bedrijf en wordt geen lid van de coöperatie.

     De Franse wetgeving beperkt de discriminatie tussen werknemers van productiecoöperaties die geen lid zijn en coöperanten. Franse productiecoöperaties zijn wettelijk verplicht de aan de arbeiders uitgekeerde winst te verdelen onder de leden en niet-leden.[87] Dat is positief voor die arbeiders, maar dat er een wettelijke bepaling nodig is, wijst erop dat de coöperaties dat niet noodzakelijk uit zichzelf zouden doen.

     Een voorbeeld van discriminatie tussen leden en werknemers die geen lid zijn kwam aan het licht bij het faillissement van Fagor, een bedrijf uit de Mondragongroep. Nadat de groep er de drie voorgaande jaren 300 miljoen euro had ingepompt, ging het in 2013 toch op de fles. De verzekeringsmaatschappij Seguros Lagun Aro, ook uit de Mondragongroep, beloofde de leden die in het bedrijf werkten twee jaar lang 80 % van hun loon uit te betalen en overplaatsing van zoveel mogelijk werknemers naar andere bedrijven. Om de werkloze leden te kunnen betalen vroeg Lagun Aro de algemene vergadering een extra bijdrage van de leden van 1,5 % goed te keuren.[88] Voor de meer dan 3.000 werknemers van de buitenlandse vestigingen was niets voorzien: zij vielen terug op hun nationale werkloosheidsverzekering.[89]

De coöperatieve holding

Coöperaties zijn er in principe in de eerste plaats om aan de noden van hun leden tegemoet te komen en niet om winst te maken. Maar een actieve, succesvolle coöperatie kan op het einde van het jaar toch een overschot realiseren. Een gedeelte daarvan kan gaan naar kapitaalopbouw of naar een reservefonds, de rest kan worden verdeeld. Die verdeling kan gebeuren in de vorm van een ristorno in verhouding tot de deelname aan de activiteiten van de coöperatie en in de vorm van een dividend. In een verbruikscoöperatie kan het ristorno in verhouding zijn tot de aankopen van het voorgaande jaar, in een productiecoöperatie in verhouding tot de bijdrage aan het product van de coöperatie. Dividenden worden uitgekeerd in verhouding tot het ingebrachte kapitaal, maar in principe moeten de dividenden beperkt zijn. Voorts kunnen de leden beslissen een deel van de winst aan andere activiteiten te besteden. Zo dragen de coöperaties van Mondragon bij tot de financiering van de Baskische universiteit Mondragon Unibertsitatea[90] en hanteert de Zwitserse Migros-groep een Kultur-prozent[91]. In de 19e eeuw droegen de coöperaties bij tot de financiering van de politieke partijen waarbij zij aanleunden. Frederik van Eeden steunde de spoorwegstakers van 1903 met geld van zijn coöperatie Walden.[92] De financiering van activiteiten buiten de coöperatie is echter geen verplichting om als coöperatie te kunnen bestaan, het is de vrije beslissing van de leden van de respectieve coöperaties. Bij dit soort beslissingen speelt het management een belangrijke rol: het kan een opvoedende rol spelen en de coöperanten ertoe aanzetten te beslissen op basis van sociale of politieke overwegingen in plaats van op winstbejag, dan wel ze overtuigen van de voordelen van de kapitalistische logica.[93]

     De winst van de coöperatie blijft het gemeenschappelijk bezit van de leden en zij beslissen samen over de verdeling ervan. De winst wordt dus niet gesocialiseerd, maar blijft het gemeenschappelijk eigendom van (een groep van) privépersonen. Het niet-uitgekeerde deel blijft in de onderneming en kan aangewend worden om haar in stand te houden of te doen groeien. De winst van de coöperatie wordt kapitaal en de coöperatie zal van dat kapitaal gebruik maken binnen een kapitalistisch systeem. Dit heeft belangrijke consequenties.

     Heel wat grote coöperaties hebben zich op die manier ontwikkeld tot holdings: met de geherinvesteerde winsten konden nieuwe bedrijven opgericht of bestaande opgekocht worden. Die bedrijven krijgen dan niet de vorm van een coöperatie maar van een naamloze vennootschap. Het coöperatieve principe werd dus niet geleidelijk uitgebreid; het was gewoon de toepassing van de standaard kapitalistische bedrijfsvorm. Soms gaat het om bedrijven die in dezelfde sector actief zijn als het moederbedrijf of die complementair zijn met het moederbedrijf. Zo hebben de twee grote Zwitserse supermarktketens Migros en Coop elk een hele reeks dochterbedrijven. Een aantal ervan leunt dicht aan bij de activiteiten van het moederbedrijf, zoals de Alnatura Bio-Supermarkt van Migros of Christ (winkelketen van uurwerken en juwelen) in het geval van Coop. Beide ketens hebben bijvoorbeeld elk hun eigen chocoladefabriek (Chocolat Frey AG bij Migros, Chocolats Halba bij Coop). Een hele reeks dochterbedrijven heeft echter veel minder te maken met de kernactiviteit van die ondernemingen, zoals de golfterreinen van Migros of de reisbureaus (Hotelplan bij Migros, Reismühle Brunnen bij Coop).

     Coop beschikt zelfs over een eigen transportbedrijf (railCare AG) met eigen treinen en vrachtwagens: het vervoert er zijn eigen producten mee, maar biedt zijn diensten ook op de markt aan.[94] Zo draagt deze van oorsprong sociaaldemocratische coöperatie bij tot de privatisering van de spoorwegen.

     In enkele gevallen werden de opgekochte bedrijven in het coöperatieve moederbedrijf geïntegreerd, maar in de regel blijven ze als traditioneel kapitalistisch bedrijf voortbestaan. De band tussen de coöperaties en hun dochterbedrijven hoeft niet hechter te zijn dan die tussen verschillende privéondernemingen. Zo werden de Britse Associated Co-operative Creameries (zelf geen coöperatie, al doet de naam anders vermoeden) door de Co-operative Group aan de Dairy Farmers of Britain verkocht.[95] De laatste twee zijn coöperatieve ondernemingen, die hun dochterfirma’s kopen of verkopen overeenkomstig hun industriële strategie, dat wil zeggen om er zelf beter van te worden.

     De afstand tussen de oorspronkelijke activiteit van een coöperatie en haar investering in winstgevende dochterondernemingen kan wel erg groot worden, maar dat is normaal als gezocht wordt naar de meest winstgevende investering. De Desjardinsgroep (Mouvement des caisses Desjardins) uit Québec is de grootste associatie van kredietkassen in Noord-Amerika, maar heeft ook een aantal dochterbedrijven in de financiële sector: verzekeringen, patrimoniumbeheer en beleggingsadvies.[96] Via de Société d’Investissements Desjardins participeert ze in talloze ondernemingen. Een van de participaties is die in het Complexe Desjardins, een winkelcentrum in Montréal, dat voor 51 % eigendom is van de spaarkassen en voor 49 % van de Société de développement immobilier du Québec en waar Hydro Québec (een overheidsbedrijf) 18.500 m² kantoorruimte heeft gehuurd.[97]

     Ook de delokalisatiestrategie is aan de coöperaties niet voorbijgegaan. Het is overigens een logische stap als je concurrentieel wil blijven en je marktpositie behouden.

     “In het geval van Mondragon verschilt het patroon van de buitenlandse investeringen in doelstellingen noch in landenkeuze significant van dat van andere multinationals met gelijkaardige kenmerken. […] Sommige bedrijven moeten als toeleveranciers hun buitenlandse productiebedrijven volgen. Een ander motief om in het buitenland te produceren is de zoektocht naar lagere productiekosten, vooral in de vorm van goedkope en gemotiveerde ongeschoolde en halfgeschoolde arbeidskrachten. Om met de grote industriële multinationals te kunnen concurreren moet Mondragon zijn eigen multinationale distributie- en productienetwerken opzetten. Daarom gaat het grootste deel van de investeringen in het buitenland naar opkomende landen zoals China, Brazilië, Mexico, Polen en Tsjechië.”[98]

     De Franse coöperatieve bank Crédit Agricole, de grootste coöperatieve bank op wereldvlak[99], drijft zijn rol als speler op de kapitalistische markt wel heel ver. De bank fungeert als holding, eigenaar van een aantal dochterbedrijven. De coöperatie Crédit Agricole heeft daarvoor een naamloze vennootschap opgericht, Crédit Agricole SA, die op haar beurt een aantal dochterbedrijven heeft in Frankrijk (zo werd Crédit Lyonnais opgekocht) en in het buitenland.[100] Crédit Agricole was in 2013 qua omzet de tweede en qua winst de eerste Franse bank.[101] Crédit Agricole heeft ook een aantal bedrijven in zogenoemde gerechtelijke en fiscale paradijzen. Het Franse Plateforme paradis fiscaux et judiciaires heeft voor het eerst een rapport gepubliceerd over de aanwezigheid van Franse banken in die landen.[102]Het baseert zich onder meer op cijfers van het Tax Justice Network (TJN) en van het US Government Accountability Office. Volgens dit GAO heeft Crédit Agricole SA 79 bedrijven in de landen die het voorwerp van dit rapport uitmaken, volgens het TJN zijn het er 133. Naargelang de bron (GAO of TJN) zou 10 of 12 % van de totale omzet van de bank en 20 of 23 % van de buitenlandse omzet gerealiseerd worden in die landen.[103]

     Het voorbeeld van Crédit Agricole is geen bewijs van ethisch verwerpelijk gedrag door alle coöperaties maar het bewijst wel dat een coöperatie geen garantie biedt tegen zo’n gedrag: ethisch handelen vloeit met andere woorden niet automatisch voort uit het statuut van coöperatie, het is er niet inherent aan.

     Brazilië telde nog maar 4,5 miljoen inwoners toen in 1835 de Montepio Geral dos Servidores do Estado (Mongeral)[104] werd opgericht, een mutualistische pensioenkas voor ambtenaren. Mongeral groeide, diversifieerde, nam bestaande bedrijven over en beheert momenteel de pensioenkassen voor zowat 80 miljoen mensen in een land met 200 miljoen inwoners. Het groeide uit tot een onderneming, gespecialiseerd in levensverzekeringen en het beheer van pensioenkassen, onder andere de overkoepeling van kleinere, lokale of sectorgebonden verzekerings- of pensioenkassen. In 2004 veranderde Mongeral van statuut: de mutualistische vereniging werd een nv, waarin het Nederlandse verzekeringsbedrijf Aegon 50 % van de aandelen verwierf in 2009.

     In Brazilië zal je aan de basis nog wel een paar overblijfselen van de mutualistische traditie vinden (zo kunnen bijvoorbeeld de leden van een plaatselijke verzekeringskas die deel uitmaakt van de groep nog stemmen of zich verkiesbaar stellen voor de adviesraad van de verzekeringsmaatschappij), maar uiteraard hebben die leden geen inspraak in de investeringsbeslissingen van de groep Aegon, in elk geval niet als het gaat om de participatie van Aegon in een bedrijf dat kernwapens produceert.[105]

     De overgang van een coöperatie naar een nv is de uiterste vorm van integratie van een coöperatie in het kapitalisme. In België hadden wij de fusies van CERA met Kredietbank tot KBC, van het van huize uit sociaaldemocratische CODEP met Nagelmackers, die samen werden overgenomen door Delta Lloyd, en het nog niet afgelopen verhaal van BACOB-ARCOFIN-DEXIA. Een voorbeeld toont hoe coöperanten zover kunnen worden gebracht. In 1921 investeerden 125 toegewijde coöperanten elk 1.000 dollar in de Olympia Veneer Company, de eerste productiecoöperatie in het noordwesten van de VS die multiplex fabriceerde. De zaken draaiden goed, maar in plaats van de coöperatie open te stellen voor nieuwe leden, wierf men personeel aan. In 1954 waren er nog 23 van de oorspronkelijke leden over en zij verkochten het bedrijf aan de US Plywood Corporation. Elk lid verdiende maar liefst 625.000 dollar aan de verkoop.[106]

Besluit

Het is de bedoeling van coöperaties een aantal problemen die door het kapitalisme worden veroorzaakt op te lossen en zo de levensvoorwaarden van leden en publiek te verbeteren. Het succes van een aantal coöperaties bewijst dat een ondernemingsvorm die verschilt van het traditionele kapitalistische bedrijf, mogelijk is. Dat maakt echter de economie in haar geheel niet minder kapitalistisch. Integendeel, coöperaties lopen veeleer voortdurend het gevaar kapitalistische praktijken aan te nemen in plaats van de kapitalistische omgeving coöperatief te maken. Ook al controleren coöperaties vooral in Europa (veelal via hun kapitalistische dochterbedrijven) een niet onaanzienlijk deel van de economie en tellen ze een groot aantal leden, toch is er van een overgang in niet-kapitalistische zin van de nationale economie in haar geheel geen sprake. In Nieuw-Zeeland staan coöperaties en ervan afhangende bedrijven in voor 20 % van het bbp, in Frankrijk en Nederland voor 18 % en in Finland voor 14 %.[107] Het heeft die landen er niet ‘coöperatiever’, laat staan socialistischer op gemaakt.

     Toch leeft bij heel wat coöperanten het idee dat de coöperatie meer moet zijn dan een onderneming die alleen op economisch succes is gericht: binnen de coöperatieve beweging leeft de hoop op een andere wereld nog heel sterk. Een conferentie in het kader van de regionale groepering van de ICA in 2014 in Cartagena (Colombia) nam volgende resolutie aan: “Wij worden overspoeld door een hegemonistisch wereldsysteem. Dat verplicht ons politieke, economische, sociale en culturele actoren te worden die de ruimst mogelijke bondgenootschappen aangaan met de sectoren van de georganiseerde civiele samenleving om de werkelijkheid die op de samenleving weegt, om te vormen. Zo groeit de nood om harder te werken aan de grondvesten van een model van duurzame ontwikkeling, gebaseerd op de waarden en principes van de coöperaties. […] Het coöperativisme biedt een sociaal en economisch model aan dat een betere wereld voorstaat omdat het de persoon centraal plaatst, de rijkdom verdeelt, meer democratische en participatieve samenlevingen tot stand brengt en bezorgd is om de omgeving waarin de gemeenschappen leven. Daarom moet de coöperatieve beweging een drijvende rol spelen om nieuwe paradigma’s voor de samenleving voor te stellen en sociale verandering tot stand te brengen.”[108]

     De ervaring leert dat die verwachtingen niet kunnen ingelost worden zolang de coöperatie, hoe succesvol ook, zich onderwerpt aan de wetten van de kapitalistische markt. Wil men de coöperatie inzetten als instrument voor de opbouw van een nieuwe maatschappij zonder uitbuiting, dan moet dat een politiek project zijn. De coöperanten moeten beslissingen nemen die verder gaan dan het dagelijkse beheer, beslissingen die geregeld zullen ingaan tegen de kapitalistische logica. De principes van de coöperatie, zoals die door de ICA worden geformuleerd, bieden aangrijpingspunten: vooral de principes van democratische controle, de vorming van de leden en het schenken van aandacht aan de gemeenschap zijn een potentiële basis om de coöperatie in een ruimere beweging in te schakelen. Het zal echter niet meer volstaan de coöperatie aan te prijzen als een succesvol bedrijfsmodel, zoals de International Labour Organisation en de Wereldbank doen: de coöperatie moet concreet ingeschakeld worden in een politiek programma voor de verwezenlijking van het socialisme.

Bogdan Van doninck (bogdanvd at hotmail.com) is doctor in de sociale wetenschappen en de vroegere directeur-generaal Coördinatie en Informatie bij de Federale Overheidsdienst voor het Wetenschappelijke Beleid. Hij blijft actief in de solidariteitsbeweging met de derde wereld.


 

[1]     F. Engels, Beschreibung der in neuerer Zeit entstandenen und noch bestehenden kommunistischen Ansiedlungen, Deutsches Bürgerbuch für 1845, Darmstadt 1845.

[2]     Zie: “Construire une utopie coopérative”, conferentie van Jacques Prades te Namen, 23 mei 2013. grappebelgique.be/IMG/pdf/Pour une economie cooperative.pdf.

[3]     ICA, “Co-operative identity, values & principles”. Zie: ica.coop/en/whats-co-op/co-operative-identity-values-principles.

[4]     Maurizio Atzeni & Pablo Ghigliani, 2007, “Labour process and decision-making in factories under workers’ self-management: empirical evidence from Argentina”, inWork, Employment and Society, 21 (4), p. 653-671, dspace.lboro.ac.uk/2134/3680.

[5]     Zie: www.co-operative group.coop

[6]     Sarah Debor, “The Socio-Economic Power of Renewable Energy Production Cooperatives in Germany. Results of an Empirical Assessment”. Wuppertal Papers, nr. 187, april 2014, Wuppertal Institute for Climate, Environment, and Energy, epub.wupperinst.org/frontdoor/index/index/docId/5364.

[7]     Gunther Aschhoff, “The Banking Principles of Hermann Schulze-Delitzsch and Friedrich Wilhelm Raiffeisen”, in German Yearbook on Business History, Vol. 1982, 1982, p. 19-41.

[8]     Mother's Milk Cooperative, zie: www.mothersmilk.coop.

[9]     “Prisoner-based Co-operatives: Working it out in Canada, Research of Offender-Based Worker Co-Operatives Contract no. 7182168”, Submitted to the Department of Public Safety by The John Howard Society of Canada, maart 2013. Zie: johnhoward.ca/media/Coop Final Paper.pdf.

[10] Emmanuel Gérard en Albert Martens, “Ervaringen uit het verleden: de coöperaties in het kader van de arbeidersbeweging in België”, in: Jan Bundervoet (red.), De coöperatieve beweging: Een nieuwe start?Leuven, Acco, 1990, p .27-43.

[11] ICA, 2015, ica.coop.

[12] Rolf Greve: “Genossenschaften: Entwicklung und Bedeutung”, in Annette Zimmer & Bernhard Wessels (Hrsg.); “Verbände und Demokratie in Deutschland”, in Bürgerschaftliches Engagement und Nonprofit-Sektor, Vol. 5, 2001, p. 112-113.

[13]Pierre-Joseph Proudhon, De la capacité des classes ouvrières, Paris, E. Dentu, p. 191. Zie ook: fr.wikisource.org/wiki/Proudhon - De la Capacité politique des classes ouvrières.

[14] Gedrukt als pamflet in Inaugural Address and Provisional Rules of the International Working Men’s Association, samen met de General Rules. London, 1864. Zie: www.marxists.org/archive/marx/works/1864/10/27.htm.

[15] Hendrik Defoort, Werklieden, bemint uw profijt! De Belgische sociaaldemocratie in Europa, Leuven/Gent: Lannoo Campus/Amsab-ISG, 2006; aanbevolen voor wie meer wil weten over de geschiedenis van de coöperatie in de 19e eeuw.

[16] Daniël Vanacker, Een averechtse liberaal. Leo Augusteyns en de liberale arbeidersbeweging / Van activist tot antifascist. Leo Augusteyns en het Vlaams-nationalisme. Liberaal Archief en Academia Press, 2008, p. 123-164.

[17] Jules Guesde, “La cooperation socialiste” in Questions d’hier et d’aujourd’hui, Giard et Brière, Parijs. Zie: www.marxists.org/francais/guesde/works/1901/00/guesde_bs.htm.

[18] V.I. Lenin, “The Question of Co-Operative Societies at the International Socialist Congress in Copenhagen”, in Lenin Collected Works, Progress Publishers, 1974, Moscow, Vol. 16, p. 275-283.

[19]“Die Genossenschaftsidee als Teil der NS-Ideologie?”, in Genossenschaftsgeschichte.info, genossenschaftsgeschichte.info/genossenschaftsidee-als-teil-der-ns-ideologie-521.

[20] Aryashree Debapriya, “Gandhian Socialistic Philosophy and Its Role in Development of Cooperatives in Orissa”, Orissa Review, september-oktober 2006.

[21] Robert Ware. “Gung Ho and Cooperatives in China”. Grassroots Economic Organizing (GEO) Newsletter, Vol. II, nr. 7. Zie: www.geo.coop/node/603.

[22] Silva Sánchez, Julio Rafael, “El Mundo De Las Cooperativas”. Caracas: Consejo Nacional de la Cultura, 2004.

[23]Libreria Editrice Vaticana, w2.vatican.va/content/francesco/en/speeches/2015/february/documents/papa-francesco 20150228 confcooperative.html.

[24] Dave Grace and Associates: “Measuring the Size and Scope of the Cooperative Economy: Results of the 2014 Global Census on Co-operatives”, Madison, 2014. Zie: http://www.un.org/esa/socdev/documents/2014/coopsegm/grace.pdf.

[25] Id., p. 5.

[26] ICA, World Co-operative Monitor: Exploring the Co-operative Economy, Report 2014, Euricse, Brussel, 2014. Zie: www.euricse.eu/wp-content/uploads/2015/02/WCM2014_web-FINAL.pdf, p. 13.

[27] CEPA, www.cepa.be.

[28] Groupements d’achats des centres E. Leclerc, zie: www.e-leclerc.com.

[29]          Intercommunale de santé publique du Pays de Charleroi. Zie: www.isppc.be/isppc.

[30] Onno Boerstra en Sjoerd Kamerbeek: “Cooperatives proving increasingly popular as holding entities”, ILO Newsletter, 16 februari 2011. Zie: http://www.internationallawoffice.com/newsletters/Detail.aspx?g=dd3076ff....

[31]          Geschäftsbericht Südzucker AG 2013/14, Mannheim/Ochsenfurt 2014.

[32] Max Beer, Algemene Geschiedenis van het Socialisme. Zie: www.marxists.org/nederlands/beer/1922/socialisme/.

[33] William Pascoe Watkins, The International Co-operative Alliance: 1895-1970, London, ICA, 1970, p. 94.

[34] Will Bartlett, The Political Economy of the Cooperative Movement before and after the First World War, paper op de conferentie The Economic Causes and Consequences of the First World War, Beograd 2014. Zie: www.researchgate.net/publication/266393773 The political economy of the cooperative movement before and after the First World War.

[35] Jean-Jacques Meusy, “De la prospérité au naufrage: la situation économique et politique de la Bellevilloise”, in Jean-Jacques Meusy (dir.), La Bellevilloise (1877-1939): une page de l’histoire de la coopération et du mouvement ouvrier français, CREAPHIS, 2001.

[36] Christiane Demeulenaure-Douyère, “Formes et expressions de la solidarité ouvrière: l’exemple de la Bellevilloise, coopérative ouvrière de consommation (1877 - 1936/1939)”, in Dominique Barjot (dir.), Le travail et les hommes aux XIXe et XXe siècles (édition électronique); 127e congrès national des sociétés historiques et scientifiques, Nancy, 2002, Paris, Éditions du CTHS, 2006, cths.fr/_files/ed/pdf/thxx16deme.pdf.

[37] Jonathan Crossen, “Theory and Practice: The International Co-operative Alliance and the Second Socialist International”, British Columbia Institute for Co-operative Studies, Occasional Paper Series Vol. 3, nr. 2, p. 12. Zie: http://www.uvic.ca/research/centres/cccbe/assets/docs/publications/pract....

[38] Christiane Demeulenaere-Douyère, op. cit.

[39]          Genossenschaften im 1. Weltkrieg, in Genossenschaftsgeschichte.info, zie: genossenschaftsgeschichte.info/genossenschaften-im-ersten-weltkrieg-429.

[40]          “Genossenschaften in der NS-Zeit: Auflösung der Konsumvereine”, in Genossenschaftsgeschichte.info, zie: http://genossenschaftsgeschichte.info/genossenschaften-in-der-ns-zeit-au....

[41] Florence E. Parker & Helen I. Cowan, “Cooperative Associations in Europe and their Possibilities for Post-War Reconstruction”, US Bureau of Labor Statistics, Bulletin nr. 770, Washington, 1944, p. 19-20.

[42] Gegenblende, nr. 16, juli/august 2012. Zie: www.gegenblende.de/16-2012.

[43] “Im Wortlaut: Der Deutsche Genossenschaftsverband zum Ausschluss jüdischer Mitglieder 1938”, in Genossenschaftsgeschichte.info. Zie: genossenschaftsgeschichte.info/deutscher-genossenschaftsverband-ausschluss-juedischer-mitglieder-1938-wortlaut-707.

[44] “Development and crises between the First and Second World Wars”, in Italian Documentation Centre on Cooperatives and Social Economy. Zie: http://www.cooperazione.net/eng/pagina.asp?pid=387&uid=383.

[45] “Saggi sul fascismo, Fascismo e cooperazione”. Zie: www.storiaxxisecolo.it/fascismo/fascismo17b.htm.

[46] Agostin Sancho Sora, “Desarrollo del cooperativismo en Aragón: una visión a largo plazo”, in José Luis Argudo Périz: El cooperativismo y la Economía social en la sociedad del conocimiento. 1963-2003: cuarenta años de formación en cooperativismo y economía social en Aragón, Prensas Universitarias de Zaragoza, Zaragoza, 2003, p. 95-118.

[47] Díaz Millán-Foncea & Carmen Marcuello, “Evolución del sector cooperativo en España”, Universidad de Zaragoza. Zie: http://www.ciriec-ua-conference.org/images/upload/pdf/PAPERS/347_Diaz-Fo....

[48] Agencia Estatal Boletín Oficial del Estado, 21 juni1965, nr. 147.

[49] Kimberley A. Zeuli & Robert Cropp, Cooperatives: Principles and Practices in the 21st Century, Cooperative Extension Publishing, Madison 2004, p. 27-34. Zie: community-wealth.org/content/cooperatives-principles-and-practices-21st-century.

[50] SBA, “Choose your business structure: cooperative”. Zie: https://www.sba.gov/content/cooperative.

[51] Micha Josephy, “SBA Recognizes Worker Cooperatives as Small Businesses”. Zie: www.geo.coop/story/sba-recognizes-worker-cooperatives-small-businesses.

[52]Trent Craddock and Sarah Kennedy, “Worker cooperative trends in N. America & Europe”. Zie: www.geo.coop/archives/InternationalTrendsinWorkerCoops.htm.

[53] University of Wisconsin, “Research on the Economic Impact of Co-operatives”, 2007, reic.uwcc.wisc.edu.

[54] World Co-operative Monitor 2014, p. 29.

[55] Farm Credit, “Our History”. Zie: www.farmcreditnetwork.com/about/our-history.

[56] World Co-operative Monitor 2014, p. 39.

[57] “The NCB Story”. Zie: www.ncb.coop.

[58] Overseas Cooperative Develoment Council. Zie: www.OCDC.coop.

[59] Carl Ratner, “Neoliberal Co-optation of Leading Co-op Organizations, and a Socialist Counter-Politics of Cooperation”, in Monthly Review, 2015, Vol. 66, nr. 9.

[60] Maria José Novoa, “Empowering the co-operative movement through advocacy education”. Zie: www.slideshare.net/cooperatives/ms-maria-jose-novoa-empowering-the-coope....

[61] Joyce Rothschild & J. Allen Whitt, The cooperative workplace. Potential and dilemmas of organizational democracy and participation, Cambridge University Press 1986, p. 10-12.

[62] “Gar Alperovitz & Thomas M. Hanna, Mondragón and the System Problem”, Truthout, 1 november 2013. Zie: www.truth-out.org/news/item/19704-mondragon-and-the-system-problem.

[63] John Clay, “Can Union Co-ops help Save Democracy?”, Thruthout, 4 juli2013. Zie: truth-out.org/news/item/17381-can-union-co-ops-help-save-democracy?

[64] “Worker Ownership for the 99 %”, USW, Mondragon, OEOC, 26 mars 2012, www.usw.org/news/media-center/releases/2012/worker-ownership-for-the-99.

[65] Sustainables Jobs, Sustainalles Communities: The Union Co-op Model, 26 maart 2012. Zie: www.usw.org/union/allies/The-Union-Co-op-Model-March-26-2012.pdf.

[66] Dave Grace and Associates: op. cit., p. 5.

[67] Joachim von Braun, Poverty, Climate Change, Rising Food Prices and the Small Farmers. International Fund for Agricultural Development. IFPRI, Rome, 2008.

[68] De landbouw in België in cijfers. Kerncijfers Landbouw 2011, Algemene Directie Statistieke en Economische Informatie, Brussel, 2012. Zie: statbel.fgov.be/nl/binaries/keyagr nl tcm325-133838.pdf.

[69] Conference on Family Farming. A dialogue towards sustainable and resilient farming in Europe and the world, Summary of proceedings, Europese Commissie, Brussel, 2013, p. 6. Zie: ec.europa.eu/agriculture/events/2013/family-farming/proceedings_en.pdf

[70] Pekka Hussi, Josette Murphy, Ole Lindbeg, Lyle Brenneman, The Develoment of Cooperatives and Rural Organizatiuons. The Role of the World Bank, The World Bank, Washington D.C.,1993, p. 72.

[71] World Development Report 2008. Agriculture for Development. The World Bank, Washington DC, 2007, p. 138.

[72] Avishay Braverman, J. Luis Guasch, Monika Huppi, Lorenz Pohlmeier, Promoting Rural Cooperatives in Developing Countries: The Case of Sub-Saharan Africa, World Bank Discussion Paper WDP121, The World Bank, Washington D.C., 1991. Zie: www-wds.worldbank.org/external/default/WDSContentServer/IW3P/IB/2000/01/06/000178830_98101903544524/Rendered/PDF/multi_page.pdf.

[73] Jos Bijman et al., Support for Farmers’ Cooperatives. Final Report, Europese Commissie, Brussel, 2012. Zie: ec.europa.eu/agriculture/external-studies/2012/support-farmers-coop/fulltext_en.pdf

[74] Pierre Vellas, “La Conférence de Stresa et la Politiqe agricole européenne”, in Politique étrangère, 1958, Vol. 23, nr. 5, p. 480-487.

[75] “About Sunkist: Cooperative”, zie: www.sunkist.com/about/cooperative.aspx.

[76] “Co-operative and governance structure”, zie: www.frieslandcampina.com.

[77] Gregor Goll: “Worker Occupations and Worker Cooperatives - Examining Lessons from the 1970s and 1980s”, in Jeff Shantz & José Brendan Macdonald, Beyond Capitalism. Building Democratic Alternatives for Today and the Future, Bloomsbury Academic 2013, p. 148

[78] Joyce Rothschild & J. Allen Whitt, op. cit., p. 196.

[79] Cecilia Navarra, “Collective accumulation of capital in Italian worker cooperatives. Between employment insurance and ‘We-rationality’”, in Empirical Investigation , Euricse Working Papers, nr. 004/10, 2010, p. 7-8. Zie: www.euricse.eu/sites/euricse.eu/files/db_uploads/documents/1267106823_n3....

[80] Id., p. 26.

[81]Zie bijvoorbeeld The Co-operative Group Sustainability Report 2013, www.co-operative.coop/our-ethics/sustainability-report/

[82] Chris Wright, Worker Cooperatives and Revolution: History and Possibility in the United States, BookLocker.co, Bradendon, 2014, p. 61.

[83] Zie voor een verwijzing naar een aantal auteurs: Virginie Pérotin, The Performance of Workers’ Cooperatives, in Patrizia Battilani & Harm G. Schröter (eds.), The Cooperative Business Movement, 1950 to the Present, Cambridge University Press, New York 2012, p. 548.

[84] Matt Hancock, Compete to Cooperate: The Cooperative District of Imola, Bachilega Editore, 2007.

[85] Saioa Arando, Fred Freundlich, Monica Gago, Derek C. Jones and Takao Kato: Assessing Mondragon: Stability & Managed Change in the Face of Globalization, William Davidson Institute Working Paper, nr. 1003, november 2010, p. 11. Zie: wdi.umich.edu/files/publications/workingpapers/wp1003.pdf.

[86] Giles Tremlett, “Basque co-op protects itself with buffer of foreign workers”, The Guardian, 23 oktober 2001.

[87] Virginie Pérotin, op. cit., p. 548.

[88] Michael Alden Peck, “When the Right Ones Get It Wrong”, One Worker One Vote Blog, 21 novembre 2013. Zie: 1worker1vote.org/when-the-right-ones-get-it-wrong/.

[89] Gar Alperovitz & Thomas M. Hanna, op. cit.

[90] “Qué es Mondragon Unibertsitatea”, zie: www.mondragon.edu/es.

[91] “Über uns”, Migros-Kulturprozent, zie: www.migros-kulturprozent.ch/Ueber-uns/53/Default.aspx.

[92] Frederik Willem van Eeden, Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Zie: socialhistory.org/bwsa/biografie/eeden.

[93] John Pencavel, Worker Cooperatives and Democratic Governance, SIEPR Discussion Paper nr. 12-003, Stanford Institute for Economic Policy Research, Stanford University, Stanford, 2012. Zie: ftp.repec.org/opt/ReDIF/RePEc/sip/12-003.pdf

[94] Zie: www.railcare.ch.

[95] BBC News, 10 augustus 2004.

[96] Zie: www.desjardins.com.

[97] Pierre Fournier, “Les nouveaux paramètres de la bourgeoise québecoise”, in Pierre Fournier, La capitalisme au Québec, Les Éditions Coopératives Albert Saint-Martin, Montréal, 1978, p. 17. Zie classiques.uqac.ca/contemporains/fournier_pierre/nouveaux_par_bourgeoisie_qc/nouveaux_param.html.

[98] Anjel Maria Errasti, Iñaki Heras, Baleren Bakaikoa, Pilar Elgoibar, “The Internationalisation of Cooperatives: the Case of the Mondragón Cooperative Corporation”, in Annals of Public and Cooperative Economics 74:4 2003, p. 559. Zie: www.sc.ehu.es/oewhesai/MCC%20annals.pdf.

[99] World Co-operative Monitor 2014, p. 38.

[100] “Crédit Agricole S.A.”, zie: www.credit-agricole.com/fr/Investisseur-et-actionnaire/Credit-Agricole-S.A.

[101] David Audran, “Classement des banques françaises 2014”. Zie: www.culturebanque.com/classement-banques-francaises-2014.

[102] Plateforme Paradis fiscaux et judiciaires, “Que font les plus grandes banques françaises dans les paradis fiscaux ? Premiers pas vers la transparence et premiers enseignements”. Zie: www.stopparadisfiscaux.fr/que-font-les-etats/la-france/article/que-font-....

[103] Id., p. 3-4. Zie: www.stopparadisfiscaux.fr/IMG/pdf/etudes-banques-PPFJ-13-11-2014.pdf.

[104] Zie: www.mongeralaegon.com.br/mongeral-aegon/home.htm.

[105] “Woedende klanten voeren opera op in Den Haag”, FairFin, 18 februari 2013.

[106] Betsy Bowman & Bob Stone, “Cooperativization As Alternative to Globalizing Capitalism”, Grassroots Economic Organizing. Zie: www.geo.coop/node/139.

[107] Dave Grace and Associates, p. 2.

[108] Declaración cooperativa de Cartagena. Zie: www.aciamericas.coop/IMG/pdf/declaracioncooperativacartagena2014.pdf.