Collectieve arbeidsduurvermindering: een wapen in de strijd tegen de loonkloof

Auteur: 
Nele Van Parys

Op16 februari 1966 legden in de wapenfabriek FN te Herstal 3.800 werkneemsters het werk neer nadat aan het licht kwam dat zij, voor gelijkaardig werk, gemiddeld 25 % minder verdienden dan hun mannelijke collega's. De staking zou 12 weken duren en een ongeziene golf van solidariteit op de been brengen, zowel binnen als buiten de fabriek. Er kwamen steunpetities en solidariteitsacties, ook van mannen en in verschillende andere bedrijven in België gingen vrouwen in staking. Nog nooit in de geschiedenis had een sociale actie, ontstaan vanuit een eis van vrouwen, zo veel weerklank gekregen. Op 5 mei 1966 werden de eisen dan ook ingewilligd. Dit was een doorbraak in de strijd voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen: door deze sociale actie werd gelijk loon voor gelijkaardig werk in de Belgische [1]

     Vandaag 50 jaar later, zien we dat in ons land situaties zoals toen bij FN, waarbij vrouwen en mannen die naast elkaar op de werkvloer staan en dezelfde job uitoefenen anders verloond worden, bijna niet meer voorkomen. Toch is er nog werk aan de winkel. Dat blijkt onder andere uit de cijfers van de loonkloof in ons land. De loonkloof is het verschil tussen wat vrouwen en mannen bruto verdienen per uur of op jaarbasis. Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM) brengt jaarlijks een rapport uit over de loonkloof. Het baseert zich hiervoor op cijfers van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie en het Federaal Planbureau.[2]

Hoe diep is het dal? De loonkloof in België in enkele cijfers

De loonkloof wordt meestal uitgedrukt in bruto uurlonen of bruto jaarlonen. De bruto uurlonen houden geen rekening met deeltijds werk, de bruto jaarlonen wel. De loonkloof in bruto uurlonen bedraagt voor 2012 9%, de loonkloof in bruto jaarlonen 22%. Dat wil zeggen dat alle vrouwen van België samen gemiddeld 9% minder verdienden per uur dan het gemiddelde van alle mannelijke Belgen. Per jaar verdienden ze

Het verschil in bruto uurlonen

Het verschil in wat vrouwen en mannen gemiddeld per uur verdienen is 9 %. Achter dit gemiddelde schuilen echter nog grote verschillen. Zo doet de publieke sector het bijvoorbeeld veel beter dan de private. Voor arbeiders uit de privésector loopt de loonkloof voor uurlonen op tot 20 %. Voor bedienden is dat 23 %.

     Het IGVM onderzoekt elk jaar op basis van twaalf indicatoren zoals bijvoorbeeld beroep, sector, onderwijsniveau, anciënniteit, burgerlijke staat, gezinstype, nationaliteit... hoe dit verschil in uurlonen verklaard kan worden. Op basis van deze twaalf indicatoren kan 48,7 % van de loonkloof in uurlonen verklaard worden. 51,3 % blijft onverklaard, wat wil zeggen dat zelfs vrouwen met dezelfde eigenschappen als mannen nog steeds minder verdienen. Een vrouw met dezelfde anciënniteit, leeftijd, nationaliteit en hetzelfde opleidingsniveau, gezinstype of beroep als een man verdient dus nog steeds minder. Een beetje zoals in FN Herstal in 1966 dus.

Grafiek 1. Verklaard en onverklaard deel van de loonkloof

Verklaard en onverklaard deel van de loonkloof man-vrouw

 Bronnen: Algemene Directie Statistiek, Enquête naar de Structuur en de

Ongeveer de helft van het verklaarde verschil kan toegeschreven worden aan kenmerken die te maken hebben met de positie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt. Een voorbeeld: in België werkt 68 % van de vrouwen in zes sectoren: gezondheidszorg en sociaal werk, distributie, opvoeding, publieke administratie, handel en hotels en restaurants. Er is dus een grote concentratie van vrouwen in een klein aantal sectoren.[3] Dit wil zeggen dat vrouwen en mannen niet in dezelfde beroepen en sectoren te werk gesteld zijn. Hierdoor werken ze ook onder [4]

Het verschil in bruto jaarlonen

De loonkloof uitgedrukt in uurlonen houdt dus een reële discriminatie in. De kloof op jaarbasis is nog veel dieper, wel 22 %. Een vrouw verdient per jaar gemiddeld 22 % minder dan een man. Het verschil tussen de loonkloof in uurlonen en in jaarlonen komt omdat in het tweede, deeltijds werk in rekening gebracht wordt en van alle deeltijds werkenden is meer dan vier vijfde vrouw. Bijna de helft van de loontrekkende vrouwen werkt deeltijds terwijl dat ongeveer een tiende is bij hun mannelijke collega’s.

     Vrouwen besteden dus minder tijd aan loonarbeid dan mannen. Dit wil niet zeggen dat ze in een luxepositie zitten. Ze werken even hard, in aantal uren zelfs meer, maar worden voor een groot deel van hun werk niet betaald omdat dat over huishoudelijke taken gaat. Uit het Tijdsbestedingsonderzoek 2013 van de Federale Overheidsdienst Economie en de VUB[5] blijkt dat mannen ruim zes uur per week meer besteden aan betaald werk, maar vrouwen acht uur meer bezig zijn met het huishouden en nog eens anderhalf uur met de kinderzorg. Op een weekdag besteden mannen een goeie drie kwartier meer aan vrije tijd dan vrouwen, in het weekend loopt het verschil op tot 1 uur en 11 minuten. Op een week komt dat neer op goed 6 uur meer vrije tijd.

     Dat veel vrouwen deeltijds gaan werken om de combinatie werk en privéleven mogelijk te maken, blijkt ook uit onderzoek van het IGVM.[6] Voor de helft van de deeltijds werkende vrouwen is de combinatie tussen werk en privéleven de hoofdreden om deeltijds te werken. 22 % zegt deeltijds te werken om te kunnen zorgen voor kinderen of afhankelijke personen. Bij mannen is dit 5 % en komen naast persoonlijke of familiale redenen de combinatie met andere betrekkingen, studies of (brug-) pensioen en het niet vinden van voltijds werk het vaakst voor.

Grafiek 2. Verdeling van deeltijds werkende loontrekkende vrouwen en mannen naar reden van deeltijds werk (2012)

Verdeling van deeltijds werkende vrouwen en mannen

Bron: Algemene Directie Statistiek, Enquête naar de Arbeidskrachten en IGVM, Loonkloofrapport 2015, p. 30.

Dat vrouwen deze taken op zich nemen en daarom deeltijds gaan werken draait op verschillende vlakken negatief voor hen uit.

     Om te beginnen zorgt dit ervoor dat ze veel meer financieel gebonden zijn aan hun partner of familieleden. Ze lopen een veel groter risico op armoede. Meer dan een derde is afhankelijk van het inkomen van een ander, bij mannen is dat maar een op tien. Dit armoederisico is nog groter wanneer ze laagopgeleid zijn. Meer dan de helft van de laagopgeleide vrouwen zit onder de armoedegrens. Bij hoogopgeleide vrouwen blijft dit toch ook nog steeds een op vijf.[7]

     Daarnaast zien vrouwen hierdoor ook hun kansen op promotie beperkt. Een promotie vergt volgens de werkgever het volle engagement van de werknemer. Wie deeltijds werkt kan zich volgens de werkgever vaak niet volledig geven en geeft blijk van een gebrek aan ambitie.

     Bovendien worden er minder sociale rechten opgebouwd, wat zich vooral in het latere leven wreekt. De pensioenkloof bedroeg in 2008 gemiddeld 23 %. 59 % van de pensioengerechtigde vrouwen ontvangt maandelijks een bedrag dat kleiner is dan 1000 euro. Ongeveer de helft van hen ontvangt een bedrag kleiner dan 750 euro.[8] In onderstaande grafiek zien we duidelijk dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in de lagere categorieën.

Grafiek 3. Verdeling van het aantal pensioengerechtigden over de categorieën van het pensioenbedrag, naar geslacht (maandbedragen in euro) (2008)

Bronnen: RVP en PDOS (bewerking Federaal Planbureau).

Deze zogenaamde ‘vrije keuze’ van vrouwen om deeltijds te werken om werk en privé te kunnen combineren is dus sterk maatschappelijk bepaald en heeft in het algemeen nadelige gevolgen voor vrouwen. Het stereotype van de zorgende vrouw die het huishouden draaiende houdt blijft hardnekkig en wordt er nog steeds van kindsbeen af ingelepeld. Een meisje besteedt op een zaterdag bijna drie kwartier meer aan huishoudelijk werk dan een jongen. Op diezelfde zaterdag zal een jongen een uur en 50 minuten meer besteden aan vrije tijd.[9] Zulke stereotypen verander je niet van vandaag op morgen. Als we de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen willen aanpakken, is investeren in goede en goedkope collectieve zorgvoorzieningen zoals rusthuizen, kindercrèches, kinderopvang, ziekenhuizen enzovoort, een must.

De loonkloof aanpakken: de combinatie werk en privé voor zowel vrouwen als mannen mogelijk maken

Gestegen productiviteit omzetten in meer winst, loon of tijd?

Sinds de Tweede Wereldoorlog is onze productiviteit verzesvoudigd. We zijn nog nooit zo productief geweest en toch werken we per gezin nauwelijks minder dan zeventig jaar geleden. De individuele arbeidsduur is tot in het midden van de jaren zeventig sterk afgenomen maar kwam daarna tot stilstand. En waar vroeger vaak enkel de man ging werken, is het tweeverdienersmodel nu de norm.[10] Dit terwijl Keynes voorspelde dat we met onze groeiende productiviteit in 2030 een arbeidsweek van 15 uur zouden hebben.

     Ook onze lonen zijn niet evenredig gestegen met onze productiviteit. Die zijn na de Tweede Wereldoorlog slechts verdrievoudigd. De winsten wereldwijd zijn daarentegen nog nooit zo groot geweest. Ook in België groeit de kloof. Bij ons bezitten de vijf procent rijkste gezinnen evenveel als de vijfenzeventig procent armste.[11] Volgens Piketty vormt deze ongelijkheid de grootste uitdaging van onze tijd.

     De productiviteitswinsten kunnen op twee manieren worden aangewend. Om te beginnen kunnen ze omgezet worden in winst, waardoor het aandeel kapitaal in de samenleving vergroot. Ten tweede kunnen ze terugvloeien naar de werknemers: ze ontvangen dan hogere lonen of genieten van meer tijd.[12]

     Een voorbeeld. We gaan ervan uit dat een werknemer acht uur per dag werkt. Zij of hij ontvangt daarvoor een loon. De productie die nodig is om dit loon te betalen kan bijvoorbeeld 4 uur zijn. Alles wat de werknemer gedurende de overige vier uur produceert wordt omgezet in winst voor de werkgever. Door, ofwel het loon van de werknemer te verhogen, ofwel door hem minder lang te laten werken, zal de winst uiteraard verminderen.

     Vandaag geven verschillende indicatoren aan dat het best is om voor arbeidsduurverkorting te kiezen. We werken ons immers letterlijk te pletter.

     Het aantal langdurig zieken stijgt exponentieel door vergrijzing, maar ook door de toenemende werkstress.[13] Twee op drie werknemers ervaart stress op het werk, 20 % wordt in haar of zijn loopbaan geconfronteerd met een burn-out en steeds meer Belgen kampen met psychische en emotionele problemen. Ook fysiek zware beroepen zijn moeilijk een leven lang vol te houden als het lichaam niet de nodige tijd krijgt om te recupereren. Geen wonder dat een kwart van de Belgen met een voltijdse baan liever deeltijds zou werken. Zij geven echter aan dat dit om financiële redenen niet mogelijk is.[14]

     In Göteborg wordt in een rusthuis geëxperimenteerd met de 30-urenweek. Na zes maanden is de evaluatie op heel wat punten alvast positief. De onderzoekers in Svartedalen zijn verbaasd over hoe snel er resultaten geboekt worden. Zo daalt het aantal zieken onder fulltime werknemers van 6,4 % naar 5,3 %. In Solängen, het rusthuis waarmee Svartedalen vergeleken wordt, blijft dit stabiel. De effecten bij langdurig zieken zijn nog veel sterker. Deze dalen in Svartedalen van 3,23 % naar 2,68 % en stijgen in Solängen van 3 % naar 3,48 %.[15] Hoewel we nog wat voorzichtig moeten zijn met conclusies, het is maar een eerste evaluatie, zijn de resultaten toch zeer hoopgevend!

Effecten van arbeidsduurvermindering: de lessen uit Frankrijk

Ook Frankrijk heeft ervaring met arbeidsduurvermindering. Daar werd in 1998 de 35-urenweek ingevoerd.[16] De manier waarop dit is gebeurd, is nogal specifiek. Er werd aan de bedrijven en sectoren veel vrijheid gelaten over hoe deze arbeidsduurverkorting eruit moest zien. Als ze dit invoerden kregen de bedrijven een aanzienlijke lastenverlaging. Ze wilden ook het sociaal overleg stimuleren door vakbonden en werkgevers samen tot overeenkomsten te laten komen. Maar gezien de syndicalisatie graad in de privésectoren in Frankrijk slechts 5 % bedraagt, verliep dit op vele plaatsen nogal moeilijk. Tegen 2001 had 20 % van de bedrijven een akkoord ondertekend naar het model van Aubry I.[17] Na 2002 werden nieuwe wetten gestemd die de toepassing flexibeler maakten. Maar daardoor werd de regeling zodanig uitgehold dat we weinig conclusies kunnen trekken op lange termijn. Toch loont het de moeite om de resultaten over deze vier jaar eens te bekijken.

Een historisch lage werkloosheid en de creatie van 350.000 jobs

Zeker in het begin van de invoering van de 35-urenweek, onder Aubry I, werd dit sterk gekoppeld aan de voorwaarde om extra personeel aan te werven. Dit miste zijn effect niet. Er kwamen, volgens de meeste studies, ongeveer 350.000 jobs bij in 1999 en 2000 en de werkloosheidsgraad kende een historisch dieptepunt.[18] De grootste groei in werkgelegenheid werd opgetekend bij werknemers tussen de 50 en 64 jaar tussen 1997 en 2002 met een toename van 7 %. Het verschil tussen vrouwen en mannen is hier frappant. Bij de vrouwen gaat het om 8 %, tegenover 5 % bij de mannen.[19]

Volgens sommigen moet deze werkloosheidsdaling toegeschreven worden aan de loonlastenverlaging die gepaard ging met het invoeren van de arbeidsduurverkorting. De cijfers uit periodes met gelijkaardige loonlastenverlagingen, waar in vergelijking veel minder jobs werden gecreëerd, spreken dit echter tegen.

     De koppeling van arbeidsduurverkorting aan jobcreatie is essentieel. Enerzijds omdat de maatregel anders zijn effect mist. In de zorgsector in Frankrijk, ging de invoering van de 35-urenweek niet of te laat gepaard met het inzetten van extra personeel. Hier was er dan ook bijna geen daling in de werkelijke arbeidstijd.[20] Anderzijds omdat het kan leiden tot een verhoogde werkdruk bij het bestaand personeel. Er moet meer gedaan worden in minder uren of er wordt meer flexibiliteit gevraagd. Vooral in sectoren waar er grote schommelingen zijn in de productie ging de arbeidsduurverkorting samen met flexibelere uren en een annualisering van de werktijden. Hiervan waren vooral de arbeiders de dupe. Slechts 2,6 % van hen kon het tijdskrediet dat ze hadden opgebouwd daadwerkelijk opnemen, ze kregen minder overuren uitbetaald en hun uren werden minder voorspelbaar. Zij maken vandaag over het algemeen dan ook een negatieve evaluatie van de arbeidsduurverkorting.[21]

     Bij de doorvoering van een arbeidsduurverkorting is het daarnaast belangrijk ervoor te zorgen dat de gewonnen uren effectief per week worden gebruikt of op regelmatige tijdstippen. De grootste tevredenheid over de arbeidsduurverkorting was op te tekenen bij werknemers die dit vertaald zagen in een halve dag minder per week, of een dag op regelmatige tijdstippen.[22] Uit een onderzoek over de effecten van deeltijds werk en arbeidsduurverkorting blijkt dat deze optie het meest voorkwam in bedrijven met een sterke syndicale traditie en dat daar de vrouwen vaker de overgang maakten van halftijds naar voltijds werken.[23]

Vrouwen werken meer voltijds, jonge mannen zorgen meer voor kinderen

Na 1998 nam de hoeveelheid deeltijds werkenden voor het eerst sinds de jaren tachtig af. Een op vijf ging over naar een voltijdse job in het jaar dat volgde op de arbeidsduurverkorting. Bovendien zorgde de arbeidsduurverkorting ervoor dat de arbeidsduur van deeltijds werkenden kon toenemen. Dit kan voor een groot deel verklaard worden doordat ondernemingen die een arbeidsduurverkorting invoerden daarna meer voltijdse contracten uitschreven.[24]

     Maar niet alleen aan de kant van het aanbod veranderde er iets, ook deeltijds werkenden die de keuze hadden voor deeltijds of voltijds werk, gingen vaker terug over op voltijds werk als er een arbeidsduurverkorting was. Dit valt vooral te verklaren doordat deze (voornamelijk) vrouwen, nu hun woensdagmiddag konden vrij nemen, wat de nadelen van voltijds werk beperkte.[25]

     Gezien het grote aandeel van deeltijds werk in de loonkloof, kunnen we ervan uit gaan dat een arbeidsduurverkorting, indien correct ingevoerd, een gigantische stap vooruit zou kunnen betekenen in de bestrijding ervan.

     Maar heeft het ook een positief effect op de traditionele rolverdeling tussen vrouwen en mannen? Ook hier zijn de resultaten positief, maar genuanceerd. In het algemeen zorgde het voor de beide geslachten voor de mogelijkheid om een beter evenwicht te vinden tussen werk en privé. De tijd die vrijkwam werd vooral, zowel door vrouwen als door mannen, gebruikt om meer tijd te spenderen met de kinderen, de partner, de vrienden.

     De vrijgekomen uren werden door vrouwen vooral opgenomen op woensdagmiddagen. Mannen namen vaker vrijdagmiddagen of maandagochtenden op als compensatie. De grote uitzonderingen hier zijn echter de jonge vaders. Zij gebruikten arbeidsduurverkorting om meer tijd door te kunnen brengen met de kinderen en rapporteerden hierover ook een grote tevredenheid.[26] Gelijkaardige effecten kunnen verwacht worden in België aangezien ook hier mannen in het algemeen niet blij zijn met het gebrek aan tijd dat ze hebben voor hun gezin. Ze voelen sterk de sociale druk om [27]

     Op vlak van huishoudelijk taken die niet gelinkt zijn aan de kinderen bleven de rollenpatronen echter dezelfde.[28]

     Op vlak van man-vrouw verhoudingen kunnen we dus stellen dat het effect positief is, zeker als het gaat over de zorg voor de kinderen. In het huishouden blijven de vrouwen de hoofdmoot voor hun rekening nemen. Het is dus niet zo dat een arbeidsduurverkorting er automatisch zal voor zorgen dat mannen op gelijke voet zullen komen te staan met vrouwen voor wat betreft de huishoudelijke taken. Genderstereotypen zijn hardnekkig en een arbeidsduurvermindering alleen zal dit niet oplossen, maar zonder is het helemaal een onbegonnen zaak. Ze scheppen op zijn minst al de materiële voorwaarden om een meer gelijke verdeling mogelijk te maken.

Waarom het best wat ambitieuzer mag. Tijd voor een 30-urenweek

Een arbeidsduurverkorting biedt dus een antwoord op veel grote vraagstukken van vandaag. Hoe gaan we de scheefgetrokken verhoudingen tussen vrouwen en mannen in onze samenleving rechttrekken, hoe dringen we de werkloosheid terug, hoe gaan we stressgerelateerde ziekten tegen, hoe maken we werk doenbaar tot aan ons pensioen enzovoort.

     Experimenten met arbeidsduurverkorting hebben aangetoond dat voor het verkrijgen van bovenstaande resultaten sprake moet zijn van een substantiële arbeidsduurverkorting. Dat is ook logisch. Met een uurtje minder werken in de week zijn al deze problemen niet van de baan. Men kan zich ook afvragen of in ons geval drie uur minder, de overgang naar een 35-urenweek dus, de klus zal kunnen klaren. Een arbeidsduurverkorting naar 30 uur met loonbehoud is haalbaar en realistisch. Enerzijds omdat we het moeten plaatsen in een herverdelingslogica, maar anderzijds ook omdat het veel geld zal opleveren. Er zal minder moeten betaald worden aan uitkeringen voor zieken, de werkloosheidsvergoedingen zullen dalen doordat meer mensen zullen werken, en bovendien ook belastingen betalen.

     Ten slotte beantwoordt de 30-urenweek meer aan de noden van vrouwen vandaag. Europees onderzoek wijst uit dat zij 30 uur als de ideale arbeidsduur zien.[29]

Tijd voor een nieuw hoofdstuk in de strijd tegen de ongelijkheid van vrouwen en mannen. Tijd voor een 30-urenweek

De loonkloof is vandaag de dag een van de grootste en duidelijkste vormen van discriminatie van vrouwen. Ze toont de ongelijkheid op de arbeidsmarkt en binnen het gezin. Ze toont de financiële afhankelijkheid en de dominantie en de rollenpatronen die de samenleving oplegt. Een 30-urenweek lost niet al deze problemen op, maar een kortere werkweek kan wel de materiële voorwaarden scheppen om ze te lijf te gaan. Er ontstaat ruimte waar die er vandaag niet is.

     Een belangrijk onderdeel van de loonkloof wordt veroorzaakt door het aandeel deeltijds werk dat vrouwen opnemen en hiervoor is een 30-urenweek wél een oplossing. Dat leren we uit de voorzichtige resultaten uit Frankrijk.

     Individuele oplossingen zullen hieraan niet verhelpen. Die conclusie kunnen we dan weer trekken uit cijfers in eigen land. Deeltijds werk en tijdskrediet worden in hoofdzaak door vrouwen opgenomen. Echte vooruitgang zal er pas komen als we allemaal, collectief meer de tijd gaan nemen.

     Het is mogelijk. De rijkdom die we ervoor nodig hebben, wordt elke dag geproduceerd. Het gaat erom te bepalen waar die naartoe gaat.

     Misschien is de tijd gekomen voor een solidaire en sterke beweging voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen zoals in de strijd van FN Herstal. Waarom niet met de 30-urenweek als eis?

Nele Van Parys (nelevp at gmail.com) studeerde af als moraalwetenschapper aan de Gentse Universiteit. Haar eindwerk ging over gendermainstreaming.


[1]     R. Dresse, E Pirson, en M.T. Coenen, “Syndicalisme au féminin, Introduction” in Le Mouvement Ouvrier en Belgique. Manuel I. Outils Pédagogiques, Brussel, CARHOP, 1990, 13, 33.

[2]     IGVM (Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen), De loonkloof tussen vrouwen en mannen in België. Rapport 2015, 2015. Zie: http://economie.fgov.be/nl/binaries/Loonkloofrapport%202015%20DEF_tcm325....

[3]     R. Silvera, “The challenge of mainstreaming for Trade Unions” in Europe: How can Trade Unions foster gender equality in the work place and in daily life, Final report, ,MSU, 2007), p. 15. Zie: http://cordis.europa.eu/publication/rcn/9091_en.html.

[4]     A. Franco, “The concentration of men and women in sectors of activity, Statistics” in Focus, Population and Social Conditions, Eurostat, European Community, 2007, p. 2–6; Eurostat, The life of women and men in Europe, A statistical portrait, 2008, Brussel, European Commision, p. 171. Zie: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=en&catId=89&newsId=240&furthe....

[5]     Ignace Glorieux, België geklokt. Reslutaten van het Belgisch tijdsbestedingsonderzoek 2013, VUB, september 2015.

[6]     IGVM, op. cit., p. 39.

[7]     IGVM, Vrouwen en mannen in België, Genderstatistieken en genderindicatoren., tweede editie, Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, 2011, p. 84.

[8]     Ibid., p. 71.

[9]     Ignace Glorieux, Gender en Tijdsbesteding, Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, 2009, p. 83.

[10]    Olivier Pintelon, Stan De Spiegelaere en Nick Deschacht in Poliargus, “De kortere werkweek: werken om te leven in plaats van leven om te werken”, 4 mei 2015. Zie: http://poliargus.be/de-kortere-werkweek-werken-om-te-leven-in-plaats-van....

[11]    Beurs.com, “Belgische vermogens erg ongelijk verdeeld”, geraadpleegd 5 januari 2016. Zie:  http://beurs.com/2014/05/06/belgische-vermogens-erg-ongelijk-verdeeld.

[12]    Pintelon, De Spiegelaere, en Deschacht Poliargus, op. cit., p. 8.

[13]    Securex, “Securex: Resultaten studie Absenteïsme in 2013”, 2014. Zie: https://www.youtube.com/watch?v=POSVXHGMS7U.

[14]    De Standaard, “Deeltijds werken onmogelijk om financiële redenen”, geraadpleegd 29 december 2015. Zie: http://www.standaard.be/cnt/dmf20151207_02009302.

[15]    PVDA, “Eerste evaluatierapport van zes maanden 30 urenweek Zweeds verzorgingstehuis Svartedalen”, geraadpleegd 30 december 2015. Zie: http://pvda.be/sites/default/files/documents/2015/11/12/eerste-evaluatie....

[16]    Benoit Thierry en Barbara Romagnan, Rapport fait au nom de la commission d'enquête sur l'impact sociétal, social, économique et financier de la réduction progressive du temps de travail. Zie: http://www.assemblee-nationale.fr/14/rap-enq/r2436.asp. De meeste gegevens hieronder komen uit dit rapport dat werd opgesteld op vraag van het Franse Senaat ter evaluatie van de 35-urenweek.

[17]    Martine Aubry was minister van Sociale Zaken bij de invoering van de 35-urenweek in Frankrijk. Aubry I was de eerste en ook meest verregaande wet en werd gestemd in 1998. Aubry II volgde in 2000.

[18]    Ibid., p. 72.

[19]    Ibid., p. 75-76.

[20]    Ibid., p. 113-114.

[21]    Ibid., p. 153-155.

[22]    Ibid., p. 149.

[23]    Jennifer Bué en Dominique Roux-Rossi, “Salarié(e)s à temps partiel et réduction collective du temps de travail: la question du choix”, Travail et Emploi, nr. 90, april 2002, p. 39–53. Zie: http://docplayer.fr/156119-Dossier-salarie-e-s-a-temps-partiel-et-reduct....

[24]    Benoit Thierry, “Rapport sur la réduction du temps de travail”, p. 72.

[25]    Bué en Roux-Rossi, op. cit.

[26]    Benoit Thierry en Barbara Romagnan, op.cit., p. 144.

[27]    De Standaard, op. cit.

[28]    Hervé Defalvard, Martine Lurol en Evelyne Polhzuber, “Les inégalités de genre dans le passage aux 35 heures, sources et résistances”, Travail et Emploi, nr. 102, avril-juin 2005. Zie: https://www.epsilon.insee.fr/jspui/bitstream/1/5897/1/2005-102-04.pdf.

[29]             Colette Fagan en Tracy Warren, “Gender, Employment and Working Time Preference in Europe”, Information Analyses, Dublin, Ierland, European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions,  3 december 2001