Cuba: partij, staat en sociale organisaties

Auteur: 
Katrien Demuynck

Het socialisme breekt met het economisch model van het kapitalisme en zijn instellingen, maar ook met de kapitalistische staatsopvatting en de rol van politieke partijen. Om het socialisme te begrijpen moeten we buiten het kapitalistische kader durven denken.

Om een beeld te krijgen van hoe die nieuwe instellingen en verhoudingen er kunnen uit zien, is het interessant om even naar Cuba te reizen. Het is een socialistisch experiment dat cultureel en in de tijd dicht bij ons staat. Het is uiteraard niet de bedoeling om de Cubaanse aanpak als model naar voor te schuiven. De Cubanen zelf hebben het trouwens niet over een model maar over een revolutionair project. Ze sleutelen ook regelmatig aan hun maatschappij. Vandaag hervormen ze hun economie. Maar wellicht kan de Cubaanse ervaring ons inspireren in de zoektocht naar een nieuwe maatschappij, die van de 99 %.

De Cubaanse socialistische maatschappij ontstond natuurlijk niet kant en klaar op 1 januari 1959, dag van de overwinning van Fidel Castro en de zijnen op de dictatuur van Fulgencio Batista. Ze heeft zich ontwikkeld doorheen de jaren, met vallen en opstaan en ontwikkelt zich nog steeds. Raúl Castro stelt het zo: “Er heeft nooit een revolutie bestaan zonder fouten en die zal ook nooit bestaan. Revoluties zijn het werk van mensen en volkeren die niet perfect zijn en die bovendien voor het eerst met nieuwe en buitengewone uitdagingen geconfronteerd worden. Daarom denk ik dat je niet beschaamd moet zijn om die fouten. Het zou enkel erg en gênant zijn niet de moed te hebben om die fouten uit te diepen en te analyseren, om er lessen uit te trekken en ze op tijd te corrigeren.”[1]

De Cubaanse instellingen

De Cubaanse staatsopvatting maakt een duidelijk onderscheid tussen de politieke organisaties, de sociale organisaties of massaorganisaties en de staatsinstellingen. Er zijn alleen wettelijk erkende politieke organisaties: de Communistische Partij (PCC, Partido Comunista de Cuba) en de Unie van Communistische Jongeren (UJC, Unión de Jóvenes Comunistas). Er zijn heel wat sociale organisaties. De grootste zijn de Comités ter Verdediging van de Revolutie in de wijken (CDR of Comités de Defensa de la Révolución), de Vrouwenfederatie (FMC, Federación de Mujeres Cubanas), de vakbond CTC (Central de Trabajadores de Cuba) en de Universitaire Studentenfederatie (FEU, Federación Estudiantil Universitaria). Er bestaan daarnaast nog heel wat andere professionele, milieu, culturele en andere organisaties.

De staatsinstellingen bestaan uit de gemeente- en provincieraden en besturen, het parlement, de regering en de rechterlijke macht.

Elk van die drie groepen speelt een specifieke rol in de Cubaanse samenleving. We beschrijven elk van deze organisaties en bekijken dan hun functies, verantwoordelijkheden en onderlinge relaties.

De politieke organisaties

De Communistische Partij zoals ze nu bestaat werd pas opgericht in 1965, na een jarenlang proces van eenmaking van drie politieke revolutionaire organisaties: de Beweging van de 26e juli van Fidel Castro, het Directorio Estudiantil en de oude communistische partij, de PSP of Partido Socialista Popular. De les over het doorslaggevend belang van eenheid hadden de Cubanen geleerd uit hun eerste onafhankelijkheidsstrijd (1868-1878). Het antikoloniaal verzet bestond toen uit verschillende fracties en werd vlotjes uitgeschakeld door de Spaanse kolonisator. Alvorens de tweede onafhankelijkheidsstrijd aan te vatten in 1895 verenigde José Martí[2] de verschillende bewegingen in de Partido Revolucionario Cubano. Dit keer zou de strijd wel tot de overwinning leiden, ondanks de zeer vroegtijdige dood van Martí.[3] Het belang van het behoud van één partij in de huidige situatie werd herbevestigd op de conferentie van de PCC in januari 2012.[4]

De jongerenorganisaties waren toen al ééngemaakt. De kort na de revolutie opgerichte Asociación de Jóvenes Revolucionarios, Vereniging van Revolutionaire Jongeren, doopte zich op haar eerste congres in 1962 om tot UJC, Unie van Communistische Jongeren. Ze bestond uit de voorhoede van jonge mensen die een actieve bijdrage leverde aan de opbouw van de nieuwe maatschappij.

De eenmaking van de partij verliep iets moeizamer.[5] De leiding van de Beweging van de 26e juli was marxistisch-leninistisch gevormd, maar binnen de beweging bestonden verschillende ideologische opvattingen. Hetzelfde gold voor het Directorio Estudiantil. De PSP van haar kant, de traditionele communistische partij, was maar zeer laat meegestapt in de gewapende revolutie. Ze beschikte wel over geschoolde en ervaren kaders. Na een eerste mislukte poging tot éénmaking werd in maart 1962 een ééngemaakte partij opgericht, de PURSC of Eéngemaakte Partij van de Socialistische Revolutie van Cuba. Op 3 oktober 1965 werd uiteindelijk het stichtingscongres van de PCC gehouden. Er werd een Centraal Comité gekozen en de voormalige voorzitter van de PSP, Blas Roca, droeg het vaandel over aan de nieuwe voorzitter van de PCC, Fidel Castro.

De plaats van de partij werd door Fidel Castro al in 1962 duidelijk omschreven: “Een revolutionair apparaat bestaat niet omwille van dat revolutionair apparaat. Het bestaat doorheen en voor de massa’s. Dat is zijn reden van bestaan. De revolutie wordt gemaakt met en voor de massa’s. Dat is de reden van bestaan van een partij. Al haar prestige en al haar autoriteit komen voort uit de reële band die ze heeft met de massa’s. Deze partij zal geen autoriteit hebben bij de massa’s omdat ze partij is, maar ze zal partij zijn door de autoriteit en het prestige die ze heeft bij de massa’s.”[6]

De sociale organisaties

Eén van de eerste prioriteiten van de revolutionaire leiding was het stimuleren van de bestaande massaorganisaties en het oprichten van nieuwe. Twee bestaande organisaties hadden een doorslaggevende rol gespeeld in de revolutie, namelijk de vakbond CTC en de universitaire studentenfederatie FEU.

De CTC, ontstaan in 1939, is momenteel een van de grootste sociale organisaties in het land met om en bij de drie miljoen leden. Er bestaan 18 verschillende vakbondscentrales. Je bent lid op basis van vrijwilligheid. De CTC is een autonome organisatie die ook financieel volledig zelfstandig functioneert op basis van de bijdragen van haar leden. Om de vijf jaar gaat een vakbondscongres door, waar de nieuwe leiding gekozen wordt. Vanaf vijf werknemers kan er een vakbondsafdeling worden opgericht. 96% van de Cubaanse werkers zijn lid van de CTC. De vakbond is erkend als één van de belangrijkste krachten voor de belangenverdediging van de bevolking en dus van de revolutie, binnen de Cubaanse maatschappij.[7]

De Universitaire Studentenfederatie FEU dateert van 1922 en had al in de decennia vóór de revolutie een sterk revolutionaire traditie opgebouwd. Vandaag groepeert ze alle universiteitsstudenten in Cuba, en dat zijn er dankzij de toegankelijkheid van het onderwijs meer dan 110.000.[8]

In de eerste jaren van de revolutie werden ook verschillende cruciale nieuwe organisaties opgericht. Een van de belangrijkste is de Vrouwenfederatie FMC; zij heeft een erg grote impact in de samenleving.[9] De oprichting van de FMC in 1960 was een strategische keuze in de strijd voor de opbouw van een nieuwe maatschappij, tegen het ingebakken paternalisme en machismo en voor de gelijkberechtiging van de vrouw. De Federatie verenigde verschillende revolutionaire vrouwengroepen. In de loop van haar bestaan beperkte het FMC zich niet tot het verdedigen van de rechten van de vrouw, maar gaf ook de aanzet tot de verovering van gelijke rechten voor mensen met een andere seksuele geaardheid. Vandaag telt het FMC ongeveer 4 miljoen leden.

Op 28 september 1960 riep Fidel Castro op tot het oprichten van comités in elke wijk om de revolutie te beschermen. Dat gebeurde toen tijdens een toespraak een aantal explosies weerklonken. Het waren sabotagedaden tegen de revolutie, die in de eerste jaren frequent voorkwamen. Via de oprichting van de CDR[10] werd de hele bevolking gemobiliseerd voor het revolutionair project. Aanvankelijk ging het in de eerste plaats om het voorkomen van aanslagen en terreur georganiseerd door contrarevolutionairen. Vandaag zijn de belangrijkste taken van het wijkcomité het oproepen tot deelname aan de verkiezingen, het aansporen tot bloed geven, het organiseren van feesten in de wijk, het op tijd ontdekken van sociale problemen, het opruimen en netjes houden van de buurt, enz. De CDR groeperen vandaag bijna 8 miljoen Cubanen.

In mei 1961 werd de ANAP opgericht, de organisatie van kleine boeren, die de meer dan 330.000 coöperativisten omkadert, voortbouwend op een revolutionaire boerenorganisatie die al vóór de revolutie vorm kreeg.

Daarnaast bestaan nog heel wat andere bewegingen, zoals die van de oud-strijders, van de middelbare scholieren en de jeugdbeweging van de Pioniertjes (OPJM, Organización de Pioneros José Martí) en een reeks organisaties rond professionele of maatschappelijke thema’s.

Via de sociale organisaties wordt de bevolking gesensibiliseerd, georganiseerd en gemobiliseerd. De sociale organisaties spelen een cruciale rol in de Cubaanse maatschappij. We komen er later op terug. Nu al een voorbeeld uit 1994, het dieptepunt van de Speciale Periode. In de strijd tegen de economische crisis en voor het betaalbaar houden van de sociale verworvenheden, wilde de regering een belasting op het loon invoeren. Die maatregel werd echter afgewezen in de meer dan 80.000 arbeidersparlementen die de vakbond toen in de bedrijven organiseerde[11] en op die basis niet weerhouden in het parlement. Uit dit voorbeeld blijkt meteen dat de vakbond, of andere sociale organisaties autonoom optreden op hun terrein.

De staatsinstellingen en de volksmacht

De volksmacht (Poder Popular) en de staatsinstellingen van Cuba dateren van 1976. Na de revolutionaire machtsovername in 1959 werd het marionettenparlement van dictator Batista ontbonden. De nieuwe ministerraad kreeg wetgevende bevoegdheid. De progressieve grondwet van 1940, die nooit echt in voege was geweest, werd in ere hersteld. Op 7 februari 1959 kondigde de regering de Fundamentele wet van de Republiek af die het institutionele leven voorlopig regelde. De regering keurde de nodige wetten goed om het programma van de revolutie uit te voeren. In die beginperiode waren verschillende politieke partijen nog toegelaten, zolang ze niet contrarevolutionair waren.

Ondertussen werden hier en daar experimenten van participatieve democratie doorgevoerd. Op basis daarvan werden een volledig nieuwe grondwet en staatsinstellingen uitgewerkt.

De Fundamentele wet bleef van kracht tot de nieuwe grondwet van 1976 per referendum werd goedgekeurd. Het was de eerste socialistische grondwet in het westelijk halfrond. Een voorlopig ontwerp werd gedurende het hele jaar 1975 openbaar besproken. Meer dan 6 miljoen mensen namen eraan deel. 60 van de 141 artikelen werden geamendeerd. Over de grondwet kwam er op 15 februari 1976 een nationaal referendum. 98 % van de kiesgerechtigde bevolking nam eraan deel. 97,7 % stemde voor.

Nog twee keer werd de grondwet geamendeerd. Een eerste keer in 1992, opnieuw na een ruime consultatie van de bevolking. Cuba zat toen in volle Speciale Periode; het land kende een zware economische crisis veroorzaakt door het wegvallen van de handelsrelaties met de Sovjet-Unie en het Oostblok en het verscherpen van de VS-blokkade. Om die crisis te lijf te gaan besloot men niet over te gaan tot kaderwetten of volmachten, maar tot het versterken van de democratie. Vanaf 1992 worden ook provincieraadsleden en parlementsleden rechtstreeks verkozen (tot dan gebeurde dat getrapt) en zijn zij ook afzetbaar door hun kiezers.

Op 10 juni 2002 stelden de Cubaanse sociale organisaties opnieuw een referendum voor in antwoord op het Varela-project van de, door de VS aangestuurde, dissidentie.[12] Het referendum bepaalde dat het socialistisch karakter van de Cubaanse grondwet en het revolutionair politiek en sociaal systeem dat daaruit voortkomt, onomkeerbaar is. Meer dan 8 miljoen kiesgerechtigden tekenen het referendum op 15, 16 en 17 juni 2002. Op 12 juli stemde het parlement in een speciale zitting het voorgelegde amendement. Dat gaf aanleiding tot de grondwet zoals hij nu voorligt.[13]

De rol van de partij, de massaorganisaties en de staat in het Cubaanse socialisme

Wat is de specifieke rol van de partij, de staat en de sociale organisaties in Cuba en wat zijn hun onderlinge relaties? Eén zaak is zeker: de participatieve socialistische democratie in Cuba zorgt ervoor dat de Cubaanse leiding tot op heden een zeer grote legitimiteit bezit en brede steun geniet binnen de bevolking.

De partij

Sinds de eenmaking van de revolutionaire krachten in één politieke partij, de PCC[14], in oktober 1965, is er in Cuba maar één politieke partij actief. Die partij speelt echter een volledig andere rol dan de partijen binnen het kapitalistische verkiezingssysteem.

Volgens de Cubaanse grondwet is de martiaanse[15] en marxistisch-leninistische communistische partij, die de georganiseerde voorhoede van de Cubaanse natie vormt, de hoogste leidende kracht in de maatschappij en de staat. Zij organiseert en oriënteert de gezamenlijke inspanningen in de richting van de opbouw van het socialisme en de vooruitgang naar een communistische samenleving.

De Cubaanse grondwet beschrijft vervolgens de Unie van Communistische Jongeren als de voorhoede-organisatie van de Cubaanse jeugd. Ze kan rekenen op de erkenning en stimulans van de staat in haar functie om de actieve deelname van de jeugd in de opbouw van het socialisme te bevorderen en om de jongeren adequaat op te leiden tot bewuste burgers die bekwaam zijn om steeds grotere verantwoordelijkheden op te nemen voor de samenleving.[16]

Ferme machtspositie zul je allicht denken. Daarom alvast een eerste relativering: de Cubaanse bevolking heeft ook het grondwettelijk recht om zich te verzetten tegen om het even wie die de grondwet niet respecteert, gewapend verzet incluis.

Het behoud van de leidende rol van de PCC in de Cubaanse samenleving hangt echter minder van een artikel in de grondwet af dan van de manier waarop ze werkt en zich voortdurend versterkt met nieuwe krachten.

In Cuba verleent het lidmaatschap van de partij je geen enkele voorkeursbehandeling. Je wordt er niet rijk van. Integendeel, lid zijn van de partij betekent in de eerste plaats een grotere maatschappelijke inzet. In alle bedrijven organiseert de partij regelmatig rekruteringsvergaderingen. Daar kan iedereen aan deelnemen, ongeacht of hij of zij lid is van de partij. Het is de plaats waar je je werkmakker of collega kan voorstellen als partijlid, als je meent dat hij of zij daarvoor in aanmerking komt door zijn of haar sociale inzet. Op die manier probeert de partij de voorhoede, de meest geëngageerden die maatschappelijk erkend en gerespecteerd worden, in haar rangen op te nemen. Het spreekt vanzelf dat de kandidaat akkoord moet gaan met zijn eventuele opname als partijmilitant. Verliest een partijmilitant zijn band met de basis, dan kan dit aanleiding zijn om hem uit de partij te zetten.[17]

Deze manier van werken verklaart ongetwijfeld voor een belangrijk stuk waarom de PCC na meer dan 50 jaar revolutie nog altijd het grootste respect geniet van de bevolking. Deze vorm van rekruteren garandeert ook dat het gros van de leden werkende mensen zijn. Ze staat borg voor een kwaliteitsvolle partij die een directe band heeft met de bevolking. Ze zorgt er ook voor dat de bevolking op haar beurt zelf vat heeft op het zuiver houden van de partijrangen. De PCC heeft vandaag ongeveer 800.000 leden. Er is de laatste jaren hard gewerkt aan de vertegenwoordiging van vrouwen in de leidende organen. Momenteel zijn 41 % van de leden van het Centraal Comité vrouwen.

De PCC werkt volgens het principe van het democratisch centralisme. Dat komt neer op een wisselwerking tussen de grootst mogelijke interne democratie en een bewuste discipline naar buiten uit. De leiding is steeds collectief, maar de verantwoordelijkheid is individueel. Op die manier wordt de volledige vrijheid van opinie en discussie gecombineerd met eenheid van handelen van alle partijorganisaties.

Alle verantwoordelijke functies in de PCC worden verkozen, van de basis tot de top. Vóór men iemand kiest worden de mensen geraadpleegd die de kandidaat het beste kennen, namelijk de werkmakkers of collega’s en de buren in de wijk.

De grondwet erkent de partij als drijvende kracht van de revolutie, niet als het bestuur van het land. In het Cubaanse socialisme speelt de partij geen electorale rol. Ze heeft wel een belangrijke ideologisch-pedagogische en economisch-politieke rol.

Op ideologisch en pedagogisch vlak stuurt de partij de Cubaanse maatschappij aan via de kracht van het voorbeeld van haar leden en via haar overtuigingskracht. De PCC speelt van in het begin een grote rol bij het vormen van de Nieuwe Mens[18], een door Che Guevara ontwikkeld concept. Het socialisme draait de waardeschaal van het kapitalisme om. Waar het kapitalisme individualisme, hebzucht en ongebreidelde consumptiedrang kweekt, zet het socialisme daar solidariteit, altruïsme en duurzaamheid tegenover. Het spreekt vanzelf dat dit niet op één twee drie verworven is. De partij speelt een doorslaggevende rol bij het stimuleren van het maatschappelijk debat voor de socialistische waarden en tegen de misbruiken zoals corruptie of diefstal.

Dat is bijvoorbeeld ook zo voor de houding tegenover homoseksuelen binnen de Cubaanse maatschappij. Al in 1975 wilden sleutelpersonen binnen de partijleiding het terrein effenen voor het homohuwelijk. In het ontwerp van de grondwet stond het huwelijk vermeld als een “verbintenis tussen twee personen”. Dat werd toen echter niet gedragen door de bevolking. Na discussie en amendering werd het dus “verbintenis tussen man en vrouw”. Intussen is er gedurende vele jaren gewerkt aan het sensibiliseren van de bevolking, via onderwijs, films en tv-series enzovoort. Een belangrijk element daarin was de met prijzen overladen film Fresa y Chocolate van de bekende Cubaanse regisseurs Tomás Gutiérrez Alea en Juan Carlos Tabío. De film uit 1993 – het jaar overigens waarin de WHO homoseksualiteit als ziekte schrapte – vertelt het verhaal van de sympathieke homoseksueel Diego, die uiteindelijk het eiland verlaat en de verstarde UJC-militant David, die gaandeweg gaat evolueren. Toen de film hier in de zalen kwam dacht menigeen dat het om een contrarevolutionaire prent ging. ‘Hoe kan het dat de Cubaanse partij zoiets toelaat?’ vroeg men zich af. Wat men niet wist is dat het thema in opdracht van het ideologisch departement van de partij gekozen werd, met de bedoeling de discriminatie van homoseksuelen weg te werken, ook binnen de rangen van de partij. Binnenkort wordt verwacht dat een voorstel tot toelaten van het homohuwelijk gestemd kan worden in het Cubaanse parlement.

Naast de ideologisch-pedagogische rol speelt de partij ook een economische en politieke rol. Het socialisme is geen zelfregulerend systeem zoals het kapitalisme. Er komt heel wat denkwerk, planning en sturing, op basis van het marxisme aan te pas. Daarin speelt de partij als kenner van het marxisme een belangrijke rol. De partij beschikt over een uitgebreid systeem van scholen waarin zowel partijleden als niet-leden die bestuursfuncties waarnemen gevormd worden. De partij is ook organisator van de discussie over de te volgen politiek-economische weg onder de bevolking. Een mooi voorbeeld hiervan is de aanpak van de actualisering van het economisch model van de Cubaanse revolutie, dat verder uitgewerkt wordt.

De partij evalueert voortdurend en herdenkt haar eigen werkmethodes, werkstijl, kaderpolitiek en band met de massaorganisaties. Dat bleek opnieuw uit de partijconferentie van de PCC in januari 2012. Daarop werd ondermeer het democratisch centralisme, de collectieve leiding en het absoluut belang van de band met de massa’s herbevestigd. De conferentie besloot dat de partij terug moet naar de kern van haar politieke en ideologische taken, tegen de paternalistische tendensen in waarbij partijverantwoordelijken het werk opknappen in plaats van de Poder Popular (de bestuursniveau’s). Ook de relatie met de sociale organisaties werd doorgelicht. Het respect voor het autonoom en democratisch functioneren ervan werd herbevestigd. Partijleden binnen die organisaties hebben als hoofdtaak het goed functioneren ervan te ondersteunen en niet het nemen van de beslissingen in de plaats van die organisaties.

Als hoofdtaak werd het werk aan de revolutionaire ideologie en het promoten van de ethische en humanistische waarden als basis van de revolutionaire praktijk gedefinieerd. Het zeer zelfkritisch basisdocument werd besproken en geamendeerd op 65.000 partijvergaderingen en vergaderingen van de UJC. Er werden meer dan een miljoen amendementen aangebracht. De eindversie werd goedgekeurd door de afgevaardigden van de conferentie. Zo werkt de PCC aan het hernieuwen van zichzelf en aan het bewaren van zijn voorhoedekarakter en verzekert ze zich het behoud van de erkenning en het respect van de gehele bevolking

Het staatsapparaat

Zoals hierboven al aangegeven is de PCC geen electorale partij. Ze neemt niet deel aan de verkiezingen. De Cubaanse grondwet sluit de politieke organisaties uitdrukkelijk uit van die deelname. De partij of de UJC hebben niet het recht om als dusdanig kandidaten voor te stellen of campagne voor hen te voeren. Ze hebben een andere, hierboven beschreven rol. De Cubaanse grondwet identificeert het verkozen parlement, de Asamblea Nacional del Poder Popular, als de hoogste staatsmacht.[19]

Kiezers stellen zelf de lijsten op

Op het gemeentelijk niveau is de kiesgerechtigde bevolking ingedeeld in districten van ongeveer 2000 kiezers. In tegenstelling tot ons representatief meerpartijensysteem waar de partijleidingen bepalen wie waar op de lijst komt, stellen de Cubaanse burgers zelf hun kieslijsten op. In wijkvergaderingen stelt de bevolking direct kandidaten voor. De kandidatuur wordt al dan niet weerhouden via handopsteking. Iedereen die kiesgerechtigd is kan vanaf de leeftijd van 18 jaar kandidaat zijn. Per mandaat kan men minimum 2 tot maximum 8 kandidaten op de lijst plaatsen. Verkiezingspropaganda bestaat niet. De kandidaten worden uitgehangen met een foto en een kort curriculum op veelbezochte plaatsen in de wijk. De gemeentelijke verkiezingen worden om de 2,5 jaar georganiseerd. Stemmen is vrij en geheim, vanaf de leeftijd van 16 jaar. Om verkozen te worden moet je meer dan 50 % van de stemmen halen. Het resultaat hiervan is dat je in de gemeenteraden een doorsnede van de bevolking terugvindt. Op dit niveau is ongeveer een derde van de verkozenen lid van de partij. Verkozenen zijn afzetbaar en moeten minstens twee keer per jaar verantwoording afleggen aan hun kiezers.

Op provinciaal en nationaal niveau is het direct voorstellen van kandidaten niet haalbaar, omdat het niet mogelijk is om de mensen persoonlijk te kennen op die schaal. Op dat niveau stellen kiescommissies lijsten op. Bij de recente verkiezingen in 2013 waren meer dan 61.000 mensen betrokken bij die commissies.

De leden van de kiescommissie zijn afgevaardigden van de grote sociale organisaties en staan steeds onder leiding van de vakbond CTC. De sociale organisaties stellen kandidaten voor op de lijst op basis van quota afhankelijk van hun aantal leden. De kandidaten worden daartoe verkozen door de leden. Bij dat proces waren in 2013 ongeveer 2 miljoen mensen betrokken. Op de lijst komen evenveel kandidaten als te begeven mandaten. De helft van hen moet ook verkozen zijn in de gemeenteraden, dat wil zeggen rechtstreeks door de bevolking naar voor geschoven. De gemeenteraden moeten de lijsten ook goedkeuren. Ook hier moet je om verkozen te worden meer dan 50 % van de stemmen halen. Als een kandidaat dit niet haalt blijft het mandaat leeg of moet de procedure voor dat mandaat herbegonnen worden. De provinciale en nationale verkiezingen worden om de vijf jaar georganiseerd, volgend op de gemeenteraadsverkiezingen.

Ondanks het feit dat kiezen niet verplicht is nemen ongeveer 97 % van de kiesgerechtigden deel. 10 % stemt blanco of ongeldig. Een verkozene moet minstens tweemaal per jaar verantwoording afleggen voor zijn kiezers. Net als bij de gemeenteraden vind je in de provincieraden en het parlement een doorsnede van de bevolking. 10 van de 15 provincieraadsvoorzitters zijn vrouwen. In het parlement zijn ongeveer twee derden van de verkozenen lid van de partij. Zonder ritssysteem waren 48,9 % van de verkozenen in 2013 vrouw.

Het parlement zetelt tweemaal per jaar gedurende een week. Indien nodig kunnen extra zittingen bijeengeroepen worden. Het parlementaire werk gebeurt in commissies. Een parlementszetel levert geen extra inkomen op. Parlementsleden krijgen politiek verlof om hun taak waar te nemen.

Het Cubaanse Parlement is het hoogste staatsorgaan. De verkozenen van het volk hebben zowel wetgevende als uitvoerende taken. Het parlement kiest uit zijn leden de staatsraad en de voorzitter en vice-voorzitters van de staatsraad. De staatsraad vertegenwoordigt het parlement tussen de zittingen. Momenteel is Raúl Castro voorzitter van de staatsraad. Het parlement kiest ook de ministers, op voordracht van de staatsraad. Ministers zijn specialisten in hun vak. Ze kunnen vervangen worden als ze niet voldoen, maar ze kunnen ook verschillende legislaturen in functie blijven.

Het parlement kiest ook de rechters van het hoogste gerechtshof en de openbare aanklagers. De rechterlijke macht is autonoom voor zijn rechtspraak maar legt op regelmatige tijdstippen verantwoording af aan het parlement.

De rol van de partij, de massaorganisaties en de staat tijdens de recente economische hervormingen

Cuba wordt regelmatig afgeschilderd als een ondemocratisch land, omdat het maar één partij heeft. Maar in feite is de Cubaanse bevolking in een constant debat gewikkeld over hoe het maatschappijproject te verbeteren. Onderweg corrigeren wat fout loopt. Dat gebeurde midden de jaren 1980 toen de negatieve effecten van het kopiëren van een aantal Sovjetmechanismen in de economie aangepakt moesten worden. Of nog eens in de jaren 1990 toen er dringend een aantal economische maatregelen moesten genomen worden om de enorme economische crisis door te komen. Cuba verloor toen in één klap alle economische banden met de Comecon, terwijl de VS met de wetten Torricelli en Helms-Burton de hele wereld onder druk zetten om geen handel met het revolutionaire eiland te drijven. De filosofie achter dat betrekken van de hele bevolking is steeds dezelfde: de maatschappij verbeteren op basis van de grootst mogelijke consensus rond de te nemen maatregelen.

Al in november 2005 had de PCC de discussie gelanceerd rond corruptie en rond de kwestie van het naleven van het socialistisch principe ‘loon naar werk’. Die discussie werd onderbroken door de plotse ziekte van Fidel Castro en de daarop volgende opleving van agressief opbod door het Bush-regime in de VS. In 2007 lanceerde de PCC het maatschappelijk debat opnieuw.[20] Het werd gevoerd op alle niveaus en onder alle bevolkingsgroepen, de werkende mensen, de studenten, de mensen in de wijk. Iedereen kon zijn mening geven over wat verbeterd kon worden en over hoe de problemen aan te pakken. De bevolking was niet mals voor de werking van ministeries zoals dat van landbouw, transport, diensten of woningbouw. Ze wilden meer discipline op die ministeries. Ze wilden dat het ‘verdwijnen’ van middelen stopte, de corruptie die – hoewel op kleine schaal – wel degelijk bestaat. Ze klaagden de soms overdreven bureaucratie aan. Alle ideeën, kritieken, suggesties, van welke aard ook konden aangebracht worden. Het debat gebeurde niet alleen binnen de partij. Het werd gelanceerd in alle sociale organisaties. Een doorsnee Cubaan, die lid is van zijn CDR of wijkcomité, de vakbond, de studentenorganisatie of de vrouwenorganisatie en al dan niet militant van de partij, krijgt de gelegenheid om op al deze niveaus zijn stem te laten horen.

Die oefening duurde bijna een jaar. Uit alle opmerkingen, kritieken en suggesties filterde de partij een basisdocument voor discussie, een eerste versie van het basisdocument voor het Zesde Congres van de PCC, de zogenaamde richtlijnen voor de actualisering van het economisch beleid van Cuba.

Dit document werd opnieuw door de hele bevolking besproken: binnen de partij en de UJC, maar ook binnen alle sociale organisaties. Uit die discussies kwamen opnieuw meer dan een miljoen amendementen. De originele tekst werd volledig herwerkt op basis van deze grootschalige consultatie van de bevolking. Op die manier werkt men ook naar een groeiende consensus toe rond de te kiezen weg. De hele procedure wordt begeleid en in goede banen geleid door de PCC.

In april 2011 volgde dan het Zesde Partijcongres op basis van het volledig herwerkte basisdocument. De afgevaardigden voerden de discussie op basis van dit document en konden de laatste amendementen voorstellen. Dat leidde tot de goedkeuring van een basistekst[21] die vastlegt welke richting de Cubaanse revolutie uit wil op economisch vlak.

Het hele traject, dat naar een aantal ingrijpende hervormingen leidt terwijl tegelijk de planeconomie en het socialisme herbevestigd worden, liep over een vijftal jaren. Daarin speelde de PCC ten volle haar opvoedende en richtinggevende rol op maatschappelijk vlak en stuurde ze de discussie in de richting van een zo hoog mogelijke consensus.

Tot hier ging de directe rol van de partij en de inbreng van de sociale organisaties.

Sinds april 2011 is het project in handen van de verkozenen in het parlement. Daar werken parlementairen in commissies en in plenum nieuwe wetgevingen uit om het richtinggevend document om te zetten in concrete politiek. Ze weten dat ze daarvoor kunnen steunen op de overgrote meerderheid van de bevolking die hen verkozen heeft.

Katrien Demuynck is historicus en auteur. Zij is coördinator van de beweging Initiatief Cuba Socialista en kreeg voor haar journalistieke werk meerdere onderscheidingen in Cuba.


[1] Slottoespraak van Raúl Castro op de Conferentie van de PCC, 29 januari 2012. http://www.cuba.cu/gobierno/rauldiscursos/2012/esp/r290112e.html.

[3] Die overwinning werd onmiddellijk gekaapt door de VS, die tussenkomen, direct onderhandelen met de Spanjaarden en het eiland een semikoloniale status gaven.

[5] K. Demuynck, M. Vandepitte, De Factor Fidel, Garant 2008, p. 36.

[6] F. Castro Ruz, Reunión en el Comité Provincial de las ORI en Matanzas, Cuba Socialista, nr 9, jaargang II, mei 1962, p. 12.

[11] M. Vandepitte, De Gok van Fidel, EPO 1998, p. 79.

[15] De ideoloog en bevrijdingsstrijder José Martí wordt in Cuba erkend als één van de grondleggers van het ideeëngoed van de revolutie op vlak van ethische waarden, anti-imperialisme en Latijns-Amerikanisme. Zie K. Demuynck, M. Vandepitte, De Factor Fidel. GARANT 2008, p. 94 e.v. en ook de interessante paper van J.L. Canizares Cardenas op http://www.nodo50.org/cubasigloXXI/congreso08/conf4_canizaresc.pdf.

[16] Artikel 5 en 6 van de Cubaanse grondwet. Zie: http://www.cuba.cu/gobierno/cuba.htm.

[17] E. Suárez Pérez, “De Cubaanse Communistische Partij en haar banden met de massa’s: een onontbeerlijk principe”, Marxistische Studies, nr. 79, 2007. Zie: http://marx.be/nl/content/archief?action=get_doc&id=73&doc_id=385.

[18] Che Guevara, El socialismo y el hombre en Cuba, 1965. Zie: http://www.marxists.org/espanol/guevara/65-socyh.htm.

[19] Artikel 3 van de Cubaanse grondwet, http://www.cuba.cu/gobierno/cuba.htm . Alle info over de Cubaanse kieswet vind je hier: http://www.parlamentocubano.cu/index.php?option=com_content&view=article....

[21] VI Congreso del Partido Comunista de Cuba, Lineamientos de la política economíca y social del Partitido y la Revolución, 18 april 2011. Zie: http://www.granma.cubaweb.cu/secciones/6to-congreso-pcc/Folleto%20Lineam...