De aanval van de Belgische regering op het stakingsrecht

Auteur: 
Jan Buelens

De rechtse coalitieregering Michel -De Wever die in oktober 2014 het levenslicht zag, is vast van plan het stakingsrecht te beperken.[1] Hoewel in het regeerakkoord uitsluitend de publieke sector wordt geviseerd door het opleggen van een gegarandeerde dienstverlening, kondigden de regeringspartijen onmiddellijk nadien aan dat ze het stakingsrecht nog op andere manieren willen afbouwen. Concreet gaat het dan om het garanderen van het ‘recht op werken’, het in twijfel trekken van ‘politieke stakingen’ en het tussenkomen van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken.

     Wat betekent het stakingsrecht anno 2015 in België? Welke gevaren komen op ons af? Hoe moeten we deze aanvallen begrijpen? Hoe kunnen we ze kaderen in een Europese en internationale context? En welke troeven hebben de progressieve beweging en de vakbonden om deze aanvallen te counteren?

Ontstaan en inhoud van het stakingsrecht

Om deze aanvallen te kunnen situeren, moeten we eerst en vooral weten waar het stakingsrecht vandaan komt en wat het inhoudt.

     Vandaag zou men eraan kunnen twijfelen, maar eigenlijk is het stakingsrecht een jong grondrecht.[2] Natuurlijk hebben er altijd stakingen bestaan, maar de juridische erkenning ervan heeft lang op zich laten wachten.

     Toen België in 1830 werd opgericht schreven de nieuwe machthebbers een recht op vereniging in de Grondwet in. Dit recht was niet bedoeld voor de ontluikende arbeidersklasse, die er zich echter ook op wou beroepen. Tot 1867 bestond er een coalitieverbod (de zogenaamde Wet Le Chapelier), wat inhield dat werknemers zich niet mochten verenigen met het oog op een hoger loon. Toen dit coalitieverbod in 1867 werd afgeschaft, gooiden de machthebbers het over een andere boeg: ze voerden artikel 310 in het Strafwetboek in, dat straffen uitdeelde aan wie staakte.

     Pas in 1921 werd dit artikel afgeschaft. Niet toevallig na de Eerste Wereldoorlog en als verworvenheid van de arbeidersklasse. Vanaf toen kon men als staker dus niet meer de gevangenis invliegen, maar er was wel een andere manier om stakingen te beteugelen: wie staakte, werd ontslagen. Pas in 1967 zal het Hof van Cassatie[3] deze praktijk verbieden[4]. Na de Tweede Wereldoorlog werd de wet van 19 augustus 1948 ‘op prestaties in vredestijd’ ingevoerd die vastlegt dat in bepaalde sectoren die vitale prestaties verzekeren, opeisingen kunnen plaatsvinden. Maar een algemene, Belgische wet op de staking werd nooit aangenomen. Het ontbreken van een algemene wet is steeds een actiepunt van de vakbonden geweest vanuit de correcte visie dat elke regeling van het stakingsrecht alleen maar een beperking ervan kan betekenen.

     In de periode tussen 1921 en 1981 trad de politie ook – hard – op tegen stakingen en acties.

     Het is vooral de Cassatie-uitspraak van 21 december 1981 die het Belgische stakingsrecht zal vormgeven.[5] In die uitspraak worden twee belangrijke principes vooropgesteld. Ten eerste kan in België gestaakt worden om eender welke reden. Alle soorten stakingen zijn dus legaal, ongeacht het doel (in sommige landen zijn stakingen tegen de overheid of uit solidariteit verboden). Ten tweede zijn alle soorten stakingen legaal, ongeacht de wijze waarop ze zijn ontstaan (spontaan of aangezegd, ook dit is niet het geval in alle landen). In 1997 zal het Hof van Cassatie het stakingspiket als onderdeel van het stakingsrecht kwalificeren.

     Naast de rechtspraak van het Hof van Cassatie, zal het Belgische stakingsrecht ook meer en meer worden beïnvloed door internationale regels.

     Reeds in 1948 wordt in de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna IAO)[6] verdrag nr. 87 gesloten over de syndicale vrijheid. De expertencomités die toezien op de naleving van dit verdrag zullen een progressieve invulling geven aan het stakingsrecht, met name dat het slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden beperkt. De grens wordt meestal gelegd bij de vraag of er sprake is van geweld of intimidatie.[7]

     In 1961 wordt het Europees Sociaal Handvest aangenomen. Ook dit internationaal mensenrechtenverdrag bevat een artikel dat het recht op collectieve actie erkent. Dit artikel heeft directe werking in de Belgische rechtsorde. Het Europees Comité voor Sociale Rechten dat het Handvest interpreteert, geeft een progressieve invulling aan het stakingsrecht, vergelijkbaar aan die van de IAO.[8] Hetzelfde gebeurt met het Internationaal Verdrag voor Economische, Sociale en Culturele Rechten uit 1966.

     België heeft de belangrijkste verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie evenals het Europees Sociaal Handvest en het Internationaal Verdrag voor Economische, Sociale en Culturele Rechten geratificeerd. Voor de Belgische rechtbanken kan men zich zeker beroepen op het Handvest.

     Maar het stakingsrecht moet nog altijd gedeeltelijk zijn plaats veroveren. Pas in 2008 erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bijvoorbeeld dat het stakingsrecht een onderdeel is van de syndicale vrijheid en dus beschermd is door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.[9]

Onder druk vanaf de jaren 1970

Vanaf de crisis van 1973 waait de wind van het neoliberalisme ook door België. Dit leidt tot meer arbeidsconflicten.

     Zeker na het arrest De Bruyne van 1981, schakelen de werkgevers een versnelling hoger en trachten vanaf dan stakingspiketten te laten verbieden via de rechtbanken. In eerste instantie trekken ze naar de arbeidsrechtbanken, die de verzoeken afwijzen omdat ze enkel kunnen tussenkomen in individuele geschillen (en dus geen collectieve). Na verloop van tijd trekken de werkgevers dan naar de burgerlijke rechtbanken, waar ze wel gehoor krijgen. De voorzitters van deze rechtbanken beslissen vaak op eenzijdig verzoekschrift[10] om bepaalde acties te verbieden – in het bijzonder blokkades van ondernemingen – die volgens hen niets te maken hebben met het stakingsrecht. Ze omschrijven deze acties als zogenaamde (van de staking) afsplitsbare handelingen, feitelijkheden. Aangezien de tegenpartij niet wordt gehoord, zijn deze actieverboden dan nog geldig tegen ‘eenieder’. Dat komt erop neer dat in principe enkel een burgemeester deze maatregelen kan nemen.[11] Eigenlijk komt dit neer op een herinvoering van artikel 310 van het Strafwetboek maar dan via burgerlijke in plaats van strafrechtelijke weg. Het resultaat is echter hetzelfde.[12]

     Tot midden van de jaren 1980 werd aangenomen dat sociale conflicten moesten worden geregeld tussen partijen, eventueel via verzoening en bemiddeling, en dat de rechtbanken hier geen rol hadden te spelen.[13] Dit was het resultaat van sociale strijd.[14]

     Dit beroep op de rechtbanken neemt nog toe vanaf het moment dat in 1980 de dwangsom wordt ingevoerd in het Belgisch recht.

     In 1984 lanceert het VBO haar wensdromen over sociale conflicten.[15] Ze vertalen de politiek van Thatcher naar België. In het document is er onder andere sprake van een rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden, het beperken van stakingen tot bedrijfsbelangen en het aanmoedigen van de tussenkomst van de rechtbanken.

     Vanaf de jaren 1980 gaan werkgevers dan ook systematisch naar de rechtbank met de vraag naar een actieverbod. Het gaat hierbij om tientallen procedures per jaar. Vaak kregen de werkgevers gelijk, wat ook te maken had met het feit dat enkel hun woord werd gehoord/geloofd (zoals in de 19e eeuw in het Burgerlijk Wetboek was ingeschreven).

     Daar waar de werkgever tot het begin van de jaren 2000 nog moest aantonen dat er geweld dreigde of werd gebruikt of dat het bedrijf werd geblokkeerd, werd de rechtspraak hoe langer hoe repressiever: het volstond vaak om te komen aandraven met een persbericht, een e-mail of een pamflet waarin een vakbondsafgevaardigde wat straffe taal gebruikte. Het ging dan ook om puur preventieve verboden, dit wil zeggen vooraleer er enige actie had plaatsgevonden.

Tegenoffensief van de vakbonden

De vakbonden hebben steeds de mogelijkheid gehad de rechterlijke verboden te betwisten, maar tot het begin van de jaren 2000 zagen ze het nut er niet echt van in. Meestal was de actie immers al gebroken en kon een gerechtelijke procedure dat kwaad niet meer herstellen. Bovendien stelden ze het principe voorop dat de rechtbanken niet mochten tussenkomen in sociale conflicten en leek het beginnen van een procedure dan ook strijdig met dit uitgangspunt. Wel circuleerden er petities die een einde vroegen aan de dwangsommen.

     In 2001 lanceerde minister Onkelinx (PS) haar voorstel om geschillen over collectieve conflicten te laten beoordelen door de arbeidsrechtbanken. De vakbonden kantten zich hiertegen en het voorstel werd afgevoerd. In plaats daarvan kwam een herenakkoord tot stand tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties: de werkgevers engageerden zich om niet naar dwangsommen te grijpen en vakbonden om geen spontane acties te dekken. Dit

     Toen de distributieketen Carrefour in 2008 een grootscheepse herstructurering doorvoerde[16], veranderden de vakbonden echter het geweer van schouder. Ze beslisten om voortaan systematisch beroep aan te tekenen tegen de rechterlijke stakingsverboden. Tegelijk dienden ze een collectieve klacht in bij het Europees Comité voor Sociale Rechten dat toeziet op het Europees Sociaal Handvest. Eind 2011 besliste dit gezaghebbend Comité dat de Belgische praktijk van eenzijdige verzoekschriften strijdig was met het Europees Sociaal Handvest. Concreet kunnen volgens het Comité gerechtelijke beslissingen die acties verbieden zonder dat er sprake was van geweld of intimidatie niet door de beugel. Preventieve procedures zijn dus uit den boze. Tevens werd de praktijk van eenzijdige verzoekschriften (waarbij alleen de werkgever wordt gehoord) als strijdig met het beginsel van procedurele rechtvaardigheid aangemerkt. Het gaat om uitzonderingsrechtspraak. Het recht van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op openbaarheid van proces worden in één pennentrek uitgeschakeld. In het verlengde van de voorgaande beslissing van het Europees Comité besliste het Hof van Cassatie op 8 december 2014 daarom terecht dat men geen gebruik kan maken van de procedure van het eenzijdig verzoekschrift zodra men enkele deelnemers aan de stakingsactie kent. In dat geval moet men immers een gewone procedure volgen, en geen uitzonderingsprocedure.

     Op basis van het systematisch betwisten van gerechtelijke beslissingen, ondersteund door de Europese veroordeling, konden de vakbonden enkele mooie successen boeken. Diverse gerechtelijke beslissingen werden herroepen.[17] Tevens werden burgerlijke rechtbanken terughoudender om de werkgever gelijk te geven op eenzijdig verzoekschrift.[18] Tijdens de acties tegen het regeerakkoord in het najaar van 2014 werden bijna geen voor de werkgever voordelige uitspraken gesignaleerd.[19] Verschillende rechtbanken hadden ook wel begrepen dat de werkgevers hen voor hun kar wilden spannen om een sociaal conflict in hun voordeel om te buigen en dat ze slechts de helft van het verhaal te horen kregen. Ook op juridisch vlak blijft het echter een constante ‘strijd’.

Stakingsrecht in het vizier van de rechtse regering

Het is natuurlijk niet omdat de vakbonden een slag voor de rechtbanken hebben gewonnen dat de werkgevers en de regering stil zitten. Integendeel, zij hebben het blijkbaar moeilijk met het principe dat dit fundamenteel werknemersrecht wordt uitgeoefend.

     Met het aantreden van de rechtse regering in het najaar van 2014 zag men de kans schoon om eindelijk een regeling voor het stakingsrecht op te dringen. Tot nog toe werden voorstellen in die zin afgehouden door het verzet van de vakbonden, maar nu zal de strijd hierover ongetwijfeld heviger worden.

     Concreet gevaar dreigt uit drie hoeken. Ten eerste het regeerakkoord, ten tweede het ideologische debat dat plaatsvond tijdens de decemberstakingen en ten slotte de tussenkomst van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken. Deze drie facetten kunnen aanleiding geven tot wetswijzigingen en worden hieronder besproken.

Regeerakkoord wil gegarandeerde dienstverlening tijdens stakingen

In het regeerakkoord wordt een gegarandeerde dienstverlening tijdens stakingen in het vooruitzicht gesteld en dit in drie sectoren: NMBS, gevangenissen en Belgocontrol.

     Onmiddellijk valt hierbij de terminologie op. Daar waar er vroeger werd gesproken over de invoering van een minimale dienstverlening, is dit nu verveld tot een gegarandeerde dienstverlening. Dit is niet meer of minder dan een complete negatie van het stakingsrecht: als de dienstverlening gegarandeerd moet worden tijdens stakingen, bestaat er in de feiten geen stakingsrecht meer. Nu al is de procedure die de vakbonden moeten volgen vooraleer tot staking in een openbare dienst te kunnen overgaan bijzonder zwaar.[20]

     Over de concrete realisatie van het idee werd blijkbaar evenmin nagedacht.

     Laten we het voorbeeld van de NMBS nemen.

     Het is volstrekt onmogelijk dat de NMBS met een minimum aan personeel en machines een efficiënte en veilige dienstverlening zou kunnen organiseren voor de reizigers. Het volstaat om naar de staking van juni 2014 in Frankrijk te kijken: spanningen tussen de ‘prioritaire’ passagiers en anderen, overvolle treinen, talloze veiligheidsproblemen, kortom één chaos.

     Zonder enige twijfel gaat er dan ook een andere doelstelling schuil achter de gegarandeerde dienstverlening, namelijk een verregaande beperking van het stakingsrecht. Dit is juridisch en maatschappelijk onverdedigbaar.

     Juridisch onverdedigbaar, omdat het stakingsrecht een individueel mensenrecht is dat slechts zeer uitzonderlijk kan worden beperkt. Er anders over oordelen houdt in dat werknemers van openbare diensten hun democratisch recht wordt ontzegd om niet te gaan werken als ze het niet eens zijn met bepaalde beslissingen van hun werkgever of maatregelen van de overheid die de openbare diensten en de werknemers in het algemeen hard dreigen te treffen. Verplicht worden om te gaan werken als men het werk wil neerleggen, is nu niet meteen een maatregel die geassocieerd wordt met een democratisch regime.

     Maatschappelijk onverdedigbaar omdat het de afgelopen jaren voor iedereen wel duidelijk is geworden dat de NMBS met een groot aantal problemen kampt. Met de regelmaat van een klok signaleren de spoorwerkers en de reizigers deze disfuncties: chronische vertragingen, afschaffing van treinstations en loketten, gebrek aan personeel, slecht onderhouden machines en ga zo maar door. Als het echt de spuigaten uitloopt en de NMBS weigert hierover in overleg te gaan, kunnen de spoorwerkers niet anders dan overgaan tot actie.

     Alternatieve acties zijn best sympathiek en worden zoveel als mogelijk gebruikt, maar als het erop aankomt is en blijft het stakingsrecht het enige middel waarover de werknemers beschikken om enig weerwerk te bieden tegen de economische macht van de werkgever, de NMBS. Meestal is de actie voorafgegaan door talloze pogingen om een dialoog tot stand te brengen die telkens werd afgewezen, iets wat de reizigers niet altijd (kunnen) weten. Jammer genoeg is de NMBS pas bereid tot praten nadat ze geconfronteerd wordt met een staking.

     Op dit vlak wordt graag de indruk gewekt alsof de spoorwerkers niets liever doen dan elke week een dagje het werk neer te leggen. Wie kijkt naar de naakte cijfers, krijgt een heel ander beeld. In 2014 was er welgeteld één nationale staking die verband hield met problemen bij de NMBS, in 2013 geen enkele. Stakingsacties met als doel de dienstverlening van de NMBS te verbeteren, komen uiteindelijk ook de reizigers ten goede. De overige stakingsacties waren vooral lokaal en hielden bijvoorbeeld verband met agressie tegen een treinbegeleider. Kan men de spoorwerkers werkelijk ongelijk geven als ze dan het werk (even) neerleggen?

     Een kwaliteitsvolle spoorwegonderneming en een verbetering van het functioneren van de NMBS zal niet tot stand komen door een gegarandeerde dienstverlening tijdens stakingen maar door druk uit te oefenen op de NMBS en de federale regering om eindelijk de reizigers en werknemers au sérieux te nemen.

     Het is niet toevallig dat de openbare diensten als eerste in het vizier van de regering komen. De regering weet dat het publiek door stakingsacties bij de NMBS ook getroffen wordt en dat ze dus een zekere sympathie kan krijgen voor een beperking van het stakingsrecht. Een tweede reden is zeker het strategisch belang in de economie en de graad van efficiëntie van een staking bij de NMBS.

     Binnen de vakbonden bestaat er een zekere opdeling tussen openbare en private sector. Deze opdeling zal overwonnen moeten worden, want een beperking van het stakingsrecht in de openbare sector zal later ook leiden tot een beperking in de privésector.

     Zo schreef de patronale federatie van de schoonmaaksector naar aanleiding van een staking in een schoonmaakbedrijf: “Deze situatie is niet zo spectaculair als een treinstaking, maar is symptomatisch voor vele bedrijven. Ze toont nog maar eens aan dat de politiek zeer dringend werk moet maken van dwingende regels in verband met de uitoefening van het stakingsrecht en het voeren van sociale acties, zoals die trouwens al jaren bestaan in al onze buurlanden. Deze regelingen moeten niet alleen gelden voor de overheidssector, maar ook voor de privésector. De huidige situatie waarbij enkelingen, zonder enige vorm van verantwoording of sanctie, kleine en grote bedrijven kunnen lam leggen en buiten elke proportie schade toebrengen, is gewoonweg onhoudbaar!”[21]

     Tot slot is in het regeerakkoord vermeld dat de sociale partners eerst mogen overleggen over hoe ze het stakingsrecht willen beperken. Komen ze niet tot een akkoord, weten we al welke richting het uitgaat. Een wettelijke regeling zal besproken worden in het voorjaar van 2015. De vakbonden hebben er alle belang bij deze discussie nu al goed voor te bereiden, aangezien het gevecht om de gegarandeerde dienstverlening tijdens stakingen tegen te houden allesbehalve eenvoudig zal zijn.

Ideologisch debat met juridische gevolgen?

Het regeerakkoord leidde tot hevig verzet. Op basis van het actieplan van de vakbonden werd eerst een nationale betoging georganiseerd op 6 november 2014, vervolgens drie provinciale stakingsdagen om te culmineren in de nationale staking van 15 december 2014. Andere organisaties sloten zich bij deze stakingen aan.

     Deze stakingen gaven op hun beurt aanleiding tot hevige, ideologische discussies over het stakingsrecht en de regering liet zich hierbij evenmin onbetuigd. Daarbij wil zij het stakingsrecht nog verder beperken dan wat al in het regeerakkoord was voorzien. En dit op uitdrukkelijke vraag van het VBO: “Het regeerakkoord spreekt alleen van een minimale dienstverlening, wat niet zal volstaan. Maar wat we absoluut nodig hebben, zijn duidelijke regels, procedures en grenzen, bepaald in een democratisch goedgekeurd wettelijk kader voor het stakingsrecht en in de juiste balans met andere rechten, bv. om te werken, te ondernemen, het eigendomsrecht...”[22]

     Concreet werkt de regering op twee sporen: enerzijds het in twijfel trekken van ‘politieke stakingen’, gericht tegen de overheid en anderzijds het garanderen van het zogenaamde ‘recht op werken’.

Politieke staking

Zodra acties tegen het regeerakkoord werden aangekondigd, werden deze acties afgedaan als ‘politieke acties’. Er werd voorgehouden dat ze als enige doel hadden de regering te doen vallen en dat de vakbonden dus niet de stembusuitslag respecteerden.

     Opvallend was dat dit verwijt unisono zowel vanuit patronale als uit politieke hoek kwam.[23]

     Met dit ideologisch offensief wilde het establishment laten uitschijnen dat het een (partij)politieke staking is, die niets te maken heeft met de pensioenmaatregelen, de indexsprong, de verhoging van de inschrijvingsgelden of andere maatregelen die heel veel burgers en gezinnen treffen. Op die manier wilde zij deze brede verzetsbeweging breken.

     De staking was inderdaad georganiseerd tegen het regeerakkoord. Vooreerst is hier helemaal niets wereldschokkend aan. De Belgische sociale geschiedenis is net het product van politieke stakingen.[24] Wie dit ontkent, doet aan de herschrijving van de geschiedenis. Daarnaast is een dergelijke staking perfect wettelijk in België. Mensen mogen hun stem laten horen. Een regering die haar legitimiteit enkel baseert op een stembusuitslag, en niet op basis van een constant democratisch proces van overleg en onderhandelingen met de verschillende actoren in de samenleving, zou zichzelf beter in vraag stellen. Dit alles los van het feit dat er maatregelen werden genomen die niet in de partijprogramma’s stonden, zoals de verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar.

     De voorzitter van de N-VA, De Wever, zei in een interview dat hij het niet langer neemt als vriend van het grootkapitaal en vijand van de arbeiders” te worden weggezet. Hij voegt daar fijntjes aan toe: “zo’n discours is bijna crimineel”. Een politiek discours als ‘bijna crimineel’ omschrijven is een zeer zware uitspraak, die problematisch is in het licht van het fundamentele recht op vrije meningsuiting. Op die manier viseert De Wever niet alleen de sociale actie, maar ook het politieke debat.[25] Zelf zag hij zich niet gehinderd het ABVV “de gewapende arm van de Parti Socialiste” te noemen.[26]

     In die logica wordt het verzet tegen regeringsmaatregelen meteen afgedaan als verzet tegen de democratie. Aangezien het regeerakkoord de strijd tegen radicalisme als een prioriteit ziet, rijst de vraag of sociaal verzet dan ook als ‘radicaal’ bestempeld zal worden en hoe de regering de strijd tegen dit ‘radicalisme’ zal voeren…

     Wie stakingen tegen de overheid als illegaal bestempelt, komt onvermijdelijk uit bij Thatcher. In de jaren 1980 voerde zij wetgeving in die stakingen beperkte tot bedrijfsbelangen en elke dimensie van solidariteit liet verdwijnen.[27] Zelfs een Belgische werkgeversadvocaat gaf toe dat er in het Verenigd Koninkrijk eigenlijk geen stakingsrecht bestaat.[28]

     De kritiek dat er parallellen zijn met het bewind van Thatcher wordt afgedaan als een indianenverhaal. Het toeval wil echter dat zij de eerste was om de mijnwerkersstaking als ‘een politieke staking’ te betitelen om nadien het geheel van de sociale en democratische rechten aan te pakken. Zij heeft het stakingsrecht uitgehold, maar ook drastische beperkingen opgelegd aan het betogingsrecht. Dat de Antwerpse burgemeester medio november 2014 zo hard tekeerging tegen een ‘geplande betoging’, terwijl er in het geheel geen betoging was voorzien, moet misschien ook wel in dat kader begrepen worden. Een preventief signaal van de burgemeester om de komende maanden geen betogingen te organiseren.

     Eén van de andere stokpaardjes van Thatcher was de inzet van het leger tegen de ‘binnenlandse vijand’.[29] Dat die piste ook voor De Wever in 2013 niet was uitgesloten, bleek al tijdens de discussie over de aanpak van de protesterende foorkramers in Antwerpen. Toen zij protesteerden tegen de verhuis van de kermis (foor) naar een andere locatie en daarvoor het verkeer blokkeerden op een belangrijke verkeersas, dreigde De Wever met de inzet van het leger omdat de politie volgens hem niet was opgewassen tegen deze actievoerders. Van daar is het maar een kleine stap om het leger te willen inzetten tegen sociale actie. Het regeerakkoord maakt de inzet van het leger mogelijk zodra het veiligheidsalarm op niveau 3 wordt gebracht. Na de aanslagen in Parijs wordt deze kaart volop getrokken, het is één van de twaalf maatregelen die werden beslist op 16 januari 2015.

     Of aan het discours over de politieke staking direct een juridisch vervolg wordt gebreid, is onzeker. Het heeft vooral tot doel de geesten klaar te stomen om de acties van de vakbonden naar het bedrijfsniveau toe te leiden (vaak verpakt onder de verbloemende term ‘decentralisatie’)[30], zoals in het Verenigd Koninkrijk ook gebeurde.

Een bescherming van het ‘recht op werken’

Meer direct gevaar dreigt er vanuit de hoek van het recht op werken.

     Als reactie op de stakingen en op vraag van het VBO kondigde de MR-fractieleider in de Kamer midden december 2014 aan dat hij de laatste hand zou leggen aan een wetsvoorstel dat het recht op werken evenveel waarde zou geven als het stakingsrecht.[31] De extreemrechtse Parti Populaire was hem echter te snel af en diende het voorstel al in. Men bevindt zich dus in goed gezelschap. Ook de N-VA verdedigde onophoudelijk het recht op werken.

     Daarbij hebben deze partijen het niet over het recht op arbeid, zoals dit normaal begrepen wordt als een recht op werkgelegenheid.[32]

     Het spreekt voor zich dat dit recht op arbeid bescherming verdient, en zelfs veel meer dan vandaag het geval is. Dit recht is immers als enige in de Grondwet opgenomen[33] zonder dat het evenwel echt afdwingbaar is.[34] Het houdt in dat de overheid moet streven naar een zo hoog mogelijk werkgelegenheidspeil. Het hoeft geen betoog dat dit recht dagelijks met de voeten wordt getreden. Als we het over dit (enige) recht op arbeid hebben, bestaat er geen enkele tegenstelling met het stakingsrecht. Integendeel, het stakingsrecht wordt zelfs vaak gebruikt om het recht op arbeid te garanderen ingeval van herstructureringen en sluitingen. En slaagt ook in haar opzet, bijvoorbeeld zoals toen AB InBev in 2011 zijn plannen moest opbergen om 300 jobs te schrappen. Het is veelzeggend dat de regering en werkgevers nooit spreken over dit recht op arbeid.

     Voor hen gaat het om een heel ander recht, namelijk het recht om te kunnen werken tijdens een staking. Dit recht bestaat eenvoudigweg niet. In geen enkel bindend internationaal verdrag noch in onze Grondwet wordt het opgenomen. Dat het recht op werken tijdens een staking niet bestaat, blijkt al meteen uit het feit dat het VBO een wet vraagt die dit recht verankert en de MR een voorstel in die zin zal indienen.

     Dat het recht op werken tijdens een staking terecht moeilijk ligt bij de stakende werknemers en de vakbonden, heeft in essentie te maken met twee factoren.

     Ten eerste oefenen werkgevers rechtstreeks of onrechtstreeks grote druk uit op werknemers om niet te staken (brieven die aanmanen om te gaan werken, ‘huisbezoeken’ door leidinggevenden, voorstellen om te blijven slapen op de werkvloer zodoende dat de piketten geen probleem vormen, …).[35] Dit is een realiteit die te vaak onderbelicht blijft, want op die manier wordt het stakingsrecht compleet uitgehold. Een blokkade van een industriezone dient er dan ook voor dat iedereen die niet wil gaan werken, ook niet moet gaan werken. Uiteraard zijn er ‘echte’ werkwilligen, maar hoe peilt men deze vrijwilligheid? In een arbeidsrelatie is men economisch en juridisch afhankelijk van de werkgever, zodat van echte vrijwilligheid geen sprake kan zijn. Zo doken er bij een staking tegen een herstructurering van een grote warenhuisketen massa’s werkwilligen op. Naderhand bleek dat de directie hun tijdelijk contract niet zou verlengen als deze ‘werkwilligen’ zouden deelnemen aan de staking.

     Bovendien heeft de weerstand tegen het recht op werken tijdens een staking te maken met het ontstaan van het stakingsrecht.

     In de 19e eeuw bestond er geen stakingsrecht. Waar werk was, werd echter gestaakt, aangezien dit het enige middel was om rechten af te dwingen. Welnu, stakingen werden niet alleen gebroken met bruut geweld maar ook met het inzetten van stakingsbrekers allerhande. Toen het stakingsrecht na de Tweede Wereldoorlog werd erkend, verbood men eveneens het inzetten van stakingsbrekers door werkgevers. Vandaag flirten sommige werkgevers met dit verbod door het inzetten van uitzendkrachten. Wie nu wil gaan werken, wil misschien de staking niet breken, maar doet dat objectief gezien wel. Werknemers zijn de zwakke economische partij. Staken heeft als doel om economische schade te veroorzaken, zodat de machtsbalans tussen werknemers en werkgevers of de overheid in beweging wordt gebracht en er ruimte komt voor overleg.[36] Als het recht op werken tijdens een staking tegen elke prijs moet worden gegarandeerd en de staking dus van haar effectiviteit wordt beroofd, is er in de feiten geen stakingsrecht meer.

     Zo besliste het Hof van Beroep te Antwerpen nog in 2006: “Dit subjectief recht tot staken wordt, zoals te dezen, onvermijdelijk in bepaalde mate afgedwongen tegen gevestigde subjectieve rechten in, inzonderheid het eigendomsrecht, de ondernemingsvrijheid en zelfs het recht op arbeid. De uitoefening van het stakingsrecht door de werknemers doorkruist zo de uitoefening van sommige andere subjectieve rechten van de werkgever en is met andere woorden van nature schade verwekkend.”[37]

     Inderdaad, gaat de activiteit van de onderneming gewoon door, is de staking totaal onschadelijk en zal de werkgever zelfs gaarne mee een kaartje komen leggen aan de stakingspost of een worstje prikken op de aangevoerde barbecue. In deze context spreken van proportionaliteit tussen het stakingsrecht en het recht op werken en ze op gelijke hoogte plaatsen, zoals Jan Jambon (N-VA) en met hem de MR doet, komt dus in essentie neer op een stakingsverbod.

     Voorstellen die het recht op werken tijdens een staking willen erkennen, roepen immers herinneringen op aan artikel 310 van het Strafwetboek. Dat artikel werd in 1921 afgeschaft en verbood verenigingen van werknemers die zich in de buurt van fabrieken ophouden en de vrijheid van arbeid aantasten”. Voor de afschaffing van artikel 310 zijn doden gevallen. Een land dat 1914-18 herdenkt, kan daar beter ook even bij stilstaan.

Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken laat de politie stakingen controleren

In het verleden stelde de minister van Binnenlandse Zaken zich eerder terughoudend op ten aanzien van stakingen, ook op de openbare weg. Nog in 1994 verklaarde deze laatste in het Parlement: “Hieromtrent wil ik verduidelijken dat het feit van het staken, ook het vormen van een stakingspiket, te betogen of elke andere vorm van actie, ook op de openbare weg, als dusdanig niet impliceert dat de openbare orde er door verstoord is of wordt. Dit is duidelijk wel het geval indien die actie bestaat uit geweldplegingen ten aanzien van personen of goederen of indien door een actie personen of goederen in gevaar worden gebracht of de kans daartoe waarschijnlijk is.”[38]

     Van dat democratisch bewustzijn is momenteel weinig terug te vinden.[39] In het regeerakkoord wordt ongeziene macht toegekend aan de minister van Binnenlandse Zaken, die en passant wordt omgedoopt tot minister van Binnenlandse Zaken én Veiligheid, en zichzelf sinds kort laat aanspreken als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken.[40]

     Dit akkoord kreeg direct een concrete vertaling. Op 6 november 2014 trok één van de grootste betogingen van de afgelopen decennia door de straten van de hoofdstad. In de marge daarvan waren er confrontaties tussen een 200-tal mensen en de politiediensten.

     Omwille van die confrontatie liet Jan Jambon verstaan dat hij bij een volgende manifestatie desnoods “zelf in het commandocentrum zal plaatsnemen”. Nochtans behoort de ordehandhaving bij uitstek tot de gemeentelijke autonomie. Slechts als de verhouding tussen de lokale en federale politie in het geding is, kan Jambon op de proppen komen, en dan nog slechts onder bepaalde voorwaarden. De voortvarendheid waarmee hij dat doet, is onaanvaardbaar.

     Dezelfde voortvarendheid geldt voor de manier waarmee de Brusselse burgemeester Mayeur aan de schandpaal wordt genageld naar aanleiding van de confrontaties op 6 november 2014, nog voor er een ernstig onderzoek is gevoerd of enig ernstig overleg heeft plaatsgevonden. Dat ook de burgemeester van Antwerpen zijn collega uit Brussel in eenzelfde beweging afvalt is ongezien en kan moeilijk anders begrepen worden dan als een oordeel van een schaduwpremier.

     Onmiddellijk na de confrontaties op 6 november 2014 werden er geruchten gelanceerd over een mogelijke herhaling op de stakingsdag van 24 november 2014 in de Antwerpse haven. Een ware angstpsychose werd gecreëerd, waarbij zelfs werd geopperd dat er doden zouden kunnen vallen. Er werd echter bewust verzwegen dat het over een actie van een totaal andere orde ging, met name een staking. Er zal alvast een indrukwekkende ordemacht klaarstaan” en “voor andere maatregelen laat ik niet in mijn kaarten kijken, verklaarde De Wever.[41]

     Door dergelijke stemmingmakerij trachten minister Jambon en burgemeester De Wever mensen te ontraden deel te nemen aan sociale acties en hen schrik aan te jagen. Zij kunnen dan nog plechtig verklaren dat zij het stakingsrecht en het recht op vrije meningsuiting respecteren, de angstpsychose die ze creëren ondermijnt dat volledig. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft al meermaals geoordeeld dat men fundamentele rechten en vrijheden niet aan een chilling effect mag onderwerpen, dit wil zeggen dat men mensen niet mag ontraden er beroep op te doen door dreigementen en dergelijke meer.

     Enkele weken later liet Jan Jambon opnieuw van zich horen. Werkgeversorganisaties waren niet opgezet met het feit dat de economie plat lag en haalden het ‘recht op werken’ van onder het stof. Vooral de nationale algemene staking van 15 december 2014 was hen een doorn in het oog. In het licht daarvan draaide Jambon zijn hand er niet voor om de politiediensten in te schakelen in een nochtans juridische discussie. De politiediensten zouden volgens hem moeten controleren of het stakingsrecht wel proportioneel wordt uitgeoefend en het recht op werken wordt gevrijwaard. Hij maakte zich sterk dit zelf ‘uur per uur’ op te volgen.

     Een dergelijk spierballengerol is volkomen in strijd met de principiële afwezigheid van inmenging door de werkgever en de overheid in de uitoefening van fundamentele rechten. Het komt niet aan hen toe om te bepalen welke inhoudelijke boodschap personen die hun rechten uitoefenen – in dit geval de stakers – willen of mogen brengen. Een zogenaamde proportionaliteitstoets (verhouding tussen de uitoefening van twee rechten, namelijk stakingsrecht en recht op werken, rechten van een totaal andere orde overigens) is compleet uit den boze.

     Naar internationaalrechtelijke maatstaven bestaat hierover geen enkele discussie. Een voorbeeld kan dit duidelijk maken. In een stakingszaak vond een grote verzekeringsmaatschappij de staking disproportioneel en dus onwettelijk omdat ze slechts betrekking had op 400 van de 3.000 werknemers (de bedienden gingen er niet mee akkoord dat ze plots in Brussel in plaats van Antwerpen moesten gaan werken). De rechter volgde deze redenering niet. Wanneer men de beoordeling van de inhoud van de staking overlaat aan de werkgever, zal elke staking om één of andere reden immers disproportioneel zijn.

     De overheid mag zich evenmin mengen. Dit is zeker zo wanneer deze overheid dan ook nog partij is in het geding, wat het geval was met de algemene staking van 15 december 2014. Doet men dit toch, wordt men teruggefloten door de rechterlijke macht.

     De minister van Binnenlandse Zaken heeft dus geen enkele rechtsgrond noch bevoegdheid om te gaan controleren of het stakingsrecht wel in verhouding staat tot het recht op werken. Enkel de rechter kan zich uitspreken over een verhouding tussen twee rechten. Het is trouwens onaanvaardbaar dat een minister onder het mom van openbare ordehandhaving opdracht geeft aan de politie om toe te zien op de naleving van dit recht. Dat neigt naar een politiestaat.

     Is het omdat men nul op het rekest krijgt van de rechterlijke macht, dat de uitvoerende macht nu dan maar het laken naar zich toe trekt en, niet gehinderd door welke regel dan ook, zelf rechter en partij gaat spelen? Scheiding der machten, een verzinsel van de Franse revolutie?

     De rechtstreekse tussenkomst van de politie in sociale conflicten roept slechte herinneringen op aan de periode tussen 1921 en 1981 toen stakingen niet meer verboden waren, maar evenmin voldoende erkend.

     Opnieuw is de periode onder Thatcher in dat verband leerrijk. Zij kwam tegemoet aan de looneisen van de politie (in tegenstelling tot drastische besparingen elders) en zette de politie in tegen de Enemy within, de georganiseerde oppositie tegen haar beleid, tegen de mijnwerkers…[42] De politie raakte bekend als Maggie’s boot boys.[43]

Internationale en Europese context

De discussie in België kan niet los gezien worden van het dominante neoliberale klimaat, en in het bijzonder de austerity politiek vanaf 2008. Onder druk van de Europese Unie moeten de lidstaten zware besparingen doorvoeren evenals maatregelen die het arbeidsrecht flexibeler maken.[44] Deze maatregelen geven aanleiding tot verzet en dat verzet wil men tegengaan. In Spanje werd in december 2014 zelfs expliciet een wet aangenomen die sociaal protest criminaliseert, de zogenaamde Muilkorfwet.

     Ook op Europees en internationaal niveau staat het stakingsrecht onder druk.

     Op het niveau van de Europese Unie velde het Hof van Justitie eind 2007 twee uitspraken die het vrij verkeer van diensten voorrang geven op het stakingsrecht (Laval en Viking). In mensentaal komt het erop neer dat stakingen tegen ondernemingen die hun werknemers in een andere lidstaat willen tewerkstellen aan discutabele loon-en arbeidsvoorwaarden niet toelaatbaar zijn. Dankzij het verzet van vakbonden, juristen en anderen werd een Europese wet die deze rechtspraak zou vastleggen (de zogenaamde Monti II Verordening) verworpen.

     Het debat speelt zich vandaag echter vooral af op internationaal niveau. Zoals we hoger zagen, werd het stakingsrecht erkend in het IAO-verdrag van 1947. Tot 2012 volgde iedereen de visies van de expertencomités. Deze interpretaties drongen ook meer en meer door in de verschillende landen, waar de vakbonden ze gebruikten voor de nationale rechtbanken. Om die reden stuurden de werkgevers, vertegenwoordigd in de IAO, een Britse advocaat naar de Algemene Vergadering van de IAO. Die verklaarde daar dat het stakingsrecht niet letterlijk in het IAO-verdrag van 1947 was ingeschreven en er dus niet verder rond geageerd kon worden. De vakbonden verzetten zich natuurlijk tegen wat als een oorlogsverklaring kan worden getypeerd, maar meer dan drie jaar later is er nog steeds geen oplossing voorhanden. Het resultaat van deze discussies is natuurlijk ontzettend belangrijk.[45]

Conclusie

Met het regeerakkoord van oktober 2014 en de daaropvolgende politieke discussies komt een wettelijke regeling van het stakingsrecht voor de eerste keer gevaarlijk dichtbij.

     De (nabije) toekomst zal uitwijzen of de regering in haar opzet zal slagen. In ieder geval is het alle hens aan dek.

     De tegenreactie moet syndicaal, ideologisch en juridisch zijn.

     De tegenreactie moet er ook andere groepen bij betrekken, aangezien het stakingsrecht een onderdeel is van de democratische rechten. In het kielzog van de werkgevers wil de regering haar neoliberale agenda doordrukken en alle ‘verzetshaarden’ daartegen uit de weg ruimen. De afbraak van het stakingsrecht gaat onvermijdelijk hand in hand met de afbraak van het geheel aan sociale en democratische rechten.

     Het gaat om een cruciale uitdaging.

     Het gaat om het voorkomen van een terugkeer naar de 19e eeuw. Toen bestonden er geen stakingsposten en werd de vrijheid van arbeid strafrechtelijk afgedwongen.

     Om het stakingsrecht te beschermen en uit te breiden, is een stevige beweging nodig, die vertrekt vanuit de vakbonden. Deze beweging kan zich optrekken aan de juridische overwinningen die de laatste jaren werden geboekt.

     En vooral aan de sterkte van de beweging zelf.

     Zo verklaarde Ducarme, de fractieleider van de MR, naar aanleiding van zijn voorstel over het recht op werken: “In februari zal mijn voorstel over het recht tot toegang tot het werk op stakingsdagen de spanning al doen stijgen. Sommigen ervaren het als een provocatie. U kan zich wel inbeelden dat als men meteen ook teksten indient over de rechtspersoonlijkheid, sommigen dat zullen gelijkstellen met een oorlogsverklaring.”[46] Hij is dan ook van mening dat het debat over de rechtspersoonlijkheid pas dient gevoerd te worden “in een gunstiger sociaal klimaat dan vandaag. Het is nu echt niet het moment.”[47] Niet toevallig had Zuhal Demir van de N-VA zich al in oktober 2014 in dezelfde zin uitgesproken.[48]

     Alle democraten hebben er belang bij dat dat ‘moment’ er niet komt, noch voor een debat over de rechtspersoonlijkheid van de vakbonden noch voor een debat over de beperking van het stakingsrecht.

Jan Buelens is advocaat bij Progress Lawyers Network (www.progresslaw.net), gastprofessor aan de Universiteit Antwerpen en oprichter van European Lawyers for Workers (http://elw-network.eu). Te contacteren via jan.buelens at progresslaw.net. De actualiteit werd opgevolgd tot 19 januari 2015.


[1]    De actualiteit werd gevolgd tot 19 januari 2015.

[2]    Grondrecht: een recht dat de hoogste waarde heeft. Zo’n rechten worden meestal erkend in Europese en internationale verdragen en/of de Grondwet en kunnen alleen in uitzonderlijke gevallen worden beperkt.

[3]    Hof van Cassatie: hoogste Belgische rechtbank. Heeft als doel te zorgen voor een eenheid in de rechtspraak.

[4]    Vanaf 1967 leidt deelname aan een staking enkel tot een schorsing van de arbeidsovereenkomst en niet tot een einde ervan.

[5]    Dit arrest staat bekend onder de naam ‘De Bruyne’. Miel De Bruyne was een vakbondsafgevaardigde bij de petroleumonderneming SIBP in de Antwerpse haven. Zijn ontslag was de aanleiding voor een lange staking in de petroleumsector en leidde tot zijn re-integratie in de onderneming. Zie enkele beschouwingen van Lieven Lenaerts hierover bij http://www.mo.be/artikel/staken-een-arbeidsrecht.

[6]    Deze wereldwijde organisatie wordt in 1919 boven de doopvont gehouden.

[7]    Ze publiceren hun opinies in de zogenaamde Digest (http://www.ilo.org/global/topics/freedom-of-association-and-the-right-to...).

[8]    Ze publiceren hun opinies op http://www.coe.int/T/DGHL/Monitoring/SocialCharter/.

[9]    Dit gebeurde in het arrest Demir en Baykara tegen Turkije van 12 november 2008 (http://hudoc.echr.coe.int). Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat vooral burgerlijke rechten en erkent het stakingsrecht niet als dusdanig. Dit was een bewuste keuze en is symptomatisch voor de prioriteit die gegeven wordt aan burgerlijke rechten boven sociale rechten.

[10]  Een procedure op eenzijdig verzoekschrift is een procedure in kort geding waarin enkel het woord van de eiser – in dit geval de werkgever – wordt gehoord. Een dergelijke procedure zou de uitzondering moeten zijn.

[11]  “Rechters die bepalingen met dwangsommen tegen stakingspiketten uitvaardigen gaan hun boekje fors te buiten. Zij vaardigen immers een algemene maatregel uit, die gericht is tegen ‘al wie’ werkwilligen hindert. Algemene maatregelen behoren tot de bevoegdheid van de wetgevende macht. In feite proberen de bedrijfsleiders van de rechter te krijgen wat ze van burgemeester en gouverneur niet meer kunnen krijgen, namelijk een samenscholingsverbod.’ (Eric Brewaeys, docent aan de VUB, vermeld bij J. De Wit, Eenzijdig verzoekschrift weg. Gazet van Antwerpen, 8 februari 1995, p. 2).

[12]  O. Vanachter, De tussenkomst van de rechter bij collectieve arbeidsgeschillen, Tijdschrift voor Sociaal Recht, 1995,1. p. 38 .

[13]  Nog in 1988 schreef J. Petit, professor aan de KUL en voorzitter van de Gentse Arbeidsrechtbank: “Collectieve arbeidsverhoudingen beoordelen en erin tussenkomen is geen taak voor de rechter.” (J. Petit, Werkstaking, uitsluiting (lock-out) en bevoegdheid van de rechter, reeks Sociaal Recht, nr. 4, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 165).

[14]  Zoals collega’s Raf Jespers en Edith Flamand schreven: “De onttrekking van dit soort van conflicten aan de rechtbank is ook het resultaat van de sociale strijd in ons land. Uit het naoorlogs overlegmodel groeide een netwerk van extra-judiciële (buitengerechtelijke) organen, zoals de paritaire comités en de sociale bemiddelaars, die bevoegd zijn voor collectieve conflicten.” (Je rechten bij openbare actie, Berchem, Epo, 1997).

[15]  VBO, “Houding van de werkgevers bij sociaal conflict”, 24 december 1984.

[16]  Bij dit conflict liep de tussenkomst van de rechtbanken de spuigaten uit. Zo werd ‘het hinderen van de normale bedrijfsuitoefening’ verboden en vond de werkgever dat het uitdelen van een pamflet hieraan beantwoordde.

[17]  Voor enkele, recente voorbeelden (AMP, AG Insurance, Pratt en Whitney, Crown Cork, AB InBev…), zie het speciale nummer van Sociaalrechtelijke Kronieken 2014.

[18]  De rechtspraak gaat natuurlijk nooit in één richting. In de zaak-Ford verkreeg Ford begin 2013 een uitspraak tegen de stakers van haar onderaannemers (dus niet haar eigen werknemers). Bij een staking in een schoonmaakbedrijf in het najaar van 2014, werd een dwangsom van 10.000 euro opgelegd aan de stad Brussel en de gemeente Schaarbeek als ze weigerde hulp te verlenen bij het ontruimen van het stakingspiket. Deze beschikking werd evenwel om formele redenen vernietigd.

[19]  Le Soir, 11 december 2014. Zie ook bijvoorbeeld de uitspraak van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Charleroi op 12 december 2014, waarbij 45 ondernemingen samen naar de rechter waren getrokken om het ‘recht op werken’ te vrijwaren. De rechter wees hun vraag af (Geen dwangsom om ‘recht op werken’ te beschermen, De Standaard, 12 december 2014).

[20]  Deze procedure komt er onder andere op neer dat een aanzegging moet worden gegeven en een bepaalde periode moet worden afgewacht.

[21]  ABSU, Schoonmaaksector klaagt misbruik van stakingsrecht aan, 4 september 2014. Zie: https://www.vprmedia.be/_library/_files/absu/tekst_pdf/140904_Staking_NM....

[22]  VBO, Naar een gereglementeerd stakingsrecht, 31 oktober 2014. Zie: https://vbo-feb.be/nl-BE/Nieuws/Opinion/Naar-een-gereglementeerd-staking....

      Met in hun kielzog enkele werkgeversadvocaten, niet gehinderd door enige kennis terzake. Zie: http://www.lalibre.be/debats/opinions/droit-de-greve-legiferons-de-grace....

[23]  Het werd voor de eerste keer gelanceerd door Mark De Mey, woordvoerder van Volvo Gent (De Tijd, 16 oktober 2014) en daarna zowat dagelijks herhaald, zie bv. Jo Cornu, CEO van de NMBS naar aanleiding van de stakingen bij de NMBS (De Standaard, 21 oktober 2014) en Nicolas Saverys, CEO van Rederij Exmar en voorzitter van de Vlaamse havenvereniging (interview live uit Terhulpen, Terzake, 24 november 2014) .

      Uit politieke hoek lanceerde vooral De Wever (N-VA) dit ‘verwijt’ (De Morgen, 10 november 2014, RTBF, 2 december 2012 “une action purement politique”, La Libre, 11 december 2012), maar ook Rutten (Open VLD) (De Standaard, 13 december 2014) en eerste minister Michel hernamen dit. Zie ook Richard Miller, gedelegeerd bestuurder van het studiecentrum Jean Gol en MR-kamerlid, die de redenering tot op het bot doortrok: “C’est une grève politique et antidémocratique! Car elle a pour but de déstabiliser le gouvernement Michel et, avec lui, l'Etat.” (Le Soir, 2 december 2012).

[24]  Patrick Humblet, Ceci n’est pas une grève politique, De Standaard, 11 december 2014; Dave Sinardet, La grève est-elle politique ? Oui., Le Soir, 2 december 2014. Het woord politiek hoeft ook geen negatieve connotatie te hebben (François-Xavier Druet, Quand le mot «politique» vire au péjoratif, Le Soir, 3 januari 2014). 

[25]  Na de aanslagen op 7 januari 2015 in Parijs, zal hij zich plots voorstander betonen van een absoluut recht op vrije meningsuiting.

[26]  “La grève? Une action purement politique”, RTBF, 2 december 2012.

[27]  Zie hierover o.a. John Hendy, La législation britannique à l'assaut des syndicats, Etudes Marxistes, 1990, nr. 6-7.

[28]  Herman Craeninckx, advocaat-vennoot bij Stibbe, La bataille des syndicats est perdue d'avance!, Echo, 31 oktober 2014. Dit Brits ‘niet-stakingsrecht’ werd ook geëxporteerd naar het Chili van Pinochet, een geloofsgenoot van Thatcher. Pas eind 2014 maakte de nieuw verkozen progressieve regering in Chili bekend dat ze een stakingsrecht die naam waardig gaat invoeren. Zie: http://www.liberation.fr/monde/2014/12/29/le-chili-va-retrouver-son-droi....

[29]  Dit wordt treffend gedocumenteerd in het boek The Enemy Within van Seumas Milne.

[30]  Dit geldt ook voor het collectief onderhandelen, zie het interview met VOKA-voorzitter Delbaere: Voka: “Wij doen niet mee aan de symbolenstrijd”, De Tijd, 6 januari 2015.

[31]  Dit is overigens niet echt nieuw. Met de regelmaat van een klok deed de MR dit al in het verleden, maar toen kreeg ze nooit voldoende steun voor haar verzoek. Zie Raf Jespers en Edith Flamand, Je rechten bij openbare actie, Berchem, Epo, 1997, en recenter de bijdrage van Patrick Humblet in Arbeid versus kapitaal. Een kwarteeuw stakings(recht), Gent, Academiapress, 2007, IX + 214 p.

[32]  Filip Dorssemont, Over de actualiteit van het onderscheid tussen de vrijheid van arbeid en het recht op arbeid, in X, Recht op arbeid en vrijheid van arbeid: dilemma of symbiose. Ideeënbundel aangeboden aan Fernand Tanghe, Universiteit Antwerpen, 2014, p. 21-22.

[33]  Formeel gebeurde dit pas in 1994. Nochtans was de idee daarvoor al gemeengoed.

[34]  Dit mag verbazing wekken, aangezien het in internationale verdragen meestal als eerste wordt genoemd, zie K. Reyniers, Werkloosheids(reglementering) en vrijheid van arbeid, recht op arbeid… of toch vooral plicht tot arbeid in X, Recht op arbeid en vrijheid van arbeid: dilemma of symbiose. Ideeënbundel aangeboden aan Fernand Tanghe, Universiteit Antwerpen, 2014, p. 28. Het vastleggen van full employment (minstens als streefdoel) was overigens een van de grote verworvenheden van de arbeidersbeweging. Daarmee werd afstand genomen van de liberale common sense dat de markt zou zorgen voor tewerkstelling (Dirk Luyten in dezelfde bundel, p. 12).

[35]  De werkgever heeft als het ware 101 technieken om zijn personeel onder druk te zetten wanneer er een staking dreigt. Er zijn tegenwoordig heel wat werknemers met precaire jobs; dat is een heel kwetsbare groep. Sommige werkgevers deinzen er niet voor terug om werknemers op te bellen of thuis te laten bezoeken. Maar er zijn ook driestere methodes. Denk aan het werken met camerabewaking, het inschakelen van privédetectives, het sturen van privébewakingsagenten. Bij de staking van Swissport stonden op zeker ogenblik 16 overvalwagens van de politie klaar om desnoods in te grijpen.

[36]  Hof van Beroep Antwerpen (2e k.) 19 april 2006, AR nr. 2004/AR1850, onuitg. (Argenta Spaarbank NV t. LBC-NVK e.a., p. 7.

[37]  Hof van Beroep Antwerpen (2e k.) 19 april 2006, AR nr. 2004/AR1850, onuitg. (Argenta Spaarbank NV t. LBC-NVK e.a., p. 7.

[38]  Antwoord van minister Binnenlandse Zaken in Vraag en Antwoord Senaat, 10 mei 1994, nr. 107.

[39]  Al tijdens de vorige regering kwam er een kentering in de houding van de overheid. Tijdens de staking bij Swissport in mei 2013 dreigde de staatssecretaris van Mobiliteit ermee materiaal op te vorderen, stakend personeel de toegang tot de luchthaven te ontzeggen en dwangsommen op te vorderen. Zie hierover Jan Buelens en Marianne Petré, Un pas trop loin. Intervention gouvernementale sans précédent et inacceptable par rapport à la grève chez Swissport, La Libre, 23 mei 2013. Zie: http://www.econospheres.be/Un-pas-trop-loin-Intervention.

[40]  Terzake, 7 januari 2015.

[41]  Gazet van Antwerpen, 24 november 2014: “De politie laat dus niets aan het toeval over en zou tot 600 manschappen klaar houden, inclusief – en dat is uitzonderlijk – gevechtshonden. Ook de waterkanonnen en pantserwagens staan paraat.” De gevechtshonden kwamen er na een toelating van minister Jambon, die hiermee een eerdere circulaire herriep.

[42]  Dit wordt treffend gedocumenteerd in het boek The Enemy Within.

[43]  Over dit onderwerp: Owen Jones, The Establishment: And how they get away with it, uitg. Allen Lane, 2014.

[44]  Zie het rapport van de Internationale Federatie van Mensenrechtenverenigingen FIDH, Downgrading rights: the cost of austerity in Greece. Zie: https://www.fidh.org/IMG/pdf/grece646a2014.pdf.

[45]  Meer fundamenteel wordt de IAO als organisatie zelf hiermee in vraag gesteld. De werkgevers vragen dat alle IAO-verdragen herbekeken worden. Hoewel deze verdragen vaak slechts algemene principes bevatten – aangezien ze in de hele wereld van toepassing moeten kunnen zijn – gaan ze voor de werkgevers al te ver en zien ze nu het moment rijp om de aanval in te zetten.

[46]  Sudpresse, “Donner une personnalité juridique aux syndicats: ‘Ce n’est pas le moment’, dit le MR”, 13 januari 2014.

[47]  Sudpresse, idem.

[48]  VRT, De zevende dag, 26 oktober 2014.