De Europese Muntunie democratiseren of terugkeren naar de frank, gulden of drachme?

Auteur: 
D.A. Hollanders

Volgens de neoklassieke economie is geld een neutraal intermediair dat als ruilmiddel economische transacties vergemakkelijkt maar verder de economie amper beïnvloedt. Zeker, geldtoename leidt mogelijk tot inflatie – en dus heeft de centrale bank de opdracht deze, onafhankelijk van tot gelddrukken geneigde politici, beneden maar dicht bij de 2 % te houden. Het vastklinken van 171 wisselkoersen reduceert – zoals met de introductie van de euro in negentien landen is geschied – transactiekosten van grensoverschrijdende handel en de wisselkoersrisico's. En dat laatste was dan ook lange tijd het enige argument voor de euro, waartegen verder weinig concreets leek te spreken.

Het antwoord van links op de euro en op europeanisering, globalisering en supra-nationalisering waarvan de euro de monetaire institutionalisering is, is ambivalent. Of liever: links is volledig uit elkaar gespeeld.

Aan de ene kant stelt internationalistisch links dat de globalisering (bestaand uit transnationale kapitaal-, toeristen-, en handelsstromen) wenselijk of in elk geval onvermijdelijk is. Het antwoord op de economische schaalvergroting is dan democratische schaalvergroting. Wie transnationale verschijnselen als belastingontduikingsmogelijkheden, toezichtarbitrage en fabrieksverplaatsingen wil tegengaan, moet een Europese demos uitwerken en het Europees parlement opwaarderen.

Aan de andere kant neemt nationalistisch links als uitgangspunt dat democratie historisch vervlochten is met de natiestaat. En hoewel daarop veel valt aan te merken, dient de zwaarbevochten nationale democratie niet opgeheven te worden, of dan toch in elk geval niet voordat er werkelijk een Europese demo(s)cratie is.

Zie daar het linkse dilemma: moet ontketend kapitaal terug in het nationaal-democratische hok, of moet de democratie staatsgrenzen overschrijden nu kapitaal dat allang gedaan heeft? Minder abstract en met betrekking tot de euro: moeten de instellingen van de Europese Muntunie gedemocratiseerd worden of moeten we terugkeren naar de gulden, de Belgische frank en de drachme?

Het is precies die laatste vraag die Lapavitsas en Flassbeck bespreken.1 Begin 2015, op het moment van uitgave, was dat ongekend actueel na de verkiezingsoverwinning van Syriza. Ook een jaar later is het boek evenwel onverminderd relevant. Meer nog: de analytische klaarheid heeft een profetische allure gekregen die de tegenstellingen tussen de twee linkse kampen oplost.

Lapavitsas en Flassbeck hun betoog bestaat uit een kritiek op de ECB, EU en IMF – verenigd in de trojka – en uit een analyse van mogelijke (linkse) antwoorden.

De auteurs desavoueren de door de trojka opgelegde maatregelen, de loonverlagingen (“interne devaluatie”) en de besparingsmaatregelen (“begrotingstoezicht”).Deze maatregelen worden door de trojka opgelegd aan landen (Griekenland, Ierland, Italië, Spanje, Cyprus, Portugal) die hun schulden aan private schuldeisers niet meer kunnen voldoen. Door de loonsverlagingen vermindert de binnenlandse vraag doorgaans echter meer dan dat de export erdoor wordt vergroot. En productiviteitsgroei (waar de- en re-regulering van arbeids- en produktmarkten toe heet te leiden) zonder afzetgroei is een recept voor werkloosheid.

De ondemocratische doorzettingsmacht van de trojka heeft alles met de euro te maken. De nationale parlementen staan weliswaar in Athene, Nicosia, Dublin, Brussel en Den Haag, maar de geldpers staat in Frankfurt. Of zoals bankier Rothschild naar verluidt stelde: geef me de macht over de geldpers, dan maakt het mij niet uit wie de wetten maakt.

Als soevereine staten in de eigen munt lenen dan kunnen zij schulden monetair financieren (‘geld bijdrukken’). Daarmee kunnen ze bovendien hun munt devalueren waardoor de uitvoer toeneemt en de schuldpositie verder afneemt. Binnen de EMU kan dit niet. Devaluatie – volgens de auteurs een wapen tegen economische bezetting – is niet meer mogelijk en alleen de centrale bankiers – die zich niets van politici (mogen) aantrekken  – kunnen nog kunnen nog beslissen tot monetaire financiering over te gaan.

En dus zijn landen voor schuldhulpverlening uitgeleverd aan de buiten-democratische trojka. Dat de schuld van de ‘perifere’ landen de noodzakelijke keerzijde is van de Duitse en Nederlandse overschotten op de betalingsbalans, doet daarbij niet ter zake. Dat het Griekse volk – het voornaamste voorbeeld van Against the Troika – in juli 2015 massaal Oxi (neen) stemde evenmin. En ook de nefaste economische effecten vermurwen de eurogroep niet.

Bezuinigingen binnen de EMU kunnen enkel stoppen als de schulden geherstructureerd worden. Maar de ECB en de eurogroep aanvaarden schuldsanering niet, of hooguit als ‘beloning’ na het decennia ‘vrijwillig’ ondergaan van rechts beleid.

Sociaaldemocratisch beleid in één euroland is daarmee onmogelijk. Een linkse regering kan dus niet anders dan de confrontatie zoeken met de EMU. Die confrontatie kan niet tot een positieve uitkomst leiden als er geen (geloofwaardig) plan tot euro-exit is. Daarzonder kan de ECB de geldkraan dichtdraaien en het monetaire stelsel van een land opblazen. Opmerkelijk genoeg schreven Flassbeck en Lapavitsas dit alles maanden voordat de ECB dit scenario precies zou volgen in aanloop naar het Griekse referendum. Daarop volgde de instemming van Tsipras met een memorandum – of beter oorlogsverklaring – aan de Griekse burgers: nog meer bezuinigingen om de schulden af te lossen die de ECB, de EU en het IMF – als incassokantoren – in 2010 overnamen van private banken.

Zolang regeringen niet bereid zijn de euro te kelderen, kan de EMU deze chantage uitspelen. Wie de EMU wil democratiseren moet daarom bereid zijn haar te verlaten. Dat impliceert niet dat de EMU nooit hervormbaar is – evenwel niet vandaag en niet door één land, laat staan momenteel door één linkse partij in één land. Alleen een brede coalitie van debiteur-landen, – inclusief en onder aanvoering van Frankrijk en Italië – zou na een lange confrontatie wellicht de creditdeur-landen, aangevoerd door Duitsland, kunnen stuiten. Mocht dat laatste uitblijven, dan voorspellen Lapavitsas en Flassbeck op termijn de implosie van de eurozone.

En hiermee wijken de auteurs af van de geld-als-neutraal-ruilmiddel-notie. Geld is een bron van macht en wie de geldcreatie controleert, heeft grote politieke macht die via schuldhorigheid uitgeoefend wordt. Zoals Against the Troika stelt: “De euro is […] het geld van een verbond van ongelijke soevereine staten die vastzitten in hierarchische relaties met Duitsland aan de top.” En juist het door links massaal veronachtzaamde politieke karakter van geld maakt dat de tegenstelling tussen internationalistisch-nationalistisch links een schijntegenstelling is. Wie bij het internationaliseren van de democratie niet door internationaal kapitaal gechanteerd wil worden, dient bereid te zijn zich terug te trekken op de nationale staat. En wie zich werkelijk terug wil trekken op de natiestaat verwachte een bancaire Nemesis2. Si vis pacem, para bellum.3 Wie de euro sociaal en democratisch wil, bereide zich voor op het aborteren ervan.


1 Heiner Flassbeck en Costas Lapavitsas, Against the Troika: Crisis and Austerity in the Eurozone, Verso Books, 2015, 144 p. ISBN: 9781784783136

2 Nemesis: godin van de wraak.

3 Als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog.