De Franse Communistische Partij en de volksklassen sinds de jaren zeventig

Auteur: 
Michaël Verbauwhede

Dit zeer interessante boek van Julian Mischi1 handelt over de organisatie van de arbeidersklasse en de volksklassen in de communistische partijen van West-Europa. Het gaat ook in op de kwestie van de klassenafkomst van de communistische kaders, hun militante praktijk en de invloed die verkozen mandatarissen uitoefenen op de evolutie van een partij. Uiteraard neemt de auteur ook de band met de deelname aan regeringen of gemeenteraden onder de loep.

Veel andere werken over de Franse Communistische Partij (PCF) hebben het vooral over haar ideologische en politieke evolutie vanaf de jaren zeventig tot nu. Mischi daarentegen concentreert zich in de eerste plaats op de organisatorische evolutie van de partij. “Met mijn werk wil ik aantonen dat stellingen en standpunten niet volstaan. De organisatorische opbouw, het apparaat, is van groot belang om leden te werven, te behouden en politiek op te voeden. In de concurrentie met de trotskisten lag de grote sterkte van de PCF in haar organisatie, die ingeplant was in de realiteit van de volkse milieus”, zo luidt de samenvatting van de auteur.

Mischi bestudeert niet alleen die realiteit vanuit het standpunt van de leiding maar ook van de basis en onderzoekt daarbij vier afdelingen: Longwy (de staalindustrie van Lotharingen), Saint-Nazaire ( scheepswerven), de banlieues of buitenwijken van Grenoble en Allier (boeren).

Evolutie van de arbeidersklasse, invloed van de organisatorische verruiming, electoralisme

Julian Mischi vertrekt uiteraard van de objectieve evolutie van de arbeidersklasse maar is van mening dat die klasse het hart van het proletariaat blijft.2 Hij schrijft: “Het discours over het einde van de arbeidersklasse dringt zich des te meer op door de sterke daling van de vertegenwoordiging van de arbeiderswereld in de grote industrie en haar meest militante sectoren. Uit de ontmanteling van de grote industriële concentraties en de crisis in de sterkste kernen van de arbeidersbeweging sinds de jaren zeventig wordt al te snel geconcludeerd dat de arbeidersklasse en haar militanten aan het verdwijnen zijn.”

In Le communisme désarmé schrijft Mischi: “…de arbeidersklasse mag dan al achteruit geboerd hebben sinds de jaren 1970, zij is verre van verdwenen. Bij de laatste telling in 2011waren er nog 6,8 miljoen personen. Het gaat dus om een van de belangrijkste sociale groepen, goed voor 23 % van de Franse actieve bevolking. Kijken we enkel naar het aandeel van de mannen dan is een op de drie actieve Fransen een arbeider! De arbeidersbevolking blijft dus aanzienlijk ook al verandert de interne samenstelling, net zoals overigens de levens- en arbeidsomstandigheden. Toch is het maatschappelijke aandeel van de arbeiders ondervertegenwoordigd in het contingent verkozenen van een meerderheid van de Franse bevolking.

De evolutie van de samenstelling van de arbeidersklasse heeft een weerslag op de evolutie van de PCF: de grote sectoren, bastions van de PCF, zijn in crisis. De arbeidersklasse diversifieert, precariseert en versnippert. De greep van de partij op de klassenstrijd daalt sterk en houdt gelijke tred met die van de CGT (van 2 miljoen naar 700.000 leden). Maar de PCF anticipeert en corrigeert niet. En wat de immigratie van buiten de Europese grenzen aangaat, slaat de PCF al helemaal de bal mis. Ze laat die mensen aan hun lot over, vaak om electorale redenen. De PCF reproduceert ook de sociale verdeling die binnen en buiten de fabriek bestaat.

De vertegenwoordiging van de PCF kalft af in de privésectoren en concentreert zich almaar meer in de overheidsadministratie, vooral lokaal dan.3 “De verwaarlozing van de klassenverhoudingen en de organisatie van de strijd door hen die de onderdrukking ondergaan maakt het natuurlijk moeilijk om rekening te houden met de opkomst van nieuwe groepen uit de volksklassen − namelijk de bedienden uit de openbare diensten en de afstammelingen van de migranten uit de Maghreb”, schrijft Mischi.

Toch hij is van mening dat die redenen onvoldoende de achteruitgang van de PCF verklaren. Het zijn vooral organisatorische en politieke opvattingen die de PCF hebben ontwapend.

Het boek biedt een meer genuanceerde kijk op de politieke evolutie van de PCF dan de algemeen aanvaarde politieke analyses. Die evolutie heeft inderdaad een invloed op de organisatorische samenstelling van de partij die, op haar beurt, de politieke richting van de partij beïnvloedt.

Het prestige van de PCF bereikte een hoogtepunt bij de Bevrijding. Maar tot begin de jaren zeventig gaat de partij electoraal en organisatorisch achteruit. Tussen 1972 en 1977 zorgt de eenheidspolitiek met de sociaaldemocraten (het “Gemeenschappelijk Programma”) dat de mensen veel hoop biedt, voor een golf van nieuwe toetredingen. Dankzij deze samenwerking met een Parti Socialiste waarvan de electorale invloed in stijgende lijn gaat, worden heel wat gemeenteraden veroverd. Dat is ook het hoogtepunt van de banlieues rouges of de rode voorsteden rond Parijs (de communisten hebben dan meer dan de helft van de gemeenteraden in handen).

Daardoor evolueert de samenstelling van de PCF. In die periode groeit de partij niet alleen in aantal maar er doet zich ook een kwalitatieve verschuiving voor naar de bedienden in de informatietechnologie, de technici, ingenieurs en kaders en het onderwijzend personeel (in Parijs staat een kwart van de leden in het onderwijs). Die nieuwere volkslagen gaan directieposten op het niveau middenkader innemen en opklimmen in het apparaat van de PCF waar ze de leiders uit de arbeidersklasse verdringen.

De verovering van nog meer gemeenteraden zal ervoor zorgen dat veel communistische kaders hun intrede doen in het gemeentelijk apparaat. Met de achteruitgang van de organisatie zullen ook de financiële middelen van de partij meer en meer afhangen van deze verkozen mandatarissen die almaar meer plaats innemen in de organisatie, zowel in aantal als in politieke invloed.

Sociaaldemocratie, Mitterrand en de crisis van de PCF van 1978-1986

De houding van de leiders van de PCF tegenover de sociaaldemocratie is zeer tweeslachtig. Wanneer Marchais in 1972 het Gemeenschappelijk Programma ondertekent, weet hij dat hij gevaarlijk spel speelt maar hij hoopt dat de grotere organisatiekracht van de PCF in vergelijking met die van de PS zal volstaan. Zodra echter de leiders beseffen dat de PS hen in de verkiezingen van 1976 qua stemmen de loef afsteekt, besluiten ze in 1977 te breken met het Gemeenschappelijk Programma, ze voelen dat hun invloed afneemt. Het is evenwel geen principiële breuk. In 1977-1978 legt de PCF vooral de nadruk op de ellendige leef- en arbeidsomstandigheden van de uitgeslotenen uit de maatschappij en de armoede, en voert vanaf 1978-1979 een anti-intellectueel discours (gericht tegen al wie zich verzet tegen de breuk). Daarna volgt ook nog een periode waarin de partij een anti-migrantendiscours of de terugkeer naar de moraal predikt. Dit alles in een verstikkende sfeer van anticommunisme. In 1978 breekt een diepe crisis los in heel de partij (niet alleen aan de top maar ook in intellectuele middens) die de komende acht jaar gevolgen zal hebben. Want uiteindelijk zal de PCF, die aanvankelijk Mitterrand bekritiseerde, in 1981 in een regering met diezelfde Mitterrand stappen (hoewel de partij hem liever niet de verkiezingen zag winnen!). Ze zal daar meewerken aan de grote herstructureringen in de staalindustrie en andere industriële bastions vooraleer er in 1984 de brui aan te geven. Een militant noemde dit “het ruitenwisserbeleid”. Dit onophoudelijke heen-en weer-gemanoeuvreer heeft de PCF enorme schade toegebracht: ze verliest op acht jaar tijd een derde van haar leden.

De auteur haalt nog andere oorzaken aan voor deze terugkerende crisis die het bestuderen waard zijn: het gebrek aan democratie en het autoritarisme van de leiding (zonder twijfel reëel); de pro-Sovjetlijn; … maar ook het protest tegen ‘links’ (de revolutionaire weg, de houding in de klassenstrijd…). Maar op basis van lokale gevallen merkt Mischi op dat dit protest verschillende vormen aanneemt naargelang de klassenoorsprong. De intellectuelen bekritiseren de lijn van de leiding openlijk terwijl de arbeiders de partij met stille trom verlaten (ze debatteren in de basiscel en gaan er dan vandoor). 4

Subjectieve de-legitimisering van de volksklassen

Volgens Mischi is de daling van het aantal arbeiders niet alleen aan een objectieve evolutie (het verlies van arbeidersbastions, bijvoorbeeld) of politieke evolutie (namelijk naar de sociaaldemocratie) te wijten maar ook aan de de-legitimisering van de arbeidersklasse zelf. Hij is van mening dat de PCF een rol had als “woordvoerder” van de arbeidersklasse, waarmee het geheel van alle volkslagen zich kon identificeren. Die rol schoof woordvoerders uit de arbeidersklasse naar voren en dat is cruciaal voor het zelfbewustzijn van de klasse. Mischi schrijft: “Vanaf de jaren 1980 en vooral 1990 wil de PCF niet alleen de volksklassen vertegenwoordigen, maar Frankrijk in ‘heel zijn diversiteit’. De klassenanalyse van de maatschappij wordt ondergesneeuwd met thema’s zoals ‘burgerparticipatie’ of het aanhalen van de ‘sociale banden’. De communistische verkozenen roepen zichzelf uit tot voorgangers van een ‘lokale democratie’ die de kloof tussen de politieke klasse en de ‘burgers’ moet dichten. Het initiële project van de partij, dat op het marxisme geïnspireerd was, ruimt plaats voor een humanistische retoriek die brede aanhang werft in het verenigingsleven en het politieke leven.” De PCF laat geleidelijk elke referentie naar de arbeidersklasse vallen, alsook de promotie van arbeiders (binnen de PCF), de voordracht van arbeiders voor leidende functies of als woordvoerders.

De partij stelt zich open voor vrouwen (in de jaren zeventig), vooral dan hoogopgeleide vrouwen of vrouwen uit het onderwijs en niet zozeer arbeidersvrouwen. Ze streeft naar diversiteit (vanaf de jaren negentig om electorale redenen) en werft niet op klassenbasis.

Het is onder de leiding van Robert Hue van 1994 tot 2003 dat de PCF de echte vernietigingsfase intreedt en een partij van verkozenen wordt. De bedrijfscellen worden opgedoekt, het democratisch centralisme gaat op de schop… Hue noemt dit “de mutatie” van de partij.

Ex-leden die op rechtse standpunten de partij hadden verlaten in de jaren tachtig en negentig komen terug en worden getolereerd ondanks hun evidente meningsverschillen. Van de meest gecentraliseerde partij wordt de PCF “een van de meest gedecentraliseerde”.

De centrale plaats van de arbeidersklasse en de arbeidersleiders tot de jaren zeventig

“De afdeling Partijleven van de PCF centraliseert sinds 2009 de vele gegevens over de partijleden: hun leeftijd, gender, woonplaats, sector waarin ze actief zijn… Maar geen woord over de sociale categorie of beroepscategorie waartoe ze behoren. Zo kom je te weten dat deze of gene militant werkt bij de nationale spoormaatschappij SNCF of in de luchtvaart, maar niet of hij kader is of arbeider.” Dit gebrek aan belangstelling voor de sociale status van de leden is een illustratie van een tendens binnen de PCF sinds 30 jaar. Mischi omschrijft ze als volgt: “…ooit stond de kwestie van de vertegenwoordiging van de volksklassen centraal, nu is ze secundair geworden.”

De PCF ontstaat in 1920 na een breuk met de sociaaldemocratie (in feite was toen een meerderheid van de PS gewonnen voor de oprichting van de PCF). In die tijd was de Derde Internationale voorstander van bedrijfscellen die een centrale plaats innemen in de organisatie. Daarmee ging ze in tegen de tendens om verder te werken zoals de sociaaldemocratie, waar territoriale groepen centraal stonden.

Maar de Derde Internationale wil ook arbeidersleiders aan het hoofd van de partij: Thorez, Waldeck-Riochet, Duclos, Marchais zijn allemaal afkomstig uit arbeidersgezinnen. Er komen kaderscholen voor arbeiders, en de andere lagen van de bevolking klimmen minder snel op in de partijhiërarchie. Er wordt bewust gewerkt aan een klassenbewustzijn, een klassencultuur.

De bedrijfscel staat politiek centraal, de stedelijke afdeling groepeert de cellen en wordt vaak geleid door de leider van een bedrijfscel. De vrijgestelde en verkozen arbeiders komen vaak uit de grootste onderneming uit de regio, het departement of de stad. Naast een ideologische filter voor de PCF-kaders, wordt er ook bewust rekening gehouden met de sociale afkomst, het diploma enzovoort, wat het uitgesproken ‘arbeiderskarakter’ van de PCF moet verzekeren.

Ook al vormen de bedrijfscellen op het hoogtepunt van de partij maar een vierde van het totale aantal (of 37 % van de effectieven in 1977 tegen 17 % twintig jaar later), de vrijgestelden en kaders van de PCF komen in overgrote meerderheid uit de arbeiderscellen.

De rol van de arbeiderscellen, de bedrijfscellen, is cruciaal. Niet alleen door hun grote aantal maar vooral door de strategische plaats die zij innemen in het leven van de partij.

In tegenstelling tot het geheel van de maatschappij waar alles in het werk wordt gesteld om de volksklassen en ook de arbeiders weg te houden van belangrijke posten, blijkt dat de keuze van de PCF een strategische en ideologische keuze was. Want de arbeidersleiders trekken andere arbeiders aan op basis van sociale herkenning. De PCF wordt gezien als “de partij van de arbeidersklasse”, ook al hebben de hoogst opgeleide arbeiders vaak de bovenhand en reproduceren ze zo de maatschappelijke arbeidsverdeling. De PCF wordt de enige legitieme vertegenwoordiger van de arbeidersklasse en ruimer ook van alle volksklassen. Zij is de enige partij die arbeiders op de frontlinie positioneert. Daardoor identificeren de arbeiders zich met de partij, hebben ze vertrouwen in de PCF. Maar meer algemeen herkent het geheel van de volksklassen (de boeren, de ‘kleine’ bedienden) zich in de PCF en vinden zij dat de PCF hun legitieme vertegenwoordiger is.

Mischi benadrukt het belang van de partijopvatting: “Het ouvrierisme en het belang dat wordt toegekend aan de discipline hebben tot in de jaren zeventig de opbouw bevorderd van een massapartij die diep geworteld is in de volksmilieus. Het organisatiemodel van de PCF was ook een wapen tegen de elitaire tendensen, eigen aan de functionering van het politieke veld. Het was een wapen om gedeeltelijk het belang van de individuele culturele middelen te minimaliseren ten voordele van het collectieve kapitaal, dat werd vertaald naar de militante actie. De organisatorische beperkingen waren bedoeld om de verkozenen te controleren, de neiging van notabelen en kaders om de politieke actie te verpersoonlijken de kop in te drukken en de militanten uit de volkslagen te bevoordelen.”

De auteur beschrijft hoe de partij streefde naar een evenwicht in de sociale samenstelling van de kaders: “De criteria voor de selectie en de vorming van de militante kaders uit de volkslagen werden in de jaren 1990 en 2000 losgelaten als gevolg van de daling van het aantal leden maar ook doordat de autoritaire praktijk van het democratisch centralisme in vraag werd gesteld. Zo verdwijnen de scholen of verliezen ze hun functie van volksonderwijs. Het ‘kaderbeleid’ − een vormingssysteem dat de arbeidersmilitanten uit de ondernemingen bevoordeelde − dooft geleidelijk uit. Met het oog op de vernieuwing van de partij wordt voortaan gediscuteerd over verjonging en vervrouwelijking. ‘Gemengd’ betekent nooit de expliciete promotie van militanten uit de volksklassen. De vrijgestelden van arbeidersafkomst, die opgeleid zijn in de partijscholen, worden opgevolgd door verantwoordelijken die een parcours (school, beroep, partij) hebben afgelegd dat nauw verbonden is met de territoriale collectiviteiten. Het is rond deze lokale besturen dat het hedendaagse communisme zich herstructureert en overleeft, en niet, zoals vroeger, rond syndicale netwerken.”

De afwezigheid van kaderscholen en het gebrek aan aandacht voor de opleiding van arbeiders tot kaders heeft zo binnen de PCF geleid tot ongelijkheid ten voordele van intellectuele kaders.

Klassenstrijd, klassenbewustzijn en strijd tegen de armoede

Naast de centrale plaats van de arbeiders wijst Mischi ook op het belang van de evolutie van het armoedediscours van de PCF5: “Dit discours, dat focust op de armen, duikt regelmatig op binnen de PCF, onder andere op het einde van de jaren zeventig. Daaruit blijkt dat het rekening houdt met de eerste gevolgen van de achteruitgang van de verzorgingsstaat in de volkswijken, die te wijten is aan de stijging van de werkloosheid en de precariteit. Het krijgt zijn beslag in de campagne van de cahiers de la misère et de l’espoir van 1976-1977 (...) Die miserabilistische evolutie van het communistische discours staat haaks op het militante werk dat de waardigheid van de arbeider bevestigt. Het gaat ook in tegen de logica van een partij waarvan de kaders afkomstig zijn uit de hooggeschoolde arbeidersrangen, fracties die zich moeilijk herkennen in dat miseriediscours. Als de ontmaskering van de uitbuiting plaats ruimt voor die van de miserie, veroorzaakt dit een belangrijke breuk in de sociale legitimatie van de communistische leiders: zij spreken vooral in naam van de armen en de uitgeslotenen en willen hun niet langer macht geven in de partij of in het staatsapparaat. De partij verlegt de focus van de klassenstrijd naar de daling van de armoede. Die verandering in de bekommernis leidt ook tot de opkomst van een nieuwe generatie kaders in de meerderheid van de departementen: de arbeidersmilitanten, afkomstig uit de lokale vakbond, worden geleidelijk opgevolgd door territoriale kaders en verkozenen. Aan het hoofd van de lokale collectiviteiten gaan die laatsten dan niet zozeer een militante tegenmacht opbouwen maar hun stad besturen en vechten tegen de armoede. Die evolutie voltrekt zich uiteraard binnen een algemene beweging die vooral gericht is op humanitaire hulp, vrijwilligerswerk, liefdadigheidswerk enzovoort. Het gevolg is dat nadenken over de organisatie van de strijd door diegenen die in eerste instantie de onderdrukking ondergaan, van oudsher een heel erg structurerende bezinning in de geschiedenis van de arbeidersbeweging, binnen de oude ‘Partij van de arbeidersklasse’, wordt losgelaten.”

Een partij van verkozenen

En zo belanden we bij een volgende punt in Mischi’s boek, namelijk de kwestie van de deelname van de communisten aan de gemeentelijke macht die de partij zal uithollen door haar eigen dynamiek.

Voor de auteur is er om te beginnen datgene wat Emmanuel Ballager ‘het officieuze reformisme’ in de communistische gemeentehuizen vanaf de jaren dertig noemt en dat volledig tot ontwikkeling zal komen in de jaren tachtig, wanneer de communistische gemeenten met de privé in zee gaan (Public Private Partnerships), bovengemeentelijke overeenkomsten afsluiten en gemeentelijk bestuur ‘management’ wordt.

Dan is er nog het belang dat gehecht wordt aan de verkozenen die vanaf de jaren tachtig ontsnappen aan de controle van de afdelingen nog voor ze werkelijk aan het hoofd van die afdelingen komen. De partij slaat hen en hun competenties hoger aan dan de militanten.

Uiteindelijk worden dan de meest individualistische en lokaal geïnspireerde praktijken aangemoedigd. Wat zich vertaalt in bondgenootschappen à la carte op gemeentelijk niveau, onder andere met de PS, wat op zijn beurt de tendens tot electoralisme nog versterkt.

Je krijgt aan de ene kant de verkozen mandatarissen en zij die samenwerken met figuren die vaak het apparaat controleren, en aan de andere kant de militanten die de partij laten voor wat ze is en gaan meewerken in verenigingen of in de vakbond.

Drie oorzaken van de ‘teloorgang’ van de centrale plaats van de arbeidersklasse

Eerste en belangrijkste oorzaak is de verdwijning van de grote tewerkstellingskernen. Zulke concentraties van stabiele arbeiders worden almaar zeldzamer. De arbeidersklasse zoals we die traditioneel kennen (een arbeider in een groot fabriek) piekte in Frankrijk in de jaren 1950-70. Daarvóór was het contingent loontrekkers veel zwakker (ook in de 19e eeuw): er bestond een zeer groot aantal ambachtslui, boeren, werknemers dus die niet in loondienst waren. Vandaag bestaan die concentraties nog (denk maar aan de Franse spoorwegmaatschappij SNCF), maar ze zijn niet langer dominant. De wereld van de arbeid is dus veranderd6, is meer en meer versnipperd en ook vervrouwelijkt.

Maar we kunnen de oorzaak niet alleen leggen bij het verdwijnen van die grote concentraties. Mischi is van mening dat ook de rol van de PCF om woordvoerders van de arbeiders naar voren te schuiven cruciaal was voor het bestaan van de klasse en haar zelfbewustzijn. Dat de PCF geleidelijk die band met de arbeidersklasse losliet − de in de partij aanwezige mechanismen voor de promotie van de arbeiders waardoor ze leidende functies kregen en als woordvoerders van hun klasse werden naar voor geschoven − heeft een rol gespeeld in deze ‘teloorgang’.

Als laatste oorzaak is er het verlies van de focus op de arbeiders. De intellectuele en progressieve wereld plaatste tot in de jaren zeventig de arbeiders in het centrum: universitair onderzoek, romans, films enzovoort. Maar dat vermindert. En ook de ruimtelijke segregatie speelt een rol: de woonplaatsen liggen almaar verder uiteen. Intellectuelen die in de stad wonen zien nog nauwelijks arbeiders want die wonen meer en meer op het platteland. In zekere mate is het niet zozeer de klasse die verandert maar wel de manier waarop naar haar gekeken wordt. Het beeld dat we krijgen is gevormd door een laag intellectuelen en doet ons geloven dat de arbeidersklasse aan het verdwijnen is, op zichzelf terugplooit, ‘racistisch’ is, voor het Front National kiest enzovoort.

Het is duidelijk dat de werken van Mischi (Le PCF désarmé (2014), Servir la classe ouvrière (2010), en Le bourg et l’atelier (2016)) leesvoer moeten zijn voor al wie de evolutie van de PCF en meer algemeen, het verdwijnen van de arbeidersklasse uit de kern (van de samenleving, van de PCF)… wil begrijpen, maar ook van al wie de klasse van de werkende mensen weer in het centrum van het politieke debat wil plaatsen.

Michaël Verbauwhede


1 Julian Mischi, Le communisme désarmé, le PCF et les classes populaires depuis les années 70, Agone, 2014.

2 Julian Mischi, Le bourg et l’atelier. Sociologie du combat syndical, Agone, Marseille, 2016.

3 In 2013gaf 75 % van alle door de afdeling “Partijleven” geregistreerde leden aan dat ze werkten in de openbare diensten, waarvan 23 % in een “collectivité territoriale” (gemeente, departement, regio…).

4 Het grote voordeel van het werk en het boek van Julian Mischi is dat hij de lokale cellen heeft bestudeerd.

5 Zie hierover ook de doctoraatsthesis van Daniel Zamora, De l’égalité à la pauvreté : les reconfigurations de l’assistance et les transformations de l’Etat social Belge (1925-2015).

6 Ook hier moet men opletten voor elke vorm van idealisering.