De grote trans-Atlantische braderie

Auteur: 
Henri Houben

Op 13 februari 2013 kondigen de Amerikaanse president Barak Obama en de leiders van de Europese Commissie officieel aan dat de onderhandelingen tussen beide partijen met het oog op een grote trans-Atlantische markt, voorzien voor 2015, in juni van hetzelfde jaar van start gaan. De partners zien het groot vanaf het begin: het akkoord zal zowel gaan over handel als over de intellectuele eigendom – brevetten en vergunningen – en buitenlandse investeringen. Ze willen een precedent scheppen dat kan model staan voor toekomstige handelsakkoorden in een ronduit liberaal kader.

Het is niet de eerste keer dat aan beide zijden van de Atlantische Oceaan zo’n initiatief wordt gelanceerd. In 1990, nauwelijks een jaar na de val van de Berlijnse Muur, ondertekenden beide regio’s een resolutie die de nadruk legde op de gemeenschappelijke standpunten en de noodzaak van samenwerking in deze nieuwe wereld.

Op dat ogenblik is de Britse sir Leon Brittan – een volbloed-thatcherist – de dienstdoende eurocommissaris voor Mededinging. Samen met zijn Amerikaanse ambtgenoot zal hij proberen meerdere verenigingen op te richten met leden uit beide continenten. Dit nieuwe trans-Atlantische partnerschap wordt officieel ingehuldigd in december 1995. De enige organisatie die echt zal opgericht worden is de TransAtlantic Business Dialogue1 (later de TransAtlantic Business Council2), of TABD3. Deze groepeert enkele tientallen van de grootste Europese en Amerikaanse multinationals en gaat er prat op dat 60 % van haar voorstellen door de respectievelijke regeringen worden overgenomen en in wetten of richtlijnen worden gegoten.

In 1997 zal de OESO4 haar lidstaten proberen te overhalen tot een multilateraal akkoord over investeringen (AMI – Area of Mutual Interest Agreement) dat de wensen van de ondernemingen inwilligt: de bescherming van de eigendom van de ondernemingen, een gunstige en niet-discriminatoire behandeling van nationale en buitenlandse ondernemingen, een onafhankelijke rechtbank waar de ondernemingen klacht kunnen neerleggen tegen de landen die de regels niet respecteren.

Recenter, in 2006, zullen meerdere landen, waaronder de VS, Japan en de Europese Unie, proberen een pact op te stellen om gezamenlijk te strijden tegen de piraterij van gebrevetteerde producten. Met dit pact, dat de naam Anti-Counterfeiting Trade Agreement of kortweg ACTA5 meekreeg, wilden zij de toepassing afdwingen van zeer strikte regels voor merken en labels en voor het verbod op de kwaliteitsgarantie appellation contrôlée, waardoor onder andere generische geneesmiddelen niet tussen de landen hadden mogen circuleren. De publieke opinie was hier echter zo erg tegen gekant dat het Europees Parlement het akkoord verwierp. Maar 22 van de 28 lidstaten van de Unie zullen het toch ondertekenen.

Het is telkens hetzelfde scenario: er wordt een project opgezet in de grootste discretie, om niet te zeggen in absolute geheimhouding. Er ontstaat enige terechte verontwaardiging onder het volk en ook enkele instellingen en organisaties roeren zich. De tegenstellingen tussen de deelnemende landen maken elke afwijzing onmogelijk. De Europese Commissie haalt haar slag uiteindelijk thuis en zet zo volhardend haar plannen door.

De doorslaggevende invloed van het patronaat

Het initiatief voor de herlancering van deze grote trans-Atlantische markt werd genomen in november 2011, op een van de bijna jaarlijks terugkerende topontmoetingen tussen de Amerikaanse president en de belangrijkste Europese leiders.

Tijdens zo’n eerdere ontmoeting in Washington op 30 april 2007 – bondskanselier Angela Merkel staat dan aan het hoofd van de Unie6 – beslissen de leiders van beide kanten van de Atlantische Oceaan een nieuw organisme op te richten: de TransAtlantic Economic Council (de Trans-Atlantische Economische Raad). Die raad zal samengesteld zijn uit overheidsvertegenwoordigers, verantwoordelijk voor de handel, en zal gezamenlijk geleid worden door enerzijds een eurocommissaris (eerst Günther Verheugen, voor Ondernemingen en Industrie, daarna Karel De Gucht, voor Handel) en anderzijds een lid van het kabinet van de Amerikaanse president (eerst Allan Hubbard, vervolgens Michael Froman). De opdracht van dit organisme is de versnelde doorvoering van de trans-Atlantische harmonisering zodat alle nutteloze regels en reglementen kunnen worden afgeschaft.

Al snel zullen talrijke patronale stemmen oproepen om verder te gaan en een strategisch initiatief van grote omvang voor ogen hebben. Voor sommigen kan de grote trans-Atlantische markt zelfs een oplossing voor de recessie zijn.

Een van de actiefste groepen ter zake is het Transatlantic Policy Network (TPN).7 Deze denktank werd opgericht in 1992 en verenigt zakenlui, patroonsorganisaties, Europese en Amerikaanse parlementsleden. Zijn doel: de relaties tussen beide zijden van de oceaan bevorderen. Leden zijn onder andere Allianz, BASF, Boeing, Caterpillar, Coca-Cola, Daimler, Deutsche Bank, Facebook, General Electric, IBM, LVMH, Michelin, Microsoft, Nestlé, Pfizer, Siemens en Walt Disney. Onder de organisaties vinden we de Kamer van Koophandel van de VS, de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT), BusinessEurope, de US Council on Competitiveness8 en de zeer invloedrijke denktanks Bruegel, het European Policy Centre (EPC), het Britse Chatham House en de Amerikaanse Council on Foreign Relations, het Brookings Institution, de Carnegie Endowment for International Peace. Bij de parlementsleden ontmoeten we talrijke leden van de liberale fractie, de Europese Volkspartij en de socialisten, onder andere de Belg Saïd El Khadraoui (SP.A). De twee leiders van de grootste parlementaire fracties behoren ook tot deze denktank, namelijk de Fransman Joseph Daul voor de Europese Volkspartij (PPE) en de Oostenrijker Hannes Swoboda voor de socialisten.9

Maar vanaf 2007 dringt het TPN jaarlijks aan op rechtstreekse onderhandelingen voor de oprichting van een grote trans-Atlantische markt tegen 2015. Op dat ogenblik is de crisis nog niet echt doorgebroken. Het TPN draagt overigens ook andere argumenten aan: “De trans-Atlantische markt is niet langer de meest dynamische economische zone van de wereld.” Oorzaak: de groei van China en andere opkomende landen. Om aan deze bedreiging het hoofd te bieden moet “de concurrentiekracht van de trans-Atlantische markt verbeteren en moeten de handelsbarrières en de reglementen inzake investeringen opgeruimd worden om zowel in Europa als in de VS maximale groei mogelijk te maken.”10

En meteen luidt het: “Het doel zou de afschaffing zijn van de douanerechten en een aanzienlijke verlaging van de kosten van de reglementering en de non-tarifaire belemmeringen voor de trans-Atlantische handel en de investeringen door de invoering van een institutioneel samenwerkingskader tussen Europa en Amerika.”11 En de overheden aan beide kanten van de Atlantische Oceaan richten de TransAtlantic Economic Council (TEC) op.

Die raad zal komaf maken met wat nog rest aan afremmende regels tussen de VS en Europa. Onontbeerlijk maar nog altijd onvoldoende. En dus zal het TPN vanaf 2010, nu met de economische crisis op de achtergrond, voorstellen de zaken te versnellen en een groep op te richten die officieel de opdracht zal krijgen het terrein te effenen voor de onderhandelingen over de vorming van een grote markt.

Anderhalf jaar later voert het TPN de druk nog op: “Het wordt tijd dat de TEC de vorming van een trans-Atlantische markt versnelt met het oog op nieuwe werkgelegenheid, economisch herstel, de verdere integratie van de Europees-Amerikaanse markt en een grotere bijdrage aan de wereldgroei.”12 Dit nieuwe orgaan moet ‘het forum worden waar Europa en de VS een programma voor werkgelegenheid en groei doorvoeren en hun antwoord op de systemische gevolgen van de eurocrisis en de huidige economische moeilijkheden in Amerika coördineren.”13 De termen ‘werkgelegenheid en groei’ kunnen illusies wekken. Maar het gaat erom de markt te ontwikkelen en de concurrentie op te drijven om zo de industriële giganten van vandaag en morgen te vormen die de planeet zullen domineren.

De boodschap is aangekomen, want op de Europees-Amerikaanse top na dit rapport, in november 2011, gaan de Europese en Amerikaanse leiders, vertrekkend vanuit de TEC, over tot de vorming van een High Level Working Group on Jobs and Growth. Die groep zal geleid worden door dezelfde verantwoordelijken als die van de TEC en zal eveneens samengesteld zijn uit ambtenaren van de respectievelijke regeringen.14

De High Level Working Group opereert volgens de wensen van het TPN en de andere patronale organisaties. Hij stelt de vorming van een partnerschap voorop, “een samenwerking die verder gaat dan wat de VS en Europa in vorige handelsovereenkomsten hebben bekomen”.15 Daarom moet ook de kwestie van de investeringen16 en van de intellectuele eigendom erin opgenomen worden. Zo zal de nieuwe overeenkomst verder gaan dan een eenvoudig bilateraal akkoord maar ook model kunnen staan voor toekomstige multilaterale akkoorden.

De onderhandelingen moeten volgens de werkgroep onverwijld opstarten en drie grote domeinen bestrijken: “a) de toegang tot de markt; b) de kwesties van de reglementering en de non-tarifaire handelsbelemmeringen17, en c) de regels, principes en nieuwe vormen van samenwerking.”18 Elke houding die ingaat tegen de vrije concurrentie is uit den boze, in het bijzonder als het overheidsondernemingen bevoordeelt of als het inhoudt dat bepaalde landen buitenlandse investeerders willen verplichten zich in de eerste plaats te bevoorraden in lokaal geproduceerde onderdelen.

Naar het schijnt heeft de werkgroep een breed volksdebat geopend over de relevantie van haar voorstellen. Er wordt gevraagd eerst te reageren op het idee van een grote trans-Atlantische markt, en vervolgens op een eerste versie van het rapport. In totaal zou de groep 114 antwoorden hebben ontvangen. Amper 48 daarvan werden door de Europese Commissie gepubliceerd.19 Tot die 48 behoren: 34 industriële en financiële lobbies; 5 privéondernemingen. Het verpletterende overwicht van de patronale organisaties die allemaal op hetzelfde azen: deze verrassend aantrekkelijke grote trans-Atlantische markt binnenhalen.

De multinationals krijgen toelating om naar hartenlust uit te buiten

Het mandaat dat de EU-leiders aan Karel De Gucht hebben gegeven, is zeer ruim en is voldoende reden tot ongerustheid. Zelfs in die mate dat de Commissie zich verplicht voelde de inzet van de onderhandelingen enigszins te wijzigen.

Met uitzondering van enkele producten zullen de belangrijkste veranderingen niet komen van de afschaffing van de douanetarieven. Die zijn trouwens zeer laag: gemiddeld 1,7 % voor afgewerkte producten en 6,6 % voor landbouwvoedingsmiddelen (vooral melkproducten) voor de VS en respectievelijk 2,3 % en 12,8 % voor de Europese Unie.20 De meest beschermde sector in Europa is de vleessector. En net daar ligt een van de ‘concurrentievoordelen’ van de Amerikaanse productie, maar schuilt ook de vrees van de milieudeskundigen.

De EU verbiedt vandaag inderdaad de Amerikaanse invoer van meerdere ‘verdachte’ producten zoals met hormonen behandeld rundvlees, in chloride gewassen kippen of in melkzuur gewassen vleeskarkassen21, om nog niet te spreken van de genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) die op ons oude continent veel meer aan banden gelegd zijn.

De Amerikaanse Nationale Raad van Producenten van Varkensvlees schrijft in zijn aanbevelingen aan de Amerikaanse onderhandelaar van het trans-Atlantische akkoord: “De Europese Unie is een van de meest beschermde markten ter wereld voor varkensvlees. Ze maakt gebruik van tarifaire quota, met hoge en prohibitieve tarieven, met de nadruk op kleine volumes, dit alles met de bedoeling de invoer van varkensvlees te beperken. Bovendien hanteert de EU een hele reeks sanitaire en fytosanitaire22 belemmeringen die niet wetenschappelijk onderbouwd zijn en die de import beperken. (…) De Amerikaanse producenten van varkensvlees hebben de laagste kosten ter wereld en de EU zou een enorme markt moeten zijn voor het Amerikaanse varkensvlees dat van hoge kwaliteit is en concurrentieel wat betreft de prijs.” 23 Hij besluit: “De Amerikaanse producenten van varkensvlees zullen zich verzetten tegen elk akkoord dat niet leidt tot de afschaffing van alle douanetarieven tegen varkensvlees en zijn afgeleide producten.”24

De Commissie beweert dat “de fundamentele wet van de EU met betrekking tot ggo’s geen deel uit maakt van de onderhandelingen en bijgevolg niet kan veranderd worden bij de afronding van de onderhandelingen.25 Maar toegevingen maken nu eenmaal deel uit van onderhandelingen. Wat is Europa bereid in het mandje te leggen in ruil voor andere voordelen voor haar ondernemingen?

De landbouw riskeert in elk geval ernstige veranderingen. De grote bedrijven zullen bevoordeeld worden zodat ze de hele markt van 800 miljoen consumenten kunnen bevoorraden. En dat zal zich meer dan waarschijnlijk vertalen in een nettoverlies voor ons oude continent, want de grote landeigenaars zullen concurrentiëler zijn en die bevinden zich vooral in de VS. Het Centre d’études prospectives et d’informations internationales26 (CEPII) schat dat Europa op twintig jaar tijd in die sector 1 % van haar bbp zal verliezen.27

Het tweede te onderhandelen element is de officiële homologatie van producten. De Amerikaanse ondernemingen zouden graag eenzelfde mechanisme zien aan beide kanten van de Atlantische Oceaan. Zodra de waarde en de betrouwbaarheid van een product aan één van beide kanten is vastgelegd, zou dat product zowel in Europa als in de VS moeten kunnen verdeeld worden. Naast de landbouw zou dit nog kunnen toegepast worden op voertuigen, geneesmiddelen, chemische bestanddelen, elektronische apparaten enzovoort. De verwachte opbrengsten zijn enorm. Een daling van de Europese douanetarieven met 10 % op voertuigen uit de VS zou de automobielsector een besparing opleveren van 12 miljard euro. De winsten van de chemische industrie zouden kunnen stijgen met 7,1 miljard euro en die van de landbouw- en voedingsmiddelenindustrie met 5 miljard euro.28

Een aantal reglementen wordt met de gekste bedreigingen geconfronteerd. Opnieuw doet de Commissie zich stoer voor: “De reglementen zijn er om te blijven. (…) De belangrijkste reden waarom die reglementen er zijn gekomen is dat de burgers, door tussenkomst van hun vertegenwoordigers, hebben besloten dat het de kost, hoe hoog ook voor de economie, waard was. (…) Laten we heel duidelijk zijn: het Transatlantic Trade and Investment Partnership29 (TTIP) zal onze democratische keuzes niet wijzigen. Het gaat niet om een de-reglementering. De burgers zullen beschermd blijven.”30

Maar hoe kan de Commissie daar zo zeker van zijn als alles wordt geanalyseerd vanuit het standpunt van de concurrentiekracht? Hoe kunnen we voorkomen dat schaliegas bijvoorbeeld de Europese markten zal overspoelen, terwijl veel landen er vierkant tegen zijn? Er doet zich alvast een belangrijk probleem voor als men de twee wetgevingen met elkaar wil verenigen: onder druk van consumentenorganisaties, die vaak worden gesteund door lokale vakbonden, hanteert Europa in het algemeen het voorzorgsprincipe31, wat aan de andere kant van de Atlantische Oceaan niet wordt aanvaard.

Het Europese patronaat wil ook bepaalde beperkingen afgeschaft zien die de ‘civiele maatschappij’ oplegt. De patroons zijn vragende partij voor een harmonisering van de financiële regulering in beide regio’s. Het is een manier om definitief komaf te maken met een belasting op financiële transacties, die, hoe klein ook, door het patronaat vervelend werd gevonden.

Voor wat betreft intellectuele eigendom zijn beide kanten voorstander van een onbeperkt recht, wat het gunstigst is voor de ondernemingen. Globaal gezien bestaat dat bestaat overigens al in beide regio’s.

Daar tegenover staat dat zowel de Amerikaanse als de Europese patroons hopen dat dit akkoord als basis kan dienen voor andere akkoorden met andere landen, waar namaak en industriële piraterij schering en inslag zijn. Het is gewoon paradoxaal dat het ACTA, dat werd afgewezen door een democratische en ondubbelzinnige stemming in het Europees Parlement, nu weer op tafel ligt onder de vorm van het TTIP, waarvan de totstandkoming veel ondoorzichtiger is.

Tot slot is de dringendste kwestie voor de trans-Atlantische burgerij de vorming van een onafhankelijke rechtspraak, waar de multinationals klacht kunnen neerleggen tegen de landen die bovengenoemde regels niet zouden respecteren. De Europese Commissie vindt dit een zinnig punt. Ze zit wel verveeld met twee zaken. Vooreerst is er de gerechtelijke klacht van de Zweedse energieonderneming Vattenfall tegen de Duitse overheid, die na het ongeval in Fukushima afzag van nucleaire energie. Ten tweede is er de gerechtelijke vervolging van de Australische overheid door Philip Morris na de invoering van het verbod nog langer de merknaam op de pakjes sigaretten te zetten om zo de tabaksreclame aan banden te legen. Die twee gevallen, zo geven de Europese leiders toe, maken het de overheden moeilijk om onafhankelijk regels op te stellen die het algemeen belang dienen.

Maar de Commissie wil hier toch een punt scoren. Begrijpelijk: de Europese ondernemingen grijpen het meest naar de juridische procedure. Tussen 2008 en 2012 waren er 224 erkende geschillen tussen een onderneming en een overheid. In 113 gevallen, of 53 % van het totaal, was een Europese onderneming betrokken.32

De Europese leiders hebben daarom vier principes opgesteld die ze sleutelgaranties voor buitenlandse investeerders noemen:

  • de bescherming tegen discriminatie (‘behandeling als meest begunstigde natie’ en ‘nationale behandeling’33);
  • de bescherming tegen onteigening voor andere doeleinden dan doelstellingen van openbaar beleid, en tegen onteigening zonder gepaste compensatie;
  • de bescherming tegen onrechtvaardige en ongelijke behandeling – bijvoorbeeld het niet respecteren van de fundamentele principes van gelijkheid;
  • de bescherming van de mogelijkheid van kapitaaltransfers.34

Een onderneming zal dus maar kunnen optreden wanneer een van die regels niet wordt gerespecteerd. Ten tweede zal de verliezende partij opdraaien voor alle proceskosten (wat nu niet het geval is), dit om te verhinderen dat ondernemingen automatisch zouden procederen en zodoende invloed uitoefenen op de politieke besluitvorming van een land. Tot slot wil de Commissie ook vermijden dat de nationale wetgeving voortdurend moet worden aangepast in naam van het zakenleven: ‘wanneer de overheid op niet-discriminatoire manier het openbaar belang wil beschermen, moet het recht van de overheid om reglementen op te stellen voorrang hebben op de economische gevolgen van die maatregelen voor de investeerder.’35

Met die bepalingen hopen de Europese leiders het verzet tegen de geschillenregeling, met name van de syndicale organisaties, te temperen. Toch gaat het hier om een recht dat toegekend wordt aan de ondernemingen maar waarover de gewone burger niet beschikt. Het beschermt de ondernemingen tegen nationaliseringen zonder schadeloosstelling, biedt hun de mogelijkheid te investeren of hun kapitaal terug te trekken waar en wanneer ze willen, het biedt hun garanties, bijvoorbeeld, op het vlak van de tewerkstelling of bij overheidsbestellingen, met het argument dat deze praktijk discriminerend is voor ondernemingen die niet op het grondgebied aanwezig zijn. Een patroon als Lakshmi Mittal kan de onteigening van ‘zijn’ fabrieken van Florange of Luik blijven verbieden, tenzij het gaat om een beleidsmaatregel in het algemeen belang en hij de waarde van zijn eigendom uitbetaald krijgt.

Wie profiteert ervan?

De Europese Commissie en de Amerikaanse regering proberen de vorming van een grote trans-Atlantische markt te rechtvaardigen met het argument dat de opheffing van de handelsbelemmeringen een goede zaak is voor de economie. Zij steunen zich daarbij op verschillende studies die aantonen dat een grote vooruitgang van de handel mogelijk is en dus ook de schepping van miljoenen nieuwe banen.

De Europese overheid citeert dan ook vaak de evaluatie die een stijging van het bbp aankondigt van 58 tot 119 miljard euro in Europa en van 50 tot 96 miljard euro in de VS in een tijdspanne van twintig jaar. 36 De verschillende resultaten zijn te verklaren vanuit de verschillende scenario’s, al naargelang het gaat over een ruim of minder ruim akkoord. In het beste geval zou het een verhoging van het bbp van 0,5 % betekenen voor de EU en 0,4 % voor de VS.

Alleen hebben deze cijfers die op de bevolking worden afgevuurd geen enkele betekenis. Zij resulteren uit algemene evenwichtsmodellen die zo zijn opgesteld dat het bijkomende geld dat aan de ondernemingen wordt toegekend zal worden omgezet in investeringen, dat die investeringen banen creëren die op hun beurt zullen leiden tot een stijgende vraag en dus tot een stijging van het bbp. Maar geld dat naar de overheid gaat, zal de neiging hebben steriel te blijven en dus tot niets dienen. De modellen zullen dus de door de overheid verwachte resultaten opleveren. Daar is niet wetenschappelijk. De enige enigszins betrouwbare indicator is de omvang van het fenomeen en het minste wat we hierover kunnen zeggen is dat het effect zeer beperkt zal zijn. Een groei van 0,5 % van het bbp aan beide zijden van de Atlantische Oceaan na 20 jaar! We hebben al betere herstelplannen gezien.

Wat echter wel zeker is, is dat het liberaliseringsproject en de openstelling voor meer concurrentie bijna meteen zullen leiden tot toenemende concentratie in het merendeel van de sectoren. Met andere woorden: wat vandaag al gebeurt in Europa door het bestaan van een grote binnenlandse markt, zal nog vermenigvuldigd worden door de integratie van de VS (en waarschijnlijk ook van Canada en Mexico die door het NAFTA-verdrag37 met de VS zijn verbonden). De regio’s waar de lokale bevolking leeft van de inplanting van een grote fabriek zullen met lede ogen moeten aanzien hoe die opgeofferd wordt op het altaar van de concurrentie; ze zullen hard geraakt worden, zoals nu al het geval is in Zuid-Europa.

De afdeling van Ford in Almussafes, nabij Valencia, bijvoorbeeld, zal misschien kortstondig kunnen genieten van de komst van het Mondeo-model, dat voorheen in Genk werd geassembleerd. Maar als die wagen niet verkoopt, zal de directie van de multinational niet aarzelen om een gelijkaardig model te exporteren vanuit haar Noord-Amerikaanse fabrieken. Het moet dan alleen nog gehomologeerd worden op het Europese continent en zal niet langer gehinderd worden door 10 % douanetarieven.

En wat met Caterpillar Gosselies, als de onderneming Peoria over een groot aantal fabrieken beschikt in de VS en Noord-Amerika om de Europese markt te bevoorraden? Deze situatie zal niet alleen de zowat 194.000 EU-werknemers met elkaar doen concurreren, maar ook nog eens met de 138.000 Amerikaanse en ongetwijfeld ook met de 16.000 Canadese en de 34.000 Mexicaanse collega’s. In totaal zullen in deze kapitalistische wereld meer dan 380.000 werknemers moeten vechten tegen elkaar voor de magere jobs bij de multinationals. Of ze zullen zich moeten tevreden stellen met slechtere banen, met werk in onderaanneming, met een minimale sociale bescherming en met inkomens die hun nauwelijks in staat stellen te overleven, zoals al het geval is in de VS en zoals nu al in het hart van Europa zichtbaar wordt in Duitsland.

In deze hyperconcurrentiële wereld zal dat een ongelooflijke neerwaartse druk uitoefenen op de lonen en leiden tot een algemene afbraak van de arbeidsomstandigheden en een vermenigvuldiging van de precaire banen. Wat weer een daling van het aandeel van de lonen in het netto nationaal inkomen tot gevolg heeft. Dit kunnen we aflezen uit tabel 1, die de cijfers geeft voor de EU, de VS maar ook voor de economische partners van het NAFTA-akkoord, Canada en Mexico (waarmee de Commissie ook al een vrijhandelsakkoord heeft ondertekend of onderhandelt). Vergeet niet dat het netto nationaal inkomen samengesteld is uit twee delen: de brutolonen en de brutowinsten. Als het ene deel daalt, zal automatisch het andere deel stijgen.

Tabel 1. Evolutie van het aandeel (%) van de lonen in het netto nationaal inkomen in de Europese Unie (15 landen), in de Verenigde Staten, in Canada en in Mexico (1982-2006)
  1982 2006
EU (15) 63,26 56,46
USA 66,70 62,58
Canada 65,67 59,43
Mexico 46,21 31,92

Bron: Berekeningen op basis van AMECO, Gegevensbasis: http://ec.europa.eu/economy_finance/ameco/user/serie/SelectSerie.cfm?CFID=1693359&CFTOKEN=6fcc0067b30521b7-80FBBD00-BC80-3030-39CC1124EEBD668B&jsessionid=24065e99f26533524e7f.

Noot: In deze tabel beperken we ons tot de 15 lidstaten van de EU in 1995, aangezien we van de andere landen niet over statistische gegevens beschikken van voor 1991 (of zelfs nog later): België, Duitsland, Denemarken, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden.

Het valt op dat in alle vier de regio’s het aandeel van de lonen daalt, het meest nog in het land dat economisch het minst ontwikkeld is, namelijk Mexico.

Het aandeel van de 90 % ‘armste’ Amerikanen, dat wil zeggen de massa loontrekkers, uitkeringsgerechtigden en kleine zelfstandigen, in het totale inkomen (kapitaalopbrengsten inbegrepen) van hun land is gedaald van 65,46 % in 1981 naar 50,26 % in 2007, juist voor het uitbreken van de subprime-crisis (rommelkredieten). Dat betekent dat de 10 % rijksten de hand hebben gelegd op 15 % van het bijkomende inkomen in vergelijking met het bbp.38 1 % van die elite heeft zelfs 13,5 % binnengerijfd.39

Maar door een deel van het inkomen naar de gegoede klasse te transfereren, naar diegenen die kunnen sparen en investeren, draagt men bij tot de belangrijkste oorzaken van het onevenwicht tussen de productie en de consumptie, dat aan de basis ligt van de kapitalistische crises. Het inkomen van de werkers dient vooral om te consumeren, maar hun koopkracht is beperkt. Terwijl diegenen die leven van hun kapitaal nog meer kunnen accumuleren, dat wil zeggen meer investeren en de overproductie nog doen toenemen of hun geld beleggen op de financiële markten en weer nieuwe luchtbellen blazen die vroeg of laat zullen uiteenspatten. In zulke omstandigheden zal het grote trans-Atlantische partnerschap niet leiden tot meer rijkdom, meer groei en meer werkgelegenheid. Deze Europees-Amerikaanse strategie heeft maar één mogelijke uitweg: elders afzetmarkten vinden voor haar producten. In feite willen ze profiteren van de ontluiking en de ontwikkeling van de opkomende landen en er zoveel mogelijk winst uit halen. Zij denken te kunnen rekenen op de technologische vooruitgang van het Westen dankzij de (privé) monopoliepositie die bepaalde ondernemingen op wereldschaal hebben veroverd (zoals IBM voor business computers, Microsoft voor basissoftware, Intel voor microprocessors, Boeing en Airbus in de vliegtuigindustrie) en ook op laag gehouden loonkosten.

Er wordt een regelrechte handelsoorlog uitgevochten en aangekondigd. En het zijn de opkomende landen en de nationale ondernemingen aldaar, waarop het partnerschap het gemunt heeft.

China isoleren

Het Europees-Amerikaanse patronaat is vanaf het begin een grote voorstander geweest van de liberalisering van de markten, overal ter wereld. Dat zou immers de deuren openen voor investeringen en voor de massale afzet van goederen, zelfs als dat zou leiden tot de vernietiging van lokale economische structuren. Washington heeft de nieuwe Wereldhandelsorganisatie (WHO) opgericht en kon daarbij profiteren van de verdwijning van het Sovjetblok. Het kreeg daarvoor de volle steun van de Europese multinationals.

Op de conferentie van de WHO in november 2001, in Doha, de hoofdstad van Qatar, werd zoals gebruikelijk het begin van een nieuwe onderhandelingsronde gevierd. Op de agenda stond de afschaffing van tal van tarieven voor de landbouw en ook van exportsubsidies voor levensmiddelen. De deelnemende landen moesten akkoord gaan met de afschaffing van de non-tarifaire handelsbelemmeringen en andere reglementeringen. Tot slot moesten ze zich duidelijk uitspreken over de bescherming van de intellectuele eigendom met een beleid dat strikt zou optreden tegen namaak maar ook rekening zou houden met bepaalde behoeften van de Derde Wereld, in het bijzonder inzake gezondheidszorg.

Maar hun vreugde was van korte duur. De Derde Wereld zag er nauwelijks brood in om verder mee te werken aan deze maskerade van zogezegd wederzijdse voordelen en blokkeerde elke discussie over de landbouw. In die mate dat de directeur-generaal van de WHO in juli 2006 de voortzetting van de debatten voor onbepaalde tijd moest uitstellen. Het is maar heel recent, namelijk op een nieuwe bijeenkomst in Bali40 in december 2013, dat een beperkt pakket maatregelen over de landbouw algemeen werd goedgekeurd. Met schat dat dit akkoord maar over 10 % gaat van wat in Doha op het programma stond. Het heeft vooral de definitieve begrafenis van de WHO voorkomen.41

Daar kunnen de Amerikaanse en trans-Atlantische patroons niet echt genoegen mee nemen. Daarom trekken de VS en de EU nu de kaart van bilaterale vrijhandelsakkoorden. Maar ook dat volstaat niet.

Op het einde van zijn mandaat lanceert Bush jr. in 2008 spoorslags een initiatief om de multilaterale onderhandelingen nieuw leven in te blazen. In 2003 zullen drie landen – Singapore in Azië, Nieuw-Zeeland in Oceanië en Chili in Latijns-Amerika – inderdaad beginnen discussiëren over de wederzijdse openstelling van hun grenzen voor elkaars goederen. Al snel voegt de staat Brunei zich bij hen. Ze bereiken een eerste akkoord in 2006 en het treedt onmiddellijk in werking.

De ontslagnemende republikeinse ploeg in de VS ziet daar een buitenkansje. Het maakt immers multilaterale onderhandelingen mogelijk en niet alleen maar bilaterale. En tot slot is het het middel bij uitstek om druk uit te oefenen op de grote (en onafhankelijke) landen van de Derde Wereld die almaar meer gewicht in de economische wereldschaal leggen, zoals India, Brazilië en vooral China.

De nieuwe ploeg van Obama zal het idee weer oppikken en zoekt bijkomende landen voor het project: Australië, Peru, Maleisië en Vietnam. Die zijn in 2010 bereid weer aan de onderhandelingen deel te nemen. Dan zoeken ook Canada, Mexico en Japan aansluiting en in november 2011 worden ze aanvaard. Nu zitten er twaalf landen rond de tafel.

Het doel: de schepping van een grote trans-Pacifische markt tegen 2013, het Trans-Pacific Partnership of TPP, waarbij de deelnemende landen vrijwillig hun markten openstellen voor goederen, diensten en kapitaal. De VS willen volgende bepalingen agressief in het akkoord doordrukken: afschaffing van de douanetarieven voor landbouwgoederen, strijd tegen namaak, vrije investeringen in het land, geen enkele aankoopverplichting van lokale onderdelen, vrije repatriëring van winsten, verplichte schadeloosstelling bij onteigening van buitenlandse investeerders, transparantie en concurrentie bij overheidsbestellingen, geen voorkeursbehandeling van overheidsbedrijven, de instelling van een rechtbank waar multinationals klacht kunnen neerleggen tegen andere landen…

De inzet is hier uiteraard veel groter dan bij de trans-Atlantische onderhandelingen. Bij deze laatste zullen de veranderingen immers niet zo aanzienlijk zijn als bijvoorbeeld in Maleisië, dat, als de Amerikanen hun zin krijgen, zijn nationalistische beleid zal moeten laten varen. Of voor Vietnam, dat niet langer zijn overheidsbedrijven zal kunnen steunen. Die discussies verlopen dan ook heel wat stroever en de onderhandelingen konden in 2013 nog niet worden afgerond. Hier zou het trans-Atlantische pact druk kunnen uitoefenen om toch tot een vergelijk te komen aan de andere kant van de wereld.

Vandaag lijken de VS een beleid te voeren dat probeert een geleidelijke omsingeling van China te bereiken, niet alleen omdat nog enkele grondslagen van de socialistische economie intact zijn, maar vooral omdat het een mogelijke gevaarlijke concurrent is voor de Amerikaanse heerschappij in de wereld en in het bijzonder in Azië.

Gevreesd wordt dat, als Washington er niet in slaagt in die regio haar projecten ingang te doen vinden, deze landen zich steeds meer tot Beijing zullen wenden en geleidelijk de Amerikaanse grootmacht zullen verdringen uit de zone met de hoogste economische groei ter wereld.

Meerdere initiatieven gaan al in die richting. De Chinese leiders hebben officieel verklaard dat als er in Azië een nieuwe crisis zou uitbarsten, de lokale ondernemingen hun producten kunnen afzetten op de grote markt van het Rijk van het Midden. Ook Asean+3, een groepering van de 10 landen van de Asean42 met Japan, Zuid-Korea en China.

Het TPP is zeker te beschouwen als een poging om weer greep te krijgen op de landen aan de Stille Oceaan en aan de VS te binden in plaats van aan China. Terzelfder tijd betrekt het TPP Europa in het hegemonistische Amerikaanse beleid.

Officieel wordt China niet uitgesloten van het TPP. Het mag er bij aansluiten. Niemand wordt trouwens uitgesloten. Maar dan moet China zich houden aan de voorwaarden van het multilateraal akkoord, in het bijzonder de naleving van “de nieuwe mogelijke discipline voor de overheidsbedrijven in het kader van het TPP”.43 Dat is dus zeer moeilijk als het TTP de Chinese economie viseert.

Conclusies

Het TTIP én het TPP zijn onaanvaardbaar. Ze zijn hoegenaamd geen oplossing voor de economische crisis. Integendeel, ze berusten op dezelfde economische grondslagen die geleid hebben tot de recessie van 2008-2009.

Voor de werkers houden ze niet de minste verbetering in. De aangekondigde banen dreigen nog maar eens een illusie te zijn. De enige manier om nieuwe werkgelegenheid te creëren zou erin bestaan dat de handelsoorlog tegen de derde wereld, die geleidelijk uit de onderontwikkeling te voorschijn komt, wordt gewonnen. En dat zou niet alleen desastreus zijn voor de derde wereld maar voor alle werknemers: lage lonen, precaire banen, hogere flexibiliteit, meer lasten… Zonder te spreken van de verdere vernietiging van het milieu door deze meedogenloze oorlog die het wereldkapitalisme is.

Ook de geheimhouding of soms de discretie die rond deze onderhandelingen hangt, zijn erg verontrustend. Het Corporate Europe Observatory merkt op dat de patronale lobby’s minstens een honderdtal vergaderingen hebben gehad met ambtenaren van de Europese Commissie om te bepalen wat ze in hun discussies met de VS moeten voorstellen.44 Ondertussen worden de ngo’s die zich bezighouden met ontwikkeling en met de bescherming van het milieu en de vakbonden buitengesloten. Je kan moeilijk anders dan tot de conclusie komen dat de Europese overheid naar de pijpen van het Europese patronaat danst, ten nadele van de rest van de samenleving en met misprijzen voor de meest elementaire democratische regels.

Het TTIP – maar in toenemende mate ook het TPP – ligt in het verlengde van het project van kolonisering en wereldheerschappij dat de Europese machten in de 19e eeuw hebben ingezet en de VS later hebben voortgezet. Het wil gunstige voorwaarden afdwingen voor het Europees-Amerikaanse patronaat, die ingaan tegen de belangen van de andere opkomende landen terwijl die, in functie van hun bevolking of hun bodemschatten, met alle recht een doorslaggevend belang zouden moeten krijgen op het schaakbord van de wereld. De Amerikaanse onderhandelaars hebben een aantal voorstellen op tafel gelegd en de Europeanen zitten op dezelfde golflengte. Maar die voorstellen zijn een manifeste aantasting van de ontwikkeling en de soevereiniteit van de derdewereldlanden. Zij zouden zich moeten neerleggen bij eeuwigdurende overheersing.

Tot slot zijn die partnerschappen een heruitgave van de plannen die de mensheid in een van de diepste recessies hebben gestort sinds de crisis van de jaren dertig. De Westerse elite heeft de lessen uit de krach van 1929 niet begrepen. Integendeel, ze dringt aan op nog meer liberalisering, nog meer openstelling van de markten en koerst zodoende, met de voet op de gaspedaal, regelrecht op de afgrond af.


1 Letterlijk de Trans-Atlantische Handelsdialoog.

2 In feite fusioneert deze organisatie op 1 januari 2013 met de European-American Business Council en vormt dan de TransAtlantic Business Council (TABC).

3 Er bestaat ook een trans-Atlantische dialoog van de wetgevers, de consumenten en ook van de werkers, maar met heel wat minder invloed.

4 De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) met zetel te Parijs, verenigt de 30 rijkste ‘kapitalistische’ landen van onze planeet.

5 Handelsakkoord tegen namaak.

6 Vóór Herman Van Rompuy officieel president van de EU werd, ging die titel om de zes maand naar de premier van de lidstaat die belast was met de leiding van het continent.

7 Een denktank verenigt vaak economisch of politiek invloedrijke personen, die discuteren over diverse thema’s en doorheen de organisatie hun ideeën willen verspreiden. Het TPN staat voor Netwerk voor Trans-Atlantisch Beleid.

8 De Amerikaanse Raad voor de mededinging.

9 Patrick Le Hyaric, Dracula contre les peuples. Uitg. L’Humanité, Parijs, 2013, p. 79.

10 TPN, Completing the Transatlantic Market, februari 2007, p. 7-8. Zie: http://www.tpnonline.org/WP/wp-content/uploads/2013/09/TPN_Transatlantic....

11 TPN, op.cit., p. 12.

12 TPN, Toward a Strategic Vision for the Transatlantic Market, oktober 2011, p. 5. Zie: http://www.tpnonline.org/WP/wp-content/uploads/2013/09/TPN_Report_Toward....

13 TPN, op.cit., p.6.

14 De Europese Commissie zal weigeren de namen van de deelnemende personen aan deze groep te onthullen, waardoor ze haar eigen transparantieregels met voeten treedt.

15 High Level Working Group on Jobs and Growth (HLWG), Final Report, 11 februari 2013, p. 2. Zie: http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2013/february/tradoc_150519.pdf.

16 Noteer dat de buitenlandse investeringen, die vroeger tot de bevoegdheden van de nationale staten behoorde, plots Europese materie is geworden en onder de verantwoordelijkheid valt van de eurocommissaris voor Handel. Een gevolg van het Verdrag van Lissabon dat op 1 januari 2009 van kracht werd.

17 Non-tarifaire belemmeringen zijn allerlei maatregelen van de overheid om de invoer van bepaalde goederen zoveel mogelijk te beperken. Voorbeelden van non-tarifaire belemmeringen zijn technische voorschriften, hygiënische voorschriften en douanevoorschriften.

18 High Level Working Group on Jobs and Growth, op.cit., p. 2.

20 Lionel Fontagné, Julien Gourdon & Sébastien Jean, Transatlantic Trade: Whither Partnership, Which Economic Consequences?, CEPII, Policy Brief, september 2013, p. 3. Zie: http://www.cepii.fr/PDF_PUB/pb/2013/pb2013-01.pdf.

21 Hier wordt vooral gevreesd voor een gebrek aan hygiëne van het procedé en de werkomstandigheden.

22 Fytosanitaire controle: controle ter voorkoming van de verspreiding en de overbrenging over de nationale grenzen van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen.

23 National Pork Producers Council, Comments on the Transatlantic Trade and Investment Partnership, 2013, p. 1. Zie: http://www.nppc.org/wp-content/uploads/P-National-Pork-Producers-Council-USTR-2013-0019-TTIP-5-10-13.pdf.

24 National Pork Producers Council, op.cit., p. 4.

25 Europese Commissie, Le partenariat sur le commerce transatlantique et l’investissement. Le volet réglementaire, september 2013, p. 10. Zie: http://trade.ec.europa.eu/doclib/html/151789.htm.

26 Een gerenommeerd Frans onderzoekscentrum op het gebied van internationale economie.

27 Lionel Fontagné, Julien Gourdon & Sébastien Jean, op.cit., p. 11. Het bruto binnenlands product (bbp) is de totale productie van goederen en geld die op één jaar in een bepaald gebied (een land) wordt gecreëerd.

28 Corporate Europe Observatory (CEO), A Brave New Transatlantic Partnership, oktober 2013, p. 7. Zie: http://corporateeurope.org/sites/default/files/attachments/brave_new_transatlantic_partnership.pdf.

29 Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) of Trans-Atlantisch Vrijhandelsakkoord.

30 Europese Commisie, op.cit., p. 7.

31 Het voorzorgsprincipe is een moreel en politiek principe dat stelt dat als een ingreep of een beleidsmaatregel ernstige of onomkeerbare schade kan veroorzaken aan de samenleving of het milieu, de bewijslast ligt bij de voorstanders van de ingreep of de maatregel als er geen wetenschappelijke consensus bestaat over de toekomstige schade. Het voorzorgsprincipe is vooral van toepassing in de gezondheidszorg en het milieu; het gaat daar in beide gevallen over complexe systemen waar ingrepen resulteren in onvoorspelbare effecten.

32 Europese Commissie, Protection des investissements et règlement des différends entre investisseurs et États dans les accords de l'Union européenne, Fiche d’information, november 2013, p. 6. Zie: http://trade.ec.europa.eu/doclib/html/152016.htm.

33 De ‘behandeling als meest begunstigde natie’ wordt aan buitenlandse staten en hun ondernemingen toegekend, zodat ze automatisch zouden kunnen genieten van het handelsakkoord of van de meest voordelige bepalingen in het akkoord dat ondertekend is door het land met andere landen. Als de EU zo’n akkoord ondertekent met Marokko waarin de douanetarieven op 10 % worden vastgelegd, maar ook een akkoord heeft met Algerije waarin die tarieven maar 5 % betalen, dan moeten de Marokkaanse ondernemingen ook van die 5% kunnen genieten. ‘Nationale behandeling’ betekent dat ondernemingen, gevestigd op het grondgebied van een land, bevoordeeld worden.

34 Europese Commissie, op.cit., p. 5.

35 Idem, p.9.

36 Joseph Francois, Miriam Manchin, Hanna Norberg, Olga Pindyuk & Patrick Tomberger, Reducing Transatlantic Barriers to Trade and Investment, An Economic Assessment, Study for the European Commission, CEPR Report, maart 2013, p. 95. Zie: http://trade.ec.europa.eu/doclib/html/150737.htm.

37 NAFTA: Noord-Amerikaans vrijhandelsakkoord.

38 De evolutie van het bbp (bruto binnenlands product) en het nationaal inkomen is vaak gelijklopend. Om van het bbp over te gaan naar het bnp (bruto nationaal product) moet je de inkomens die de inwoners van een land verdienen in het buitenland erbij optellen, en de inkomens die uitbetaald worden aan niet-inwoners ervan aftrekken. Als je van dit bnp ook nog de afschrijvingen (die dienen om de gebruikte installaties en machines te vervangen) aftrekt, bekom je het netto nationaal inkomen.

40 Een eiland van de Indonesische archipel.

41 Libération, 7 december 2013.

42 ASEAN staat voor Association of South-East-Asian Nations. De leden zijn Birma (nu Myanmar), Brunei, Cambodja, Indonesië, Laos, Maleisië, de Filippijnen, Singapore, Thailand en Vietnam.

43 Ian Fergusson, William Cooper, Remy Jurenas & Brock Williams, The Trans-Pacific Partnership Negotiations and Issues for Congress, Congressional Research Service, 21 augustus 2013, p. 7.

44 Corporate Europe Observatory, op.cit., p. 7. en CEO, European Commission preparing for EU-US trade talks: 119 meetings with industry lobbyists, 4 september 2013. Zie: http://corporateeurope.org/trade/2013/09/european-commission-preparing-e....