De-industrialisering, wat doe je er tegen?

Auteur: 
Henri Houben

Op de sluiting van Opel Antwerpen volgde het nieuws van de stillegging van de band van Ford Genk en Southampton en van Peugeot-Citroën in Aulnay; de liquidatie van de hoogovens in Gandrange, Florange-en-Moselle en Luik; de stillegging voor onbepaalde duur van de draadtrekkerij van Schifflange in Luxemburg; de sluiting van het glasbedrijf Saint-Gobain in Auvelais, de bandenfabriek van Goodyear in Amiens, de raffinaderij Petroplus nabij Rouen en Duferco in La Louvière; de geplande sluiting van Opel Bochum; de inkrimping van het personeel bij Renault, Peugeot, Caterpillar, Sanofi, Philips…

Hele happen industrie verdwijnen in wat ooit als eerste (Groot-Brittannië) en als tweede (België, Noord-Frankrijk, het Duitse Rijngebied) industriegebied tot ontwikkeling kwam. Sommigen spreken dan ook van een omvorming van de maatschappij naar een absoluut overwicht van de dienstensector in het informatica- en communicatietijdperk. Maar de werkers die hun baan en bijgevolg hun belangrijkste bron van inkomen verliezen, blijven altijd weer met dezelfde vragen zitten: Wat gaat er van mij geworden? Waar zal ik nog werk vinden? Is er nog een toekomst voor mijn kinderen?

De realiteit van de de-industrialisering

De Franse onderneming Trendeo verzamelt sinds 2009 de gegevens van bedrijven met minstens tien werknemers die arbeidsplaatsen scheppen of vernietigen. Een synthese van die resultaten vind je in Tabel 1. De cijfers spreken voor zich.

Tabel 1. Schepping en sluiting van vestigingen in Frankrijk tussen 2009 en 2012

 

2009 2010 2011 2012 Totaal

  Nieuwe vestigingen

156 228 153 166 703

  Gesloten vestigingen

379

255

187

266

1.087

  Netto saldo

-223

-27

-34

-100

-384

  Banenverlies in de fabricage

-79.870

-14.294

-5.105

-23.897

-123.166

Bron: Trendeo, « L’emploi et l’investissement en France en 2012, premier bilan et première tendance 2013 », februari 2013. http://www.lefigaro.fr/assets/pdf/L%27emploi%20et%20l%27investissement%20en%20France%20en%202012%20par%20Trendeo.pdf.

Elk jaar is er een netto vernietiging van vestigingen, vooral in de verwerkende nijverheid. Op vier jaar tijd gaan 123.000 banen verloren.

European Restructuring Monitoring (ERM1) geeft soortgelijke statistieken voor de Europese Unie. Dit controleorgaan haalt uit de pers de cijfers over de investeringen (of desinvesteringen) van ondernemingen met meer dan 100 werknemers of met minstens 10 % van een vestiging met 250 werknemers. Tabel 2 geeft de cijfers voor Duitsland, Frankrijk en de Benelux.

Tabel 2. Herstructureringen in de verwerkende nijverheid in Duitsland, Frankrijk en de Benelux tussen 2007 en 2013

 

2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 Totaal 2008-2013

Aantal gevallen

174 186 230 122 152 185 55 930

Nieuwe arbeids-plaatsen

21.712 21.768 4.480 11.077 24.704 13.465 4.760 80.254

Verloren arbeids-plaatsen

52.614 73.098 76.115 34.995 26.457 63.146 20.550 294.361

Netto saldo

-30.902 -51.330 -71.635 -23.918 -1.753 -49.681 -15.790 -214.107

Bron: ERM, berekeningen op basis van Statistics: http://www.eurofound.europa.eu/emcc/erm/index.php?template=stats.
Noot: De gegevens voor 2013 slaan op de eerste vier maanden.

Sinds het begin van de crisis gingen 214.000 arbeidsplaatsen verloren. Uit de tabel blijkt ook een netto toename van het verlies vanaf 2012, duidelijk te wijten aan de crisis in de eurozone.2 In de loop van het eerste trimester van 2013 stelt ERM een vernietiging vast van 100.547 banen tegenover amper 34.113 nieuwe.3 De meest getroffen landen zijn Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Italië en Nederland. Maar volgens onze schattingen wordt België proportioneel even hard getroffen.

De recessie is een belangrijke oorzaak van de groeiende werkloosheid. Maar zij treft de sectoren heel verschillend. De verwerkende nijverheid4 betaalt de hoogste prijs. Dat is een tendens van de voorbije vijftig jaar. Op Grafiek 1 zie je het aandeel van de werkgelegenheid in de industrie in de totale werkgelegenheid voor verschillende landen of regio’s.

Grafiek 1. Aandeel van de werkgelegenheid in de verwerkende nijverheid in Europa, de VS en Japan 1960-2011 (in %)

Grafiek 1. Aandeel van de werkgelegenheid in de verwerkende nijverheid in Europa,

Bron: Berekeningen op basis van AMECO, National Accounts by Branch of Activity, Wage and Salary Earners, Persons. http://ec.europa.eu/economy_finance/ameco/user/serie/SelectSerie.cfm?CFID=1693359&CFTOKEN=6fcc0067b30521b7-80FBBD00-BC80-3030-39CC1124EEBD668B&jsessionid=24065e99f26533524e7f.

Noot: De 5 vertegenwoordigen Duitsland, Frankrijk en de Benelux. Voor Luxemburg en Nederland hebben we maar cijfers vanaf 1970. Voor de Europese Unie (15 lidstaten) beginnen de cijfers in 1977, want er zijn geen vroegere cijfers beschikbaar voor Portugal.

In de jaren zestig zijn de curven nog relatief stabiel, maar vanaf het volgende decennium dalen ze snel. Vooral België neemt een serieuze duik: van 37 % rond 1965 naar 13,5 % in 2011.

Deze relatieve daling vertaalt zich ook in een daling van het aantal banen in absolute termen. Tabel 3 toont de evolutie van de werkgelegenheid in de fabricage van de belangrijkste Europese landen in vergelijking met de cijfers voor Japan en de VS. Bron: Zie grafiek 1.

Tabel 3. Evolutie van de tewerkstelling in de fabricage in Europa, de VS en Japan in 1960, 1970, 1980, 1990, 2000 en 2011 (in duizenden werknemers)

 

1960 1970 1980 1990 2000 2011 Differentiaal

België

969

1.052

835

718

624

514

550

Duitsland

8.417

9.101

8.273

8.336

7.453

6.909

2.325

Frankrijk

4.411

4.828

4.847

4.047

3.530

2.782

2.369

Luxemburg

 

44

40

35

33

33

16

Nederland

 

1.238

1.051

996

935

791

447

De 5

 

16.263

15.046

14.132

12.574

11.028

5.369

Ierland

172

224

258

218

274

192

83

Spanje

1.825

2.460

2.643

2.520

2.680

2.024

851

Italië

3.878

4.607

5.292

4.526

4.090

3.862

1.458

Groot-Brittannië

7.283

7.215

5.900

4.394

3.617

2.416

5.011

Andere

   

4.407

4.064

3.513

3.030

1.378

EU (15)

   

33.547

29.853

26.749

22.977

11.085

VS

18.715

21.199

22.291

20.979

21.980

14.637

8.740

Japan

8.213

11.759

11.599

13.220

11.247

9.556

4.120

Noot: Voor Japan hebben we geen gegevens meer na 2010 en voor Groot-Brittannië en dus de EU (15) na 2009 (het is dat laatste cijfer dat je vindt in de kolom voor 2011). Het differentiaal is het maximale verschil tussen het hoogste werkgelegenheidsniveau van de periode 1960-2011 en het laagste (meestal in 2009, 2010 of 2011).

Overal daalt de werkgelegenheid. Alle landen bereiken hun laagste niveau in 2011. Maar vooral interessant is de berekening van de verhouding en die vind je terug in de laatste kolom: het verschil tussen het jaar met het hoogste aantal en het jaar met het laagste aantal werknemers. Zo zien we dat het aantal arbeidsplaatsen in het algemeen met een derde of een vierde krimpt. In Groot-Brittannië daarentegen bedraagt de daling bijna 70 %, in België 52 % en in Frankrijk 47 %. Op lange termijn worden deze drie landen het hardst gestraft door de industriële omwenteling.

Er zijn drie factoren die deze structurele verandering verklaren: de stijging van de productiviteit, die toelaat meer te produceren met minder personeel; de uitbesteding5 van bepaalde diensten die voorheen werden meegerekend bij de industrie doordat ze deel uitmaakten van een industrieel bedrijf; de delokalisering of de concurrentie van buitenlandse firma’s, in het bijzonder in landen van de Derde Wereld of de zogenoemde ‘opkomende’ landen6.

In Frankrijk, dat ongetwijfeld beschikt over meer gesofisticeerde statistische bronnen, heeft men geprobeerd een schatting te maken van het aandeel van deze drie parameters in de daling van de werkgelegenheid in de fabricage-industrie tussen 1980 en 2007. Dat hebben we opgetekend in tabel 4.

 

1980-2007

2000-2007

Productiviteitswinst

29

65

Uitbesteding

25

5

Internationale handel

13

28

Tabel 4. Schatting van het aandeel van de oorzaken van de vernietiging van industriële werkgelegenheid in Frankrijk tussen 1980 en 2007 (in %)

Bron: Lilas Demmou, La désindustrialisation en France, Documents de travail de la DG Trésor, juni 2010, p. 5. http://www.google.be/url?sa=t&rct=j&q=Lilas+Demmou+d%C3%A9sindustrialisation+France&source=web&cd=1&ved=0CDAQFjAA&url=http%3A%2F%2Fwww.tresor.economie.gouv.fr%2Ffile%2F326045&ei=VcJ6UZfaHIbhPL_tgLAK&usg=AFQjCNFb6QCwQYST5yqv-kRmdzeUQqKF-g&bvm=bv.45645796,d.d2k&cad=rja.

Noot: Het totaal van deze factoren is niet gelijk aan 100% omdat de methodiek om het resultaat van elk van hen te verkrijgen onafhankelijk zijn van elkaar.

Hier zien we dat de productiviteit het doorslaggevende element is en aan belang wint in de loop van de tijd, want ze is duidelijk veel hoger in de periode tussen 2000 en 2007. De uitbesteding boet mettertijd aan belang in. Dat bewijst dat de ondernemingen vooral in de jaren 1980 en 1990 overgegaan zijn tot de verkoop van een filiaal of een afdeling (die bijgevolg niet langer opduiken in de werkgelegenheidsstatistieken). De delokalisering is moeilijk te schatten doordat zij berust op hypotheses over de vrij aanzienlijke vernietiging van arbeidsplaatsen.7 Zo spreekt de econometrische studie van dit aspect van een invloed op de tewerkstelling tussen 9 en 70 %.8 Dat betekent zoveel als zeggen dat het zeer onnauwkeurig is. Maar dit aspect heeft de neiging aan belang te winnen.

De de-industrialisering is dus geen mythe voor de voormalige bastions van de kapitalistische ontwikkeling, West-Europa, de VS en Japan. Maar ze is vooral het gevolg van de stijging van de productiviteit. Wat de mensheid ten goede zou moeten komen doordat steeds meer machines worden ingezet voor het zware werk, wordt daarentegen in de Westerse samenleving een catastrofe voor de werkers, want voor hen betekent het werkloosheid en dalende inkomens.

Een wereld van diensten?

Serge Tchuruk is de voormalige grote baas van Alcatel, het Franse paradepaardje van de telecommunicatieuitrusting. In juni 2001 kondigt hij in aanwezigheid van de verzamelde pers in Londen fier aan dat zijn onderneming de toekomst zal binnentreden door verder te werken… zonder fabriek. Dat wil zeggen dat op 18 maanden tijd wordt afgeslankt van 120 productievestigingen naar 12.

Jammer genoeg voor hem is het vooral de aankondiging geweest van ‘de planeet zonder Alcatel’ want sindsdien rijgt het bedrijf de tegenslagen en catastrofes aaneen. Sinds zijn verklaring heeft de onderneming meer dan 20 miljard euro verliezen opgestapeld, waarvan 5 miljard in 2001 en 2008. Sinds 2007 wordt geen dividend meer uitgekeerd. Alcatel fuseerde in 2006 met Lucent, de vroegere Amerikaanse gigant en het product van de ontmanteling van AT&T. De beurskapitalisatie9 van 25 miljard euro bedroeg eind 2012 nog maar een tiende van dat bedrag. Geconfronteerd met deze resultaten, werd Serge Tchuruk met ingang van 1 oktober 2008 de laan uitgestuurd en bedankt voor bewezen diensten met een gouden parachute van maar liefst 5,7 miljoen euro.

De truc van Alcatel bestond er natuurlijk in haar productie-eenheden te verkopen aan andere ondernemingen die gespecialiseerd zijn in onderaanneming zoals Flextronics, terwijl de kerngroep de ‘nobele’ activiteiten behoudt zoals onderzoek en andere diensten (administratie, commercialisering enzovoort). Maar de arbeidsvoorwaarden houden uiteraard gelijke tred met deze verandering: lagere lonen, delokalisering, vaak naar Azië of Oost-Europa, totale flexibiliteit, langere werkdagen.

Sommigen voorspellen een natuurlijke evolutie van de samenleving: van een landbouwstadium naar een industrieel stadium om uiteindelijk uit te komen bij een postindustrieel stadium, het dienstentijdperk. Walt Whitman Rostow was een van de eersten die met deze stelling uitpakte.

Vervolgens kondigt de Amerikaanse (‘linkse’ maar niet-marxistische) socioloog Daniel Bell in 1973 de komst aan van de postindustriële samenleving. Peter Drucker, een van de meest prestigieuze goeroes van het Amerikaanse management, ging zelfs zover dat hij een definitie opstelde van een postkapitalistische beschaving, met nog meer ondernemingszin dan de vorige (in 1993).

Al hun schrijfsels hebben de idee van een eenvormige evolutie met elkaar gemeen, een evolutie die enkel gebaseerd is op de technische transformaties van de mensheid, zonder rekening te houden met de sociale krachtsverhoudingen, laat staan met de klassenrelaties.

In werkelijkheid weet men nauwelijks hoe de beschaving er in de toekomst, zelfs in de nabije toekomst, zal uitzien, want dat hangt af van de betrekkingen tussen de landen en de concurrentie tussen economische modellen. Als marxisten denken wij dat het socialisme zich uiteindelijk zal opdringen, maar wat timing betreft tasten ook wij in het duister.

Al deze theorieën hebben maar één doel: de aanvaarding van de huidige realiteit en van de omwentelingen die beslist worden door de grote multinationals en hun politieke bondgenoten. In het huidige debat over de omvorming van de maatschappij willen zij enkel de de-industrialisering en haar weerslag op de werkgelegenheid rechtvaardigen. Maar de-industrialisering hoeft niet per se.

Integendeel, een economie zonder industrie is vandaag zeer kwetsbaar. Dat zien we nu al in Europa, namelijk in Griekenland en Portugal en ook in het zuiden van Spanje en Italië en zelfs in Cyprus. Het gebrek aan vooruitgang van deze landen op vlak van de industriële fabricage maakt hen afhankelijk van het buitenland. Zij compenseren dat met leningen en worden zo de speelbal van de financiële markten (dat wil zeggen van de grote financiële ondernemingen die op die markten optreden zoals Goldman Sachs en veel andere).

Er zijn drie redenen waarom de industrie van bijzonder belang is. Ten eerste maakt de industrie de voorwerpen die wij dagelijks gebruiken, dat wil zeggen die essentieel blijven, want zonder die producten kan er van de rest geen sprake zijn: huisvesting, voeding, kleding… Ten tweede worden heel wat diensten ontwikkeld en verstrekt op basis van de industrie. In een kapitalistische maatschappij zijn dat financiële producten, adviezen aan ondernemingen, publiciteitsfirma’s enzovoort. Maar meer algemeen is dat – zelfs in onze informatica- en communicatiemaatschappij – papier om boeken te drukken, kabels voor netwerken, schermen voor films, video’s enzovoort. En ten derde, als we ze niet zelf produceren, moeten ze ingevoerd worden want we kunnen niet zonder. En wat kan een land met weinig industrie in ruil aanbieden? Dat is nu net het probleem van de landen uit het zuiden van Europa.

Ook op het sociale vlak is de teloorgang van industriële activiteiten een catastrofe: (1) onmiddellijk banenverlies en bijgevolg dalende inkomens voor een deel van de werkers (met inbegrip van de toeleveringsbedrijven die afhankelijk zijn van de fabriek die wordt gesloten: onderaannemers, handelaars enzovoort); (2) vernietiging van het industriële en economische weefsel want vaak houdt de fabriek heel wat nevenactiviteiten in leven, ofwel rechtstreeks (leveranciers of cliënten), ofwel onrechtstreeks doordat die nevenactiviteiten leven van het inkomen dat de fabriek genereert; (3) verlies van knowhow, wat op termijn nadelig kan zijn.

In België werd al met reconversie gezwaaid om de sluiting van de textielsector, de scheepswerven, de kolenmijnen en talrijke hoogovens te rechtvaardigen. In Henegouwen zit de plaatselijke bevolking nog altijd te wachten op de beloofde investeringen. In Limburg is het grote alternatieve project, de fabriek van Ford Genk, nu zelf rijp voor de schroot.

Wij willen niet beweren dat reconversie niet mogelijk is. Maar bij reconversie komen heel wat problemen kijken die maar zelden goed werden opgelost, noch in Wallonië noch in Vlaanderen. Om te beginnen noodzaakt een verandering van activiteiten nieuwe investeringen en dat vergt tijd. Tussen de sluiting van een zogezegd ten dode opgeschreven fabriek en een nieuw project ligt gewoonlijk een lange periode. En wat gebeurt er ondertussen? Vaak wordt er van geprofiteerd om arbeidsplaatsen te vernietigen zonder dat er al te veel sociale woede losbarst doordat de mensen nog kunnen hopen op een nieuwe job. En dan, twee of drie jaar later laat men het reconversieplan varen of wordt het tot het minimum herleid…

Tweede probleem: de opgeofferde banen vergen gewoonlijk weinig scholing terwijl het alternatief een relatief gesofistikeerde productie vereist die steunt op bekwame arbeidskrachten, bijvoorbeeld in de informaticasector. Er gaapt dus een kloof die zelfs een intensieve opleiding niet kan overbruggen.

De belofte van reconversie is niet langer zomaar aanvaardbaar. Er moeten concrete projecten ontwikkeld worden die ook effectief opgestart worden. In afwachting moeten de bedreigde banen blijven bestaan of betaald worden10, bij voorkeur op kosten van de groep die wil afdanken en die vaak over de nodige middelen beschikt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor ArcelorMitall, Ford, Caterpillar, Sanofi of General Motors. En tot slot moet er een concrete oplossing komen voor de mensen die hun baan kwijtspelen, vooral wanneer het gaat om banen voor weinig geschoolde of oudere arbeiders. Hetzelfde moet overigens gelden voor de werknemers in onderaanneming die riskeren er hun job bij in te schieten.

België en West-Europa hebben een industrieel verleden. Ze moeten eenzelfde toekomst hebben met gelijkaardige banen.

Twee sectoren zijn traditioneel belangrijk voor de economische ontwikkeling: de bouwsector en de automobielsector. Niet alleen leggen zij een niet-verwaarloosbaar gewicht in de industriële schaal, maar zij genereren ook activiteiten stroomopwaarts en stroomafwaarts, bijvoorbeeld door de levering van onderdelen of materialen – een auto is bijvoorbeeld samengesteld uit meer dan 10.000 verschillende elementen. Dat blijkt ook uit de huidige crisis. Het zijn de twee meest getroffen takken van de industrie en het zijn zij die de Europese economie de dieperik in sleuren, in het bijzonder de staalnijverheid, die massaal aan die industrie levert.

Multinationals aantrekken

Het industriebeleid van de Europese Commissie – want er is wel degelijk een beleid, ook al valt het vaak nauwelijks op – bestaat erin het privé-initiatief te bevoordelen en vrij spel te geven. Het laat de uiteindelijke beslissingen aan de ondernemingen over. De hevigste advocaat van deze oriëntatie is de voormalige commissaris voor Ondernemingen en Industrie en vice-voorzitter van de Commissie (2004-2010), de Duitse sociaal-democraat Günter Verheugen. Momenteel staat hij aan het hoofd van een consultancybedrijf dat ondernemingen adviseert hoe ze het best kunnen profiteren van de Europese instellingen.

Voor het Europees parlement verklaarde hij: “De beslissingen om ondernemingen te sluiten of te delokaliseren behoren de ondernemingen zelf toe en geen enkele overheid, noch de Europese Unie mag of moet zich daarin mengen.” Hij voegde eraan toe : “Wij zullen in de toekomst nog nood hebben aan een sterke industrie in Europa, met leidende ondernemingen op internationaal vlak. Wij hebben geen Europese kampioenen nodig, maar wereldmarktleiders, want het gaat om het wereldkampioenschap. Geen enkele overheid kan die missie vervullen, dat komt de ondernemingen zelf toe. Maar wij kunnen hen wel ondersteunen.”11 Dat discours blijft de rode draad doorheen de EU-strategie.

In België vertaalt zich dat, ongeacht de regio, in de wil om kost wat het kost buitenlandse investeringen aan te trekken, vooral van multinationals.

Maar die benadering – op zich al betwistbaar – heeft vandaag haar grenzen bereikt. Grote industriële vestigingen van Amerikaanse, Franse, Duitse en zelfs Koreaanse, Braziliaanse of Chinese ondernemingen zijn weinig waarschijnlijk, vooral in de traditionele sectoren die veel arbeidsplaatsen creëren. In een geïntegreerde Europese markt investeer je beter in de nieuwe lidstaten, waar de arbeidskrachten relatief goed geschoold zijn en de loonkosten een stuk lager liggen dan in België.

Zelfs de overname van een productie-eenheid in goede staat met geschoold en veelal flexibel personeel is vaak niet interessant voor een buitenlandse groep. Het is juist dat het hart van Europa over zeer ontwikkelde infrastructuren beschikt om te communiceren met de rest van het continent. Maar dat is niet voldoende. Je moet immers kunnen verkopen en bij voorkeur tegen een zo laag mogelijke kostprijs. Een fabriek opkopen betekent dat je in het bezit komt van vier muren en een paar werktuigen, maar niet noodzakelijkerwijze van het belangrijkste: het commerciële netwerk, het imago van het merk, de industriële en politieke contacten… Alleen als de uitrusting enorme sommen geld kost, zoals in het geval van de staalnijverheid of de petroleumraffinage, kan dat te rechtvaardigen zijn.

Koste wat kost investeringen aantrekken – een beleid dat bewust gevolgd wordt door de drie gewesten van ons land – is nadelig als je te maken hebt met een patroon die zonder scrupules komt en gaat waar en wanneer hij wil. De overheid zit dan in de knel en durft geen represaillemaatregelen te nemen, want dat is een slecht signaal naar mogelijke andere buitenlandse investeerders. Terwijl de overheid eigenlijk de goederen van iemand die zoveel arbeidsplaatsen vernietigt zou moeten aanslaan, probeert ze twee ballen in de lucht te houden: voldoende tromgeroffel om de arbeiders ervan te overtuigen dat het ‘beleid’ aan hun kant staat en zachte strijkmuziek om de ondernemers ervan te verzekeren dat zij geen echt vijandige maatregelen moeten vrezen. Dat de Belgen uitstekende jongleurs zijn is gebleken in twee zo uiteenlopende gevallen als Ford en ArcelorMittal. Maar daar hebben de werkers die hun job verliezen niets aan.

In elk geval moet het veel beter dan landen die vier tot vijf keer (of nog meer) lagere loonkosten hebben dan België of zelfs Ierland dat maar 12,5 % belastingen heft op ondernemingen (in België is het nog 33,5 %). En dat eiland heeft ook een groot voordeel op andere regio’s: het beschikt sinds 1958 over belastingvrije zones en sinds 1985 over instellingen die investeringen van multinationals moeten binnenrijven.

Terzelfder tijd vertoont Ierland alle nadelen van deze strategie. Het mag dan al jaren als voorbeeld gediend hebben toen het van een landbouwland uitgroeide tot het favoriete productiecentrum voor Amerikaanse elektronica-, informatica- en geneesmiddelenbedrijven, zodra dat in elkaar stuikt, verdwijnt meteen ook al de rest als sneeuw voor de zon.

Grafiek 2 stelt de evolutie voor van de tewerkstelling in de Ierse fabricage-industrie sinds 1960 in vergelijking met de relatieve invloed (de gegevens van de rechteras) en de absolute invloed (de gegevens van de linkeras)

Grafiek 2. Evolutie van de tewerkstelling in de verwerkende industrie van Ierland 1960-2011 (in duizenden personen, linkeras; in % van de totale tewerkstelling, rechteras)

Grafiek 2. Evolutie van de tewerkstelling in de verwerkende industrie van Ierland

Bron: Zie grafiek 1.

In de jaren zestig en zeventig worden arbeidsplaatsen gecreëerd en wint de verwerkende industrie zelfs een groter aandeel in de totale tewerkstelling. In 1973 is ze goed voor 31 % van het aantal werknemers van het land.

De tewerkstelling daalt voor het eerst bruusk in de jaren tachtig: van 258.000 in 1980 naar 207.000 in 1987, een verlies van 20 % in zeventien jaar. Maar de komst van de Amerikaanse multinationals keert het tij. De tewerkstelling in de fabricage-industrie bereikt een hoogtepunt in 2000-2001 met meer dan 274.000 werknemers. In relatieve termen echter stelt dat niet meer voor dan 20 % van het totale aantal. Tussen 1986 en 1996 bleef dit deel stabiel: ongeveer 24 %. Daarna tuimelt het naar beneden en zal al snel ook de volledige werkgelegenheid in zijn val meesleuren: in 2011 zijn nog nauwelijks 190.000 mensen aan het werk in de verwerkende nijverheid.

Aan de ene kant en in relatieve cijfers is de Ierse industrie dus niet beter beschermd dan elders. Haar aandeel in de totale tewerkstelling daalt en hoe stabieler ze een tiental jaren is gebleven, des te sneller krimpt ze nu. Met 12,7 % ligt het cijfer van Dublin lager dan dat van België (13,5 %), Japan (17,4 %) en Duitsland (18,9 %). Aan de andere kant en in absolute cijfers zien we een abrupte verandering in het aantal arbeidsplaatsen op korte tijd, en heeft de curve veel weg van een roetsjbaan (grafiek 2). Op nauwelijks drie jaar tijd, tussen 2007 en 2010, verliest de tewerkstelling in de industriële tewerkstelling opnieuw 20 %. Alleen Spanje kende een even snelle afbraak.

Bijgevolg kijkt Ierland eind 2012 aan tegen een officieel werkloosheidscijfer van 14,2 %. In België bedraagt de werkloosheid dan 8,2 %, in Frankrijk 10,6 %. Deze cijfers zijn niet eenduidig, want de niet-actieve oudere werknemers zijn er niet in opgenomen. Als we die er bijtellen, heeft België ook bijna 14 % werklozen. Niettemin is de werkloosheid hier vrij stabiel, terwijl Ierland in 2007 nog kon bogen op de zeer lage drempel van 5 % werkloosheid.

Bescherming

In Europa mag dan al de tendens heersen om de multinationals vrij spel te geven wat betreft hun investeringen, toch gaan er stemmen op die pleiten voor een actiever industrieel beleid. Arnaud Montebourg, bijvoorbeeld, minister van Industriële Vernieuwing van Frankrijk en voorstander van demondialisering, pleit hiervoor.12 Terzelfder tijd eist hij douanebarrières aan de grenzen van de Unie voor de producten die de tewerkstelling in de fabricage bedreigen.

Achter dit voorstel schuilt de illusie dat de gevolgen van het kapitalisme kunnen getemperd en de sociale verworvenheden in het Westen kunnen verdedigd worden. In feite is daar niets van aan.

Als een economische zone als Europa, die enorm veel uitvoert naar het buitenland, opnieuw douanetarieven zou invoeren, mag ze zich verwachten aan represaillemaatregelen van haar klanten, de afnemende landen. Aangezien noch de markt, noch de concurrentie worden afgeschaft, zullen de gevolgen ervan zich laten voelen in een kleiner gebied. Met andere woorden: de concurrentie voor de positie van marktleider zal heel sterk verscherpen, wat ongetwijfeld zal leiden tot industriële en sociale catastrofes.

Vergeet niet dat binnen de Unie en zelfs binnen de eurozone de loonkosten vergelijkbaar zijn met die op wereldschaal. De verhouding van het gemiddeld inkomen van de Slowaken – om nog maar te zwijgen over de Roemenen of de Bulgaren – en dat van de Belgen, de Fransen, de Duitsers, de Luxemburgers of de Nederlanders is zowat 1 op 5. Heel het systeem van sociale zekerheid, dat een minimum inkomen garandeert aan wie op dat ogenblik werkloos is, zou kunnen ontploffen.

Nu al zien we hoe de besparingsplannen bijdragen aan de afbraak van de sociale voorwaarden in Zuid-Europa. Het zijn de Europese overheid en het patronaat, die grote verdedigers van beschermingsmechanismen, die in de aanval gaan om de sociale voorwaarden af te breken, zelfs als er geen reële concurrentiële druk is van buitenaf. Ze liggen er niet wakker van wanneer ze loondalingen van 20 tot 40 % eisen of opleggen aan werkers die nochtans niet in luxehotels wonen.

Terzelfder tijd verzwakt deze strategie de verzetscapaciteiten van de syndicale organisaties en hun leden. Ze worden tegen elkaar opgezet om het individuele vege lijf te redden terwijl de echte verantwoordelijken van deze strategieën en diegenen die ervan profiteren, dat wil zeggen de grote aandeelhouders van de multinationals en hun politieke bondgenoten, worden beschermd. De solidariteit onder de werkers wordt gebroken terwijl die juist zou moeten aangemoedigd, ontwikkeld en opgebouwd worden om een echte tegenmacht te vormen.

Economische keuzes moeten het alleenrecht blijven van de landen en vooral van hun bevolking. En zij hebben het recht zich te ontwikkelen en te industrialiseren. In elk geval is het niet aan de al geïndustrialiseerde regio’s, die overigens heel de Derde Wereld hebben besmet met hun lagekostenproducten, om dat te bepalen. Als iemand verantwoordelijk is voor de concurrentie onder de arbeiders, dan zijn het wel de multinationals. We moeten van hen – en niet van de overheden – eisen dat zij de elementaire rechten van de werkers respecteren in alle landen waar zij actief zijn en zich bevoorraden. Het Noorden kan ook de overheden in het Zuiden helpen om hun wetgeving te doen respecteren, een wetgeving die immers de werkers nu al verbiedt te lang te werken, in ongezonde omstandigheden en voor een loon dat lager ligt dan het lokale gemiddelde. Maar het Noorden kan deze landen niet verbieden om gebruik te maken van wat vaak hun enige concurrentiële troef is in onze kapitalistische wereld van de vrije markt: hun goedkope arbeidskrachten. Als de werkers van deze landen vinden dat de lonen te laag liggen, moeten ze zelf de strijd aangaan voor betere arbeidsvoorwaarden en zich organiseren in vakbonden. Wij kunnen hen hierin steunen, maar niet zelf mobiliseren.

Een andere logica

De economische crisis stelt de bevolkingen voor een keuze: welke samenleving? Het kapitalistisch systeem toont zijn beperkingen, zowel voor wat betreft de duurzame schepping van rijkdom als het vinden van oplossingen voor de reële noden van de werkers. Alles voor de rentabiliteit, de absurditeit van de ten top gedreven concurrentie, de financiële winsten, de korte termijn… en aan de andere kant van het spectrum niets dan werkloosheid of lonen die de werkers nauwelijks in staat stellen te overleven, gezinnen die tot over hun oren in de schulden zitten, ganse regio’s die teloorgaan. We moeten kiezen. Ofwel verder gaan op deze weg met nog meer besparingen, ofwel kiezen voor een andere logica.

Het kapitalisme komt enkel tegemoet aan de solvabele of koopkrachtige vraag en niet aan de reële noden van de werkers. Heel de discussie over de postindustriële maatschappij, de komst van de dienstenmaatschappij, verbloemt de werkelijkheid dat het doel vooral is een relatief rijk publiek te bevredigen dat zich deze producten kan veroorloven. Er worden zwembaden gebouwd en luxueuze villa’s met alles erop en eraan – zoals een home video en personeel. Van een dak boven het hoofd voor de daklozen, of het aanleggen van leidingen zodat een arme streek kan beschikken over drinkbaar water, van meer scholen en gezondheidscentra om mensenlevens te redden, is echter geen sprake. Dat is wat in vraag gesteld moet worden.

De noden zijn immers talrijk en worden onvoldoende gelenigd. Hier volgt een lange lijst voor België:

  • voldoende sociale woningen zodat iedereen kan wonen tegen een redelijke prijs;
  • rusthuizen om het hoofd te bieden aan de vergrijzing van de bevolking;
  • frequenter en goedkoper openbaar vervoer;
  • betere gezondheidszorg, in eerste instantie gebaseerd op preventie;
  • vooruitgang van vorming en onderwijs maar via de school en niet via bijkomende privéopleidingen;
  • hulp bij het gebruik van informatica, vooral dan voor de oudere bevolking; een veilig internet, zowel op het vlak van de betaling als tegen virussen;
  • preventie van jeugdcriminaliteit door de organisatie van meer activiteiten in de wijk, op initiatief van de gemeenten of van de scholen;
  • energiebesparingen door een betere isolatie van de woningen;
  • stadsvernieuwing en vastgoedrenovatie door aanpassing van alle woningen aan de veiligheidsnormen en anderzijds door herinrichting van de steden met absolute prioriteit aan de voetgangers.

Voor al deze domeinen is de industriële fabricage nodig: voor de bouw, voor de productie van transportmateriaal, computers, geneesmiddelen, boeken… Dit kan allemaal geleverd worden door een verwerkende industrie die in dienst staat van de bevolking en niet van de winst of de competitiviteit.

Wat zou een marxist doen als hij aan de macht kwam? Hij zou eerst alles wat essentieel is in de productie van goederen en diensten nationaliseren, te beginnen met de bedrijven die in handen zijn van de grote multinationals, en de meer strategische sectoren van de energie, het transport en de financiën. Vervolgens zou hij een democratische en participatieve planning opstellen om de elementairste noden te bepalen. Hij zou de problemen ordenen volgens prioriteit, zodat rekening kan gehouden worden met de sociale eisen en de ecologische vereisten. Dat zal bepalend zijn voor de industriële ontwikkeling en bijgevolg voor de tewerkstelling die nodig is om haar te realiseren. De bekommernissen van de bevolking vormen de kern van dit proces.

Het vereist ook dat de verschillende sectoren die met elkaar zullen moeten samenwerken, beter geïntegreerd worden. Er moet dus een relatieve controle uitgeoefend worden op heel de ketting, wat in Europa niet langer mogelijk is voor een land alleen. De producties zijn meer en meer met elkaar verbonden. Wie bijvoorbeeld in België een automobielfabriek overneemt, krijgt vier muren, enkele machines, en een groep arbeiders met bepaalde bekwaamheden, maar niet meer. Om een auto te fabriceren moet je beschikken over de nodige expertise voor de conceptie, je moet onderzoek doen en ook de knowhow hebben van de fundamentele componenten zoals motoren. Dat is vandaag alleen het geval voor Frankrijk en Duitsland, als we ons beperken tot onze buren. Voor andere producten zijn het dan weer andere landen die over de nodige kennis beschikken.

Duitsland, Frankrijk en Luxemburg hebben samen een bruto binnenlands product13 van 5.000 miljard euro (cijfers van 2011). Hun buitenlandse handel (op basis van hun export) bedraagt 2.200 miljard. Een derde daarvan komt van de uitwisseling tussen deze landen. In feite is 15 % van de productie bestemd voor export uit een van deze vijf landen naar een ander. Dat aandeel stijgt voortdurend. In 1995 bedroeg het maar 9,5 %. Dat wijst op een groeiende integratie van deze grondgebieden.

Deze zone is coherent en kan instaan voor het merendeel van de huidige productie en diensten. Het sociale niveau en de wetgeving ter zake zijn vergelijkbaar. We kunnen ons heel goed een planning op die schaal voorstellen en uitvoeren, en die zelfs uitbreiden naar andere regio’s met hetzelfde levensniveau.14

Deze ontwikkeling beschermen is zinvol, want ze is niet gericht op winst of op de bevrediging van particuliere belangen. Zij moet tegemoet komen aan reële sociale noden. Er is geen sprake van dat we dit initiatief in gevaar zouden laten brengen door multinationals die aan dumping doen en profiteren van een loonvoordeel om hun producten zeer goedkoop te verkopen en het schip van de gesocialiseerde nationale economie tot zinken te brengen.

De-industrialisering, wat te doen?

In België zijn de voornaamste behoeften: huisvesting, de renovatie van overheidsgebouwen, de aanleg van nieuwe infrastructuur, de massale ontwikkeling van het openbaar vervoer.

Vertrekkende van deze analyse zou men vier verschillende industriële sectoren kunnen ontwikkelen die traditioneel zeer sterk aanwezig zijn in ons land en waarin de werkers technisch geschoold zijn: de bouwsector, het openbaar vervoer, de gezondheidszorg en de productie van geneesmiddelen, de staalnijverheid.

De bouw, stadsvernieuwing, de assemblage van voertuigen, het heeft allemaal staal nodig. De staalnijverheid mag dan al voorbijgestreefd zijn voor wat betreft de automobielindustrie die sowieso naar het oosten trekt, dat is geenszins het geval als het gaat om de lokale behoeften en de arbeidsplaatsen die ze zou kunnen garanderen in de regio’s Luik en Charleroi. Het is juist dat daar geen lange producten meer worden gemaakt (zoals stalen balken, staven of draden…) voor het stalen geraamte van gebouwen. Daarvoor moet je in Luxemburg zijn. Maar samenwerking met dat land is ongetwijfeld mogelijk. Staalplaten daarentegen zijn zeer nuttig voor de constructie van voertuigen.

De automobielvestigingen die nu worden gesloten, zouden kunnen heropgestart worden voor de productie van trams, bussen en treinen. Daarvoor zijn investeringen nodig, maar dan zou de scholing van de arbeiders uit die sector tenminste tot iets dienen, terwijl die nu volledig dreigt verloren te gaan. Ook op het vlak van de gezondheidszorg zouden nieuwe stimulansen nuttig zijn. De vergrijzing van de bevolking stelt ons voor nieuwe medische problemen en vereist nieuwe – en bij voorkeur generische – producten. België telt ongeveer 200 farmaceutische en biotechnologische ondernemingen, waarvan 31 met een productie-eenheid.15 In feite zijn acht grote centra echt van tel: vier in Vlaanderen en vier in Wallonië. Deze industrie stelt 30.000 mensen tewerk. Zij heeft banden met de meeste universiteiten in ons land. Ook al behoren die bedrijven bijna allemaal tot grote internationale groepen (Amerikaanse, Britse, Zwitserse…), de overheid zou deze sector kunnen in beslag nemen om hem te oriënteren naar de noden van het grootste aantal.

De sectorkeuze moet steunen op drie elementen: de essentiële noden van de Belgische bevolking, de industriële traditie van het land en de mogelijkheden tot collectieve ontwikkeling. Het Waalse gewest16 heeft ook een keuze gemaakt, maar is tot een heel ander resultaat gekomen. Het opteert voor de levenswetenschappen, de agro-industrie, werktuigbouwkunde, transport en logistiek17, ruimtevaart en milieutechnologie. Die keuze is het gevolg van beslissingen van de overheid. Om te beginnen gaan de Waalse politici vooral op zoek naar privéondernemingen, wat betekent: concurrentie en rentabiliteit. Ten tweede willen ze zich duidelijk ontdoen van de staalnijverheid en het einde van het Waalse staal beklinken ten voordele van volgens hen ‘meer dragende’ sectoren.18

Dat gaat regelrecht in tegen ons standpunt. Wij willen datgene ontwikkelen wat het best de bevolking van België en van de omliggende landen dient, te beginnen met de werkers en de uitkeringsgerechtigden, door ons te richten op de sociale vraag en niet op de solvabele vraag. Dat is ook de reden waarom het om een overheidsinitiatief moet gaan. Maar aangezien de overheid en haar leiders ongetwijfeld niet spontaan in die richting denken, zal het volk voortdurend druk moeten uitoefenen. Er zal dus binnen de overheidsondernemingen een controlecomité moeten opgericht worden om ervoor te zorgen dat de onderneming werkt als een overheidsdienst en om te verhinderen dat begrotingsvereisten en de wil om de belangen van de privékapitalisten te bevoordelen de bovenhand halen. Dat comité moet samengesteld zijn uit syndicalisten die het personeel vertegenwoordigen en burgers die de ‘klanten’ of gebruikers vertegenwoordigen. Het comité moet over een vetorecht beschikken zodat het beslissingen die ingaan tegen de hierboven opgesomde objectieven kan vernietigen.

Het is duidelijk dat dit voorstel frontaal in botsing zal komen met het huidige Europese beleid. De overheid moet het initiatiefrecht krijgen zodat ze de vernietigende concurrentie kan afwijzen, massaal kan investeren en de dictaten over begrotingsevenwichten naast zich kan neerleggen. Bovendien moet een overheidsonderneming compleet anders bestuurd worden dan een privébedrijf. Uiteraard moet de financiering van zo’n project in de eerste plaats komen van fiscale maatregelen, dat wil zeggen belastingen op de fortuinen en hoge inkomens. Maar het is niet uitgesloten dat in het begin extra inspanningen nodig zullen zijn en bijgevolg het begrotingstekort wat zal toenemen. De Europese regels mogen deze inspanningen niet tenietdoen. Doen ze dat wel, dan moet de nationale overheid weigeren die regels toe te passen en de sancties verwerpen, omdat die uiteindelijk toch maar de Unie verder naar beneden duwen op de deflatoire helling.19

Zo’n programma zou gemakkelijker uitvoerbaar zijn als ook de energie en de financiële sector zouden genationaliseerd worden. Het zijn immers strategische sectoren. Die nationaliseringen zouden in het belang zijn van de hele bevolking en niet van een handvol aandeelhouders en bedrijfsleiders. De nieuwe overheidsbedrijven zouden producten en krediet kunnen aanbieden aan gunstige voorwaarden, wat de algemene ontwikkeling van de activiteiten ten goede zou komen.

Ja maar, zullen sommigen opwerpen, het is niet de missie van de overheid om ondernemer of ondernemingsmanager te zijn, de overheid mag enkel het kader vastleggen waarbinnen de markt kan opereren. Dat is een zuiver ideologisch standpunt, zonder enige praktijktoets. Er zijn talrijke voorbeelden van overheidsondernemingen die goede resultaten hebben behaald, zelfs op basis van zuiver kapitalistische criteria. De grote vernieuwingen en het grote succes van Renault in de naoorlogse periode, toen de onderneming door de Franse overheid werd bestuurd, en waar maar een einde aan kwam in 1990 (met dank aan de ‘socialistische’ regering van Michel Rocard).

Pistes om de industriële tewerkstelling te redden

  • Een Wet-Ford zou verplichten om de productie te spreiden over verschillende sites van een multinational die een bedrijf wil sluiten.

  • Onze regeringen die de banken in een weekend konden redden, kunnen optreden om de werkgelegenheid te beschermen. Zij kunnen – als was het maar voorlopig – beslag leggen op de activa van ondernemingen die sluiten, hen verplichten de tewerkstelling te handhaven en eisen dat ze hun productie van wagens, staal en textiel verdelen over verschillende vestigingen van de groep in Europa.

  • We zouden onze parlementsleden kunnen verplichten een wet te stemmen die afdankingen in winstgevende bedrijven verbiedt (zoals in het geval van AB InBev in 2009 en bij Caterpillar vandaag). Bij niet-naleving zouden deze bedrijven onmiddellijk alle ontvangen fiscale voordelen, overheidshulp en vermindering van patronale bijdragen moeten terugbetalen.

  • Indien nodig kan de regering een bedreigde sector nationaliseren zoals dat gevraagd wordt door de vakbonden en de PVDA bij ArcelorMittal.

  • De huidige logica voor het scheppen van arbeidsplaatsen moet worden omgekeerd. In plaats van geld te storten in de bodemloze putten van multinationals die de fiscale cadeaus gebruiken om hun aandeelhouders te verwennen en geen tewerkstelling scheppen, is het beter om het overheidsgeld te investeren in zekere banen. Het komt er voor alles op aan belangrijke middelen te mobiliseren om tegemoet te komen aan de noden van de mensen.

Zo’n programma is hoegenaamd geen oplossing voor de economische crisis. Want om uit de crisis te geraken moeten we het systeem verlaten dat de crisis heeft veroorzaakt: het kapitalisme. En daar gaat het niet om, ook al ontwikkelen we strategieën die dicht aanleunen bij wat een socialistische overheid op economisch vlak zou doen.

Het verhindert geenszins dat er andere maatregelen worden genomen met het oog op het herstel van de economie of een verbetering van de situatie van de werkers: een radicale arbeidsduurvermindering zonder loonverlies en zonder opdrijving van de flexibiliteit; een verbod op afdankingen of herstructureringen voor ondernemingen die dividenden uitkeren of hun eigen aandelen opkopen om de koers ervan de hoogte in te jagen.

Conclusies

Wat we vooral moeten begrijpen is dat er in de economie geen sprake is van noodlot. De bestaande systemen zijn geenszins natuurlijk gegroeid. Ze werden in de loop der tijd opgebouwd en ontwikkeld door mensen die er belang bij hadden, door sociale klassen die aan het hoofd staan van de productiemiddelen – voorheen de grootgrondbezitters, nu de ondernemingen en de fabrieken.

Vandaag overheersen de kapitalisten en zij beslissen over de toekomst van de mensheid. Zij presenteren de opbouw van hun kapitaal als een onwankelbaar dogma en hebben een theorie uitgevonden die de uitmuntendheid van hun oplossing moet bewijzen, namelijk de markteconomie. Maar de realiteit legt het verborgen karakter van hun doctrine bloot: crisis, werkloosheid, loonverlies, de opbouw van schulden, miserie en een ongelooflijk ongelijke verdeling van de rijkdom.

We moeten terug naar de grondslagen van elke menswetenschap. De economie en haar gevolgen op politiek en sociaal vlak zijn in de eerste plaats een kwestie van keuze en dus van maatschappijkeuze. Eens die keuze is gemaakt, houdt die bepaalde ontwikkelingen en een precieze economische oriëntatie in. Een andere hoed opzetten vraagt tijd. Maar de keuze is in elk geval niet definitief. Het is zeker niet zo dat de markt, de privé-eigendom er moeten zijn tot het einde der tijden.

Het is eveneens evident dat oplossingen die ingaan tegen de belangen van de grote aandeelhouders en bedrijfsleiders op hun weerstand zullen stuiten.

Ertegen ingaan betekent vechten. Dat is overigens de belangrijkste les die we hieruit moeten onthouden. Doorheen de strijd zullen de werkers en de uitkeringsgerechtigden zich er rekenschap van geven dat zij ook wat in de pap te brokken hebben, en zij zullen uiteindelijk begrijpen dat zij zelf de regels kunnen opstellen. Dan pas kan gezegd worden dat er niet langer gewerkt wordt om aan de solvabele vraag te voldoen, maar wel aan de reële noden. Dat er geen behoefte meer is aan privé-initiatieven die alleen op winst uit zijn, maar aan overheidsmonopolies waar de beslissingen worden genomen na een participatief en democratisch debat. Dat er politieke instellingen nodig zijn die de belangen van deze zaak dienen en geen banden meer hebben met lobby’s en thinktanks.

Henri Houben is doctor in de economie gespecialiseerd in de automobielsector. Hij schreef La crise de trente ans: la fin du capitalisme?, Aden 2011. Hij is als onderzoeker verbonden aan GRESEA en het Instituut voor Marxistische Studies.


1 Europese Herstructureringsmonitor in het Nederlands.

2 Zie Henri Houben, “Depressie in Europa”, Marxistische Studies, nr. 100, oktober-december 2012, p. 25-38.

4 Deze industrie omvat de fabricage, de bouw en de productie van gas, elektriciteit en water.

5 Hiermee bedoelen we de afscheiding van een afdeling door verkoop aan een andere onderneming.

6 Een opkomend land is een land van de Derde Wereld of van het voormalige Oostblok dat volop in ontwikkeling is en een belangrijke groei van het bruto binnenlands product realiseert. De belangrijkste opkomende landen zijn Korea, Taiwan, Singapore, China, Indonesië, Thailand, Maleisië, Brazilië, Argentinië, Mexico, Turkije, Rusland en Zuid-Afrika.

7 De volledige berekening van deze analyse berust op de invloed van een stijging van de productiviteit, de uitbesteding of de buitenlandse investering of ook nog de buitenlandse handel op de tewerkstelling. De moeilijkheid bestaat erin te weten of dit fenomeen effectief een invloed heeft op de werkgelegenheid en de reële reikwijdte ervan te berekenen.

8 Lilas Demmou, La désindustrialisation en France, werkdocumenten van het directoraat-generaal van het ministerie van Financiën, juni 2010, p. 30. Econometrie is een techniek om te berekenen of een of twee fenomenen gelijktijdig voorkomen en dit op basis van een belangrijk aantal statistische metingen.

9 De beurskapitalisatie van een onderneming wordt bekomen door de koers van het aandeel te vermenigvuldigen met het aantal op de beurs genoteerde effecten. Aangezien de koers van een aandeel sterk kan variëren, wordt de kapitalisatie gewoonlijk op het einde van het jaar berekend.

10 Zonder loonverlies.

11 Günter Verheugen, “De competitiviteit – het antwoord op de herstructurering en de concurrentie”, debat in het Europees Parlement over de herstructurering van de industrie van de Europese Unie, Brussel, 4 juli 2006.

12 Dit onderwerp werd al besproken in Pol De Vos en Henri Houben, ‘Is demondialisering het nieuwe grote linkse alternatief?’, Marxistische Studies nr. 99, juli-september 2012, pp.27-42.

13 Het bruto binnenlands product (bbp) schat de rijkdom van goederen en geld die geproduceerd wordt in een bepaalde regio of een bepaald land in de tijdspanne van een jaar.

14 Hieraan kunnen we ook nog landen toevoegen die industrieel wat achterop hinken. Maar in dat geval moet een ernstige inspanning gedaan worden zodat ze de andere landen zo snel mogelijk kunnen bijbenen. De problemen in de eurozone worden veroorzaakt doordat die solidariteit en hulp ontbreekt.

15 Vereniging van industriële ingenieurs van het instituut Meurice, “L’industrie (bio)pharmaceutique innovante”, Cont@cts, trimestrieel bulletin, april-mei-juni 2012, p. 14. http://www.aiif-imc.be/sites/default/files/contact/Contacts%20Juin%202012.pdf.

16 Ook Brussel en het Vlaamse gewest hebben keuzes gemaakt, maar die zijn minder duidelijk en precies.

17 In tegenstelling tot ons project dat gebaseerd is op noden van de mensen en dus op het personenvervoer, opteert het Waalse gewest voor het goederentransport.

18 MERIT (Universiteit van Maastricht) en Ernst & Young France, Cadre conceptuel et opérationnel pour une politique de Clusters en Wallonie, Eindrapport, 20 juli 2000, p. 28.

19 Deflatie betekent een inkrimping van de activiteit en de prijzen.