De kleren van het establishment

Auteur: 
Staf Henderickx

Zeg me waar je werkt, hoeveel je verdient, wat je bezit en ik zeg je hoe je tegen de wereld aankijkt. Je positie als individu binnen een maatschappij met klassen en dus met verschillende belangen, bepaalt sterk je denken, je ideeën. Maar dat is geen automatisme. Binnen elke maatschappij woedt er ook een gevecht om de ideeën. Wie die ideeënstrijd wint, bepaalt voor een groot deel welke richting die maatschappij uitgaat. In zijn nieuwe boek The Establishment zoekt Owen Jones[1] uit welke de steunpilaren zijn van de superrijke en machtige Britse elite om het Britse volk te doen geloven dat zij het enige politieke alternatief is, dat zij de hoeder is van de democratie.

Er zijn redenen te over om de Britse maatschappij onder leiding van het huidige establishment[2] in vraag te stellen. Na een periode van hoogmoedig triomfalisme wereldwijd − en zeker in eigen land, waar de City, het financiële centrum, het kloppende hart vormt van de Britse elite − volgde het hartinfarct: de financiële crash van 2008 duwde heel het Verenigd Koninkrijk naar de rand van de afgrond. In de volgende jaren werd het Britse establishment geteisterd door het ene schandaal na het andere. Zo kwam aan het licht dat de meeste parlementsleden er geen graten in zagen hun zogenoemde parlementaire uitgaven − waaronder de aankoop van breedbeeld tv’s, een tweede woning, eendenhokken, pornofilms en de aanleg van slotgrachten − met belastinggeld te financieren. Ondertussen raakte ook de politie verwikkeld in een reeks schandalen, gaande van het veroorzaken van de dood van onschuldigen tot het opzetten van georkestreerde wraakacties om ministers erin te luizen. Het bracht een politiecultuur aan het licht die niet wars was van samenzweringen en het toedekken van vuile potjes. En dan was er nog de onthulling van de systematische telefoontaps door de tabloid News of the World van krantenmagnaat Rupert Murdoch. Dat maakte duidelijk dat de rechtse pers de door haar zo geprezen ‘individuele vrijheden’ in werkelijkheid als een vodje papier beschouwde. Bij een groot deel van de Britten verloren de banken, het parlement, de politie en de pers alle geloofwaardigheid.

Verder vertellen de cijfers een droevig verhaal van sociale achteruitgang. Volgens de Britse regering werden tussen juni 2012 en juni 2013 860.000 mensen gesanctioneerd en verloren ze hun uitkering. Dat zijn er 360.000 meer dan het jaar voordien. Sommige groepen worden buiten verhouding getroffen. De liefdadigheidsorganisatie Homeless Link stelt dat bijna een derde van de daklozen, die leven van een uitkering als werkzoekende, gestraft werden. In austerity Britain ontvangt bijna een miljoen mensen hulp van voedselbanken. In het zesde rijkste land van de wereld, kunnen velen van de armste burgers niet langer eten kopen. Volgens de Trussell Trust, de grootste leverancier aan voedselbanken, zijn meer dan de helft van de hulpbehoevenden afhankelijk van aalmoezen.

Niettemin blijft het establishment erin slagen een groot deel van het Britse publiek op sleeptouw te nemen. De recente verkiezingsoverwinning van de Conservatieve Partij is daarvan een perfect voorbeeld. In haar mediacampagne bleef ze hardnekkig op dezelfde nagel kloppen: “De voormalige Labourregering van Gordon Brown is verantwoordelijk voor de financiële crash van 2008 en de erop volgende sociale en economische chaos.” In haar propaganda kwam ze er keer op keer op terug: “Wil je terug naar de chaos? Of ga je verder met ons naar een economisch herstel?” Uiteraard berust die propaganda op een leugen. Het zijn immers de onverantwoorde speculaties van de financiële sectoren die aan de basis liggen van de wereldwijde financiële crash. Maar dat mag geen probleem zijn. De herverkiezing van Cameron verleent hem nu een ‘democratisch’ mandaat voor de voortzetting van zijn strenge bezuinigingsbeleid.

Maar dat betekent niet dat het van een leien dakje zal lopen. In het weekend van 21 juni 2015 demonstreerden een kwart miljoen Britten in Londen tegen dat beleid. De machthebbers worden dan ook permanent geconfronteerd met de vraag hoe ze de macht kunnen behouden ondanks die druk van onderuit. En wat blijkt? Om te overleven en de touwtjes stevig in handen te houden past het establishment zich aan de omstandigheden aan als een kameleon. Owen Jones ontkleedt gaandeweg het establishment: het maatpak van het parlementslid, het politie-uniform, de toga van de rechter, het hemd van de krantenmagnaat en de pelsmantel van de koningin … tot het establishment in zijn blootje staat en het zelfs het schaamlapje van de democratie wordt ontnomen.

De wegbereiders

In de naoorlogse periode zag het establishment in het Verenigd Koninkrijk zich verplicht tot sociale hervormingen. Ondanks zijn glansrijke rol in de Tweede Wereldoorlog verloor Churchill met zijn Conservatieve Partij de verkiezingen. Het betekende de start van een nieuwe periode met een aantal opeenvolgende Labourregeringen en een reeks sociale hervormingen. De toen heersende opvatting van een maatschappij waarin de vertegenwoordigers van de werknemers, de vakbonden, en die van de werkgevers onderhandelen en akkoorden sluiten, was ook voor de Conservatieve Partij aanvaardbaar, met uitzondering van enkele rechtse heethoofden, die een nieuw kader wilden scheppen waarin de ideologie van de vrije markt de scepter kon zwaaien.

Het begon al in 1947, in het Zwitserse dorpje Mont Pèlerin. In de eerste dagen van april zakten een veertigtal intellectuelen – waaronder academici, economisten en journalisten – uit alle hoeken van de westerse wereld af naar Hôtel du Parc. Na een week van debat raakte men het eens over een verklaring over de nieuwe wereldorde die moest verrijzen uit het puin van de Tweede Wereldoorlog. “De fundamentele waarden van de beschaving zijn in gevaar,” waarschuwde de groep in haar beginselverklaring. “In uitgestrekte delen van de wereld zijn de essentiële voorwaarden voor menselijke waardigheid en vrijheid al van de kaart verdwenen.” De overwinning van de Sovjet-Unie op het nazisme en de snelle vooruitgang van de onafhankelijkheidsbewegingen onder leiding van communistische partijen (o.a. in China) brachten de mensheid op de rand van de afgrond, zo meenden zij. De belangrijkste reden voor dit verval was “het verdwijnen van het geloof in de privé-eigendom en de competitieve markt”. De club van Mont Pèlerin was geboren en hij was het geesteskind van Friedrich Hayek, de uit Oostenrijk afkomstige Britse economist. Een van zijn hoofdstellingen luidde: “We hebben geleidelijk de vrijheid in economische zaken prijs gegeven. Zonder die vrijheid is er in het verleden nooit sprake geweest van individuele en politieke vrijheid.” Naar het einde van de Tweede Wereldoorlog toe publiceerde Hayek De weg naar de slavernij, dat veel invloed zou uitoefenen. Het boek kende meteen een sensationeel succes. In Groot-Brittannië en andere westerse landen gingen honderdduizenden exemplaren over de toonbank en Reader’s Digest publiceerde in april 1945 een verkorte versie. Maar omdat het uitgeven van boeken en tijdschriften te fragmentarisch gebeurde, dacht de Pèlerinclub ook aan de oprichting van denktanks om al het studie- en propagandawerk te coördineren. In het midden van de jaren vijftig slaagden de clubleden daar voor het eerst in met de oprichting van het Instituut voor Economische Zaken (Institute of Economic Affairs, IEA). Het hoofddoel van deze denktank was de verspreiding van de ideeën van de vrije markt in een vijandig politiek klimaat. “De IEA werd voor gek verklaard,” aldus de huidige directeur-generaal, Mark Littlewood. “Het instituut werd wel aangezien als intellectueel eerlijk, maar viel buiten de perken van het gangbare gedachtegoed.”

Midden de jaren zeventig ging de naoorlogse consensus aan het wankelen. Het akkoord van Bretton Woods, het internationale kader van de wereldfinanciën, werd in augustus 1971 unilateraal opgezegd door de VS wegens de uit de hand gelopen kosten van de Vietnamoorlog. Twee jaar later kondigden de olieproducerende landen een embargo af met een ‘olieprijsshock’ tot gevolg. In de westerse wereld piekte de inflatie terwijl de economie stagneerde. De winstmarges doken naar beneden. Voor de voormannen van Mont Pèlerin had het uur van de waarheid geslagen. “Alleen een crisis – daadwerkelijk of vermeend – kan echte verandering teweegbrengen,” stelde Milton Friedman. “Wanneer de crisis toeslaat, zal de ondernomen actie afhankelijk zijn van de ideeën in de wandelgangen” en “het politiek onmogelijke wordt dan plots politiek onvermijdelijk”.

Ook het establishment ziet mogelijkheden in de crisissen die het zelf mee heeft uitgelokt. Groot- Brittannië bracht de geschiedenisles van de rechtse denker met redelijk succes in de praktijk. De inflatie nam toe en de vakbonden probeerden via loononderhandelingen de levensstandaard te beschermen. Een stakingsgolf overspoelde het land en legde in grote delen de essentiële dienstverleningssectoren plat met als hoogtepunt de Winter of Discontent (de winter van de ontevredenheid) in 1978-79. Hoewel de vakbond een aantal gevechten won, stevende de beweging in zijn geheel af op een fatale nederlaag. De ideeën van de Club van Mont Pèlerin vonden steeds meer ingang in Groot-Brittannië.

Een van de nieuwe denktanks uit die crisistijd was het Centrum voor Politieke Studies (CPS), opgericht in 1974 door Margaret Thatcher en Keith Joseph, de zoon van een rijke betonboer. Maar niet alleen denktanks populariseerden die ideeën. Ook reclamemakers deden een duit in het zakje. In de jaren zeventig speelde Timothy Bell – nu Lord Timothy – een sleutelrol in Thatchers kruistocht. Vandaag staat hij aan het hoofd van Bell Pottinger, een PR-agentschap dat onder meer werkt voor de regering van Wit-Rusland, de vrouw van de Syrische president Assad en de Stichting Pinochet. Bell was de drijvende kracht achter Thatchers’ ongelooflijk efficiënte mediacampagnes die haar van de ene naar de andere overwinning voerden. Voor de succesvolle verkiezingscampagne van de Tories (Conservatieven) in 1979 ontwierp hij de fameuze affiche met de slogan Labour doesn’t work[3] en op de achtergrond een lange rij werklozen aan een arbeidsbureau. Tijdens de mijnstaking van 1984-85 orkestreerde Lord Bell mee de woeste aanval van de National Coal Board tegen de vakbond. De nederlaag van die vakbond betekende een verpletterende overwinning voor Thatchers oorlog tegen de werkende bevolking.

Nadien rezen nog heel wat denktanks uit de grond. Figuren uit de rechtse zakenwereld zagen heil in de rechtse filosofen en sponsorden de activiteiten van de wegbereiders zodat nieuwe denktanks konden opgericht worden. Het bestuur van de denktank Policy Exchange is in feite samengesteld uit een rits City-miljonairs en Tory-steungevers. Een van hen is Simon Brocklebank-Fowler, stichter van de financiële lobbygroep Cubitt Consulting, die tienduizenden ponden cadeau deed aan de Conservatieve Partij. Onder de andere beheerders treffen we ook de CEO van de bankmaatschappij Edmond de Rothschild Ltd. aan, Richard H. Briance, een conservatieve gelddonor, en Theodore Agnew, gedelegeerd bestuurder van een verzekeringsmaatschappij, die door conservatieve minister van Onderwijs Michael Gove benoemd werd tot niet-uitvoerend bestuurslid van datzelfde ministerie en prompt 134.000 pond in de kas stortte. Andere bestuurders waren hedgefondsmanager George E. Robinson, een figuur die door de CEO van kledingketen Next als troef werd uitgespeeld en die de Conservatieven 372.000 pond overmaakte. Ook Simon Wolfson, de voormalige adviseur van minister van Financiën George Osborne, steunde de partij met maar liefst 383.350 pond.

En dan is er nog Reform, een rechtse denktank die zich specialiseert in het propageren van de privatisering van de openbare diensten. “Ons geld komt voor 70 % van ondernemingen en voor 30 % van individuele giften,” zegt Nick Seddon, de voormalige afgevaardigde bestuurder. Bij de gelddonoren van Reform vinden we commerciële reuzen als General Healthcare Group, BMI Healthcare en Bupa Healthcare, die alle belang hebben bij de uitverkoop van de openbare diensten. Seddon zelf was hoofd van de communicatieafdeling van Circle Partnerships, dat zichzelf presenteert als “Europa’s grootste vennootschap op het vlak van de gezondheidszorg”. Dit is een van de bedrijven die in hoge mate belang heeft bij een privatisering van de NHS, de nationale gezondheidszorg. In 2012 nam Circle Partnerships Hinchingbrooke Health Care Service over. Daarmee kwam voor het eerst in de geschiedenis een NHS-ziekenhuis in handen van de privésector, iets wat al lange tijd de natte droom van Reform was. Seddon pleitte voor het ontslag van 150.000 NHS-werknemers, kortetermijnbesparingen op de NHS-begroting en een stijging van het remgeld voor huisbezoeken. Hij verdedigde ook een gezondheidszorg “met uitgebreide financiële middelen … maar niet georganiseerd door de regering, wel door verzekeringsmaatschappijen en andere organisaties, die alleen aan de patiënten verantwoording moeten afleggen”. De voorzitter van Reform, Sir Richard Sykes, zetelde voorheen in het bestuur van tal van farmaceutische bedrijven, inclusief GlaxoSmithKline; in 2011 werd hij voorgedragen voor het voorzitterschap van de Imperial College Healthcare NHS Trust. Ook hier worden de voorvechters gedreven door bedrijfsbelangen.

De denktanks lanceren rechtse ideeën in de media die door de journalisten als ‘objectief’ worden beoordeeld en opgepikt en zo openen ze de weg voor politici om er gebruik van te maken. Margaret Thatcher durfde nog niet raken aan de NHS en de Royal Mail. Ze wist maar al te goed dat een overgrote meerderheid van de Britten de goede werking van die diensten wilde behouden. Maar dank zij het voorbereidende werk van de denktanks vond de idee “de privé werkt beter, de staat werkt niet” breed ingang. Nu staat de privatisering van de openbare diensten wel op de agenda van Cameron.

De neoliberale revolutie wordt ook aangezwengeld door zogenoemd ‘onafhankelijke massabewegingen’. Bijvoorbeeld: actiegroepen die zich verzetten ‘tegen verspillingen door de overheid’ rekruteren mensen die oprecht willen opkomen tegen corruptie. De undercover-leiders buigen echter de groep om naar een eenzijdige beweging tegen sociale fraude. Zo bereiden ze mee de weg voor sociale bezuinigingen en maken dat beleid bij het grote publiek aanvaardbaar.

Matthew Elliott was de oprichter van zo’n actiegroep Taxpayers’ Alliance. Nadat hij afstudeerde aan de London School of Economics , werkte hij als persverantwoordelijke bij de anti-EU European Foundation om tenslotte te eindigen als politiek secretaris van een conservatief lid van het Europees Parlement. Hij verstond als geen ander de kunst om schaamteloos de populist uit te hangen. “Er bestond nog ruimte voor een campagnegroep die, jawel, ideeën verkondigde over belastingverminderingen en inkomens, maar dan niet op de manier zoals het Instituut voor Economische Zaken dat zo prachtig doet in haar academische denktanks, maar op een meer populaire manier met gezond verstand voor media.” Elliott haalde de mosterd bij succesvolle rechtse wegbereiders in de Verenigde Staten die flinke besparingen eisten zowel in de belastingen als in de uitgaven: Americans for Prosperity, de National Taxpayers’ Union, Citizens Against Government Waste en Freedom Works. Tussen 2005 en 2009 ontving de TaxPayers’ Alliance 80.000 pond van de obscure organisatie Midlands Industrial Council, die ook al 1,5 miljoen pond had geschonken aan de Conservatieve Partij, en ook aan een fonds dat bij de verkiezingen van 2005 conservatieve kandidaten had helpen verkiezen. Bij de sleutelfiguren van die Council vinden we leidinggevende rechtse zakenlui zoals Sir Anthony Bamford, de eigenaar van JCB, topman in de bouwsector Malcolm McAlpine en gokbaron Stuart Wheeler. Die organisaties stellen zichzelf voor als partijloos, als campagnegroepen van verontruste burgers aan de basis, en verhullen wie ze in werkelijkheid zijn: de wegbereiders van rechtse politici. De buitengewone invloed van de TaxPayers’ Alliance wordt algemeen erkend. In 2008 beschouwde The Guardian het bondgenootschap als ‘waarschijnlijk de meest invloedrijke drukkingsgroep in het land’.

De parlementsleden: harde werkers in dienst van het establishment

De nieuwe politieke orde van Thatcher berust op de vrijwel onbetwiste pijlers van de nieuwe consensus: de drastische vermindering van de rijkentaks en de belasting op de grote bedrijven, de privatisering van de openbare diensten, de meest ingrijpende antivakbondswetgeving in de westerse wereld en de opruiming van de hindernissen voor de opbloei van de vrije markt. Thatcher verpletterde de vakbonden, ook de onoverwinnelijk geachte mijnwerkersorganisatie. Ze verpatste nutsbedrijven en diensten (onder andere de nationale energievoorziening en de sociale huisvesting) aan privé-eigenaars en verlaagde de hoogste belastingschaal, eerst naar 60 % en dan naar 40 %. Ze ging zelfs zover dat wie buiten het script van de vrije markt acteerde als zonderling werd aangezien: pijnlijk naïef, als ze nog jong waren, en politieke dinosaurussen als ze al wat ouder waren.

Labour bezweek geleidelijk onder die ideologische pletwals en capituleerde uiteindelijk in plaats van de ideeënstrijd aan te gaan. In 1994 werd Tony Blair tot partijvoorzitter verkozen. Hij gaf de partij meteen een nieuwe naam: New Labour. Uit schrik voor een confrontatie met de partijactivisten kortwiekte hij de interne partijdemocratie. Op de jaarlijkse conferenties van Labour dienden militanten en vakbondsmensen moties in voor de hernationalisering van de spoorwegen en voor een programma voor de bouw van sociale woningen. Hun moties werden van tafel geveegd. Tony Blair was vastbesloten ook een einde te maken aan de financiering van de partij door de vakbonden en ging dan maar steun zoeken bij gefortuneerde individuen. Niet voor niets beweerde Thatcher na de eerste nederlaag van haar Conservatieve Partij: “Onze grootste overwinning is New Labour.” Het ‘nieuwe’ aan New Labour was de omarming van de mantra’s van het establishment.

Sindsdien wordt het Britse politieke leven in een verstikkende ideologische greep gehouden door die twee grote politieke partijen in naam van ‘het gezond verstand’, het evenwichtige ‘centrum’. Daar waar het politieke leven voorheen gekenmerkt werd door grote politieke en ideologische tegenstellingen, was het nu meer een kwestie van nuances. Eenmaal aan de macht, sloten de politici van New Labour het gedachtegoed van het establishment in hun armen. Ze prezen de weldaden van de vrije markt en het ondernemen de hemel in. Zodra ze geen deel meer uitmaakten van de regering, sloten ze contracten af met de economische elites voor wie zij in de bres waren gesprongen. De kopstukken van New Labour gingen zelfs werken voor zakenbelangen die regelrecht indruisen tegen de traditionele waarden van een ‘socialistische’ partij. Ministers van gezondheidszorg werden huurlingen in dienst van private zorgmaatschappijen, defensieministers eindigden hun carrière op de loonlijst van defensiegiganten. Wat vroeger het gedachtegoed van de wegbereiders uitmaakte, is een blauwdruk geworden voor snel geldgewin. De pleitbezorgers van de consensus genieten persoonlijke voordelen bij de handhaving ervan. De draaideuren tussen politieke mandaten, topfuncties als redacteur of journalist in de media of als CEO van een multinational staan nooit stil. De politieke en de rijke elites zijn geen verschillende entiteiten: zij overlappen elkaar volkomen.

De conclusie dat New Labour in de grond nog in weinig geloofde, met uitzondering van enkele punten zoals onder andere geld, valt nauwelijks nog te weerleggen.

De meeste politici wijken maar zelden af van de nieuwe politieke status quo die het thatcherisme heeft bewerkstelligd. Want wie ook maar eventjes ‘buiten de lijntjes’ kleurt of afwijkt van het gedachtegoed van het establishment, wordt gebrandmerkt en beklad. De verkiezing van Ed Miliband tot voorzitter van Labour werd aangezien als een onaanvaardbare breuk met het gedachtegoed van het establishment. De media en ook zijn politieke tegenstanders noemden hem algauw Red Ed vanwege zijn vader, Ralph Miliband, ooit een eminent marxistisch academicus. Vermoedelijk ging zijn milde sociaaldemocratische programma teveel in de richting van een terugkeer naar de verslagen politiek van de jaren vóór New Labour. In de pers werd hij herhaaldelijk afgeschilderd als een politicus die onder de plak zat van de ‘bondenbaronnen’. En dat terwijl vakbondsleiders wel degelijk verkozen worden in tegenstelling bijvoorbeeld tot de Britse mediabaronnen. Voor die media leek het alvast niet te kunnen dat de man die ze zelf het label Red Ed hadden opgeplakt, ooit premier van Groot-Brittannië zou worden, ook al vormen maar weinig van zijn politieke voorstellen een bedreiging voor het establishment.

Er zijn geen onafhankelijke media

Niet alleen de politici zorgen voor de handhaving van het gedachtegoed van het establishment. Ook de media werken vrolijk mee, terwijl van hen toch mag verwacht worden dat ze in elke goed functionerende democratie de status-quo bekritiseren en contesteren. Maar in het geval van de Britse media is dit een al lang vervlogen droom. Behalve The Guardian en The Independent staan praktisch alle kranten onder de controle van mediamagnaat Ruport Murdoch. Hij bevestigde dat zelf in 2007 tijdens zijn getuigenis voor de onderzoekscommissie van het Hogerhuis naar aanleiding van de afluisterschandalen. “Mijnheer Murdoch verdoezelde niet dat hij zowel economisch als redactioneel de lakens uitdeelt," zo lezen we in de notulen van de commissie. Angela Eagle, de huidige minister van het schaduwkabinet voor Labour, stelt: “Het is zonneklaar dat er geen vrije media bestaan. Dit soort media wordt ideologisch gestuurd door de eigenaars.” De politieke standpunten van de media-eigenaars bepalen de lijn van hun kranten en vormen ze om tot efficiënte politieke lobbymachines. Op zich biedt het eigenaarschap van de media geen garantie dat de kranten dezelfde lijn volgen als het establishment. Dat is dan ook de reden waarom de mediakanalen almaar meer een zaak van ingewijden zijn geworden, alleen toegankelijk voor mensen met een geprivilegieerde achtergrond. De minder gegoeden worden er uitgefilterd. In het verleden konden de vakbonden nog een vuist maken tegen bepaalde beslissingen van het management. Nu de media de vakbonden buitenspel hebben gezet, beschikt het management over nagenoeg onbeperkte macht.

En ook hier zijn de draaideuren tussen de media, de politici, de zakenwereld en zelfs de politie van groot belang. Blairs relatie met het Murdochimperium werd al snel een vertrouwensrelatie, in die mate dat Blair zelf deel ging uitmaken van de Murdochclan. Zo werd hij na zijn aftreden als premier peetvader van het tweede jongste van Murdochs zes kinderen. Toen het werd gedoopt aan de oevers van de Jordaan, woonde hij de ceremonie bij, ‘gekleed in het wit’. Ook de politie onderhoudt nauwe banden met de media. Vooral na de schandalen over de hardhandige aanpak van betogers en arrestanten met in enkele gevallen de dood tot gevolg, groeiden politie en media nauwer naar elkaar toe: hoge politiefunctionarissen gingen tafelen met uitgevers van kranten om negatieve berichtgeving over de politie uit de pers te houden.

De invloed van de propaganda in de media leidt tot een cultuur van hardnekkige oneerlijkheid en mythevorming. In plaats van een waarheidsgetrouw beeld te scheppen van de Britse maatschappij gaan de mediagroepen op zoek naar extreme voorbeelden van sociale fraude en spelen in op de diep ingewortelde vooroordelen en het onveiligheidsgevoel. Op die manier vormen zij een perfecte tandem met de politieke consensus. De kranten brengen bijvoorbeeld een verhaal over de sociale zekerheid waarvan de toon duidelijk gezet is: de belastingbetalers moeten opdraven voor de nietsnutten en de luieriken. Nadien blijven alle politieke partijen daarover doordrammen. Tegelijk verschrompelt de onderzoeksjournalistiek waardoor de echte onrechtvaardigheden verborgen blijven. Doordat de rijken en machtigen flink investeren in middelen om aan elke controle te ontsnappen, kost het journalisten heel wat tijd en energie om die obstakels te omzeilen. Het overgrote deel van de media is een politieke machine, die lobbyt voor de vaak persoonlijke ambities van de eigenaars. De media en de politieke elite zijn dikwijls innig met elkaar vervlochten en koesteren dezelfde verwachtingen over de manier waarop de maatschappij moet geleid en georganiseerd worden. Middeleeuws Groot-Brittannië had de kerk om de status quo op te leggen. Het moderne Britse establishment beschikt daarvoor over de media. Wie er een afwijkende mening op nahoudt, leeft in een verstikkende atmosfeer.

Public relations: niets is wat het lijkt

Hoe wist de City zijn macht zo doeltreffend te bewaren, zelfs midden in de enorme economische ramp? Dankzij zijn gesofistikeerde public relations- en lobbymachines. Deze firma’s zijn cruciaal voor de creatie en het management van de beeldvorming over de belangrijkste financiële instellingen. Zij moeten zorgen voor de instandhouding en versterking van hun imago hetzij onder investeerders, hetzij onder het grote publiek en de regering van de dag. In de voorbije drie decennia zijn die firma’s als paddenstoelen uit de grond geschoten: in 2009, in de directe nasleep van de financiële crisis; waren niet minder dan zesentachtig financiële PR-agentschappen operationeel. Vandaag telt de topfirma voor financiële public relations Brunswick, vierentwintig van de top 100 Britse bedrijven, inclusief Barclays, HBOS en Standard Life onder haar klanten. Brunswick wordt op de voet gevolgd door RLM Finsbury met eenentwintig. Een zakenjournalist die een van deze machtige bedrijven voor het hoofd stoot, blijft onherroepelijk verstoken van informatie over een belangrijk deel van de zakenelite. Deze firma’s zijn vitale organen van de huidige politieke structuur van het establishment. Toen Alan Parker, de stichter van Brunswick, in 2007 in het huwelijksbootje stapte, bevonden zich onder de genodigden zowel eerste minister Gordon Brown, wiens echtgenote Sarah een medewerkster van Brunswick was, als David Cameron. Brown is peter van Parkers zoontje en in maart van het jaar daarop hadden Parker en Cameron samen hun vakantie doorgebracht in Zuid-Afrika. Er zijn nog heel wat voorbeelden van draaideuren tussen functies in deze PR-bedrijven en de regering. Parker staat ervoor bekend dat hij onderzoek naar de media door de rechtbank van de hand wijst en zijn eigen operaties met veel geheimhouding weet te omkleden.

Revolutie in de geesten

Hoewel de toenemende uitbuiting en onderdrukking van de 99 % door de 1 % automatisch verzet en opstand uitlokt, leidt die beweging spijtig genoeg niet automatisch tot een rechtvaardiger maatschappij. Want daarvoor moet ook de ideeënstrijd gewonnen worden. Terwijl honderdduizenden mensen aanschuiven bij de voedselbanken, zitten de duizend rijkste Britten op een berg van 520 miljard pond. Een welvarende financiële elite, die Groot-Brittannië in een economische catastrofe stortte, moest gered worden met meer dan 1 biljoen pond gemeenschapsgeld en blijft zich vrolijk bedienen zoals voorheen. Hoe was en is het mogelijk dat men dit alles kon en kan blijven voorstellen als rationeel en verdedigbaar? Hoe kan het dat de instellingen van de elite met aanzienlijk succes de woede van de mensen blijven richten naar beneden, naar de mensen op de onderste trede van de maatschappelijke ladder?

Wie dat wil veranderen, zal ook de hoofden van de mensen moeten veroveren. Owen Jones besluit met volgende wijze woorden: “Elk tijdperk leeft in de illusie dat het blijvend is. Opposanten die belachelijk irrelevant en versplinterd lijken, kunnen plots het lot aan hun kant krijgen. Het modieuze gezonde verstand van vandaag kan de schandelijke onzin van gisteren worden, en dat met verrassende snelheid.”

Staf Henderickx (stafhenderickx at telenet.be) was 40 jaar huisarts bij Geneeskunde voor het Volk Lommel, België. Auteur van onder andere De Kopervreters (EPO, 2000), Dokter, ik ben op. Over werkstress (2009, EPO) en meer recent Havenloos (Vertelpunt Uitgevers) en Help, mijn kind heeft een eetstoornis (2015, EPO). Hij verblijft sinds een jaar in Londen, waar hij werkt aan de vertaling van The Establishment van Owen Jones.


[1]   Owen Jones is een linkse publicist die het hardvochtige neoliberale beleid in Groot-Brittannië onverbiddelijk aanklaagt. Zijn bijdragen verschijnen regelmatig in The Guardian en The New Statesman. Zijn boek Chavs, de demonisering van de Britse arbeidersklasse verscheen in 2013 bij EPO in Antwerpen. ISBN: 9789491297458. Uitgeverij EPO voorziet de vertaling van zijn nieuw boek The Establishment voor september 2015.

[2]    Het establishment is de gevestigde orde van de nieuwe en oude rijke elite, een systeem dat steunt op politici, media, leger, politie en andere machtsstructuren van de staat.

[3] Woordspeling. In het Engels betekent work zowel functioneren als werken.