De rechtse evenwichtsoefening van Kristof Calvo

Auteur: 
Dirk Tuypens

“Bekritiseer me, daag me uit.” Zo besluit Kristof Calvo, fractieleider van Groen in de Kamer, de inleiding van zijn eind 2015 verschenen boek F*ck de zijlijn. Het boek wil een uitnodiging zijn tot debat. Daarom gaat Calvo er ook de boer mee op, om zich te laten voeden door zowel bevestiging als tegenspraak. Daarbij hoopt hij ook jonge mensen warm te kunnen maken voor de politiek, zijn “eerste lief”.

België is volgens Calvo immers nog altijd een prachtig land. Zijn pleidooi voor werken over de taalgrens heen is erg vruchtbaar. We moeten ophouden met kiezen tussen België en Vlaanderen. Op het vlak van diversiteit pleit hij tegen het hoofddoekenverbod, voor culturele vrijheid en roept de Vlamingen op om de etnische bril af te gooien. Calvo wil terecht meer transparantie in de politiek. Hij neemt met recht en reden het contract van deze regering met de energiebusiness op de korrel. Hij wil de verkiezingsprocedures verbeteren zodat de participatie reëler wordt.

Calvo schreef naar eigen zeggen een persoonlijk boek met toepasbare ideeën rond thema’s die het meest nood hebben aan verandering. Hij wil namelijk geen “klager en zager” zijn, maar een constructieve bijdrage leveren aan de vooruitgang.

Ik neem de uitnodiging van Calvo graag aan, doorloop zijn zeven hoofdstukken rijke boek en noteer een aantal kritische bemerkingen.

Doen wat er kan

In haar boek No Time betoogt Naomi Klein dat een efficiënte aanpak van de klimaatverandering onmogelijk is zonder een resolute overstap naar een totaal ander economisch systeem. De keuze is onverbiddelijk: de aarde en het voortbestaan van alle leven, of het kapitalisme. De klimaatkwestie is volgens Klein onlosmakelijk verbonden met de strijd tegen ongelijkheid, armoede en alle andere vormen van sociaal onrecht. Om die beslissende strijd tot een goed einde te brengen, is een doorgedreven cultuuromslag nodig. De hegemonie van het neoliberale denken moet doorbroken worden, zodat radicaal andere ideeën denkbaar en realiseerbaar worden.

Calvo komt terecht op tegen het TINA-verhaal van de regeringen Michel en Bourgeois. Politiek is geen natuurkunde, maar een kwestie van maatschappelijke keuzes, zegt hij. Maar voor hem geen cultuuromslag, geen doorbreken van het neoliberale denken.

De nieuwe vlag waaronder Calvo aan politiek wil doen heet possibilisme.

Possibilisme is voor Calvo een vorm van positief denken, steunend op drie pijlers: “Het is geënt op optimisme noch pessimisme, het veronderstelt samenwerking en het schuift dogma’s aan de kant.” (p. 35) Possibilisten zijn niet ongebreideld optimistisch, ook niet volbloed pessimistisch, maar houden mooi het midden tussen de twee. In België angstig en pessimistisch zijn is verwaand en ondankbaar. Overdreven optimistisch zijn is een belediging van de mensen die het in België toch nog moeilijk hebben met woningproblemen, werkloosheid. Possibilisten zijn ook doendenkers, mensen die niet blijven discussiëren over datgene waarover ze het niet eens zijn, maar samen realiseren wat al mogelijk is. Ze houden van pragmatiek en compromissen. Kortom: “Als je vandaag en morgen al doet wat je kunt, is de kans veel groter dat je bij je droom van overmorgen uitkomt en ook mensen goesting doet krijgen om die mee waar te maken.” (p. 38-39)

Als pragmatisch doendenker heeft Calvo wellicht weinig nood aan ideologische omkadering. Het ontbreekt in zijn boek dan ook aan enige theoretische onderbouw voor het possibilisme.

Niet links, niet rechts, gewoon Groen

Een ideologie is een maatschappijvisie, en zoals Calvo zelf zegt, is politiek een keuze tussen maatschappijvisies. Maar in zijn boek toont hij zich vooral een aanhanger van het postideologisch denken, waarin ideologie een vervelend artefact is dat thuishoort in geschiedenisboeken. Klassieke ideologieën en de maatschappelijke tegenstellingen die daarmee gepaard gaan, zouden slechts hinderlijke obstakels voor de vooruitgang zijn. “Het links-rechtse hokjesdenken vind ik behoorlijk vermoeiend”, schrijft hij. “Niet links, niet rechts, maar averechts, zo stond het destijds in de pamfletten van Agalev. Averechts hoeft voor mij vandaag niet meer, dat wil ik niet zijn. Gewoon groen en Groen is prima.” (p. 33) Als possibilist stelt hij liever een à-la-cartemenu samen uit wat zich zoal aandient: “Ik zeg wel eens: we nemen het beste van de liberalen (de drang naar autonomie, vrijheid en creativiteit), het beste van de socialisten (rechtvaardigheid, eerlijkheid en herverdeling) en we voegen daar nog iets aan toe (de verantwoordelijkheidszin voor onze planeet). Dat is groene politiek op zijn best.” (p. 34)

Hoe concreter Calvo wordt, hoe blauwer zijn possibilisme kleurt: “Zo delen we met de liberalen de bijzondere aandacht voor het individu. We passen voor het marktisme, maar een gezonde dosis marktwerking is in de meeste sectoren geen probleem, integendeel. Voor een echte ecologist trouwens liever geen bevoogdende structuren of onnodige verstaatsing.” (p. 33-34) En daarop aansluitend: “Een goed voorbeeld is de zorg. Wij ondersteunen liever volop de mantelzorg en persoonlijke assistentiebudgetten dan alles te willen organiseren via grote, al dan niet openbare, zorginstellingen. Ook in de energiesector is het duidelijk. In tegenstelling tot radicaal-links willen wij daar geen volledige staatscontrole. Het is het netwerk van kleine en grote energiebedrijven, coöperaties en burgers – met natuurlijk een sterke publieke controle – dat voor stroomvoorziening moet instaan. Omdat het zo beter en zelfs democratischer zal werken, maar ook omdat het vrije initiatief een intrinsieke waarde heeft.” (p. 34) Om vervolgens te concluderen: “Als een vrije oplossing exact dezelfde resultaten oplevert als een organisatie door de staat, moeten we wat mij betreft altijd voor het eerste kiezen. Niet toevallig zijn we vaak ook de eerste om in andere domeinen te waarschuwen voor een al te opdringerige of bureaucratische overheid.” (p. 34)

Het possibilisme van Calvo krijgt zo al een veel concretere invulling: voorrang aan de markt, of het nu gaat om ecologie, zorg of energie. Spijtig genoeg maakt Calvo hierbij niet de balans op van de marktwerking in deze sectoren. Hij rekent zelfs Hart boven Hard, de mensen van het vluchtelingenpark in Brussel tot de possibilisten. Terwijl deze mensen in de eerste plaats opkomen tegen de doorgedreven vermarkting in de zorg- en welzijnssector, tegen de falende “bureaucratische” overheid die door de afbouw van overheidshulp hele sectoren van de welzijnszorg op de helling zet. Hij is erg discreet over hoe sinds de vermarkting van de energiesector als een soort grondwettelijk recht, een voorwaarde voor een menswaardig leven, op de helling is komen te staan. Ze wordt een koopwaar die voor meer en meer mensen onbetaalbaar wordt. In tegenstelling tot de droom van Calvo over de kleine producenten is de energie door de marktwerking in handen van een oppermachtig kartel gekomen dat onderling de prijzen bepaalt. Hoewel heel wat mensen kiezen voor zogenaamde groene energie vanuit een oprechte bezorgdheid voor het milieu, blijkt het marktconcept van groene energie in hoofdzaak fictief en op zwendel gebouwd. En de transitie naar een koolstofarme samenleving via de markt is een utopie die steeds verder weg lijkt. Maar vanuit zijn afkeer voor het “vermoeiende links-rechts denken” stapt Calvo mee in het eenheidsdenken rond de markt. Daar waar dat debat, ook voor de toekomst van de planeet, hoogdringend is, zoals Naomi Klein stelt.

Honger naar macht

Doorheen het hele boek suggereert Calvo dat hij op alle terreinen het evenwicht zoekt tussen links en rechts: “Als kinderen van deze tijd moeten we volop gaan voor nieuwe evenwichten: tussen markt en staat, ik en wij, geld en tijd, economie en milieu.” (p. 34)

Maar uit de hoger aangehaalde citaten blijkt meteen dat de weegschaal toch bedenkelijk ver naar rechts overhelt. Dat wordt des te meer bevestigd wanneer we in dezelfde citaten kijken naar het woordgebruik dat Calvo bezigt met betrekking tot respectievelijk de markt en de overheid. Marktwerking is “gezond, geen probleem, beter en democratischer, vrij, heeft een intrinsieke waarde”. Overheidscontrole daarentegen is “bevoogdend, onnodig, radicaal, opdringerig en bureaucratisch”. Voor de markt heeft Calvo alleen woorden die een positieve waardering in zich dragen, voor de overheid alleen woorden met een uitgesproken negatieve lading. Het evenwicht is snel zoek.

Calvo duidt de SP.A aan als de partij waarmee Groen de grootste verwantschap toont. (p. 33) Maar in Mechelen, thuisbasis van Calvo, prefereert hij een coalitie met Open VLD, N-VA en CD&V, omdat de SP.A zichzelf “onmogelijk” zou hebben gemaakt. (p. 17).

Die lijn werd voortgezet in mei 2015 toen de SP.A op Vlaams niveau Groen uitnodigde tot een nauwe samenwerking. Er werd zelfs – een beetje voorbarig en onhandig misschien – al een mogelijk verkiezingskartel in het vooruitzicht gesteld. Het antwoord van Björn Rzoska, Groen-fractieleider in het Vlaams Parlement, was duidelijk. Hij wees erop dat Groen ook nauw samenwerkt met Open VLD, bijvoorbeeld op het vlak van ondernemerschap. Bovendien krijgt Rzoska ook “vlinders in de buik van de samenwerking in Mechelen met de Open VLD van Bart Somers”.[1]

Ook de Franstalige socialisten kunnen volgens Calvo maar beter aan de kant worden gezet. In 2009 heeft Ecolo volgens hem dan ook een historische kans gemist. De Franstalige zusterpartij had toen moeten kiezen voor een coalitie met de MR (p. 59) Nee, Groen gunt de socialisten bijzonder weinig licht in de ogen.

Misschien ligt de verklaring hiervoor in wat Calvo in een interview met Newsmonkey zei: “Ik wil macht, wij willen macht.” In het weekblad Knack klinkt het zo: “Grote verhalen? Graag. Maar je wil toch niet afzwaaien met niet meer dan vier boeken, een handvol analyses en 800 niet-goedgekeurde wetsvoorstellen op je naam?”[2] De grote verhalen moeten wijken voor het kortstondige genot van de macht. En in tijden van neoliberale hegemonie valt er nu eenmaal meer en sneller macht te rapen in allianties met de rechterzijde.

Het hoeft niet te verbazen dat Calvo het ook moeilijk heeft met nog een andere categorie onder de politieke spelers, namelijk de “radicalen en revolutionairen”. Omdat ze volgens hem hun eigen ondergang organiseren. Als voorbeeld van zo’n ongelukkige radicale club noemt Calvo het Griekse Syriza. (p. 40)

Zowat alle ernstige politieke waarnemers noemen de Europese aanpak van Griekenland zonder meer een staatsgreep. VRT-correspondent Bruno Tersago zegt daarover: “De maatregelen die aan Griekenland opgelegd worden, zijn neoliberale maatregelen. De lonen naar beneden, de cao’s afschaffen, snijden in de pensioenen, minder aandacht voor de welvaartsstaat, alles inzetten op de economie. Bij de Grieken leeft de idee dat men uitprobeert hoe ver men daarin kan gaan, dat men ook nagaat in hoeverre men dezelfde recepten kan toepassen op andere landen. Ook in België.”[3] Niettemin stelt Calvo Syriza, dat nochtans uiterst verregaande toegevingen deed, voor als te radicaal en dus verantwoordelijk voor de eigen nederlaag. De illusie van enig evenwicht gaat zo helemaal in rook op. De balans slaat hopeloos door naar rechts.

Een attitude-probleem bij de 1 %

In het possibilisme van Calvo is er geen plek meer voor klassentegenstellingen. Terecht maakt hij de tegenstelling tussen de 1 % rijksten en de 99 % tot de hoofdtegenstelling. Het probleem is voor hem echter niet structureel maar van psychosociale aard. De 1 % heeft volgens Calvo een attitudeprobleem. Het zijn slechte kapitalisten, die met hun excessief gedrag het hele systeem verzieken.

Hij heeft op zich hoegenaamd geen probleem met het bestaan van die 1 %. Integendeel, het selecte clubje van superrijken mag zelfs nog wat groter worden: “Tegenwoordig wil iedereen de polonaise dansen met Marc Coucke, een echte selfmade man. Hij is begonnen met shampoo te verkopen van deur tot deur. Ik word ook enthousiast van dat verhaal. We hebben zelfs meer Marc Couckes nodig, zeker als we een meerwaardebelasting invoeren en met de opbrengst jonge ondernemers nieuwe kansen kunnen geven.” (p. 79) Calvo wijst het marktisme af, zwaait terecht met Piketty en Wilkinson om de ongelijkheid aan te klagen. Maar hoe dit te rijmen valt met de roep naar meer Marc Couckes is ook een debatje waard.

Volgens Calvo zijn “voor klassiek en radicaal-links ondernemers nog te vaak vijand nummer één. Mensen die voor eigen rekening risico’s nemen, moeten we omarmen, vind ik. Wie zijn nek uitsteekt, verdient lof in plaats van hoon.” (p. 96)

Daar zit misschien wel iets in. Maar in één adem verbindt hij deze liefdesverklaring met wat suggesties die VBO en VOKA als muziek in de oren zullen klinken. Over de vakbonden: “Naar mijn smaak duikt het woord ‘behouden’ iets te vaak op in de pamfletten van klassiek links of de vakbonden. Hen nodig ik oprecht uit om meer open te staan voor hervormen.” (p. 99) Hij wil ook af van de klassieke ontslagvergoeding: “We zouden beter opteren voor een omvorming van de ontslagvergoeding tot een voor de werknemer betaalde periode van hertewerkstelling ... In dit scenario zal de werkgever er mee alles aan doen om de ontslagen werknemer intensief aan een nieuwe job te helpen, want dan moet hij de medewerker niet langer betalen.” (p. 110) Ook de anciënniteit moet hervormd worden, zodat oudere werknemers meer kansen krijgen op de arbeidsmarkt – lees goedkoper worden. En natuurlijk moet ook de loonkost drastisch naar beneden. Kortom, ook hier vervalt de pragmatische Calvo in de neoliberale ideologie die elke regeling ten gunste van de werknemer bestempelt als voorbijgestreefd en die vervolgens wil onderwerpen aan de alom geprezen vernieuwing en modernisering ten gunste van de ondernemers.

Ook het ecologisme, toch een van de fundamentele drijfveren voor Calvo’s politiek, ontsnapt niet aan zijn liberaal denkkader. Ecologie heeft voor hem alles met eigenbelang en concurrentiekracht te maken.

Het is dan ook weinig verrassend dat Calvo pleit voor “collectief vervoer” in plaats van “openbaar vervoer”, zoals zijn collega’s van Open VLD het hebben voorgezegd: “Volgens mij is het geen ramp dat De Lijn en de klassieke taxisector uitgedaagd worden. Een mix aan operatoren van collectief vervoer, zowel privaat als publiek, is een goede zaak.” (p. 131) Het woord “openbaar” moet baan ruimen om doorgang te verlenen aan de privatisering.

In het treinverkeer pleit hij voor de opname van reizigers in de raad van bestuur bij de NMBS en wil hij de dotatie en lonen van directie laten afhangen van evaluaties van reizigers. De spoorvakbonden moeten samen met de reizigers aan een sterk front voor een betere dienstverlening bouwen. Maar wat betekent in deze context dat “de vakbonden van koers moeten veranderen en zich inschrijven in dit hervormingsverhaal in plaats van zo gretig hun stakingsrecht te gebruiken”? (p. 130) Wat als de regering haar hervormingsverhaal opdringt dat de dienstverlening afbouwt?

De groene derde weg

Naomi Klein vindt dus dat een efficiënte aanpak van de klimaatverandering onmogelijk is zonder een resolute overstap naar een totaal ander economisch systeem. Daar is het possibilisme van Kristof Calvo zeer ver van verwijderd. Calvo gelooft eerder in een groen kapitalisme.

Het doet denken aan de sociaaldemocratische Derde Weg. De sociaaldemocraten omarmden daarmee de neoliberale vrije markt, konden zich zo verzekeren van een lange periode van bestuursdeelname, maar gleden onvermijdelijk weg in een identiteitscrisis die hen vandaag zuur opbreekt.


[1]Het Laatste Nieuws,6 mei 2015.

[2] Knack, Jesse Klaver en Kristof Calvo: ‘Groen is dé KMO-partij’ », 23 september 2015. Zie:  http://www.knack.be/nieuws/mensen/jesse-klaver-en-kristof-calvo-groen-is-de-kmo-partij/article-longread-607377.html.

[3] Solidair, “Bruno Tersago: ‘Ik wil meer begrip voor de Grieken’”, 3 juli 2015. Zie: http://solidair.org/artikels/bruno-tersago-ik-wil-meer-begrip-voor-de-gr....