De socialisten in de oppositie. Wat kan de geschiedenis ons hierover leren?

Auteur: 
Herwig Lerouge

Het ziet er dus naar uit, op het moment dat we dit artikel schrijven, dat voor het eerst sinds 27 jaar de socialistische partijen niet meer in de regering zitten in België. Sinds 1988 hebben we in België niet anders geweten dan dat zij ononderbroken deel uitmaakten van de meerderheid, aan de macht op federaal (PS en SP.A) en op gewestelijk niveau (PS).

Tegenover de nieuwe rechtse regering profileren hun leiders zich vandaag veel linkser dan toen zij zelf in de regering zaten. PS-leider Labille zegt dat ze de regering van de “rijken” zullen bestrijden en Bruno Tobback, voorzitter van de SP.A, heeft het over een regering “voor de patroons tegen de werknemers”. De vroegere SP.A-staatssecretaris voor Fraudebestrijding, John Crombez, heeft het zelfs over een regering van bankiers, speculanten en de nucleaire lobby.

Het biedt ontegensprekelijk een kans om het oppositiefront tegen de rechtse federale regering aanzienlijk uit te breiden. Tenminste, als de oppositie die de socialistische leiders voeren, niet in dezelfde fouten vervalt als vroeger. De arbeidersbeweging maakte het in het verleden al eens mee, met de socialisten in de oppositie.

De laatste keer dat ze in de oppositie zaten dateert van 1981-87. Dat was in de tijd van de regeringen Martens-Gol. Daarvoor zaten ze in de oppositie onder de regering Tindemans (1974-77) en de regering Eyskens (1958-61). Dat was de tijd van de grote staking in 1960-61.

Het lijkt ons nuttig om eens te kijken naar het gedrag van de socialisten in de oppositie in die periodes, vooral dan in de periode Martens-Gol en onder de regering Eyskens. In die jaren voerde de arbeidersbeweging een verbeten strijd tegen de antisociale maatregelen van rechts aan de macht. In welke mate vond de arbeidersbeweging toen de leiding van de socialistische partij aan haar zijde? En wat deden de socialistische leiders, eenmaal opnieuw aan de macht? Maakten ze toen de antisociale maatregelen weer ongedaan van die rechtse regeringen die waren gevallen onder druk van de sociale strijd?

1960-61: de staking van de eeuw

In 1958 verliest de BSP (de toen nog verenigde, nationale Belgische Socialistische Partij) de verkiezingen en komt ze in de oppositie terecht. Deze nederlaag leidt tot een grondige malaise in de socialistische rangen. De partij had tot dan toe, sinds 1949, enkel electorale successen gekend. De vakbondsverantwoordelijken, toen tegelijk ook socialistische leiders, verklaren de achteruitgang door het feit dat “de BSP was afgesneden van de massa van de arbeiders en afstand had genomen van het programma van het ABVV”.[1] Onder hun invloed maakt het congres van de socialisten in december 1958 een bocht naar links. Het beslist een programma voor socialistische actie uit te werken “waarvan de partij de verwezenlijking zal nastreven zowel op parlementair niveau en in de regering als… elders”.[2] De partij richt zich op een programma voor economische structuurhervormingen, inclusief nationalisering van de energie, met goedkeuring van het ABVV.

De Eenheidswet

In die tijd leidt eerste minister Eyskens een regering van CVP/PSC (vandaag CD&V en CDH, toen nog samen in één partij) met de liberale partij (vandaag Open VLD en MR). Deze regering schreef eind juli 1960 een wetsontwerp voor de sanering van de overheidsfinancies. Ze diende het uiteindelijk pas op 4 november in bij het bureau van de Kamer. Het werd de Eenheidswet genoemd omdat men in een enkele wet een hele hoop maatregelen nam op zeer uiteenlopende terreinen. De wet voert twee periodes in bij de werkloosheid, introduceert het principe dat men rekening houdt met het gezinsinkomen voor het berekenen van de uitkeringen, voorziet een strenger toezicht bij arbeidsongeschiktheid (de medische controle), nieuwe belastingen en tariefverhogingen bij het spoor. De wet schuift ook de pensioenleeftijd op in de openbare diensten en verhoogt de afhoudingen op het overlevingspensioen.

Volgens historicus René Deprez waren het de Belgische werkgevers van de grote ondernemingen die deze besparingsmaatregelen eisten. De voorgaande regeringen hadden zich flink in de schulden gestoken om de overheidsuitgaven te financieren. Zakenmiddens waren van oordeel dat deze staatsleningen een te groot deel van het spaargeld uit de privésector opsoupeerden. Ze moesten veel te veel betalen voor de kapitalen die zij nodig hadden. Daarbij komt nog dat de grote Belgische bedrijven bang waren voor een daling van hun winstmarges als gevolg van het verlies van Congo als Belgische kolonie. Die winstvoet lag gemiddeld op twintig percent voor de bedrijven die actief waren in Congo en ‘slechts’ op acht percent voor de ondernemingen die alleen in België actief waren.[3] Zij dwingen dus de regering om het geld te gaan halen waar het niet zit: in de zakken van de massa van werknemers en ambtenaren.

De BSP en het ABVV mobiliseren: Operatie waarheid

Vanaf november starten de BSP en het ABVV met gezamenlijke meetings een campagne tegen de Eenheidswet onder de naam Operatie waarheid. Op 9 november gaat Léo Collard, voorzitter van de BSP, in het dagblad Le Peuple in de aanval: “Men legt het land 9 à 10 miljard frank op aan bijkomende belastingen in plaats van een overeenkomstig bedrag aan inkomsten op te halen bij de belastingfraude. Men vraagt de belastingplichtigen om te betalen terwijl de trusts en de holdings hun kapitalen naar het buitenland exporteren. De werknemers en de eenvoudige consumenten zullen moeten opdraaien voor de inkrimping van kredieten en de belastingenverhogingen.”

Tijdens de meetings van Operatie waarheid roept men absoluut niet op voor staking. Maar al voor het wetsontwerp werd ingediend, houden de gemeenteambtenaren van Antwerpen op 8 oktober met de 3 vakbonden een betoging in gemeenschappelijk vakbondsfront. Het sociaal klimaat werd bijzonder heet. Op maandag 21 november zijn er de eerste werkonderbrekingen van 2 uur in het Luikse bekken. 50.000 mensen wonen de meetings bij met sprekers van de gezamenlijke actie BSP/ABVV (altijd met een spreker van de partij, de BSP, en een van de vakbond). Op 14 december zijn er werkonderbrekingen in alle grote industriële centra van het land.

Niet op straat maar in het parlement

De BSP houdt een congres van 16 tot 18 december. De linkervleugel vraagt daar een nationale betoging en steun voor de stakingen. De leiding, in de persoon van Spinoy, weigert hier echter op in te gaan. Hij stelt dat ze eerst het democratisch spel moeten laten spelen, dat wil zeggen de debatten in het parlement afwachten.[4]

Volksvertegenwoordiger Van Eynde uit Antwerpen is van mening dat “het congres van de BSP niet de ‘Kamer van beroep’ mag worden voor beslissingen van het ABVV”. Hij verwijst hiermee naar het Nationaal Comité van het ABVV van 16 december waar twee moties met elkaar in botsing kwamen. In de eerste motie die naar voren werd gebracht door de Luikse vakbondsleider André Renard stond het principe van een algemene staking. Ze stelde een eerste voorbereidende 24-urenstaking voor in de periode tussen 1 en 15 januari. Dore Smets van de Algemene Centrale van de Bouw stelde een tweede motie voor waarin alleen sprake was van een nationale stakingsdag, vast te leggen door het nationaal bureau van het ABVV. Deze laatste motie haalde het. Ze vertolkt de wil van de leiding van de BSP om de strijd voornamelijk binnen de parlementaire muren te houden. Van Eynde wil dus niet dat het congres van de BSP deze stemming in vraag stelde.

Door de basis voorbijgestoken

Maar de arbeidersklasse getuigt van een strijdbaarheid die zelfs de linkerzijde binnen de ABVV-leiding voorbijsteekt.

Maandag 19 december, aan de vooravond van het debat in de Kamer over het wetsontwerp, breekt in Charleroi de staking uit, in gemeenschappelijk vakbondsfront, op initiatief van communistische arbeiders uit de ACEC-fabriek. In Luik zijn het de staalarbeiders die de lont in het kruitvat steken. Al tracht de Federatie van Metaalarbeiders van het ABVV dit af te remmen. In de daaropvolgende dagen breidt de beweging zich uit tot de gemeenteambtenaren, de spoorwegarbeiders en de leerkrachten. De syndicale gewestelijke afdelingen, zonder onderscheid tussen Vlaamse, Waalse en Brusselse, beslissen over te gaan tot een algemene staking tot de finish vanaf 20 december 1960, de dag waarop het parlement de debatten over de wet start.

De wet intrekken of de gevolgen ervan bestrijden?

Ondertussen stellen de socialistische en communistische volksvertegenwoordigers in het parlement voor dat de bespreking van de wet wordt geschrapt van de agenda van de Kamer. De meerderheid wil hier niet van weten.

De leiders van de BSP en een ABVV-leider (Major) bevestigen op 21 december dat er geen algemene staking, maar uitsluitend stakingen per sector komen. Léo Collard, de voorzitter van de BSP, verkondigt[5] dat de BSP “zich met al haar krachten in de strijd zal werpen”, maar hij lijkt niet meer te geloven in de mogelijkheid dat de regering kan gedwongen worden om de wet in te trekken. Hij heeft het al over de houding van de BSP na de goedkeuring van de wet: “De regering zal de BSP op haar weg tegenkomen in alle stadia van het uitvoeringsproces van de Eenheidswet.” Op 22 december roept het Bureau van BSP de regering op ontslag te nemen. Die reageert met het “op verlof” sturen van het parlement tot 3 januari.

De Federatie van socialistische parlementairen, de Luikse Federatie van de Socialistische Jonge Wacht en de Socialistische Vooruitziende Vrouwen vragen hun leden de stakingscomités te ondersteunen.

Het Nationaal Bureau van het ABVV van zijn kant is nog steeds verdeeld en weigert op te roepen tot algemene staking. Gevolg is dat er geen nationale stakingsleiding gevormd kan worden. Maar de regionale van Luik-Hoei-Borgworm kondigt de algemene staking af voor niets minder dan de intrekking van de Eenheidswet.

Aan christelijke zijde liggen de zaken niet zo simpel. De leiding vraagt enkel een paar amendementen op de wet en onderhandelt in het geheim met de regering. Maar aan de basis nemen heel wat werknemers van de christelijke vakbond deel aan de beweging. De leidende katholieke kringen zijn erg ongerust. Dat bewijst de tussenkomst van Kardinaal Van Roey die op 23 december zijn orders uitdeelt aan de ACV-leiding: ”Dat de beroepsverenigingen en de vakbonden in plaats van de staking aan te moedigen of mee te staken hun aangesloten leden weer op het rechte pad zetten en tot inkeer brengen, met een beter begrip van het algemeen belang.”

Wilde repressie

De regering gaat over tot openlijke repressie. Op 24 december is ze van oordeel dat “deze staking een steeds meer revolutionair karakter begint te vertonen en de allures krijgt van een opstand die het regime en de landseenheid in het gevaar zou kunnen brengen. De regering is dan ook eensgezind van mening dat we ons zeer resoluut moeten opstellen en alles moet doen wat door de toestand vereist wordt.”[6] Ze beslist de reservetroepen van de Rijkswacht in paraatheid te brengen en het leger te doen tussenkomen ter bescherming van de “hoofdlijnen van de spoorwegen”. Ze beslist ook tot brutale beteugeling van de stakers bij de openbare diensten. De publicatie van een oproep tot verbroedering met het leger leidt tot inbeslagname van La Wallonie en enkele andere socialistische kranten. Er vinden huiszoekingen plaats bij de vakbondsleiders.

In een aantal socialistische gemeenten in de Waalse industriële voorsteden (maar ook rond Gent en Antwerpen) is zelfs het gemeentebestuur bij de staking betrokken. Op 25 december verklaren de burgemeesters in de Borinage en in het arrondissement Hoei-Borgworm dat ze weigeren gehoor te geven aan het bevel van de regering om stakers in hun gemeenten te melden. Anderen sluiten zich hierbij aan in de daaropvolgende dagen.

In alle industriële centra zijn er vanaf 27 december grote betogingen. De regering geeft opdracht tot gespierd optreden van de ordetroepen. De eerste zware rellen, uitgelokt door de Rijkswacht, vinden plaats op woensdag 28 december in Gent. Op een massabijeenkomst van 10.000 betogers worden vrouwen, kinderen en ouderen brutaal afgetuigd. Er vallen meer dan dertig gewonden. De regionale van ABVV-Antwerpen reageert met het uitroepen van de algemene staking. Een betoging op 29 december brengt 30.000 mensen op de been. Meteen bij de start van de staking ligt de haven van Antwerpen plat door de actie van de gemeenteambtenaren. De dokwerkers – de stoottroepen van de staking in Antwerpen – moeten echter tot die 29e december vechten vooraleer de vakbondsleiding hun staking erkent.

De BSP blijft aandringen op het samenroepen van het parlement, tevergeefs

Op 29 december onderbreekt Koning Boudewijn (in het huwelijk getreden op 15 december) zijn huwelijksreis in Spanje en keert terug naar het land. Zijn terugkeer valt samen met een eerste hoogtepunt: op dat ogenblik zijn de stakers met zo’n 320.000.

Op die dag dreigt André Renard voor het eerst met het in de steek laten van de machines. Dit betekent zoveel als de afschaffing van de bewakingsdiensten die toezicht hielden op het intact houden van het machinepark. Gevolg hiervan kan de vernietiging zijn van productiemachines, bijvoorbeeld in de mijnen of van hoogovens in de staalfabrieken. Ook verklaart hij in een interview aan het Waalse weekblad Pourquoi pas? dat het moment is gekomen voor het vinden van een nieuw evenwicht tussen kapitaal en arbeid. Tegelijk zijn economische structuurhervormingen nodig om tot fundamentele veranderingen te komen in de politieke instellingen.

Op 29 december valt in Brussel een eerste dode. Op andere plaatsen valt de Rijkswacht stakingspiketten aan. Het leidt opnieuw tot talrijke betogingen.

De BSP begint zich ongerust te maken over de ontwikkeling van de strijd. Leo Collard herinnert eraan dat “de wet natuurlijk moet ingetrokken worden, maar dat de socialisten bereid zijn om samen met de regering een oplossing te zoeken.”[7] De leiding van de BSP gaat ijverig op zoek naar een eervolle uitweg. Maar de socialistische gemeenschappelijke actie bevestigt opnieuw dat het enige doel de intrekking is van de Eenheidswet.

Het federalistische afleidingsmanoeuvre

In het weekend van 2 en 3 januari nemen de arrestaties toe. Bij de stakingen is het echter de federalistische obsessie die op het voorplan komt… De Waalse gewestelijke afdelingen van de BSP richten een Permanent Verbindingscomité met de Waalse gewestelijke afdelingen van het ABVV op.

Al van voor de staking, op 17 november, hadden André Renard en anderen in Namen binnen het ABVV een parallelle structuur opgericht van Waalse secretarissen en vrijgestelden. Ze groepeerden een flink deel van de strijdbare vleugel in Wallonië. De groep sloot echter de strijdbare Vlaamse syndicalisten uit die in heel wat moeilijker omstandigheden strijd moesten leveren. Renard wilde druk uitoefenen op de socialistische partij om haar programma van 1959 uit te voeren. Dat programma hernam in grote lijnen de syndicale stellingen van de ABVV-Congressen van 1954 en 1956 waarin structuurhervormingen worden geëist en zelfs de nationalisatie van de energiesector. Diezelfde 17e november had de onofficiële ‘Waalse Interregionale’ van het ABVV ook beslist om vanaf 5 januari 1961 een eigen weekblad uit te geven met als titel Combat.

Op 29 december bracht André Renard opnieuw zijn idee naar voor om de politieke instellingen fundamenteel te hervormen. La Wallonie, de krant van Renard, lanceert de idee van een referendum over de onafhankelijkheid van Wallonië. Dit leidt de beweging af van haar belangrijkste objectief: de intrekking van de Eenheidswet.

De socialistische gewestelijke afdelingen in Wallonië gaan nu dus dezelfde weg op. In een communiqué benadrukken ze “de economische puinhoop in Wallonië als gevolg van het onvermogen van de centrale macht en van het unitaire België.” Het communiqué vraagt structuurhervormingen en verbreedt zo de stakingsdoelen tot voorbij de grens van alleen en uitsluitend de intrekking van de Eenheidswet.[8]

Op 5 januari 1961, in volle staking, verschijnt effectief een eerste nummer van Combat en Renard lanceert hierin het federalistische afleidingsmanoeuvre. Twee dagen eerder tijdens een meeting in Yvoz-Ramet, op dinsdag 3 januari, formuleerde hij het zo: “Het socialistische kiezerskorps vertegenwoordigt 60 % van de kiezers in Wallonië. Als morgen het federalisme is ingesteld, kunnen we een regering hebben van het volk en voor het volk. Men wil de Walen straffen omdat zij socialist zijn.”[9]

In de Kamer vertolkt de Luikse socialistische volksvertegenwoordiger J.J. Merlot deze gedachte.

Zowel naar de inhoud als praktisch isoleert dit programma de strijdbare socialistische werknemers. Door zich te beperken tot de socialistische krachten duwt het de christelijke werknemers in de armen van de PSC-CVP; door zich te beperken tot Wallonië laat men de Vlaamse strijdbare syndicalisten aan hun lot over.

De repressie verscherpt, de BSP zoekt een uitweg

Het Kamerdebat, opgeschort op 23 december, herneemt op 3 januari.

De socialistische afgevaardigden pakken de christelijke vakbonden hard aan in hun toespraken en hebben het over stakingsbrekers. Ongerust over het verloop van de staking slaan ze zelf echter een steeds meer verzoenende toon aan tegenover de regering. Volksvertegenwoordiger Leburton doet beroep op “mensen die verder moeten denken dan het moment van nu – en er zijn er in de Kamer genoeg die daartoe in staat zijn – en die moeten beseffen dat de kloven steeds wijder aan het worden zijn.”[10]

Op 5 januari zijn de socialistische parlementairen meer in beslag genomen door de discussies over taalproblemen dan over de staking of de Eenheidswet. In feite speelt zich in de coulissen een intense politieke activiteit af. De pers maakt gewag van gesprekken tussen de regering en de socialistische leiders Collard en Major om een driepartijenregering te vormen. Terwijl de directe betrokkenen dit in alle toonaarden ontkennen, worden de geruchten bevestigd door de socialistische krant L’Indépendance.

Op 4 januari veroordeelt de socialistische krant Le Peuple voor het eerst wat ze de “rellen” noemt. Naar aanleiding van ernstige incidenten op 6 januari aan het station van Luik-Guillemins zal het bureau van de BSP hetzelfde doen op 9 januari. Uitgerekend de dag waarop massaal ‘preventieve arrestaties’ van stakers plaatsvinden. De oproepen tot kalmte en waardigheid maken voortaan het leidmotief uit van alle verklaringen en toespraken van de socialistische voormannen.

De regering roept drieduizend soldaten terug uit Duitsland om te helpen bij de ordehandhaving. Ze bedreigt leerkrachten in het rijksonderwijs met schorsing zonder salaris als ze het werk niet hervatten op 10 januari. Elke keer als de arbeidersklasse acties organiseerde met straatgevechten of botsingen, had de regering het over provocaties, criminele straatbendes die de betogingen van de arbeiders infiltreerden… om die acties te veroordelen. De socialistische leiders hoedden zich er wel voor om die acties op te eisen als het initiatief van de arbeidersklasse. Ze betreurden die tragische gebeurtenissen alleen maar. En verder hadden zij er niets mee te maken. Op dinsdag 10 januari gaat de leiding van de BSP bij monde van Achille Van Acker nog een stapje verder: ”Ik begrijp heel goed dat de regering het nodige doet om de orde te handhaven. Ik zou hetzelfde hebben gedaan.”[11] Vervolgens steekt hij de regering de reddende hand toe: hij stelt een technisch amendement op de Eenheidswet voor dat door de eerste minister wordt aanvaard. Zijn hoofddoel, zo zegt hij, is aan te tonen dat we met elkaar kunnen praten. Hij wil de staking stoppen, terwijl er nog helemaal niets is bereikt. De overgrote meerderheid van de stakers verwerpt de oproep van Van Acker aan de regering. De intrekking van de Eenheidswet blijft voor hen de enige oplossing.

Ondertussen ontmoeten de socialistische leiders de Koning en de voorzitters van de meerderheidspartijen. Resultaat van de gesprekken is dat de socialisten bereid zijn om de wet te laten goedkeuren in ruil voor de ontbinding van het Parlement en nieuwe verkiezingen. Met dus de Eenheidswet in voege. De Luikse socialist Merlot verdedigt dit voorstel voor de Gemeenschappelijke Actie in Luik.

Renard tracht nog de socialistische mandatarissen aan te zetten tot ontslagname. Op 13 januari stellen die van Wallonië enkel “hun mandaat ter beschikking van de partij”. Tegelijkertijd richten ze zich tot de Koning met een brief die een echte federalistische geloofsbelijdenis bevat. Het bureau van de BSP weigert hun ontslag te aanvaarden.

Er valt ondertussen niets meer te verwachten van het debat in het parlement. De leiding van de BSP heeft zich neergelegd bij een akkoord dat de stemming in het parlement normaal zal verlopen. Op 13 januari keurt de Kamer de Eenheidswet goed met meerderheid (6 liberalen stemmen tegen en 1 CVP’er onthoudt zich) tegen socialistische en communistische oppositie.

Vanaf dan zet de BSP alles op de ontbinding van de Kamers en de nieuwe verkiezingen. De partij geeft de strijd op die ze trouwens meer heeft ondergaan dan geleid. De Waalse socialistische gekozenen maken vervolgens gebruik van een achterdeurtje, aldus René Deprez, om hun gezicht te redden na een gevecht waaraan ze zelf niet altijd rechtstreeks hebben meegedaan. Ze plooien zich terug op de eis van zelfbeschikkingsrecht voor Wallonië, een eis die hoegenaamd niets te maken had met de strijd tegen de Eenheidswet.[12]

Ondertussen plooit de staking zich, geconfronteerd met aarzelingen en met heel deze verwarring, terug op de grote bastions. Uitgenomen in Luik en in Charleroi waar het ordewoord van de algemene staking in de week voor 23 januari nog standhoudt, gaat in de loop van het weekend van 14 en 15 januari zo goed als overal in het land iedereen opnieuw aan het werk. Op 16 januari leidt het optreden van de Rijkswacht nog tot de dood van een staker en zware verwondingen voor twee anderen in Chênée, in de streek van Luik. Op 23 januari is de staking praktisch overal afgelopen.

Vijf weken lang was de staking compleet in een deel van Henegouwen en in de Luikse regio: alle vervoer plat, winkels van basisgoederen maar een paar uur open uitsluitend om eten te kunnen kopen, fabrieken liggen stil, vuilnis blijft liggen en overal barricades op straat, vakbondstoezicht op activiteiten, sabotagedaden om te vermijden dat de ‘gelen’ de staking ondermijnen. Ook in Antwerpen en Gent, de twee sterkst geïndustrialiseerde Vlaamse steden, zal de staking algemeen worden opgevolgd en heel sterk staan. Voor de rest van België en iets minder in Vlaanderen dan in Wallonië, is de staking algemeen of voor een deel opgevolgd en de toestand in Brussel ligt tussen de twee.

Samen met de meerderheid van de socialistische militanten waren de communisten in de bedrijven en in het parlement de motor van de staking. In de voorbereidende fase waren zij veruit het meest actief en verrichten veel werk om de syndicale organisaties en de BSP achter het ordewoord van de algemene staking te krijgen vanaf de eerste dag van het parlementaire debat. Aanvankelijk steunt de BSP de beweging, maar enkel binnen de enge perken van het parlementarisme. De partij tracht al snel de beweging voor haar kar te spannen om nieuwe verkiezingen uit te lokken die zij natuurlijk hoopt te winnen. Die eis voor “ontslag van de regering” komt zelfs in de plaats van de eis voor de intrekking van de Eenheidswet. De wet is amper goedgekeurd of de regering-Eyskens valt over de toepassingsmodaliteiten op 21 januari.

De socialistische leiders verklaren nu: “Dit gevecht is niet voor niets geweest, de eis van tienduizenden betogers die ‘Eyskens buiten’ riepen, is ingewilligd.”[13]

Alleen op dat punt, ja. Maar niet hun eis voor de intrekking van de wet, noch voor een alternatief programma om diegenen te doen betalen waar Leo Collard voor de staking een beschuldigende vinger naar had uitgestoken: de grote belastingfraudeurs, de trusts en de holdings die hun kapitaal naar het buitenland versasten. Om zoveel mogelijk vakbondskrachten en arbeiders te verenigen had men een programma naar voren moeten schuiven dat zowel de Eenheidswet verwierp, als een echt antikapitalistisch alternatief voorstelde en dit ten aanzien van om het even welke regering. Een programma dat mensen aaneensluit in plaats van te verdelen, zoals het geval was met de eis voor federalisme waarop een deel van de strijdbare Waalse linkerzijde zich terugplooide wegens de aarzelingen binnen de nationale leiding van het ABVV. Dat is de belangrijkste conclusie die we moeten trekken uit het feit dat de regering na de staking zal aftreden en dat de nieuwe, travaillistische regering van CVP en BSP uiteindelijk toch, hoewel ‘in schijfjes’, de essentie van de Eenheidswet zal toepassen.

1961: de BSP in de regering

Bij de verkiezingen in 1961 wint de Belgische Communistische Partij de zetels terug die de partij verloor in 1958. In Wallonië haalt de partij bijna 10 % van de stemmen. De verkiezingen lopen ook uit op een lichte vooruitgang voor de BSP. Maar deze partij aarzelt niet om snel een coalitie aan te gaan met de katholieke partij (CVP), ook al ligt de leiding van deze partij aan de basis van de Eenheidswet. Ook de houding van volstrekte onverzettelijkheid van de CVP tegenover de door de brede bevolking gedragen eisen (met doden tot gevolg…) houdt de BSP niet tegen.

Eenmaal in de regering voert de BSP zelfs een groot deel van de maatregelen van de Eenheidswet door. Ook die maatregelen waartegen concreet het verzet van de stakers was gericht. Zo komt de transmissietaks er die rechtstreeks raakt aan de koopkracht van de werkende mensen. Ook de pensioenmaatregelen bij de openbare diensten blijven behouden.

Maar tot het allerergste verraad, gepleegd door de BSP, kunnen we de goedkeuring rekenen, midden 1963, van een serie wetten in verband met de “ordehandhaving”. De eerste (art. 420) verzwaart zeer aanzienlijk overtredingen op politiebesluiten, genomen met het oog op het behoud van de openbare rust. De wet maakt gevangenisstraffen mogelijk die kunnen oplopen tot drie maanden. De tweede (art. 421) laat de regering toe de controle over de politie over te nemen door het gezag van de burgemeesters over te dragen aan de gouverneurs in het geval de burgemeesters de macht waarover zij beschikken, niet toereikend aanwenden. De derde (art. 422) herziet de wet van 19 augustus 1948 betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd en maakt het voor de uitvoerende macht (de regering) mogelijk de Paritaire Commissies te omzeilen en de nodige mensen op te eisen om de minimale dienstverlening in openbare diensten te verzekeren. De vierde, ten slotte, (art. 424) verbreedt het toepassingsgebied van de reglementering voor het luchtverkeer naar alle vormen van vervoer. Dit houdt een zeer betekenisvolle begripsverruiming in van termen zoals ‘sabotage’, ‘aanslagen’, ‘vernielingen’… met tegelijk flink zwaardere straffen voor de daders.

De socialisten mogen het dan wel voorstellen als het resultaat van de brede mobilisatie van de werkende mensen, de terugkeer van de BSP in de regering is een bittere zaak. Ook voor links in de partij. Uit een analyse[14] van de verslagen van de ministerraden uit die periode komt de BSP duidelijk naar voren als een betrouwbare en loyale coalitiepartner die op geen enkel moment van plan is voor dit dossier van de ordehandhaving zijn aanwezigheid in de regering in gevaar te brengen. Uit deze studie blijkt ook dat de mening van de linkse strekkingen die zowel binnen het ABVV als in de BSP in de minderheid zijn, er voor de ministers maar weinig toe doet.

Zoals altijd hanteren de socialistische ministers de strategie van “zonder ons zou het nog erger zijn geweest”: ze krijgen amendementen goedgekeurd die de meest onaanvaardbare aspecten uit de wetsontwerpen schrappen en slagen erin amnestie te bekomen voor de duizend mensen die voor stakingsfeiten een veroordeling hadden opgelopen. Hoe dan ook, het eindresultaat blijft daarom niet minder een verscherping van het repressieapparaat tegen stakingsbewegingen en betogingen. Een wel heel mager bilan. Het zal er toe leiden dat de BSP bij de verkiezingen in 1965 een pijnlijke nederlaag oploopt.

1982-1987: Martens-Gol. De SP op het balkon

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig betekenen voor België een ‘neoliberaal’ keerpunt, dat zich ook vandaag nog doorzet. Reagan en Thatcher zijn in de mode en sommigen, waaronder de jonge Guy Verhofstadt en Jean Gol, achten zich in staat het hun meesters na te doen in België.

België zit volop in de economische crisis die begon in 1974-75: met een jaarlijkse inflatie van 12 %, 70.000 banen van arbeiders en arbeidsters die verloren gaan tussen 30 juni 1974 en 30 juni 1975. Het overheidstekort stijgt van 2,7 naar 12,6 % in 1981.[15]

Dit tekort is het gevolg van het keynesiaanse beleid in de strijd tegen de werkloosheid: creëren van ‘tijdelijke’ overheidsbanen, ‘RVA-stagiaires’ (jongeren die voor de eerste zes maanden tewerkgesteld kunnen worden aan 75 % van het loon), aanmoedigen van brugpensioen, verlaging van patronale lasten om over te stappen op de 38 uur enz.

Willy Claes, socialist en minister van Economische Zaken, voert een beleid van ondersteuning en herstructurering van de vijf nationale sectoren (staal, kolen, scheepsbouw, textiel en glas) en laat de staat de last dragen voor de volledige herstructurering van deze sectoren. Hij koopt de aandelen over van privégroepen, rationaliseert de productie door sluiting of modernisering van fabrieken, zorgt voor begeleidende maatregelen bij ontslagen. Eenmaal deze rationalisering achter de rug, mogen de privégroepen de gezonde bedrijven opnieuw overnemen.

De toename van de uitgaven in de sociale zekerheid (werkloosheid maal acht tussen 1974 en 1981), de staatstussenkomst om privékapitaal te ondersteunen (maal 2,5), kredietverleningen en staatsparticipaties (maal zes) maken dat de staatsuitgaven stijgen van 43,6 % van het bbp in 1974 naar 63,1 % in 1981. De totale overheidsschuld van haar kant loopt op van 59,8 % in 1975 tot 76,2 % in 1980 en tot 109,4 % in 1983. Er wordt geen enkele maatregel genomen tegen de rijken om de opbouw van deze enorme overheidsschuld te voorkomen.

Het tijdperk van de besparingen (1982)

De installatie van de regering Martens-Gol in 1982 betekent een keerpunt. Op 22 februari 1982 wordt de Belgische frank met 8,5 % gedevalueerd. Tegelijk blokkeert de regering de lonen (bevriezing van de loonindexering en van loonsverhogingen), stelt een prijzencontrole in, verlaagt de vennootschapsbelasting en neemt een aantal maatregelen om risicokapitaal aanmoedigen. De ondernemingen kunnen hun schulden afbouwen en zien het eigen vermogen tussen april 1982 en december 1983 groeien met 20 %.

In België breekt een tijdperk aan van besparingen. Het verlies aan koopkracht tussen 1981 en 1985 wordt geschat op 10 %.

Er wordt een reeks fiscale voordelen doorgevoerd voor de ondernemingen en de inkomens uit kapitaal, onder meer de wet Cooremans-Declercq die de inkomsten uit bepaalde aandelen begunstigt, belastingvrijstelling verleent voor een deel van de winst die herverdeeld wordt naar de aandeelhouders, en belastingvoordelen toekent aan de coördinatiecentra.

Al deze gulle gaven worden gecompenseerd met aanvallen tegen de inkomsten uit arbeid. De regering legt bij wet de “competitiviteitsnorm” vast om de loonsverhogingen te beperken tot de gemiddelde stijging van de loonkosten bij de zeven belangrijkste handelspartners. Voor de bedrijven leidt dit tot een toename van het niveau van de winstvoet met 4,3 %.

In de jaren tachtig gaat het aandeel van de lonen in het bbp met 11,5 % achteruit; dat van de inkomsten uit eigendom gaat erop vooruit met 5,4 %. Het aandeel van de zelfstandige activiteit blijft stabiel op 13 %. Maar de toestand van de overheidsfinancies is er in deze jaren niet op verbeterd. De overheidsschuld stijgt van 88,9 % van het bnp in 1981 tot 123,6 % in 1986. Voor dit nieuwe overheidstekort doet de regering de werkende mensen opdraaien door drie indexsprongen van 2 %, en de ambtenaren in de openbare diensten krijgen een ‘solidariteitsbijdrage’ opgelegd.

De regering Martens-Gol II lanceert een nieuwe aanval met de akkoorden van Hertoginnedal in de zomer van 1986. De aanvallen treffen alle sectoren: werkloosheid, pensioenen, ziekteverzekering, onderwijs, fiscaliteit.

Het verzet ziet hoe de socialisten toekijken van op het balkon

In 1982 komt de jeugd op straat in een grote Jongerenmars voor Werk. De eerste woede-uitbarsting van de werknemers vindt plaats tijdens de staking van de openbare diensten in september 1983. De spoorwegarbeiders van Charleroi gaven het vertreksignaal en de beweging trof de hele overheidssector en zelfs een aantal privéondernemingen. Maar de toenmalige leiding van het ACV ondertekende een akkoord waarin nauwelijks enige toegeving aan de werknemers stond. De leiding van het ABVV voelde er niets voor om alleen ten strijde te trekken. De staking liep gedeeltelijk op een nederlaag uit.

In 1984 waren er 6 algemene 24-urenstakingen, georganiseerd door het ABVV. Maar de regering maakt gebruik van terreurdreigingen (Bende van Nijvel, CCC ) om het repressieapparaat van de staat te versterken en het verzet op straat te criminaliseren.

In mei 1986 gaat een nationale betoging door van de openbare diensten tegen het op Hertoginnedal bekokstoofde plan. De regering wil met dit plan besparingen doorvoeren voor een totaalbedrag dat overeenstemt met 5 miljard euro. De spoormannen uit Charleroi gaan opnieuw in staking en ze breidt zich uit. Het ABVV roept op tot een solidariteitsactie onder de vorm van een 48-urenstaking op 22 en 23 mei. Het werd slechts een gedeeltelijk succes: de voorbereiding was onvoldoende en er was een gebrek aan duidelijkheid. De druk was echter zodanig dat al vlug een nieuwe actie volgde, op 29 en 30 mei 1986 en ditmaal met succes. Bij het ACV is er grote druk van onderen uit op de leiding. Op 31 mei komen 200.000 mensen op straat in Brussel. Het is bijzonder jammer dat de leiding van het ABVV hier verder niets mee doet. Ze slaagde er dan ook niet in om met een offensief actieplan honderden van de meest strijdbare ACV militanten voor de zaak te winnen.

Uiteindelijk lukt het de vakbonden toch om de regering-Verhofstadt en de liberaal-christelijke coalitie enkele maanden later te doen vallen.

Er speelden heel wat elementen in het nadeel van de syndicale organisaties. De ACV-leiding toonde zich al te inschikkelijk ten aanzien van een regeringsploeg die geleid werd door een sterke man van de CVP. Het ABVV van zijn kant organiseerde allerlei stakingsbewegingen in verspreide slagorde, onder aanvoering van een leiding die het noorden kwijt was door het duidelijk misprijzen van de regering. En vooral, de socialistische partijen die toen in de oppositie zaten, bleven toekijken van op het balkon.

In 1981 had PS-voorzitter Guy Spitaels die toen zelf deel uitmaakte van de oppositie, zich geprofileerd als een ‘verantwoordelijk’ man: “We gaan nu niet onze toevlucht nemen tot activisme: we gaan geen beroep doen op de straat.” Ook na massale vakbondsprotesten houdt hij koppig vol: “We zullen leiding geven aan de oppositie, maar niet met de bedoeling aan stakingscultuur te doen.”[16] Op het congres van februari 1985 zegt Spitaels dat “er ruimte is voor een ander beleid, maar alles op zijn tijd”.[17]

SP en PS hadden in die tijd een grotere invloed op het ABVV dan vandaag. Op 31 mei 1986 wachten 200.000 betogers echter tevergeefs op het ordewoord van algemene staking. Bij zijn vertrek in 1989 betreurt ABVV-voorzitter André Vanden Broucke dit nog: “Er was geen duidelijk perspectief, geen enkel concreet stakingsorder. En ik stond dus tegenover al die mensen zonder dat ik hen een concreet ordewoord kon geven. Dat was een gemiste kans.”

Bénédicte Vaes maakt in Le Soir van 23 november 1990 de balans op en schrijft: “In de jaren tachtig weet de socialistische partij zich onder leiding van Guy Spitaels te herstellen als geloofwaardig en streng bestuurder. Tezelfdertijd gaat het ABVV tevergeefs de crisis te lijf. En de militanten zijn razend op Spitaels die “toekijkt van op het balkon”.

1987-1999: de terugkeer van het hart met de PS? (T2)

Bij de volgende verkiezingen kan men niet meer aan de socialisten voorbijgaan. Maar bij hun terugkeer in de regering in 1988 maken ze geen enkele maatregel ongedaan van de ‘verschrikkelijke jaren’. Ze kunnen van de economische heropleving tussen 1988 en 1991 gebruikmaken om een aantal ‘zachtere’ besparingen door te voeren. De wet van 7 december 1988 voert het ‘huwelijksquotiënt’ in, de verhoging van de belastingaftrek voor personen ten laste, de aftrekken voor beroepskosten. Maar deze hervorming zal ‘gecompenseerd’ worden door een verhoging van de indirecte belastingen en is vooral voordelig voor gezinnen met een belastbaar inkomen van meer dan 40.000 euro.

Als het opnieuw slechter gaat met de economische toestand staan ze klaar om even hard te slaan als hun voorgangers. Spitaels had trouwens niet verborgen gehouden wat de PS ging doen als de partij opnieuw in de regering zou zitten: “Ook in de sociale zekerheid zullen we nieuwe bezuinigingen moeten doorvoeren.”

De begrotingstoestand is in 1991 nog altijd zorgwekkend: de overheidsschuld beloopt 136,6 % van het bnp en er is nog steeds een jaarlijks tekort van 7,8 %.

1992-1996: terugkeer naar besparingen en neoliberale privatiseringen

De verkiezingen van 24 november 1991 leiden tot de regering Dehaene I, een coalitie van socialisten en christendemocraten. Ze start in 1991 met een verhoging van 1 % voor het tarief van de sociale werknemersbijdragen voor de ziekteverzekering.

In 1993 volgt het Globaal Plan, goed voor 1,5 miljard euro besparingen in de uitgaven voor de sociale zekerheid en 1,25 miljard nieuwe inkomsten: er zitten maatregelen in tegen de werklozen door een verlaging van de aanvullende werkloosheidsuitkeringen voor deeltijds werklozen (voor 85 % vrouwen) en een verlenging van de wachttijd voor jonge werklozen. In de ziekteverzekering gaat het remgeld omhoog. Er komt een maximale groeinorm van 1,5 % per jaar in de gezondheidszorg tot in 1996.

Dehaene beslist ook de index te blokkeren voor 1994 en 1995. Het Plan vermenigvuldigt het aantal nepstatuten en ‘versoepelt’ de arbeidsorganisatie: toelating om te werken met meerdere opeenvolgende tijdelijke contracten, arbeidstijd op jaarbasis in de KMO’s.

In 1994 voert de regering de gezondheidsindex in: een index waar ze een aantal producten uit verwijderd heeft die zwaar doorwegen op het gezinsbudget, zoals olieproducten en tabak. Verder komt er een verbod op elke loonsverhoging in 1995-1996.

De wet van 26 juli 1996 legt een vaste loonnorm op die niet mag worden overschreden. Deze moet verhinderen dat de loonkosten in België sterker zouden stijgen dan die van de drie belangrijkste handelspartners, Duitsland, Frankrijk en Nederland.

Ze blokkeert ook het interprofessioneel gewaarborgd minimumloon, los van indexering in 1993. Dit zal zo blijven tot in 2007.

De pensioenhervorming, goedgekeurd in 1997, verlengt de duur van een volledige beroepsloopbaan van 40 tot 45 jaar voor de vrouwen en brengt de wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen van 60 naar 65 jaar.

Er komen activeringsmaatregelen in de werkloosheidsverzekering. Tienduizenden werklozen worden uit hun rechten ontzet wegens langdurige werkloosheid en de hoogte van de werkloosheidsuitkeringen is steeds minder verbonden aan het vroegere inkomen uit werk. De regering introduceert ook een strengere toepassing van artikel 80 (sanctie voor langdurig werkloze samenwonenden).

Privatiseringen, sorry, strategische consolidatie

De twee regeringen Dehaene met de socialisten voeren de belangrijkste privatiseringen door in de openbare diensten: de openbare kredietinstellingen, de ASLK, alle openbare investeringsmaatschappijen zoals de NIM (Nationale Investeringsmaatschappij), de regionale investeringsmaatschappijen samen met hun gespecialiseerde dochterondernemingen. Het personeelsstatuut wordt afgestemd op dat van de privésector.

De regering beslist Belgacom, de Post, de NMBS vorm te geven als ‘autonome overheidsbedrijven’. Dit maakt de weg vrij voor privatisering. De NMBS creëert een groot aantal filialen op het terrein van de financiële activiteiten, de vastgoedactiviteit, allerlei diensten in de transportsector, de publiciteit en de informatica. Overal wordt de privésector in ruime mate betrokken. De ‘strategische consolidatie’ (sic Di Rupo) van Belgacom houdt in dat de privé binnenkomt in de maatschappij. Maar dat is volgens Elio natuurlijk geen privatisering.

Onder de regeringen met de socialisten is de verdeling van het nationaal inkomen alleen maar ongelijker geworden. Ze hebben de inkomsten uit arbeid verminderd via de sociale bijdragen, de belasting en de verlaging van de vervangingsinkomens. Het belastingsysteem daarentegen gaf een nieuwe impuls aan de financiële beleggingen en verhoogde de winstmarges van de ondernemingen.

In 1993 breidt het Globaal Plan het Maribel-systeem, dat aan sectoren die sterk onderhevig zijn aan concurrentie een verlaging toekent van de werkgeversbijdragen, uit tot alle industriële sectoren. Van 1993 tot 2014 zullen de regeringen met de socialisten de verlaging van de patronale lasten verachtvoudigen. Ze voert ook de vrijstelling voor meerwaarden op aandelen in (1991), de verlaging van het nominale tarief voor de vennootschapsbelasting van 40,17 % naar 33,99 % (2002), de notionele intrestaftrek (2005) en verder nog een veelheid aan kortingen op de bedrijfsvoorheffing die men put uit de loonmassa om ze op een dienblaadje aan de werkgevers aan te bieden. Altijd in naam van de werkgelegenheid, terwijl het aantal werklozen nooit echt is gedaald.

In de periode Martens-Gol was het beeld dat de SP-leiding van zichzelf in de publieke opinie wilde geven dat van een partij die beter dan de liberalen de sociale vrede weet te bewaren. Daarom remde ze de vakbonden zoveel mogelijk af in hun strijd tegen het regeringsbeleid. Deze aanpak was nieuw ten opzichte van 1960-1961. In de maanden die voorafgingen aan de staking van de eeuw voerde de BSP vanuit de oppositie bijzonder hevig campagne. Na deze staking en nadat de partij zelf in de regering kwam, heeft ze praktisch alle maatregelen van de Eenheidswet doorgevoerd, wat de partij bij latere verkiezingen heel wat stemmen heeft gekost van de arbeiders. In de jaren tachtig wilden de PS en de SP dat risico liefst niet opnieuw lopen. Spitaels waarschuwde iedereen die het wilde horen: “Er is ruimte voor een ander beleid, maar alles op zijn tijd.” Wat Willy Claes deed besluiten: “We moeten al op voorhand in onze tactiek rekening houden met het risico op een fameuze ontgoocheling bij onze basismilitanten, net zoals in Frankrijk na het aan de macht komen van Mitterrand.”[18]

2014: is de nieuwe PS gearriveerd?

Aan de macht in Brussel en in Wallonië, zal de PS ook dit keer nog heel gematigd zijn in haar verzet tegen de rechtse regering op federaal niveau. De oppositie die de PS zal voeren tegen de rechtse regering zal zich ongetwijfeld beperken tot die maatregelen die kunnen helpen vergeten dat het de PS is die zelf in de gewesten en gemeenschappen de besparingen oplegt. In het Waalse gewest kondigt Paul Magnette, de minister-president van de Waalse gewestregering, nu al aan dat ze vanaf 2015 zullen moeten snijden in de gewestbegroting voor een totaal bedrag van 650 miljoen euro (op een begroting van 13,5 miljard).

Sommigen zijn nu al op zoek naar een communautarisering van het debat. In L’Echo van 9 augustus 2014 verklaart André Flahaut (PS): “De maatregelen die [op federaal niveau] zullen genomen worden, zijn geïnspireerd op een cultuur van het noorden die verschilt van de cultuur van het zuiden.” Hij hoopt op die manier ongetwijfeld te doen vergeten dat hij de nieuwe minister van Begroting is in de Franse Gemeenschap. Hij die nota bene zelf aankondigt dat we voor dit jaar al “140 miljoen moeten vinden” en dat we ons voor de komende jaren “geconfronteerd zien met een situatie die inspanningen van ons zal vragen”.

Van bij de start van het nieuwe sociale jaar zijn er verschillende fronten van sociaal verzet actief. Federaal, maar ook in de gewesten en de gemeenschappen van ons land. Het is dan ook nuttig om stil te staan bij de nederlagen uit het verleden.

Om teleurstellingen te vermijden moeten we concrete doelen vastleggen die we willen bereiken en waar we in geen geval onder willen gaan (zoals de intrekking van de Eenheidswet of het Globaal Plan). Het sociaal verzet kan de overwinning behalen als het erin slaagt zich zo breed mogelijk te verenigen rond deze doelen, over de traditionele scheidingslijnen van vakbond en taal heen. Als het verzet zich niet op sleeptouw laat nemen door het communautaire discours, dat verdeeldheid zaait en illusies wekt. Als de beweging geen duidelijk alternatief kan opleggen aan elke nieuwe regering, hoe die er ook uitziet en als ze niet gemobiliseerd blijft om dit alternatief echt door te drukken.

Het volstaat niet om de rechtse regering te doen vallen en de socialisten opnieuw in de regering te krijgen. We hebben een oppositie nodig links van de PS en de SP.A, zowel binnen het parlement als buiten het parlement, die voldoende sterk staat om deze partijen er voortdurend aan te herinneren dat het de grote belastingfraudeurs zijn, de multimiljonairs en de multinationals die dit keer aan de kassa zullen moeten passeren.

Herwig Lerouge (herwig.lerouge at teledisnet.be) is hoofdredacteur van Marxistische Studies.


[1] Valmy Féaux, Cinq semaines de lutte sociale. La grève de l’hiver 1960-1961, Brussel, uitg. Institut de Sociologie van de ULB, 1963, p. 20.

[2] Le Peuple, 15 december

[3] René Deprez. La Grande Grève. Uitg. Fondation J. Jacquemotte. Brussel, 1963, p. 15.

[4] Valmy Féaux, op. cit., p. 61.

[5] René Deprez, op. cit., p. 111.

[6] Toudi,

[7] René Deprez, op. cit., p. 157.

[8] René Deprez, op. cit., p. 173.

[9] Combat,

[10] Annalen Parlement, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 3 januari 1961.

[11] Annalen Parlement, dinsdag 10 januari 1961, p. 27.

[12] René Deprez, op. cit., p. 253.

[13] La Gauche, 28 januari 1961.

[14] Juliens Dohet, Au gouvernement, pour quoi faire ? Le rôle des ministres socialistes dans l’établissement des lois sur le maintien de l’ordre en 1963, IHOES, 2011. Zie: http://www.ihoes.be/PDF/Dohet-Au_gouvernement_pour_faire_quoi.pdf.

[15] We hebben de cijfers overgenomen uit een artikel van Gabriel Maissin over België op het pad van het neoliberalisme: “La Belgique sur le sentier du néolibéralisme. Profil d’une politique économique.”, Cahiers Marxistes, nr. 205, april-mei 1997.

[16] Kris Hertogen en Jo Cottenier. De tijd staat aan onze kant, uitg. Epo, 1991, p. 20.

[17] Robert Falony, Xavier Mabille, Le Parti socialiste: un demi-siècle de bouleversements, éditions Luc Pire, Brussel, 2006.

[18] Kris Hertogen en Jo Cottenier, De tijd staat aan onze kant, op. cit., p. 17.