De socialistische beweging en de Eerste Wereldoorlog

Auteur: 
Herwig Lerouge

Vandaag lijkt het voor iedereen vanzelfsprekend. In heel kapitalistisch Europa zijn de socialistische partijen staatsdragende partijen geworden. Ze leveren eerste ministers, eurocommissarissen en zelfs voorzitters van de Europese commissies. Vredesapostelen kan je ze moeilijk noemen. Vooraanstaande leden van de Belgische socialistische partijen hebben de NAVO geleid, socialistische regeringen nemen deel aan ongeveer alle oorlogen van de VS en de NAVO: de eerste oorlog tegen Irak, de oorlog in Joegoslavië, Libië, Afghanistan, Mali...

Daarmee zijn ze natuurlijk mijlenver verwijderd van hun marxistische roots en zelfs van hun eigen beginselverklaring. In België was dat het Charter van Quaregnon.[1] Pas op 8 juni 2013 nam de SP.A afscheid van Quaregnon, terwijl de Parti socialiste het charter als beginselverklaring behoudt. Maar al sinds 5 augustus 1914 is het charter niet meer dan een historisch document zonder enige praktische politieke betekenis. Want het charter eiste “de verdwijning van het kapitalistisch stelsel” en “zijn omvorming in een collectivistisch stelsel”. Ook verklaarde het charter plechtig “dat de socialisten aller landen solidair moeten zijn, want de ontvoogding der arbeiders is geen nationaal, maar een internationaal werk”. Met dit doel voor ogen hadden de toenmalige socialisten in 1889, dertien jaar na de opheffing van de Eerste Internationale (1876), een nieuwe internationale organisatie opgericht, de Socialistische Arbeidersinternationale, kortweg de Tweede Internationale genoemd. Emile Vandervelde, de leider van de Belgische Werkliedenpartij, zou er zelfs voorzitter van worden en Camille Huysmans, een andere bekende Belgische socialist, secretaris.[2]

Twintig kaar lang woedde binnen die Tweede Internationale een debat tussen een revolutionaire en een reformistische vleugel. De tactiek van de reformisten bestond erin de tegenstellingen onder te sneeuwen met revolutionaire frasen. Dat blijkt uit de manier waarop de reformisten hun houding argumenteerden: resoluties die de kool en de geit willen sparen en waarin Vandervelde een meester was, vertrokken altijd vanuit een linkse, principiële stellingname om uit te monden in een praktisch besluit dat de capitulatie wettigde. In 1914, bij het uitbreken van de oorlog, zou het gestaag groeiende verschil tussen woord en daad, de grootste socialistische partijen naar de kant van hun eigen burgerij duwen, tegen alle principeverklaringen in.

De Tweede Internationale verdeeld over alle belangrijke kwesties

Er heerste onder andere verdeeldheid over de al dan niet deelname van de socialisten aan de regering en een eventueel bondgenootschap met burgerlijke groeperingen. Het probleem van de toetreding van een socialist tot een bourgeoisregering stelde zich voor het eerst in Frankrijk met Millerand. Op het congres van de Internationale in 1900 te Parijs wees de meerderheid nog regeringsdeelname af maar in de resolutie werd al toegegeven dat deelname kon in extreme omstandigheden, in geval van nood, bij een dwangsituatie. De kwestie werd herleid tot een zuiver tactische, terwijl het in feite ging om de meest fundamentele vraag voor de socialistische beweging: zich al dan niet integreren in het systeem. De ervaring met Millerand in Frankrijk bewees dat. Het zou later verder geïllustreerd worden met elke toetreding van de socialisten tot bourgeoisregeringen. In 1909-1910 werd de kwestie besproken in de BWP. De leiding was bereid samen met de liberalen een regering te vormen, maar de uitslag van de verkiezingen maakte die combine onmogelijk. In 1904 kwam het op het congres van Amsterdam tot een debat tussen Jaurès en Bebel dat een grote weerklank had. De Franse socialist Jaurès bespeelde het thema van de Franse Republiek – ‘land van glorierijke revoluties’ - en de veel ruimere parlementaire mogelijkheden in Frankrijk. Voor de Duitse partijleider Bebel was het verschil met het parlementaire systeem van de Franse republiek niet zo fundamenteel: “Burgerlijke republiek of burgerlijke monarchie, beiden zijn klassenstaten; zowel de ene als de andere werden gemaakt om de kapitalistische orde te handhaven. Beide politieke regimes spannen zich tot het uiterste in om de gehele macht in handen van de bourgeoisie te houden.” Maar het parlementarisme won overal terrein.

Dat kwam ook tot uiting in de kwestie van de algemene politieke staking. Men gaf er zich rekenschap van dat zelfs een absolute meerderheid in het parlement niet zou volstaan om een fundamentele maatschappelijke omwenteling door te voeren. Bedoeld werd de buitenparlementaire actie van de arbeidersklasse. Om de totale sociale omwenteling tot een goed einde te brengen was niet minder dan de algemene politieke staking vereist. Het vraagstuk is meermaals ter sprake gekomen op de congressen van de Internationale. België kende grote stakingen in 1891, 1893 en 1902, reusachtige politieke stakingen voor het algemeen stemrecht, waaruit de macht van dat wapen bleek. April 1902 liep op een mislukking uit: de door de basis ingezette beweging werd, zodra de strijd te heftig werd, abrupt afgebroken door de leiding. In Duitsland nam het partijcongres van 1906 een afwijzend standpunt in. Karl Legien, de algemene secretaris van de vakbond, bestreed de stelling van de algemene staking bijzonder hardnekkig.

Inzake het koloniale vraagstuk hield de Internationale vast aan volgende grondbeginselen: het principe van de rechtsgelijkheid van alle mensen en rassen, hun gelijke aanspraak op waardigheid en recht, op vrijheid en nationale onafhankelijkheid; het principe van de solidariteit tussen de onderdrukten van alle naties en rassen. Het Londense congres (1896) stelde de eis van “volledig zelfbeschikkingsrecht voor alle naties” en veroordeelde het kolonialisme als “verschijningsvorm van het kapitalisme”.

Maar de praktijk van talrijke partijen strookte niet met die grondbeginselen. In Groot Brittannië verdedigden sommigen de kolonisatie met als drogreden: een volk kan niet over de bodemschatten (goud en diamant) beschikken ten koste van andere volkeren; de aarde is gemeengoed van heel de mensheid en het gemeenschappelijk belang van alle volkeren om van die natuurlijke rijkdommen te genieten, dient voorrang te hebben op het lokale volk. In Duitsland dachten de reformisten Bernstein, Noske en anderen in dezelfde richting. De Duitse socialisten stemden voor volgend standpunt: “Gezien het socialisme de productiekrachten van de hele wereld zal opdrijven en alle volkeren op het hoogste culturele peil zal brengen, verwerpt het congres niet principieel elke koloniale politiek omdat deze onder het socialisme een beschavend effect kan hebben.”

De BWP stelde de koloniale roofzucht van Leopold II aan de kaak. In de partij bestond een antikolonialistische stroming. Voor Louis De Brouckère, die toen tot de radicale linkervleugel behoorde, hield de kolonisatie geen ontwikkeling en geen vooruitgang van het kapitalisme in. Protectionisme, militarisme, imperialisme en kolonialisme zijn de symptomen van de aftakeling van een roofzuchtig en parasitair geworden klasse die de productie niet langer kan leiden… Maar velen, in de eerste plaats Vandervelde, waren voorstander van een reformistische koloniale politiek, anderen steunden kritiekloos het koloniale kapitaal.[3] Toen Kongo in 1908 een Belgische kolonie werd, verklaarde Jules Destrée in naam van de BWP: “Wij zullen de koloniale zaak aanpakken zoals we het kapitalisme hebben aangepakt. We zullen het wezenlijke kwaad aan de kaak stellen en streven naar directe pijnstillers.” Volksvertegenwoordiger Terwagne zei dat het economisch leven zou stilvallen zonder koloniale producten en voegde er aan toe dat het de taak van de socialisten was “een koloniale politiek te voeren met een minimum aan wreedheden”.

Oorlog aan de oorlog

Op bijna alle congressen van de Tweede Internationale stond de kwestie van oorlog en vrede op de agenda. Over de fundamentele oorzaak van de oorlog raakte men het gemakkelijk eens en er werd al heel vroeg gesteld: kapitalisme leidt naar oorlog. Het congres van Parijs (1900) omschreef het karakter van de oorlog nauwkeuriger op basis van de recente ervaringen: oorlog gaat om koloniale verdeling en herverdeling; de oorlogen zijn imperialistisch geworden. Ook over de fundamentele oplossing was er overeenstemming. Het congres van Zürich in 1893 was al tot volgende conclusie gekomen: “De val van het kapitalisme betekent wereldvrede.” Over de taken in vredestijd bestonden omzeggens geen meningsverschillen: propaganda tegen chauvinisme en militarisme en de weigering oorlogskredieten goed te keuren. Maar wat te doen als de oorlog uitbreekt? Algemene staking? Algemene dienstweigering? De revolutie ontketenen?

Het belangrijkste congres inzake vrede en oorlog is dat van Stuttgart geweest in 1907. De Fransen Jaurès-Vaillant-Guesde stelden een resolutie voor waarin het volgende stond: “Het verhinderen van de oorlog moet door de nationale en internationale acties van de arbeidersklasse bewerkstelligd worden, gaande van de parlementaire interventie en de openbare agitatie tot en met de massastaking en de opstand.” Voor de Duitse socialisten was dat blijkbaar onaanvaardbaar. De uitdrukkingen ‘massastakingen’ en ‘opstand’ zouden de partij in de illegaliteit duwen. De Duitse socialisten hadden de door de keizer opgelegde beperking van de bewegingsvrijheid van hun partij aanvaard. Bebel stelde een volledig afgezwakte tekst voor. Na bemiddeling door Rosa Luxemburg konden Lenin en Martov een verdergaande conclusie afdwingen. In Bebels voorstel stond: “Als de oorlog dreigt uit te breken, is het in alle betrokken landen de taak … de oorlog te verhinderen en dit met de middelen die hun geschikt lijken en die natuurlijk van land tot land verschillen volgens de scherpte van de klassenstrijd en de algemene politieke situatie.” Lenins compromis wijzigde dat in volgend besluit: “... komt het er op aan de door de oorlog veroorzaakte economische en politieke crisis aan te wenden om de diepste lagen van het volk in beroering te brengen en de val van de kapitalistische heerschappij te bespoedigen.” Het was dan al duidelijk dat de reële wil ontbrak om dat idee toe te passen.

In Kopenhagen in 1910 werd beslist dat de socialistische parlementsleden tegen alle bewapeningskredieten zouden stemmen.

Op een buitengewoon congres in Bazel in 1913 werd unaniem een resolutie aangenomen tegen de toenmalige ‘waanzinnige’ bewapeningswedloop en het oorlogsgevaar. De resolutie onderscheidde twee essentiële waarborgen voor vrede: de samenwerking van de arbeiders uit alle landen evenals de angst van de leidende klassen voor een revolutie die het gevolg zou zijn van de oorlog. De tekst bevatte ook een oproep aan de Duitse, Franse en Engelse arbeiders om hun strijd voor de vrede verder te zetten en zich niet te laten meeslepen in een algemene oorlog. De tekst verklaarde dat de arbeiders het als een misdaad beschouwden op elkaar te schieten ten voordele van de kapitalisten of voor de trots van dynastieën of door combinaties van geheime verdragen.

Op 29 juli 1914 ging te Brussel een laatste zitting door van het bureau van de Internationale. Oostenrijk had de oorlog al verklaard. In Parijs en Berlijn werden demonstraties voor de oorlog gehouden. De Russische en Britse afgevaardigden verklaarden dat ze zich zouden verzetten, de Duitsers dat ze hun plicht zouden doen. Ze wezen op de grootschalige betogingen tegen de oorlog. Jaurès verzekerde de aanwezigen van de vredeswil van de Franse regering. De Engelsen stelden in geval van oorlog de algemene staking voor, maar niemand bleek er voorstander van. Na de bijeenkomst werd een grote internationale vredesmanifestatie gehouden in het Brusselse Koninklijk Circus. Jaurès sprak er, omringd door Rosa Luxemburg en Haase (Duitsland), Viktor Adler (Oostenrijk), Vaillant (Frankrijk) en Keir Hardie (Engeland). Toen waren ze nog allemaal broederlijk verenigd. Het communiqué dat de volgende dag werd verstuurd riep op tot meer antimilitaristische acties en internationale onderhandelingen. Kort na de laatste zitting van het Internationaal Socialistisch Bureau werd de Franse antioorlogssocialist Jaurès vermoord.

Op één augustus mobiliseerden Duitsland en Frankrijk. Voor de Duitse socialisten was revolutionaire actie geen optie. Op vier augustus keurden ze de oorlogskredieten goed. De Franse socialisten riepen dit nieuwe feit in om zelf achter hun regering te gaan staan. Ook de Belgische socialisten onder leiding van Emile Vandervelde stemden voor de oorlogskredieten. Alleen de Russische bolsjewieken, de Hongaarse, Bulgaarse en Italiaanse sociaaldemocraten en de Socialistische Partij van de Verenigde Staten hielden vast aan de antioorlogsresoluties. Zij riepen een aparte conferentie bijeen in het Zwitserse Zimmerwald.

De Internationale is dood

De Europese oorlog hing al vele jaren in de lucht en belangrijke leiders van de arbeidersbeweging vermoedden tot welke verwoestingen deze oorlog zou leiden, niet alleen voor het leven en de gezondheid van miljoenen Europeanen, maar ook voor de arbeidersbeweging. In een brief van 22 december 1882 schrijft Friedrich Engels, medestander van Marx en vooraanstaand lid van de Duitse sociaaldemocratische partij: “Een Europese oorlog zou ik een ramp vinden, deze keer zou hij vreselijk serieus worden, overal het chauvinisme voor jaren doen ontvlammen, omdat ieder volk voor zijn bestaan zou strijden. (…) Onze partij in Duitsland zou overstroomd worden door een golf van chauvinisme, net zoals in Frankrijk … Zo’n oorlog, denk ik, zou de revolutie met tien jaar uitstellen.”[4]

Engels, zoals na hem Lenin, Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, heeft de economische drijvende krachten van het kapitalisme bestudeerd en ontdekte dat de essentie van kapitalisme ook oorlog betekent. De concurrentie tussen de grote Europese kapitalistische naties, die elkaar niet enkel in Europa maar in alle werelddelen bestreden om kolonies en zo groot mogelijke delen van de wereldmarkt, was de hoofdfactor. Die ontwikkeling ging gepaard met een bewapeningswedloop, toen militarisme genoemd. Die bewapeningswedloop was onvermijdelijk zowel voor wie zijn aandeel op de wereldmarkt wilde verdedigen als voor wie nieuwe delen wilde veroveren. Daaruit volgt dat militarisme en kapitalisme onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat de uiteindelijke uitweg uit de oorlog de omverwerping van het kapitalisme moet zijn. Die analyse onderscheidde de revolutionaire vleugel binnen de socialistische beweging van de pacifistische en nog meer van de rechtervleugel.

Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg bestudeerden de nieuwe ontwikkelingen van het Duitse militarisme, vooral dan de debatten rond zijn zeer snel groeiende vloot, die Duitsland moest in staat stellen het Verenigd Koninkrijk als koloniale macht en zeemogendheid van de eerste plaats te verdringen. In 1916 kwam Rosa Luxemburg terug op de rol van de vlootwet. “Het vlootontwerp van 11 december 1899 was een oorlogsverklaring van Duitsland, die Engeland op 4 augustus 1914 kwiteerde.”[5]

De socialistische leiders waren op de hoogte van de besluiten van de laatste grote vooroorlogse vredesconferentie van de Socialistische Internationale op 24-25 november 1912 in Bazel en het daaruit volgend manifest: “De grote naties van Europa staan voortdurend op het punt om tegen elkaar in het harnas te worden gejaagd. Nochtans kan een dergelijke aanslag tegen de menselijkheid door geen enkel argument van enig nationaal belang worden gerechtvaardigd.”

In tegenstelling tot de toen toonaangevende leiders van de sociaaldemocraten en de Socialistische Internationale stelde Lenin de vraag: wie heeft er belang bij deze oorlog? Welke klasse van de maatschappij? Dat was het uitgangspunt voor zijn beoordeling van de militaire en diplomatieke activiteiten van de kapitalistische staten en niet de uitspraken en argumenten van de politieke krachten van de burgerij. Nauwelijks drie weken na het uitbreken van de oorlog legde Lenin op de eerste vergadering van een groep bolsjewieken in Bern een ontwerpresolutie voor, die vervolgens snel via illegale kanalen en op grote schaal in Rusland werd verspreid. Al in de eerste zin staat te lezen: “De oorlog die Europa en de hele wereld teistert, heeft duidelijk het karakter van een burgerlijke, imperialistische, dynastieke oorlog. De enige echte inhoud, de enige echte betekenis van de oorlog is: strijd om markten en roof van andere landen, het streven om de revolutionaire beweging van het proletariaat en de democratie binnen de verschillende landen te stoppen, het streven om de proletariërs van alle landen te slim af te zijn, hen te verdelen en af te slachten door de loonslaven in het ene land op te hitsen tegen de loonslaven van een andere natie.”[6]

Lenin veroordeelde de ideologische ineenstorting van de Duitse en internationale sociaaldemocratie heel scherp: Het gedrag van de leiders van de Sociaal-Democratische Partij van Duitsland – één van de sterkste en meest invloedrijke partijen van de Tweede Internationale (1889-1914) – die voor de oorlogsbegroting heeft gestemd, is rechtstreeks verraad aan het socialisme. Ze nemen het chauvinistische gepraat van de Pruisische jonkheren en de bourgeois gewoon over. In geen enkel geval kan het gedrag van de leiders van de Sociaal-Democratische Partij van Duitsland worden gerechtvaardigd. Zelfs niet als men er zou van uitgaan dat de partij zeer zwak stond en verplicht was om zich tijdelijk neer te leggen bij de wil van de burgerlijke meerderheid. In de feiten voert de partij vandaag een nationaal-liberaal beleid. Hetzelfde geldt voor de leiders van de Belgische en Franse sociaaldemocratische partijen die het socialisme hebben verraden, doordat ze in burgerlijke regeringen plaatsnamen. Het verraad aan het socialisme, begaan door de meerderheid van de leiders van de Tweede Internationale (1889-1914), betekent de ideologische en politieke ineenstorting van de Internationale.”[7]

Sommigen zoals Kautsky, de belangrijkste marxistische theoreticus van die tijd, namen een zogenaamde centristische positie in. Zij kwamen op voor ‘vrede’, zonder de bestaande maatschappij in vraag te stellen. Lenin zei daarover: “Het ordewoord ‘vrede’ klopt niet. Het parool moet zijn: omzetten van de nationale oorlog in een burgeroorlog.”[8] Karl Liebknecht was dezelfde mening toegedaan: “De belangrijkste vijand staat in eigen land!”

Vanuit deze benadering van het vraagstuk van oorlog en vrede zet Lenin zich de volgende jaren ook in voor de vorming van een sterke, revolutionaire, socialistische beweging, later communistische beweging genoemd, in eigen land en internationaal. De hoogtepunten waren de Oktoberrevolutie en de vorming van de Communistische Internationale, in Duitsland was het de revolutie van 1918 en de oprichting van de KPD (Kommunistische Partei Deutschlands) tijdens de jaarwisseling van 1918-19.

Belangrijke tussenetappes daarbij waren de conferentie in Zimmerwald in september 1915 en de vredesconferentie van Kienthal van radicaal links. De bijeenkomst in Zimmerwald werd bijgewoond door achtendertig vertegenwoordigers uit elf landen. Uit Duitsland kwam de sterkste groep tegenstanders van de oorlog. De ondertussen gevangen genomen Karl Liebknecht stuurde een groet. Voor de Russische Sociaal-Democratische Partij waren twee strekkingen aanwezig: Lenin en Zinovjev voor de revolutionaire bolsjewieken[9] en Martov en Axelrod voor de mensjewieken. Lenin werd tijdens deze conferentie steeds meer aanzien als de woordvoerder en vertegenwoordiger van revolutionair links in Europa.

Lenin was zich bewust van de aarzelende houding van de meerderheid van de aanwezigen in enkele belangrijke kwesties. Toch was hij voorstander van een deelname van de bolsjewieken aan de discussie. Revolutionair links stelde een ontwerpresolutie voor die met negentien tegen twaalf stemmen werd verworpen. In plaats daarvan werd het door Trotski geschreven en als Zimmerwalder Manifest bekend staande document aangenomen. Daarin ontbraken de eis voor de omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog, het ordewoord “werken aan de nederlaag van de eigen regering” en de volledige breuk met de sociaaldemocratische leiders die aan de oorlog meewerkten. Toch tekenden de bolsjewieken dit manifest. De conferentie verkoos een Internationale Socialistische Commissie met hoofdkantoor in Bern en de linksen vormden een bureau onder Lenins leiding. Een klein jaar later, in april 1916, werd dan in Kienthal, ook in Zwitserland, de tweede internationale conferentie gehouden, waaraan deze keer drieënveertig afgevaardigden uit twaalf landen deelnamen. Bij de belangrijkste stemmingen keurde nu al bijna de helft de standpunten van revolutionair links goed.

In Zimmerwald en Kienthal werd de eerste steen gelegd voor de latere Communistische of Derde (communistische) Internationale.

De kelk tot op de bodem ledigen

De socialistische beweging was numeriek maar vooral ideologisch niet bij machte geweest om het uitbreken van de imperialistische oorlog te verhinderen. Maar de vraag was niet: kunnen wij de oorlog verhinderen of niet? De vraag was: kan het verzet tegen de gruwel van de oorlog hem omvormen in een opstand? Enkel Lenin bleef consequent en hield vast aan “de nederlaag van de eigen regering” en “het omzetten van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog”.

Lenin voorzag dat zijn ordewoorden niet van de ene op de andere dag zouden kunnen gerealiseerd worden. Daarvoor hadden de werkende mensen nog onvoldoende aan den lijve ondervonden wat die wereldoorlog betekende. Maar alle daden van de socialisten moesten in die lijn liggen. Wanneer in het parlement moest gestemd worden over de militaire begroting, dan moesten de Duitse socialisten weigeren de militaire begroting goed te keuren. In België hetzelfde, in Frankrijk hetzelfde. Daarmee moesten ze uitdrukken: met deze misdadige oorlog hebben wij niets te maken, en wij, de arbeiders, willen er niet voor betalen. In Frankrijk, in België, in Duitsland moesten de revolutionairen alle argumenten van de burgerij om de mensen mee te sleuren in deze oorlog, ontmaskeren. Ze moesten de dagelijkse belangen van de arbeiders – brood en werk – verdedigen. Want de oorlog zou een nooit geziene ellende meebrengen in Europa. Bovendien moesten ze illegaal te werk gaan, want van legaliteit zou geen sprake meer zijn. Ze moesten hun propaganda verspreiden via een clandestiene pers en niet langer via de legale pers, zoals dat kon voor de oorlog. Daarover schreef Lenin aan zijn vriend Sjlapnikov: “Die omvorming kan lang duren, maar we moeten de voorwaarden ervoor scheppen. Al ons werk moet in die richting gaan. Daarbij hebben we het niet over sabotage, niet over individuele acties, maar over massapropaganda (niet alleen bij de burgerbevolking) die leidt naar de omvorming van de oorlog in een burgeroorlog. (…) Het zou verkeerd zijn individuele acties zoals het neerschieten van officieren enzovoort te propageren of het oproepen tot dienstweigering. Daarmee zouden we afglijden naar het anarchisme of het opportunisme. We moeten werken naar een massa-actie (of op zijn minst een collectieve actie) in het leger en direct onze gehele propaganda- en campagneactiviteit in deze richting sturen. En dat niet alleen in het Duitse, maar ook in de andere oorlogvoerende legers. Het tijdstip van die overgang naar burgeroorlog is een andere vraag, die we op dit moment nog niet kunnen beantwoorden. Je moet de tijd laten rijpen en hem systematisch ‘dwingen te rijpen’."[10]

Maar dat was allang niet meer de zorg van de leiders van de sociaaldemocratie. Zij hadden niet alleen gecapituleerd, zij begonnen ook de oorlog goed te praten en hitsten de arbeiders van hun respectieve landen mee op om hun ‘vaderland te verdedigen’.

Uiteraard hebben het Duitse grootkapitaal en de Duitse adel zo goed mogelijk geprobeerd hun echte oorlogsdoelstellingen verborgen te houden en uiteraard hebben ze zichzelf voorgedaan als verdedigers van de beschaving of van het slachtoffer dat tot een ‘verdedigingsoorlog’ werd gedwongen. De Eerste Wereldoorlog was eigenlijk de eerste oorlog waarin psychologische oorlogvoering een rol heeft gespeeld. In alle landen werd een psychose gecreëerd: het vaderland is in gevaar. Onder invloed van die propaganda geloofden de meeste mensen ook werkelijk dat het ging om de redding van het vaderland. In naam van ‘wij kunnen ons niet afsnijden van de massa als die voor de oorlog is’ zijn de socialistische leiders openlijk aan de kant gaan staan van de oorlogvoerende burgerij in hun land.

Natuurlijk was bijna niemand op de hoogte van de geheime Nota oorlogsdoelstellingen van rijkskanselier von Bethmann-Hollweg van 9 september 1914, waarin het ondubbelzinnig luidde: “Veiligheid voor het Duitse Rijk (betekent) dat Frankrijk zo (is) verzwakt dat het niet opnieuw als een grote mogendheid kan ontstaan. Rusland moet zover mogelijk worden weggeduwd van de Duitse grens en zijn heerschappij over de niet-Russische vazalvolkeren moet worden opgeheven...”

Natuurlijk kenden slechts weinigen de onthutsende en concrete details over de manier waarop de Duitse leiders hun imperialistische concurrenten Frankrijk en Engeland wilden verzwakken, noch over de plannen voor de annexatie van delen van Frankrijk en de kleine buurlanden in het Westen. Voor de huidige Benelux-landen voorzag de nota de feitelijke opheffing. Bethmann-Hollweg schrijft in dit verband: “België. Annexatie van Luik en Verviers door Pruisen, een grensstrook van de provincie Luxemburg gaat naar het Groothertogdom Luxemburg. Het blijft twijfelachtig of Antwerpen met een aansluiting naar Luik ook geannexeerd moet worden. Hoe dan ook, in ieder geval moet België, ook al blijft het van buitenaf als een staat bestaan, afglijden tot een vazalstaat. (…) Luxemburg wordt een Duitse bondsstaat en ontvangt een strook van de huidige Belgische provincie Luxemburg en eventueel de hoek van Longwy. (...) Het zal nodig zijn te overwegen met welke middelen en maatregelen Holland in een nauwere relatie met het Duitse Rijk kan worden gebracht. Deze nauwere relatie zou ... Holland ... van buitenaf onafhankelijk laten, maar naar binnen toe van ons afhankelijk maken. Misschien een alliantie die de kolonies omvat, minstens een douane-unie. Ook een mogelijke overdracht van Antwerpen naar Holland is te overwegen in ruil voor de concessie van een Duitse legering van troepen voor de bezetting van Antwerpen alsmede voor de Scheldemonding.”[11] Ook wil Duitsland een groter deel van de koek in de kolonies. Punt 5 luidt: “Het tot stand brengen van een samenhangend Centraal-Afrikaans koloniaal rijk is wenselijk” (ten koste van Frankrijk) ...[12]

Die oorlogsdoelstellingen werden niet openlijk besproken, hoewel ze ook niet helemaal onbekend waren. Een hele reeks soortgelijke nota’s was wel publiek en stemde uitstekend overeen met die van Bethmann-Hollweg. Maar officieel verborg de regering haar annexatieplannen achter slogans over een ‘verdedigingsoorlog’. En op hun congressen discuteerden de socialisten al jaren over de aard van de komende oorlog en wat er tegen te doen.

Het ‘verraad’ van de Duitse sociaaldemocratie was eigenlijk geen verrassing meer

Op 8 augustus 1914 heeft in de eerste plaats de Duitse sociaaldemocratie in de Duitse Rijksdag gebroken met de principes van het antimilitarisme en de nodige oorlogskredieten aan de keizer toegekend. Dit in flagrante tegenstelling tot het oude principe van partijleider August Bebel, die net een jaar eerder (op 13 augustus 1913) was overleden: “Voor dit systeem geen stuiver en geen man!” De Sociaal-Democratische Partij van Duitsland (SPD) had intern al een zodanig omvormingsproces achter de rug dat de steun voor de oorlogskredieten eigenlijk niet echt meer als een verrassing kwam. Weliswaar vonden er in de maanden voor de oorlog nog op verschillende plaatsen sociaaldemocratische anti-oorlogsbetogingen plaats, maar de vastberadenheid om een oorlog ook aan te wenden voor de mobilisatie tegen het kapitalistisch systeem en op te roepen tot de omverwerping ervan was ver te zoeken. In hun memoires beschrijven twee partijveteranen, Carl Litkes en Alfred Mühls, een bijeenkomst met de prominente SPD-parlementariër Otto Wels eind juli 1914 in Berlijn. “Op een grote protestbijeenkomst tegen de oorlogsdreiging in de laatste dagen van juli ging kameraad Otto Wels tekeer tegen de oorlog en beschreef de verschrikkingen ervan in al zijn schakeringen. Maar het verbaasde ons dat hij niet zei wat er moest gebeuren om het uitbreken van de oorlog te voorkomen. Werd hier een vals spel gespeeld? vroegen we ons af. De bestuursvergadering die erna plaatsvond, bevestigde onze vrees. Wels legde uit dat niets het uitbreken van de oorlog nog kon tegenhouden. Deze aankondiging ontketende een ware storm van protest. We zeiden Wels wat we hadden verwacht: een bespreking van de maatregelen tegen de oorlog. Kameraad Hornig beschuldigde Wels van verraad. In plaats van te antwoorden, stond Wels verontwaardigd op en zei dat hij op die basis met ons niet kon discussiëren.”[13]

En op 4 augustus 1914 argumenteerde Hugo Haase, die doorging voor een links SPD-lid in de Rijksdag, de SPD-steun aan de oorlogskredieten als volgt: “De gevolgen van de imperialistische politiek, van een hele periode van wapenwedloop en verscherping van de tegenstellingen tussen de volkeren, zijn als een vloedgolf over heel Europa gespoeld. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de makers van dit beleid, wij wijzen het af. De sociaaldemocratie heeft deze rampzalige ontwikkeling met alle macht bestreden. Tot op het laatste ogenblik heeft zij in alle landen krachtige betogingen georganiseerd voor de vrede, vooral samen met onze Franse broeders. Hun inspanningen zijn vergeefs geweest.”

Je zou denken dat ze dan op basis van de antioorlogsresoluties van de vorige internationale conferenties zouden oproepen tot groter verzet tegen de oorlog, tot een algemene staking, tot sabotage, tot een golf van protest vanwege heel de bevolking. Je zou denken dat ze vanuit de Rijksdag zouden protesteren tegen de gevangenisstraffen voor Rosa Luxemburg, die in februari en in juni 1914 tot in totaal één jaar gevangenis werd veroordeeld omdat ze op volksvergaderingen de werkende mensen had opgeroepen de wapens niet te richten tegen hun klassenbroeders in andere landen.

Maar Haase en de SPD deden het tegenovergestelde. Ze capituleerden in naam van ‘zich aanpassen aan de realiteit’ en ‘proberen erger te voorkomen’. Die bereidheid om te buigen voor ‘er is toch-niets-meer-aan-te-veranderen’ overheerste sinds een tiental jaar in de rechtervleugel van de SPD-leiding en van de Algemene Duitse vakbondsfederatie (ADGB).[14]

In dezelfde geest sprak Hugo Haase over de oorlogsleningen: “We worden nu geconfronteerd met de brute werkelijkheid van de oorlog en de verschrikkingen van vijandelijke invasies. We moeten nu niet beslissen of we voor of tegen de oorlog zijn, maar over de kwestie van de financiële middelen voor de verdediging van het land. Nu moeten we denken aan de miljoenen volksgenoten die zonder het te willen in deze ramp zijn terechtgekomen. Zij worden het hardst geraakt door de verwoestingen van de oorlog.” Haase heeft het over de ‘verdediging’. Hij wist nochtans dat het niet ging om de ‘verdediging’ van een door een oppermachtige tegenstander overmeesterde natie. En de SPD praat keizer Wilhelm II na, die ‘geen partijen, doch alleen nog Duitsers’ kende. De SPD spreekt niet langer van klassengemeenschap en klassenbelangen, maar van ‘volksgenoten’.

Dieper kon een marxistische partij niet zinken. Haase: “Onze warme wensen gaan zonder onderscheid van partij naar onze broeders die onder de wapens werden geroepen. We denken ook aan de moeders die hun zonen moesten afstaan, aan de vrouwen en de kinderen die beroofd werden van hun kostwinners en die vrezen voor hun geliefden en voor de hongersnood. Binnenkort vallen er tienduizenden gewonde en verminkte strijders. Wij beschouwen het als onze dwingende plicht hen te helpen, hun lot te vergemakkelijken, hun onmetelijke ontberingen te verlichten.” Wat een cynisme: de SPD maakt de weg vrij voor ‘honger’ en ‘onmetelijke ontberingen’, voor ‘tienduizenden gewonden en verminkten’, en spreekt dan van ‘plicht’.

Er ontstaat een nieuw vijandbeeld. “Voor onze natie en een toekomst in vrijheid zal een overwinning op het Russisch despotisme, bevlekt met het bloed van zijn eigen volk, veel, zo niet alles betekenen. Men moet ervoor zorgen dat dit gevaar wordt afgeweerd, de cultuur en de onafhankelijkheid van ons eigen land moeten veilig gesteld worden. Wij laten in het uur van het gevaar ons vaderland niet in de steek. (...) Geleid door deze principes, keuren wij de vereiste oorlogskredieten goed.”[15]

Vandervelde zal de Belgische arbeiders de slachtpartij insturen met de woorden: “Het is een heilige oorlog voor het recht, de vrijheid en de beschaving, voor het recht van de volkeren op zelfbeschikking.” “De beschaving zal maar gered worden de dag waarop het Duitsland van de grondbezitters, van de beroepsmilitairen en de kanonnenfabrikanten zal zijn verslagen.” In het kamp van Vandervelde, in het kamp van de vrijheid en de beschaving, strijdt de tsaar, strijdt het meest feodale, reactionaire, achterlijke regime in Europa. En de Franse, Belgische en Engelse beschavingsbrengers zullen het overwonnen Duitsland onder een economisch juk doen gebukt gaan. Duitsland zal vijftig miljard goudmark moeten betalen en de helft van zijn industrie en zijn landbouwproductie verliezen. Dat zijn voorwaarden die het land verhinderen te overleven. En allemaal in naam van het ‘recht’. De realiteit achter dat woord ‘recht’ is koloniale plundering en zelfs plundering van de verslagen tegenstrever, Duitsland.

Oorlog voor “vrijheid”, zegt Vandervelde nog, en “recht van de volkeren op zelfbeschikking”. Maar dat gold natuurlijk niet voor Kongo en in naam van de ‘vrijheid’ en het ‘recht van de volkeren op zelfbeschikking’ heeft België na de oorlog Ruanda en Burundi onder zijn controle gebracht. En heeft Engeland India en alle andere kolonies behouden. Ook in Frankrijk werd de “verdediging van het vaderland” het nieuwe standpunt van de socialisten. Jean Jaurès, zelf een tegenstander van de oorlog, had vroeger in naam van de Franse socialisten al soortgelijke verklaringen afgelegd. Het hoofdargument was dat de Franse arbeiders verworvenheden te verdedigen hadden, namelijk het algemeen enkelvoudig stemrecht.

Gedurende heel de oorlog zal de SPD met het Duitse imperialisme een Burgfrieden, een sociale vrede, een burgervrede afsluiten. Tot in juli 1917 keurde haar rijksdagfractie alle nieuwe amendementen voor de oorlogsleningen van de keizerlijke regering goed.

De beloning liet niet lang op zich wachten. Voor de oorlog weigerden de hogere instanties nog de verkozen SPD-vertegenwoordigers in gemeenteraden, schoolbesturen en andere gemeentelijke diensten te benoemen. Na de oorlog werden sociaaldemocraten in meer dan 100 steden en gemeenten officieel in hun functies bevestigd dankzij ministeriële instructies. De SPD werd volledig ingekapseld in de machtsstructuur.

Hoe verrassend en schokkend de beslissing was om de oorlog te steunen, blijkt uit een uitspraak van Karl Liebknecht van midden februari 1915. Hij had “vóór 4 augustus 1914 alles gedaan wat mogelijk was om de parlementsfractie tot het weigeren van de kredieten te bewegen”, schreef hij aan een onbekende ontvanger. Hij was er niet in geslaagd de linkse minderheid tot een andere mening over te halen. “Het leek me op dat moment niet aangewezen mij helemaal van mijn beste vrienden uit het radicale kamp te isoleren. Niemand kon dit verraad van de partij voorspellen. Op 3-4 augustus gebeurde alles halsoverkop. We hadden slechts enkele uren, zelfs minuten, ter beschikking en werden tot onze schrik geconfronteerd met een complete uiteenspatting van de radicale vleugel. Haase, zelf lid van de minderheid in de partij, liet zich overhalen om de meerderheidsverklaring voor te lezen! Dus gaf ik me op 4 augustus tandenknarsend over aan de meerderheid. Ik heb dat onmiddellijk ten zeerste betreurd en ik ben bereid de verwijten vanwege die houding voor mijn rekening te nemen.”[16]

Karl Liebknecht zet bij de volgende stemming op 2 december en de derde stemming op 20 maart 1915 die fout weer recht. Hij wordt daardoor tot het baken van revolutionair links in Duitsland. Hij redt de eer van de Duitse socialistische beweging.

De Belgische Werkliedenpartij en de oorlog

De beslissing van de Duitse socialisten om mee te werken aan de Duitse inval in België bracht hun kameraden in de andere landen natuurlijk in een moeilijke positie. Ook de bevolking steunde grotendeels de noodzaak het land te verdedigen tegen de inval. Maar de vraag op welke manier de strijd tegen de oorlog moest worden verder gezet, heeft de leiding van de BWP zich zelfs niet gesteld. Vandervelde stuurde de Belgische arbeiders de slachtpartij in met de woorden “het is een heilige oorlog voor het recht, de vrijheid en de beschaving, voor het recht van de volkeren op zelfbeschikking”.

In de aanloop naar de oorlog stemde de BWP eind juli in met de mobilisatie van het Belgisch leger. Op 2 augustus eiste Duitsland van België de vrije doortocht voor zijn leger. De algemene raad van de BWP keurde de beslissing van de regering om dat ultimatum af te wijzen goed en besliste de oorlogskredieten te stemmen. Geen enkele socialist betwistte deze beslissingen.

Op 4 augustus 1914 viel het Duitse leger België binnen. Diezelfde morgen kwam het parlement in een buitengewone zitting bijeen. Eerst hield de koning een toespraak. Daarna ging de Broqueville naar Vandervelde en zei hem: Vandervelde, we hebben je benoemd tot minister van Staat. Je kan dat niet weigeren. Het applaus op de socialistische banken betekende dat hij zijn benoeming kon aanvaarden. Vervolgens beloofde Vandervelde de steun van de BWP in de komende strijd. In de BWP-leiding was het al patriottisme wat de klok sloeg. Louis De Brouckère, die geboekstaafd stond als marxist van de linkervleugel, bood zich aan als vrijwilliger. Hij had ooit in de gevangenis gezeten voor de verspreiding van… antimilitaristische propaganda! Ook Hendrik De Man meldde zich. Jules Destrée verklaarde dat de klassenstrijd tijdelijk moest gestaakt worden in naam van de strijd van de (Belgische) democratie tegen de (Duitse) autocratie en het militarisme. Hij stelde koning Albert voor zijn redenaarscapaciteiten aan te wenden en ging eind 1914 in opdracht van de koning de Belgische soldaten aanmoedigen aan het front.

Zelfs Camille Huysmans, die secretaris van het Internationaal Socialistisch Bureau was en aanvankelijk nog voorstander van een Duitse doortocht over Belgisch grondgebied, veranderde van mening na het ultimatum en de inval en keurde de oorlogskredieten goed.

Die opstelling was niet echt een verrassing. De houding van de Belgische Werkliedenpartij tegenover de burgerlijke staat is vanaf het begin dubbelzinnig geweest. Marcel Liebman geeft het voorbeeld van een redevoering van partijleider Emile Vandervelde in de Kamer in 1911. Nadat deze – als officieus voorzitter van de Socialistische Internationale – had gesteld dat de BWP geen nationale, maar een internationale partij was, betoogde hij: “... de dag waarop België wordt aangevallen, zullen we het land verdedigen. Misschien zelfs vuriger dan de anderen.”[17]

Nochtans beschouwden de Belgische socialisten België in 1880 niet als hun vaderland. Louis Bertrand, een van de leidende socialisten, publiceerde naar aanleiding van het halfeeuwfeest van België een werkje met de misleidende titel 1830-1880: Cinquante années de bonheur et de prospérité (Vijftig jaar van geluk en welvaart). De socialisten hadden geen reden om te vieren, zei hij. Niet alleen de arbeiders, maar ook de middenklasse niet. Hij noemde de Belgische omwenteling van 1830 de ‘gestolen revolutie’. De helden van 1830 waren rasechte proletariërs, maar het vaderland was hun allesbehalve dankbaar geweest: zij mochten wel soldaat zijn op de barricades, maar zij kregen geen stemrecht. In 1905 had de partijraad nog besloten niet deel te nemen aan de fakkelstoet waarop alle parlementsleden voor de viering van 75 jaar België werden verwacht.

Maar dit standpunt zette al de poort open voor een evolutie naar patriottisme en verdediging van het vaderland. Als de arbeider in 1830 de politieke en feitelijke sociale rechten had gekregen die hij later door bittere strijd moest veroveren, dan had hij ook al in 1830 een volwaardig vaderland gehad...

In het debat over de nationale defensie hadden de socialisten zich trouwens al vrij vroeg verzoend met het principe van landsverdediging. Ze waren voor het progressief-liberale concept van de ‘gewapende natie’. Anseele zei: “Niemand is wezenlijk vrij die de volgende drij rechten niet bezit: stemrecht om de wetten te maken naar zijne behoeften, verzekerd bestaan, om door broodgebrek voor andermans wil niet te moeten onderdoen, en wapens om de twee vorige onschendbare menschenrechten te verdedigen tegen vreemde veroveraars of binnenlandse verdrukkers. De gewapende natie is de bewapening der werkers en ontwapening der rijken.”[18]Alle pijlen werden gericht op het verouderde Belgische stelsel van dienstplicht, de loting. De afschaffing ervan – en de invoering van de persoonlijke dienstplicht – werd in 1909 goedgekeurd door een ‘progressieve en democratische’ wisselmeerderheid, socialisten incluis.

Aan de vooravond van de laatste grote stakingsbeweging voor algemeen stemrecht debatteerde de BWP op haar partijcongres van maart 1913 opnieuw over het militaire vraagstuk. De toenmalige verslaggevers geven een goede samenvatting van de overheersende opvattingen inzake vaderland en natie in de BWP: “Tegen het vaderlandsbegrip in den verheven zin van ’t woord, is het socialisme niet. Niet alleen neemt het het bestaan der Natiën aan, maar het vergt hare zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Het neemt insgelijks aan, dat de vrije volkeren zich ter verdediging van hun grondgebied en van hunne demokratische instellingen moeten voorbereiden. Zoo lang de wederlandsche geschillen niet door op wettelijke grond samengestelde scheidsgerechten zullen opgelost worden, zal men het gebruik van geweld te vreezen hebben. Doch tegenover de bestendige legers, veroveringstuigen in het buitenland en bloedige onderdrukkings- en beteugelingstuigen in het binnenland, stelt het socialisme de nationale militiën (wapening van alle burgers voor ’s lands verdediging), nieuwerwetschen vorm van de verdedigingsinrichting (uitsluitelijk voor de verdediging ingericht) der volkeren die hunne vrijheid hoogschatten, maar die eerbied koesteren voor de vrijheid van anderen.”[19]

Alleen de echte linkerzijde in de partij (Jacquemotte en Chapelier) en de zich marxistisch noemende groep rond De Man en de Brouckère verdedigden het traditionele socialistische, marxistische standpunt: “Wij arbeiders, wij hebben geen land.” “Dat ze komen, de Franschen of de Duitschers; zij zullen ons het verplichtend onderwijs en dit algemeen stemrecht geven waarvoor wij eene algemeene werkstaking aangaan.” Maar de partijleiding stelde bij monde van Jules Destrée: “Het proletariaat heeft ten minste zijn arbeid te verdedigen... Heeft de arbeider niet zijne vrouw en kinderen te verdedigen?” Vandervelde, die graag zijn kennis van het marxisme tentoon spreidde, om vervolgens meteen de principes overboord te gooien, zei: “Ja, in het Communistisch Manifest wordt gezegd dat ‘de arbeiders geen vaderland hebben’. Maar dit dateert van 1848 – de toestand was toen verre van te zijn wat hij nu is. Zeker, ik versta dat de Russische proletariër geen vaderland heeft. Maar wie zou durven beweren dat in een democratisch land als Zwitserland, bij voorbeeld, de werkende klasse geen vaderland heeft? Het begrip vaderland is betrekkelijk. Men is steeds de patriot van iemand. De proletariërs moeten trachten een vaderland te veroveren dat zij kunnen verdedigen met liefde, gelijk men zijne moeder kan verdedigen.”[20]

Na de bezetting van bijna heel België bleven sommige socialistische leiders als E. Anseele en J. Wauters in het bezette landsgedeelte. Anderen trokken naar Nederland, onder andere Huysmans in 1915. Hij bleef zich na het uitbreken van de oorlog inzetten om via de Internationale tot onderhandelingen en tot vrede te komen. Maar in feite was hij een patriot geworden met een grote bewondering voor Albert I. Joseph Wauters werd een doorgedreven vaderlandverdediger. Nog anderen, waaronder Vandervelde, hadden zich met het Belgisch leger teruggetrokken. Destrée trok naar Italië, bij het begin van de oorlog een neutraal land. Hij probeerde in 1914-1915 de Italianen te overtuigen de centrale mogendheden de oorlog te verklaren, en dat tegen de Italiaanse socialisten in. Italië trad inderdaad in de oorlog nadat de geallieerden het land gebiedsuitbreiding hadden beloofd.

Van vaderlandsloze gezellen tot haviken

Dat de leiders van de BWP zich niet konden verzetten tegen de oorlog in 1914 toen een meerderheid van de bevolking en de soldaten nog geloofden in de oorlogspropaganda, viel nog te begrijpen. Maar vanaf 1915 en zeker in 1916 was dat niet langer het geval. Er waren al verbroederingen geweest aan het front op Kerstdag 1914. Gedurende heel de oorlog vonden in het geniep verbroederingen plaats. De klassenhaat tegen de officieren die de soldaten met de regelmaat van de klok nutteloos de dood injaagden en zelf comfortabel achter het front bleven, nam toe. Ontbering en honger maakten ook de burgerbevolking opstandig. Frankrijk werd in mei-juni 1916 door een golf van stakingen overspoeld. Uit protest tegen de klassencollaboratie verscheurden tienduizenden leden hun lidkaart van de socialistische partij, de vakbonden daarentegen werden sterker. Bij de Franse socialisten ontstond een minderheid die de ‘burgervrede’ verwierp. Ook in Duitsland nam de oppositie binnen het leger en binnen de SPD toe. Jacques Pauwels[21] citeert een in die tijd in het Duitse leger zeer populair versje: “Wij vechten niet voor vaderland, wij vechten niet voor God. Wij vechten voor de rijke mensen. De armen schiet men dood.” Er waren betogingen en stakingen die met geweld werden onderdrukt. Liebknecht lanceerde de slogan “De vijand staat in eigen land.” Hij en Rosa Luxemburg vlogen de gevangenis in. Ook Rusland kreeg te kampen met meer deserties en rebellie. De sympathie voor de bolsjewieken, de partij van Lenin, nam zienderogen toe. Zij hadden zich vanaf het begin tegen de oorlog verzet en stelden grondige sociale en democratische hervormingen voor, ook ten voordele van de boeren. De bolsjewieken beloofden de grond onder de boeren te verdelen, de achturendag in te voeren en vooral een einde te maken aan de oorlog. Wat ze ook deden na de Oktoberrevolutie van 1917.

Ook aan het IJzerfront namen de deserties toe: officieel van 1.200 in 1916 tot 5.630 in 1917. Er waren veel gevallen van collectieve overgave. Sophie de Schaepdrijver schrijft in haar boek De Groote Oorlog[22] dat de Russische revolutionairen die in 1917 het hoger gezag aan hun laars lapten, op heel wat sympathie konden rekenen.

Maar dat bracht de BWP-leiders niet tot inkeer. Ze ontpopten zich tot ware haviken. Op 10 mei 1916 stelde de partijraad: “De Belgische klasse is vastbesloten het hoofd te bieden aan alle ellende en al het leed te verdragen om geen Duitse vrede opgelegd te krijgen die niet duurzaam en definitief is. Dat men niet denkt dat men zich voor ons moet haasten. Wij zijn geen vragende partij voor vrede.”[23]

Dat dit allesbehalve aan de werkelijkheid beantwoordde had Vandervelde overigens al vroeg in de oorlog aan den lijve ondervonden. Op vraag van Albert I ging hij eind 1914 langs heel het front de Belgische soldaten aanmoedigen. Op zijn vraag aan een groep soldaten of ze vertrouwen hadden in hun officieren, riepen ze luidkeels dat dit niet het geval was, waarna ze de Internationale begonnen te zingen. Vandervelde was verbouwereerd. De koning vond het daarna beter dat Vandervelde de troepen niet meer zou toespreken.

Vandervelde was dus een voorstander van de oorlog tot het bittere einde, net als de overgrote meerderheid van de BWP-leiding. Veel meer dan de socialisten in andere landen, die hem trouwens zijn oorlogszuchtige patriottisme verweten. De BWP-leiding nam het zelfs op zich om andere landen in de oorlog te betrekken of te houden. Vandervelde trok op propagandatour naar de Verenigde Staten en na de revolutie van 1917 naar Rusland. In volle Russische revolutie verspreidden de BWP-leiders er een brochure, getiteld “Oproep van de Belgische arbeiders aan hun Russische kameraden”. De Brouckère en De Man raadden Russische officieren zelfs aan met de mitrailleur te schieten op rebellerende soldaten van het zevende Siberische korps.

Alleen Huysmans bleef proberen de socialistische partijen van de vijandige landen samen te brengen. Hij organiseerde daarvoor in 1917 een conferentie in Stockholm, die niets opbracht. Binnen de BWP zag zowat niemand nog onderhandelingen zitten. Toen er eind 1916 pogingen werden ondernomen om tot een afzonderlijke vrede voor België te komen, was Vandervelde daar absoluut tegen gekant. Zelfs Albert I was vredelievender.

Naarmate de oorlog voortduurde, bekoelde de relatie tussen Vandervelde en Huysmans. Vandervelde raadde de Britse socialistische minister Henderson zelfs af deel te nemen aan de conferentie in Stockholm die Huysmans had georganiseerd. De Belgische partijraad in Brussel nam stelling tegen de vredesconferentie op basis van een door Joseph Wauters opgesteld memorandum. Huysmans’ vredesinitiatieven stonden voor veel socialisten gelijk aan defaitistische ondermijning van de nationale weerbaarheid. Eind december 1918, na de beëindiging van de oorlog dus, moest hij zijn beleid zelfs voor de algemene partijraad verantwoorden.

De regering waardeerde de opstelling van de socialisten. Joseph Wauters werd in 1916 benoemd in het Nationale Hulp- en Voedingscomité dat werd opgericht door de industrieel Solvay en de bankier Francqui met instemming van de Duitsers. Vanuit de Verenigde Staten voerden zij levensmiddelen in voor de Belgische bevolking. In feite functioneerde het comité als een officieus staatsapparaat.

In 1915-16 heerste in de Belgische leidende kringen verdeeldheid over de vraag of België na de overwinning al dan niet gebieden moest annexeren. Vandervelde was tegen, net als Albert I, met uitzondering van Malmédy, Moresnet, en indien de bevolking daar ermee akkoord ging, ook Luxemburg. Maar andere vooraanstaande socialisten waren er wel voorstander van.

Ondanks het verzet van de rechtervleugel van de katholieke partij en vooral de leiders van de Vlaamse beweging zoals Frans Van Cauwelaert en Gustave Sap, werd de regering in 1916 uitgebreid tot een regering van nationale eenheid met de socialisten en de liberalen als volwaardige ministers. Vandervelde verantwoordde zijn toetreding tot de nationale regering met het argument dat er een principieel verschil is tussen regeringsdeelname in oorlogstijd of in vredestijd en dat de annexionistische stromingen efficiënter binnen dan buiten de regering konden worden bestreden. De regeringsverklaring voorzag dat de oorlog zou worden verder gezet zonder een afzonderlijke vrede te sluiten met Duitsland. Er moest gestreefd worden naar het herstel van België en … Kongo in hun volledige onafhankelijkheid (sic voor Kongo) en … de terugkeer van Luxemburg bij België. Vandervelde beweert in zijn memoires dat er ook een ‘neiging tot mondelinge overeenstemming’ was voor een Vlaamse universiteit in Gent en voor het algemeen enkelvoudig stemrecht. Maar daarvan is niets terug te vinden in de regeringsverklaring.

Vandervelde was reeds lang voor de oorlog voorzitter van het Internationaal Socialistisch Bureau. Toen de liberaal Hymans hem zei dat hij geen twee meesters kon dienen – de Internationale (waar ook de Duitse en de Oostenrijkse socialisten deel van uitmaakten) en België – antwoordde hij dat hij zich voortaan helemaal wijdde aan de verdediging van het vaderland. Hij bleef wel voorzitter, maar het was Camille Huysmans, de secretaris, die zich bleef inzetten om via de organisatie onderhandelingen tot stand te brengen. Albert I zag trouwens het nut in van Vanderveldes positie. Eind 1915 hadden de twee het over mogelijke vredesonderhandelingen. De koning geloofde niet in een militaire overwinning. Vandervelde was het daarmee eens. Er zou moeten gepraat worden.

Albert I was Vandervelde nog om een andere reden dankbaar. In februari 1918 ging een internationale conferentie van de socialistische partijen van de geallieerde landen door in Londen onder voorzitterschap van Vandervelde. Die slaagde erin een motie te vermijden over de internationalisering van het Kongobekken na de oorlog. Aangezien de socialisten in heel Europa wel eens de sterkste partij zouden kunnen worden, had Vandervelde het bezit van Kongo voor België veilig gesteld.

Toegevingen uit angst voor revolutie

Vanaf 1916 en zeker na de Oktoberrevolutie nam de oorlogsmoeheid voor de machthebbers steeds gevaarlijker vormen aan. Albert I was zich daarvan bewust. Hij was bang dat de voortzetting van de oorlog tot revolutie zou leiden en hij zocht een uitweg, zelfs onder de vorm van een aparte vrede met Duitsland. Hij zag de Oktoberrevolutie in Rusland. Ook in West-Europa nam het ongenoegen toe. Al in september 1916 had hij informatie gekregen dat in Frankrijk bij de militairen achter het front ontevredenheid heerste, en zelfs republikeinse tendensen de kop opstaken. De katholieke minister Poullet was dezelfde mening toegedaan. De katholieken waren trouwens nog niet helemaal gerustgesteld voor wat betreft de evolutie van de BWP. Begin 1917 hadden in een Belgisch artilleriedepot vlak bij Le Havre Belgische arbeiders het werk neergelegd. Ze waren gaan klagen bij Vandervelde over het eten en de lage lonen en Vandervelde had hun zijn steun toegezegd. De regering weigerde elke toegeving, waarop Vandervelde wou opstappen. Dat werd geweigerd. Maar bij de meest conservatieve elementen in de regering deden die gebeurtenissen vragen rijzen over de loyauteit van de BWP aan de regering.

De schrik voor een revolutie nam nog toe toen in oktober 1918 ook in Duitsland een revolutionaire beweging op gang kwam. Prins Max Von Baden, de rijkskanselier, nam ontslag en werd vervangen door de socialist Ebert. Op 9 november werd de republiek uitgeroepen, de keizer was gevlucht.

Op 10 november was in Brussel een comité van Duitse soldaten aangekomen uit Berlijn. Die opstandige soldaten hadden het Duitse bezettingsbestuur verjaagd. Ook binnen de BWP verzetten Belgische militanten zich nu tegen de officiële partijlijn. Sommigen vochten aan de kant van de bolsjewieken zoals Fréderic Legrand, een smid uit Bergen. Tijdens de oorlog was hij met andere Belgische arbeiders naar de wapenfabrieken in Rusland gestuurd. In Sint-Petersburg werd hij de stuwende kracht van een Belgische groep bolsjewieken van 300 arbeiders. Hij kwam er Julien Lahaut tegen die toen soldaat was en later leider van de Communistische Partij zou worden. Legrand nam deel aan de bestorming van het Winterpaleis op 5 november 1917. Later werd hij samen met een delegatie Belgische arbeiders ontvangen door Lenin en tot 1921 vocht hij mee aan de kant van de bolsjewieken.

In de BWP zelf, zowel in Vlaanderen als in Brussel en Wallonië, verzette de linkerzijde zich tegen Vandervelde. De Vredesgroep van Gent, waar de dichter Richard Minne lid van was, eiste in 1918 het einde van de oorlog en solidariteit met de Oktoberrevolutie. Die groep was voorstander van de stichting van een Derde Internationale want de Tweede, waaraan de leiding van de BWP trouw bleef, was niet in staat geweest de oorlog te verhinderen.

Toen de Duitse soldaten tegen hun officieren in opstand kwamen en in Brussel een revolutionaire raad instelden naar het voorbeeld van wat in Duitsland was gebeurd, sloten BWP-militanten en leden van de socialistische Jonge Garde zich bij hen aan. Een van hen was Joseph Jacquemotte, de latere voorzitter van de Communistische Partij. In augustus 1920 gaf de eerste minister van de regering met socialisten vrije doorgang aan een wapentransport voor de contrarevolutionaire troepen in Polen. Toen bij het laden in Antwerpen een kist brak, ontdekten de dokwerkers de geweren en staakten onmiddellijk het werk, vooral omdat hun internationale vakbond had opgeroepen die transporten te boycotten. Baron Von der Lancken, een van de leidende figuren van de Duitse bezettende overheid, zocht contact met de BWP-leiding om te voorkomen dat de bevolking zou meegezogen worden in een opstand. Maar de BWP was helemaal niet van plan om aan de opstand deel te nemen. Wauters werd uitgenodigd bij de Duitse opstandelingen, maar weigerde iedere samenwerking. De Duitse opstandelingen benoemden Anseele tot president van de ‘Belgische republiek’. Een aanbod dat hij prompt afwees.

De leidende BWP’ers waren hoegenaamd niet met revolutie bezig. In het begin van de oorlog hadden ze de klassenstrijd afgevoerd. De in bezet gebied gebleven socialisten waren patriotten geworden en trouw aan de koning. In het Nationaal Hulp- en Voedingscomité had de partij haar loyauteit getoond. Geen haar op hun hoofd dat eraan dacht Albert I af te zetten. Dat zou snel blijken.

Er was trouwens al beslist dat er voor de machtsoverdracht een raadgevende regeringscommissie zou gevormd worden met vier katholieken, twee liberalen en twee socialisten. De BWP werd vertegenwoordigd door Wauters en Anseele.

Na de terreinwinst van het Belgisch leger dankzij het offensief van eind september, had koning Albert zijn intrek genomen in het kasteel van Loppem bij Brugge, waar de naoorlogse aanpak zou besproken worden. Albert wilde, net als de bankier Emile Franqui, de explosieve sociaaleconomische situatie ontmijnen door snel enkele radicale politieke hervormingen door te voeren. Joseph Wauters had de koning in kennis gesteld van het wantrouwen van de arbeiders jegens de regering en de leidende klassen en hem duidelijk gemaakt dat er geen tijd meer te verliezen was. Hij verwees daarbij naar de gebeurtenissen in Duitsland en Rusland.

Op veertien november kwam de nieuwe regering Delacroix I tot stand met de drie partijen.

De koning was voor de totale integratie van de socialisten in het regime. Om dat te bereiken moest de kieswet veranderd worden. Het werd stemrecht voor mannen vanaf 21 jaar. De socialisten wilden geen vrouwenstemrecht omdat dit in het voordeel van de katholieken zou spelen. De BWP kreeg drie belangrijke ministerposten: Wauters werd minister van Industrie, Arbeid en Bevoorrading, Anseele van Openbare Werken en Vandervelde van Justitie.

Er werd beslist dat de komende verkiezingen al zouden plaatsvinden onder het stelsel van het algemeen enkelvoudig stemrecht. Dat was een schending van de grondwet die eist dat het uittredende parlement eerst een artikel voor hervorming aanduidt vóór het door het nieuwe parlement kan goedgekeurd worden. Maar nood breekt wet en in dit geval nam de nood de vorm aan van schrik voor een opstand. Verkiezingen houden onder het oude systeem betekende dat zij die het meest hadden geleden onder de oorlog, namelijk de arbeiders en de kleine soldaten, maar één stem hadden, terwijl anderen er meerdere hadden. Dat zou tot gevaarlijk ongenoegen kunnen leiden. De angst voor revolutie bleef de hoogste kringen beroeren. Ook Albert zelf bleef wantrouwig: op 14 november zei hij aan de Franse generaal Degoutte dat hij enige vrees koesterde voor de Belgische socialisten. Hij had wel vertrouwen in Vandervelde en Anseele, maar was van mening dat ze de controle over hun achterban zouden kunnen verliezen.

Redders van de bestaande orde

De revolutionaire atmosfeer die toen in heel Europa heerste, had de BWP eind 1918 een sterke onderhandelingspositie bezorgd. In ons land waren er drie algemene stakingen nodig (in 1893, 1902 en 1913) maar vooral de Oktoberrevolutie om in 1919 het algemeen stemrecht af te dwingen. Er was een nieuwe algemene staking nodig in 1919 maar opnieuw vooral de Oktoberrevolutie en de schrik voor het overwaaien van de revolutie om in 1921 de achturige werkdag en de 48-urenweek te verkrijgen.

De partij maakte geen gebruik van de situatie om een sociale revolutie door te drukken, maar stelde zich tevreden met hervormingen die het bestaande systeem intact lieten. In mei 1918 verduidelijkten de algemene raad en de syndicale commissie vanuit het bezette België hun eisenprogramma in een aan Vandervelde en de Brouckère doorgegeven nota. Die bevatte vier punten: algemeen enkelvoudig stemrecht vanaf 21 jaar, afschaffing van artikel 310 uit het strafwetboek dat stakingspiketten verbood, vrijheid van vereniging voor ambtenaren en vertegenwoordiging van de BWP in het werk voor nationaal herstel. Ze wilden het bestaande regime waarmee ze zich tijdens de oorlog geïdentificeerd hadden, niet in moeilijkheden brengen.

De BWP-leiders schaarden zich van in het begin aan de kant van de contrarevolutie. Destrée haatte zelfs de Oktoberrevolutie. Lenin noemde hij “een onbetekenend iemand, half Mongool, half Boche”. Ook Vandervelde was ervan overtuigd dat de revolutie zou mislukken want “de Russische arbeiders zijn voor het grootste deel ongeletterd”. Gedurende heel de burgeroorlog voerde de BWP-krant Le Peuple een heftige campagne tegen de Oktoberrevolutie en de andere revoluties in Europa. In december 1918 schreef ze dat “een succes van de Spartakisten in Duitsland een inval van Engelse en Franse troepen nodig zou maken”. Hun geestesgenoten in Duitsland zullen zelfs de Duitse revolutie in stromen bloed smoren. In mei 1919 steunde de BWP-krant de buitenlandse interventie tegen de Sovjetmacht en in november 1920 vergeleek ze de volkscommissarissen, de Sovjetministers, met “een modernisering van de gewapende overval”.

Sindsdien is de socialistische partij een vaste steun voor het kapitalistisch regime, dat nog geen tien jaar later de bevolking in een nieuwe diepe economische crisis zal storten. Het zal in Duitsland het fascisme aan de macht brengen en een nieuwe wereldoorlog ontketenen. Vandaag zakken we opnieuw weg in een diepe crisis en wordt het gevaar van nieuwe oorlogen steeds reëler.

Sindsdien ook is de arbeidersbeweging verdeeld. In 1919 richtte Lenin de Communistische Internationale op, de Derde Internationale, ter vervanging van de sociaaldemocratische Internationale die alle socialistische idealen verraden had. Zij werd een aantrekkingspool voor alle revolutionair gebleven bewegingen. In 1921 werd de Communistische Partij van België opgericht, de Belgische afdeling van de Derde Internationale. Het was deze revolutionaire vleugel van de arbeidersbeweging die de strijd tegen het fascisme zou aanvoeren en het grootste gewicht van de overwinning op nazi-Duitsland zou dragen. Ook vandaag blijft de strijd tegen het kapitalisme en voor de vrede op de dagorde staan.

Herwig Lerouge (herwig.lerouge at teledisnet.be) is hoofdredacteur van Marxistische Studies.


[1] Charter van Quaregnon, 25-26 maart 1894. Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Charter_van_Quaregnon.

[2] De volgende paragrafen zijn gebaseerd op Leo Michielsen, Geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging, hoofdstuk 11. Zie: http://www.marxists.org/nederlands/michielsen/1976/geschied/11.htm.

[3] Voor het debat daarover zie De Verbroedering, weekblad der socialistische werkersverenigingen van het arrondissement Oudenaarde, 7 juli 1907. Digitaal te raadplegen op http://digital.amsab.be/pubs_serials/De_Verbroedering_1899_1936/1907/mts....

[4] F. Engels: Brief aan A. Bebel (22.12.1882). In Geschichte der deutschen Arbeiterbewegung, Band 2. Berlin/DDR 1966, p. 666. Geciteerd in een bijdrage van H.P. Brenner op een internationale conferentie van PVDA, NCPN, DKP en KPL in Aken op 13-14 februari 2014. De meeste Duitse citaten komen uit deze bijdrage.

[5] Rosa Luxembourg, De crisis der sociaaldemocratie (Brochure Junius), hoofdstuk 3. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1915/junius/3.htm. De wet zelf werd aangenomen op 14 juni 1900 en besliste om de omvang van de Duitse vloot te verdubbelen.

[6] W.I. Lenin, Die Aufgaben der revolutionären Sozialdemokratie im europäischen Krieg. In Lenin, Werke Deel. 1, Berlijn/DDR, 1970, p. 1f.

[7] W.I. Lenin, a.a.O., p. 2 .

[8] W.I. Lenin, An A.G. Schlapnikow (Brief van 7 oktober 1914). In W.I. Lenin, Briefe, Deel IV (augustus 1914-oktober 1917), Berlijn/DDR, 1967 p 11.

[9] Bolsjewieken (bolsjinstvó of meerderheid) vormden de revolutionaire meerderheidsfractie, de mensjewieken (mensje of minder) de reformistische minderheidsfractie van die partij.

[10] W.I. Lenin: Idem, p. 12.

[11] “Kriegszieldenkschrift” des Reichskanzlers Theobald von Bethmann Hollweg vom 9. September 1914. In Geschichte der deutschen Arbeiterbewegung, Deel 2. Berlijn/DDR 1966, p. 435f.

[12] Idem, p. 435f.

[13] Berlin 1917-1918. Parteiveteranen berichten über die Auswirkungen der Großen Sozialistischen Oktoberrevolution auf die Berliner Arbeiterbewegung, Berlijn 1957, p. 13 en 14/15. Citaat uit Geschichte der deutschen Arbeiterbewegung, Deel 2,  p. 429.

[14] Handbuch zur Geschichte der deutschen Arbeiterbewegung, Band 2. Berlijn/DDR 1987, p. 782.

[15] Erklärung der Sozialdemokratischen Partei zum Kriegsausbruch abgegeben vom Fraktionsvorsitzenden Haase im Reichstag (4 augustus 1914), uit Verhandlungen des Reichstags, XIII. LP., II. Zitting., 1914, Bd. 306, p. 8 en volgende. Geciteerd in Ernst Rudolf Huber, Dokumente zur deutschen Verfassungsgeschichte, deel 2, 1986.

[16] K. Liebknecht, Brief an einen Unbekannten. 18 februari 1915. In Gesammelte Reden und Schriften, Deel VIII, p. 195 en volgende.

[17] Marcel Liebman. Les socialistes belges 1914-1918, le P.O.B. Face à la guerre, p. 4. La revue Nouvelle, Fondation Joseph Jacquemotte, Vie Ouvrière, 1986.

[18] Geciteerd in Vanschoenbeeck., Socialisten: gezellen zonder vaderland? De Belgische Werkliedenpartij en haar verhouding tot het ‘vaderland België’, 1885-1940, BEG-CHTP, nr. 3/1997. http://www.cegesoma.be/docs/media/chtp_beg/chtp_03/chtp3_015_Vanschoenbe....

[19] Idem.

[20] Geciteerd in Jan Godderis: Oorlog aan de oorlog!? De houding van de Belgische Werkliedenpartij ten aanzien van het leger,1885-1914. Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte voor het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis. Academiejaar 2003-2004. Universiteit Gent. Zie: http://www.ethesis.net/werkliedenpartij/werkliedenpartij_inhoud.htm.

[21] Zie: http://www.volksliederarchiv.de/text7129.html; Grünefeld, p. 343. Geciteerd in J. Pauwels, De Groote Klassenoorlog, EPO, 2014, p. 356.

[22] Sophie De Schaepdrijver. De Groote Oorlog. Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, p. 222. Hautekiet, Atlascontact. 2013

[23] Geciteerd in Jan Godderis, zie hoger.