De wijziging van de wet van 1996 en het einde van het overlegsyndicalisme in België

Auteur: 
Nic Görtz

Het Belgisch syndicalisme bevindt zich mogelijk op een keerpunt. Nu de federale regeringscoalitie gekozen heeft voor een frontale aanval tegen de lonen van de werkers, in het bijzonder door de waarschijnlijke wijziging van de wet van 26 juli 1996, staat de komende regering op het punt komaf te maken met wat nog rest van het sociaal overleg. Een wijziging van die wet “tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen” zou concreet twee gevolgen hebben. Ten eerste zou het de voltooiing zijn van 30 jaar neoliberalisme en zouden de inkomsten uit kapitaal en arbeid van elkaar losgekoppeld worden; ten tweede worden de vakbonden door het opblazen van het sociaal overleg buitenspel gezet.

Vooraleer we ons in het onderwerp van dit artikel verdiepen, willen wij eerst verduidelijken hoe het debat over het concurrentievermogen een ideologisch paard van Troje is, dat door de centrumrechtse regeringen en het patronaat wordt naar voor geschoven. Op die manier willen ze het echte debat verhullen, namelijk het debat over de verdeling van de toegevoegde waarde tussen kapitaal en arbeid. Wie mee stapt in het verhaal over het concurrentievermogen, gaat in feite akkoord met de enige mogelijke uitkomst: loonsvermindering, meer flexibiliteit in de arbeidsorganisatie en lagere patronale bijdragen.

Het concurrentievermogen, het ideologisch paard van Troje

Wat is het concurrentievermogen van een staat?

Simon Briscoe, hoofd van de afdeling Statistiek van de Financial Times, zegt dat “er geen overeenstemming bestaat over welke de samenstellende elementen van het concurrentievermogen (van een staat) zouden zijn, noch over de manier om het te meten”.[1] Hoe vervelend toch…

Het concurrentievermogen van een onderneming spreekt echter voor zich. Een bedrijf is competitief als het goederen voortbrengt die minder duur zijn dan die van de concurrenten. Het kan ook concurrentievoordeel boeken als zijn productieapparaat technologisch beter is doordat het een betere technologie gebruikt of zijn personeel erg gekwalificeerd is.

Als een bedrijf niet competitief is gedurende een zekere periode lukt het er niet in voldoende diensten of goederen te verkopen (omdat ze te duur zijn in de productie en voor de verkoop, of omdat het technologisch achterop is geraakt, of omdat er onvoldoende vraag is). Een dergelijk bedrijf gaat bankroet.

Als we het begrip concurrentie toepassen op een staat, dan betekent dit dat een niet-concurrentiële staat failliet kan gaan. Maar wanneer is die niet meer concurrentieel? Wie beslist daarover? En vooral: wat zou er gebeuren? Wordt het land dan van de kaart geveegd? Worden er nieuwe atlassen gedrukt en nieuwe wereldkaarten getekend? Veranderen de burgers van dat land van nationaliteit omdat een ander land hen overkoopt alsof het producten zijn?

Het begrip concurrentievermogen is dus moeilijk toe te passen op een staat. Maar het is toch nuttig voor iets anders…

Waartoe dient het concurrentievermogen voor een regering?

Ook al heeft de toepassing van het begrip concurrentievermogen op een staat geen zin, toch maken de sociaaldemocratische en rechtse regeringen er gebruik van om loonmatiging te rechtvaardigen. Ze steunen daarvoor op ‘ernstige’ studies, zoals die van het economisch instituut Molinari[2] of het Itinera Institute[3], die vaak in bepaalde media ronkende oproepen lanceren voor een vermindering van de patronale lasten.[4]

De grote revelatie van deze studies is dat de patronale bijdragen in België hoog zijn. Maar die bijdragen – net zoals de bijdragen van de werkers – dienen om de sociale zekerheid te financieren. Die sociale zekerheid dient op haar beurt hoofdzakelijk om de werkers te verzekeren tegen risico’s die inherent zijn aan het feit dat ze moeten werken om te overleven, ze hebben nu eenmaal geen andere keuze. Daarnaast is de sociale zekerheid de eerste pensioenpijler, die iedereen die heel zijn leven gewerkt heeft, verzekert van een inkomen. Ze staat ook in voor een deel van de kosten van de gezondheidszorg omdat de arbeid de werkers fysisch uitput. En tot slot garandeert zij een vervangingsinkomen aan diegenen die zonder werk vallen.[5]

Achter de sociale zekerheid schuilt het idee dat werken geen keuze is. En wanneer de regering de patronale bijdragen vermindert – zogezegd om meer banen te scheppen – dan onttrekt ze geld aan alle werkers die enkel hun twee handen hebben en niet beschikken over kapitaal dat hen vrijstelt van arbeid.

Concurrentievermogen: een ideologisch wapen in handen van regering en patronaat?

Als de regering het concurrentievermogen van België zou willen verbeteren – voor zover dit concept op een staat kan toegepast worden – zou ze de energiekosten kunnen verminderen door de grote energieproducenten te nationaliseren en de verkoopprijs van de energie per kilowatt/uur te controleren. De stijging van de energiekosten is een zware handicap voor ons land omdat onze industriebekkens energie verslinden. Het concurrentievermogen verbeteren zou bijvoorbeeld kunnen door de energieprijzen aan banden te leggen.

De regering zou een exportstrategie kunnen uitwerken. Ze zou het land en de gewesten kunnen aanzetten tot specialisatie en een infrastructuur ontwikkelen voor de uitvoer van producten waarvoor een sterke vraag bestaat. Als overheid zou ze ook kunnen beslissen haar eigen strategie in praktijk te brengen in plaats van het initiatief over te laten aan de privé. Ja, maar nee...

In plaats daarvan probeert de Belgische regering – net zoals die van andere Europese landen – het concurrentievermogen te verbeteren door in te werken op de lonen. De redenering is de volgende: ‘Als het land onvoldoende uitvoert, komt dat doordat onze producten te duur zijn. Om dat te verhelpen moeten de lasten van de ondernemingen naar omlaag.’ Deze ‘lasten’ – prachtige woordkeuze, trouwens – zijn de loonkost, de nog onvoldoende flexibele arbeidsorganisatie en de naar de zin van de aandeelhouders te hoge patronale bijdragen.

Die concurrentiestrategie op het vlak van de lonen is niet zonder risico's. De Internationale Arbeidsorganisatie wijst daarop: “Een daling van het aandeel van de arbeid (…) heeft ook een nadelige invloed op de consumptie van de huishoudens en kan dus leiden tot tekorten in de totale vraag. Sommige landen hebben die tekorten gecompenseerd door een stijging van hun netto export, maar niet alle landen kunnen daarnaast ook een overschot op hun lopende rekening aanhouden. Bijgevolg loopt een strategie van vermindering van de arbeidskosten per eenheid product – wat vaak wordt aangeraden voor landen in crisis met tekorten op hun lopende rekening – meer het risico de binnenlandse consumptie te doen afnemen dan wel de export te doen toenemen. Als een groot aantal landen tegelijk uit concurrentieoverwegingen aan loonmatiging doen, kan dit leiden tot een ‘wedloop naar beneden’ voor wat betreft het aandeel van de arbeid, en de totale vraag doen krimpen.”[6] Met andere woorden: als de lonen dalen, hebben de werkers minder geld voor consumptie. Het land zal dus minder producten aankopen in andere landen. Als de import van een land daalt, dan daalt eveneens de export van de andere landen. Deelnemen aan dit concurrentiespel duwt alle landen in een neerwaartse spiraal.

De conclusie is onherroepelijk: de regering heeft meerdere keuzes maar kiest opzettelijk voor loonmatiging, een meer flexibele arbeidsorganisatie en een vermindering van de patronale lasten. Het concurrentievermogen is dus een ideologisch paard van Troje dat de regeringen en het patronaat inzetten om neoliberale maatregelen in crisistijd te rechtvaardigen.

Eens men meegaat in het debat over het concurrentievermogen bestaat er geen positieve uitweg. De zoektocht naar competitiviteit verarmt de bevolking verder en de economie vindt geen nieuw elan. Het land komt dan terecht in de vicieuze besparingscirkel.[7]

Bron: Centrale Nationale des Employés (CNE, CSC), Le Bulletin des Militants, december 2012, p. 16.

De voltooiing van 30 jaar neoliberalisme

Om te begrijpen waarom het debat over het concurrentievermogen nu weer wordt geopend, moeten we het situeren in zijn historisch kader. Het neoliberalisme wordt vaak gezien als een economisch beleid dat in de jaren 1980 werd ingevoerd en gericht is op de organisatie van heel het economisch en sociaal leven met een vrije markt en zo weinig mogelijk regels en overheidsbemoeiing. Alles kan gekocht en verkocht worden en de overheid waakt erover dat de concurrentieregels worden gerespecteerd. Een van de gevolgen van het neoliberale beleid is een explosieve toename van de dividenden voor de aandeelhouders en een daling van de lonen voor de werkers. Met andere woorden: een wijziging van de verdeling van de toegevoegde waarde tussen kapitaal en arbeid.

Grosso modo betekent de toegevoegde waarde het verschil tussen de verkoopprijs van een product of een dienst en de prijs die nodig was om dat product of die dienst te produceren. Die toegevoegde waarde wordt vervolgens verdeeld onder de werkers (in de vorm van loon) en de kapitaalbezitters (in de vorm van winst).[8]

Met het neoliberalisme zouden de regeringen overgestapt zijn van een interveniërende rol – ze komen tussen in de economie – naar de rol van scheidsrechter tussen de economische actoren. ‘Als de economische spelers slecht spelen, dan ligt dat niet aan de scheidsrechter.’ De overheid zou dus geen enkele echte verantwoordelijkheid dragen en de zorgen van de werkers zouden het gevolg zijn van een voor hen nadelig economisch spel. De feiten wijzen echter op het tegendeel: de overheid/scheidsrechter, die beweert de regels te doen eerbiedigen, steekt geregeld haar voet uit om de bal in het doel van de werkers te schieten.

In werkelijkheid bemoeit de regering zich al veertig jaar lang onophoudelijk en almaar meer met de collectieve onderhandelingen. Het resultaat van die bemoeienissen is de geleidelijke beperking van de onderhandelingsmarge van de syndicale organisaties.[9] De regering hanteert daarbij telkens dezelfde techniek: een schot met het geweer, een slag met de stok, een schot met het geweer, een slag met de stok. De economische crisis en zijn nasleep zijn uitgelezen momenten voor geweerschoten.

In de recente Belgische geschiedenis onderscheiden we twee periodes: van 1944 tot 1973 en van 1974 tot vandaag.

Van 1944 tot 1973: de verdeling van de productiviteitswinst

De eerste periode heeft als grondslag het Sociaal Pact van 1944. Deze overeenkomst werd tijdens de oorlog in het geheim onderhandeld tussen de syndicale organisaties en het patronaat en uitgevoerd door de regering. Het vormt de hoeksteen van het Belgisch sociaal compromis: de vakbonden verbinden zich tegenover de patroons en de regering tot een zekere sociale vrede; in ruil krijgen de werkers een sociale zekerheid en er wordt een systeem van sociaal overleg op poten gezet voor de verdeling van de productiviteitswinst.

De oorsprong van deze voor de werkers voordelige krachtsverhouding is te danken aan de uitkomst van de Tweede Wereldoorlog: het is voor iedereen duidelijk dat het de werkers zijn die garant staan voor sociale vrede en dat zij de rijkdom voortbrengen. Bovendien staan de communistische tanks in Berlijn, nauwelijks 800 km van Brussel; er zitten communisten in het parlement en zij waren de ware verzetshelden. Onder de bevolking circuleert tot slot ook een niet te verwaarlozen hoeveelheid wapens, die de regering het liefst ongebruikt wil laten. Het sociaal overleg en de loononderhandelingen – met het oog op een rechtvaardiger verdeling van de productiviteitswinst – zal tijdelijk toelaten het conflict tussen kapitaal en arbeid te temperen, zonder het evenwel volledig uit te schakelen.

De Belgische industrie is minder beschadigd dan die van de andere Europese landen en dat biedt België in de eerste jaren na de oorlog een zeker voordeel. De fabrieken draaien op volle toeren. Maar het liedje is van korte duur: België wordt al snel ingehaald door de andere Europese landen, die door de heropbouw beschikken over een modernere en beter presterende industrie. De vakbonden en het patronaat ondertekenen een eerste gemeenschappelijke productiviteitsverklaring in 1954. De werkers gaan akkoord met de maatregelen voor een stijging van de productiviteit in ruil voor een deel van de geproduceerde rijkdom. Vijf jaar later eisen de vakbonden de ondertekening van een tweede gemeenschappelijke verklaring. Er worden inderdaad nieuwe maatregelen ingevoerd voor een verhoging van de productiviteit; er komen investeringen… maar voor de werkers blijft het een lege doos.

In 1960 sluiten de patroons en de vakbonden zelfs een sociaal programma-akkoord af dat voorziet in nul overheidstussenkomst. Tussen 1960 en het begin van de jaren 1970 floreert België: de economische context is gunstig, de sterke sectoren zetten – dankzij herhaalde stakingen – grote stappen vooruit op het vlak van lonen en arbeidsduurvermindering.

Tussen 1944 en 1973 spelen conflict en overleg tussen vakbonden en patronaat zich af op het terrein van de verdeling van de productiviteitswinst. De overheid komt niet tussen in de onderhandelingen.

Van 1973 tot nu: naar toenemende ongelijkheid

In 1973 wordt België, zoals trouwens alle kapitalistische economieën, getroffen door de eerste petroleumcrisis, die de crisis van overproductie doet losbarsten. De lonen blijven stabiel en bijgevolg is het de winstvoet die daalt, tot groot ongenoegen van de kapitalisten. Met de uitbreiding van de internationale handel, eerst met Europa en later met de rest van de wereld, verandert het gedachtepatroon: van enig herstel van de winstvoet door een toename van de productiviteit is geen sprake meer; het accent wordt nu gelegd op een daling van de productiekosten, in het bijzonder de loonkosten.

Sindsdien is de regering uit de schaduw getreden en zal ze regelmatig ingrijpen in de onderhandelingen tussen de sociale partners. Haar interventies hebben als belangrijkste kenmerk de afwisseling tussen geweerschoten (bevriezing van de lonen) en stokslagen (beperking van de onderhandelingsmarges van de vakbonden).

1975: geweerschot. Vakbonden en patroons onderhandelen maar komen niet tot een akkoord. De federale regering grijpt in en legt een inkomensmatiging op, waaronder een indexsprong voor een gedeelte van het loon en de inlevering van de helft van de voordelen die na oktober in de CAO’s werden toegekend, dit laatste ten voordele van een solidariteitsfonds voor de financiering van de prepensioenen.

Stokslag. In 1980-81 roept de nieuwe regering (van socialisten en christen-democraten) de sociale partners op om tot een akkoord te komen over een nieuwe loonmatiging. Indien er geen akkoord komt, zal zij dat via wet opleggen. Onder druk van de regering aanvaarden de vakbonden in februari 1981 de loonmatiging.

1982 – 1986: dubbel geweerschot. In februari 1982 devalueert de regering de Belgische frank met 8,5 % ondanks de loonmatiging en legt na de mislukking van de sociale onderhandelingen een loonstop (met drie indexsprongen) van vier jaar op. Tussen 1975 en 1986 worden er geen interprofessionele akkoorden afgesloten.

Stokslag. De regering belast de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) met de jaarlijkse opstelling van een technisch rapport over de factoren van het concurrentievermogen. De vakbonden, die graag hun verloren onderhandelingsvrijheid willen heroveren (in 1986), zullen zich moeten tevreden stellen met een omkaderde onderhandelingsvrijheid… op basis van de rapporten van de CRB.

Na twee jaar van debat en een regeringswissel (met opnieuw socialisten en christendemocraten) stemt het parlement in 1989 een wet ter vrijwaring van het concurrentievermogen om de Belgische frank te koppelen aan de Duitse mark. Deze wet waakt over het behoud van de positieve handelsbalans van België. De loonkwestie dient als aanpassingsvariabele: als de uitvoer daalt, moeten de lonen aangepast worden.

1993: geweerschot. In 1993 stelt de regering op basis van de in de wet van 1989 vastgelegde criteria een daling van het Belgisch concurrentievermogen vast. Premier Jean-Luc Dehaene (christendemocraat) roept op tot een nieuw pact zoals in 1944. Tussen de lijntjes kun je echter lezen dat dit een wijziging zou inhouden van de grondslagen van het Belgisch sociaal model. De weigering van de vakbonden om te tornen aan de grondslagen van het Belgisch sociaal model maakt een ‘Globaal Pact’ tussen de regering en de sociale onderhandelaars onmogelijk. De regering Dehaene zal dan, tegen de vakbonden in, haar berucht Globaal Plan opleggen. Met het oog op de integratie van de Economische en Monetaire Unie opteert de Belgische regering voor de ‘gezondmaking van de overheidsfinanciën’ en een verkleining van de ‘loonhandicap’. Kortom, onder het voorwendsel van economische convergentie van de EU-lidstaten snijdt de regering in de openbare diensten en bevriest de reële lonen voor de periode 1995-1996.

Hetzelfde jaar stelt Jacques Delors, toenmalig voorzitter van de Europese Commissie en oud-secretaris van de Franse socialistische partij, zijn Witboek van de Europese Commissie voor. Hij stelt dat “de productiviteitswinsten moeten gaan naar investeringen die toekomst bieden en werkgelegenheid scheppen”. Maar tussen de lijntjes lezen wij: ‘de productiviteitswinsten mogen niet naar de wereld van de arbeid gaan maar naar de wereld van het kapitaal’. Het Witboek van 1993 geeft de patroons carte blanche om dividenden uit te delen. Ziedaar de nieuwe grondslagen van het Belgisch sociaal model, met dank aan Europa!

Stokslag. De vakbonden – en de werkers – voelen zich buitenspel gezet, wat een vruchtbaar terrein creëert voor sociaal verzet. Maar na de bevriezing van de lonen neemt de regering opnieuw het initiatief en brengt de sociale gesprekspartners weer rond de tafel. Zij stelt een akkoord voor dat door het ABVV wordt verworpen en door een zeer kleine minderheid in het ACV wordt aanvaard. De regering zal dan zelf een nieuwe wet goedkeuren om de lonen te omkaderen en het concurrentievermogen preventief te vrijwaren. Dat is de wet van 26 juli 1996. De onderhandelingsmarge van de vakbonden wordt almaar kleiner…

De wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen (26 juli 1996)

Het principe is relatief eenvoudig: door haar handtekening te zetten onder het Verdrag van Maastricht heeft de Belgische regering zich ertoe verbonden bepaalde criteria te respecteren opdat het land zou kunnen toetreden tot de Economische en Monetaire Unie. Eén van die criteria is dat de inflatie – de prijsstijging – onder controle moet gehouden worden. Maar het behoud van de automatische indexering van de lonen – het instrument dat de koopkracht op peil houdt en door de vakbonden met hand en tand wordt verdedigd – maakt zulke controle minder vanzelfsprekend. De wet van 1996 zal dan op de volgende manier aan de vakbonden worden voorgesteld: aanvaard een nieuwe beperking van uw loononderhandelingsmarge en in ruil komt er meer werkgelegenheid en wordt de index behouden.

De wet voert een kaderprocedure voor collectieve loononderhandelingen in. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven moet tegen 30 september 1996 een rapport voorleggen met een maximale marge voor de collectieve loonkostenontwikkeling, rekening houdend met de Belgische loonkostenontwikkeling van de voorbije twee jaar en de perspectieven op dat vlak van onze belangrijkste partners (Duitsland, Frankrijk en Nederland). Vóór 31 oktober moeten de sociale gesprekspartners tot een interprofessioneel akkoord komen. Dit akkoord bepaalt op basis van het rapport van de CRB de minimale en de maximale marge voor de nominale loonkostenontwikkeling.

De interprofessionele minimumverhoging zal gelden voor alle lonen in de privésector. De federale regering neemt akte van het akkoord tussen de sociale gesprekspartners.

Daarna volgen collectieve loononderhandelingen per sector. In elke sector proberen de vakbonden, naargelang de macht die ze in de weegschaal kunnen gooien, een bijkomende verhoging af te dwingen. De sectoren waarin de vakbond zwak staat zullen bij het interprofessioneel minimum blijven, terwijl de sterkere sectoren er zullen in slagen boven het minimum uit te komen. Als ze daarin lukken dan genieten alle bedrijven van de sector van deze verhoging.

Er kan nog verder onderhandeld worden in de bedrijven (bedrijfsovereenkomsten). De akkoorden op dit niveau gelden alleen voor de werknemers van de betrokken onderneming.

In de wet zijn een aantal ‘bijsturingsmechanismen’ opgenomen.[10] In theorie moeten de sociale partners bijsturen wanneer zij constateren dat de maximumnorm, zoals vastgelegd in het rapport van de CRB, wordt overschreden. Doen ze dat niet, dan kan de regering de sociale gesprekspartners bijeenroepen voor overleg en een bemiddelingsvoorstel doen. Als ook hieruit geen akkoord voortkomt, kan bij Koninklijk Besluit een bijsturingsmechanisme worden opgelegd. Dit is in werkelijkheid nog nooit gebeurd.

In de praktijk is de regering sinds 1996 herhaaldelijk tussengekomen in de onderhandelingen tussen de sociale gesprekspartners. Crisistijden zijn niet bevorderlijk voor de goede verstandhouding tussen de sociale partners en het is de regering die zorgt voor een zekere sociale vrede door de wielen te smeren. De vakbonden haalden een verbetering van de koopkracht van de werkers binnen en de regering kwam de patroons tegemoet met verminderde sociale bijdragen om het concurrentievermogen van de ondernemingen te vergroten. Officieel kregen de patroons die bijdrageverminderingen in ruil voor nieuwe werkgelegenheid… Vermits er geen enkel bewijs is van nieuwe jobs (die waren er enkel in de niet-commerciële sfeer), luidt de duidelijke conclusie dat de overheid, en bijgevolg de gemeenschap, het behoud en de stijging van de patronale winsten heeft betaald. 

De wet van 1996 maakt de radicale aanpassing van de grondslagen van het Belgisch sociaal model sinds de crisis van overproductie van 1973 officieel. Dit model is overgegaan van een gegarandeerde sociale vrede door een verdeling van de productiviteitswinsten tussen patroons en vakbonden (Pact van 1944) naar een sociale vrede onder voorbehoud van vrijwaring van het sociaal overleg en tripartiete onderhandelingen (tussen vakbonden, patroons en de overheid). Onder het voorwendsel van Europese convergentie beperkt die sociale dialoog het aandeel van de toegevoegde waarde dat naar de werkers gaat en keurt terzelfdertijd een toename van de inkomsten van het kapitaal goed.

Het echte debat gaat niet over het concurrentievermogen maar wel degelijk over de verdeling van de toegevoegde waarde tussen de wereld van de arbeid en die van het kapitaal. En de overheid verleent al veertig jaar lang haar medewerking aan de inkrimping van de onderhandelingsmarge van de vakbonden en bijgevolg aan de daling van de inkomsten voor de werkers.

Het recente debat over het concurrentievermogen is simpelweg een nieuwe manier om de systematische aanvallen op de lonen, die al veertig jaar bezig zijn, verder te zetten.

Onderstaande grafiek levert het bewijs. Zij toont de evolutie van het aandeel van de lonen en van de uitgekeerde winsten van de niet-financiële ondernemingen in België. Tussen 1985 en 1996 is het aandeel van de lonen gedaald met meer dan 1 %. In diezelfde periode klommen de uitgekeerde winsten van 5 % naar meer dan 7 %. Sindsdien hebben deze tendens zich alleen maar doorgezet…

Bron: Reginald Savage, “Part salariale en Belgique: débat introuvable et diagnostic controversé”. Colloquium “La distribution des richesses. Quelle part au salaire? ”, ULB, Brussel, oktober 2012.

Het Duitse model achterna!

En toch... In hun concurrentiestrijd blijven het patronaat en de regeringen hun 'oplossingen' inzetten, de ene na de andere. Krediet en speculatie hebben luchtbellen gecreëerd die de financies van de gezinnen doen uiteenspatten.[11] Maar in 2014 volstaat de beperking, ingevoerd met de wet van 1996, niet langer. De regering wil verder gaan: meer flexibele arbeid, minder dure arbeid! De Duitse oplossing.

Het Duitse model is de samenvoeging van loonmatiging en de ‘modernisering’ van het geheel van de arbeidsmarkt (met zowel werkers als werklozen).[12] In Duitsland is modernisering synoniem met destabilisering van de arbeidsmarkt, namelijk door de massale activering van werklozen in ongeschoolde en slecht betaalde banen. Het is deze activering die het mogelijk heeft gemaakt zulke lage lonen aan te houden. 7,5 miljoen Duitsers hebben een ‘mini-job’ met een tijdelijk contract en tegen maximum 400 euro per maand. De werkgevers zijn vrijgesteld van sociale bijdragen en de werknemers hebben geen recht op een ziekteverzekering of een werkloosheidsuitkering en betalen geen pensioenbijdrage.[13]

De andere regeringen wijten het economisch succes van Duitsland aan die sociale ellende. Maar dat is niet de enige reden. We moeten er nog aan toevoegen dat Duitsland het merendeel van zijn industrie met een zwakke toegevoegde waarde heeft verhuisd naar de lageloonlanden in het oosten en zich in eigen land specialiseert in bepaalde producten waarnaar veel vraag is in de opkomende landen.[14]

Kortom, de Duitse economische prestaties gaan tegen de stroom in. De prijs: loonmatiging, flexibilisering/destabilisering/modernisering van de arbeidsmarkt, onvoldoende investeringen in menselijk kapitaal, delokalisering van de productie en specialisatie in de uitvoer van bepaalde producten. Hieruit onthouden onze economische en politieke leiders maar drie elementen:

  • de Duitse economie presteert goed (op korte termijn),
  • de economische prestaties zijn te danken aan loonmatiging (en een veralgemening van de working poor, maar dat is dan maar zo),
  • de economische prestaties zijn te danken aan de modernisering van de arbeidsmarkt (en de toenemende instabiliteit, en ook dat is dan maar zo).

Huidige situatie en wijziging van de wet van 1996

De Belgische regeringen volgen al meerdere jaren een beleid dat er op gericht is de lonen te verminderen of te bevriezen om het concurrentievermogen te vergroten. Zij combineren het Duitse model met de Europese richtlijnen. In een eerste etappe moest massale werkloosheid verzekerd worden. Een van de mogelijkheden daarvoor is de werkers langer te doen werken. Dat wordt gerealiseerd met het Generatiepact van 2005-2006. De pensioenleeftijd wordt opgetrokken terwijl er 600.000 werklozen zijn. 600.000 mensen die, dankzij de opgedreven controle vanaf 2004, zich verplicht zien lagere lonen en slechtere werkvoorwaarden (o.a. uitzendarbeid) te aanvaarden om toch maar aan de slag te kunnen. 600.000 mensen die, door hun onzekere situatie, onvrijwillig een neerwaartse druk uitoefenen op de lonen.

Tweede etappe: in 2010-2011 komt er geen interprofessioneel akkoord. Vakbonden en patroons gaan in 2011 akkoord met een loonstop en in 2012 met een loonsverhoging van maximum 0,3 %. Dat is weinig. In de bijlagen wordt al gesproken over de noodzaak van een harmonisering van het statuut van arbeiders en bedienden, ten koste van de bedienden en op de rug van de sociale zekerheid. Dat dossier verdeelt het gemeenschappelijk front en zorgt voor spanning binnen de twee grootste vakbonden.[15]

Derde etappe: 2012. Europa legt besparingen op. De regering mikt in eerste instantie op de niet-georganiseerde werknemers – de werklozen krijgen een versnelling van de degressiviteit van de uitkeringen aangesmeerd – en doet een nieuwe aanval op de pensioenleeftijd.

2012 is het jaar van de aanval op de niet-actieve bevolking. In 2013 richt de regering haar pijlen op de actieve bevolking.

Dubbel geweerschot. De regering legt een loonstop op voor 2013-2014: 0 % loonsverhoging. Zonder enige raadpleging van de vakbonden. En een wijziging van de indexkorf als kers op de taart.

Na de 22 miljard besparingen van de regering Di Rupo “zonder te raken aan de koopkracht” is het maar de vraag of er nog iets anders is dan geweerschoten.

De regering zal waarschijnlijk proberen de competitiviteitswet van 1996 te wijzigen. Ze heeft er alle belang bij: zo kan ze de schijn ophouden dat ze het overlegmodel in leven houdt ook al blijft er niets meer over om te onderhandelen. Binnen dat overlegmodel zouden de vakbonden akkoord gaan om de sociale vrede te handhaven maar verplicht worden te onderhandelen in de marge van de marge. En dit zonder ooit de werkers tevreden te stellen die er zich hoe langer hoe meer van bewust worden dat zij de crisis betalen en de grote aandeelhouders ervan profiteren.

Voor de vakbonden betekent het behoud van het sociaal overleg ondanks een wijziging van de wet van 1996 de aanvaarding van nieuwe beperkingen van hun onderhandelingsvrijheid. Terwijl alle voorwaarden voor het behoud van de sociale vrede worden verbroken, betekent het behoud van het overleg dat dit instrument is verworden tot een fetisj, een principe, een morele waarde. Voor de regering en het patronaat zou dat een kleine stap zijn naar meer concurrentievermogen. Voor de vakbonden echter zou het een grote sprong zijn naar een corporatistisch syndicalisme.

Deze visie op het syndicalisme is voorstander van een ‘organische’ kijk op de samenleving, niet rechts en niet links[16], waarin patroons en werkers harmonieus samenleven onder het leiderschap van de overheid. Dit soort syndicalisme verwerpt met klem de klassenstrijd en verzet zich zo tegen het strijdsyndicalisme en tegen vakbonden die vechten voor sociale omvorming.

De komende jaren zullen bepalend zijn voor het gelaat van het Belgisch syndicalisme. Toen Reagan en Thatcher aan de macht kwamen, waren de Amerikaanse en Britse vakbonden de eerste doelwitten. Vandaag is het debat in België zeer concreet aan de orde: zullen de vakbonden de sociale strijd aanbinden of zullen ze zich erbij neerleggen?

Nic Görtz (nic.görtz at gmail.com) is vormingswerker en doctoreert aan de Solvay Brussels School – Economics & Management.


[1] Simon Briscoe, Financial Times, 25 april 2005. Zie: http://politique.eu.org/spip.php?article2240.

[2] Institut économique Molinari, Le fardeau social et fiscal de l'employé moyen en Belgique, 2013.

[3] Albrecht Johan, 2014-2019: Compétitivité, Itinera Institute, Election series 2014.

[4] De Caevel, Christophe, “La Belgique serait de très loin la championne d’Europe du coût salarial”, L’Echo, 26 juli 2013.

[5] In Brussel is er één baan per 47 werkzoekenden. (cijfers Actiris, april 2013).

[6] Samenvatting van het rapport over lonen in de wereld 2012/2013, Internationale Arbeidsorganisatie, december 2012.

[7] Centrale Nationale des Employés (CNE, lid van CSC), Le Bulletin des Militants, december 2012, p. 16.

[8] Henri Houben, La crise de trente ans, Brussel, Aden, 2012, p. 54-55.

[9] Zie Luc Masure, “La loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l’emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité. Quelques éléments de réflexion sur la ‘norme salariale’”, Federaal Planbureau, Working Paper 2-12, 2012; Reginald Savage, “Part salariale en Belgique: débat introuvable et diagnostic controversé”, Econosphères, 2012; Denayer, Luc en Robert Tollet, “Mécanismes institutionnels de la formation des salaires en Belgique”, Politique salariale dans la zone euro, 2002; Bogaert, Henri, “La loi relative à la promotion de l’emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité: bilan et perspectives”, in Reflets et perspectives de la vie économique, Deel LI, 2012, p. 33-45.

[10] Luc Masure, op. cit.

[11] Jo Cottenier en Henri Houben, “De systeemcrisis”, Marxistische Studies, nr. 84, 2008. Zie: http://marx.be/nl/content/archief?action=select&id=78.

[12] Zamora Vargas, Daniel, “ De welvaartsstaat, de arbeidskracht als waar en de activering van werklozen en armen”, Marxistische Studies, nr. 101, 2013. Zie: http://marx.be/nl/welvaartstaat-activering-werklozen-armen.

[13] Freddy Heylen en Tim Buyse, “Compétitivité et performances macroéconomiques en Allemagne: suivez le guide? ”, Reflets et perspectives de la vie économique, Deel LI, 2012, p. 47-65.

[14] Dalia Martin, Verslag van de conferentie “Globalisering van industriële productieketens en het meten van de handel in de toegevoegde waarde om een duidelijker beeld te krijgen van de globalisering”, Wereldhandelsorganisatie, Parijs, 2010.

[15] Lucca Ciccia, “Le front commun est mort, vive le front commun”, Revue Politique, nr. 70, 2011. Zie: http://politique.eu.org/spip.php?artikel 1463 .

[16] Sternhell, Zeev, Ni droite, ni gauche. L’idéologie fasciste en France, Complexe, Parijs, 1987.