Digitale arbeid en imperialisme

Auteur: 
Christian Fuchs

Een eeuw is nu verstreken sinds de publicatie van Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme (Lenin, 1916), Imperialisme en Wereldeconomie (Boecharin, 1915) en Accumulatie van het kapitaal (Rosa Luxemburg,1913). Alle drie bestempelden ze het imperialisme als een motor en een werktuig van het kapitalisme. Het was het tijdperk van de Eerste Wereldoorlog, van monopolies, antitrustwetten en stakingen voor loonsverhoging, van de ontwikkeling van de lopende band door Ford, van de Oktoberrevolutie, de Mexicaanse Revolutie, de mislukte Duitse revolutie en nog veel meer. Het was een tijdperk waarin het kapitalisme het hoofd moest bieden aan almaar grotere en intensere uitdagingen op wereldvlak.

Dit artikel bespreekt de rol van de internationale arbeidsverdeling in de klassieke marxistische concepten van het imperialisme en breidt deze ideeën uit naar de internationale arbeidsverdeling in de productie van de informatie en informatietechnologie van vandaag. Ik zal aantonen dat digitale arbeid als nieuw ontginningsgebied van de kapitalistische innovatie en exploitatie centraal staat in de structuren van het hedendaagse imperialisme. Uit mijn analyse zal blijken dat de informatie-industrie een van de meest geconcentreerde economische sectoren van het nieuwe imperialisme is; dat hyperindustrialisering, financiën en informationalisme1 bij elkaar horen; dat multinationale informatiebedrijven geworteld zijn in natiestaten maar wereldwijd actief opereren; en dat de informatietechnologie een middel is geworden om oorlog te voeren.2

De definitie van imperialisme

In zijn ‘populaire verhandeling’, de ondertitel van zijn beroemde werk uit 1916, definieerde Lenin het imperialisme als “kapitalisme, op die trap van ontwikkeling, waarop de heerschappij van de monopolies en het financierskapitaal tot stand komt, de kapitaalexport een enorme betekenis heeft gekregen, de verdeling van de wereld tussen de internationale trusts is begonnen en de verdeling van het gehele grondgebied van de aarde tussen de grootste kapitalistische landen is voltooid.”3

Boecharin en Preobrazhensky begrepen het imperialisme als “het beleid van verovering dat door het financieel kapitaal wordt nagestreefd in de strijd om de markten voor de grondstoffenbronnen en voor plaatsen waar kapitaal geïnvesteerd kan worden.”4 Boecharin was een tijdgenoot van Lenin en redacteur van de Pravda van 1917 tot 1929. Zijn conclusies zijn vergelijkbaar met Lenins opsomming van de belangrijkste kenmerken van het imperialisme. Boecharin omschreef het imperialisme als “een product van het financierskapitalisme” en argumenteerde dat “het financierskapitaal geen ander beleid kan nastreven dan een imperialistisch”.5

Voor Boecharin is het imperialisme ook noodzakelijkerwijze een vorm van staatskapitalisme, een concept dat moeilijk in praktijk gebracht kan worden in de context van het neoliberalisme, dat meer gebaseerd is op de wereldwijde overheersing door ondernemingen dan door natiestaten. Hij zag naties als “kapitalistische overheidstrusts” die betrokken zijn bij een “wereldwijde strijd” die leidt tot een mondiale oorlog.6 Voor Boecharin is het imperialisme gewoon “de uitdrukking van de concurrentie tussen” deze trusts, die allemaal gericht zijn op “de centralisatie en concentratie van kapitaal in hun handen”.7 Lenin daarentegen schreef : “… en ten tweede is het typerend voor het imperialisme, dat enkele grote mogendheden wedijveren in hun streven naar de hegemonie, d.w.z. naar het in bezit nemen van gebieden, niet zozeer direct voor zichzelf als wel om de tegenstander te verzwakken en diens hegemonie te ondermijnen.”8 Lenins formulering van concurrentie tussen “grootmachten” is voorzichtiger dan Boecharins concept van kapitalistische overheidstrusts, omdat het zowel ondernemingen als staten omvat.

Voor Rosa Luxemburg is het imperialisme dan weer de gewelddadige geografische en politieke uitbreiding van de accumulatie van kapitaal, “de concurrentiestrijd om de rest van het niet-kapitalistische milieu in de wereld, dat nog niet in beslag is genomen. [...] Bij de hoge ontwikkeling en de steeds heviger concurrentie van de kapitalistische landen voor het verkrijgen van niet-kapitalistische gebieden neemt het imperialisme in geweld en wetteloosheid toe, zowel in het agressieve optreden tegen de niet-kapitalistische wereld, als in de verscherping van de tegenstellingen tussen de concurrerende kapitalistische landen onderling. Maar hoe gewelddadiger, energieker en grondiger het imperialisme de ondergang van niet-kapitalistische beschavingen teweegbrengt, des te sneller verliest de kapitaalaccumulatie daarmee grond onder de voeten.”9

Rosa Luxemburg stelt dat het kapitaal zijn wereldwijde uitbuiting wil opdrijven om “wereldwijd zonder beperking de arbeidskrachten te mobiliseren om alle productieve krachten van de wereld te kunnen benutten.”10

Ongeacht hun verschillen zijn Lenin, Boecharin en Luxemburg het met elkaar eens dat het imperialisme “de laatste fase van het kapitalisme”11 is, een vorm van “verrottend kapitalisme”12 en dat bijgevolg de “ondergang van de bourgeoisie onvermijdelijk is”.13 Dergelijke verklaringen weerspiegelen niet alleen het politieke optimisme van de revolutionairen van die tijd, maar ook een toenmalig gemeenschappelijk structuralistisch en functionalistisch begrip van het kapitalisme dat de onvermijdelijke neergang van het systeem veronderstelt. Ze schreven dit dan ook bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die na een korte welvaart zou gevolgd worden door de Grote Depressie en de Tweede Wereldoorlog. Die evolutie ondersteunde overtuigend hun argument van de wereldwijde instabiliteit van het systeem. Honderd jaar later is het kapitalisme niet verslagen. Het mag dan al nieuwe eigenschappen verworven hebben, het kan nog steeds gekenmerkt worden als imperialisme en het blijft onderhevig aan inherente tendensen tot crisis.14

Arbeid en imperialisme

Lenin, Boecharin en Luxemburg beschouwden alle drie de internationale arbeidsverdeling als een centraal kenmerk van het imperialisme. Lenin past het begrip arbeidsverdeling toe op de scheiding tussen de bedrijfstakken waarin bepaalde banken hun beleggingsactiviteiten concentreren.15

In tegenstelling tot de export van goederen beschouwt hij de export van kapitaal als een cruciaal kenmerk van het imperialisme: “Zolang het kapitalisme kapitalisme blijft, wordt het kapitaaloverschot niet gebruikt om het levenspeil van de massa’s in het desbetreffende land te verhogen − dit zou immers een vermindering van de winst van de kapitalisten betekenen − maar voor verhoging van de winst door middel van kapitaalexport naar het buitenland, naar achtergebleven landen.”16

Zich baserend op Marx stelde ook Boecharin dat een maatschappelijke arbeidsdeling tussen stad en platteland en tussen ondernemingen, filialen, economische sectoren en naties − de internationale arbeidsverdeling − een bepalend kenmerk van het kapitalisme is.17 Deze onderverdeling is deels afhankelijk van natuurlijke oorzaken (bijvoorbeeld “cacao kan alleen geproduceerd worden in tropische landen”18) en deels van sociale oorzaken, “de ongelijke ontwikkeling van de productiekrachten” die “verschillende economische modellen en verschillende productiesferen creëert, waardoor de reikwijdte van de internationale maatschappelijke arbeidsverdeling toeneemt.”19 De “arbeid van elk individueel land wordt een deel van die wereldwijde maatschappelijke arbeid door de uitwisseling op internationale schaal.”20 Met een wereldmarkt en een ongelijke productiviteit worden minder productieve landen gedwongen hun waren te verkopen onder hun waarde om te kunnen concurreren, wat resulteert in een systeem van ongelijke ruil.

Rosa Luxemburg richtte zich in haar opvatting van het imperialisme op de “… relaties tussen het kapitalisme en de niet-kapitalistische productiesystemen. […] De meest overheersende methodes zijn kolonialistische politiek, het systeem van internationale leningen, de politiek van invloedssferen en oorlogen. Geheel onverbloemd vieren hier machtsmisbruik, bedrog, onderdrukking en plundering hoogtij en men moet zich werkelijk inspannen om onder deze chaos van politieke geweldshandelingen en krachtmetingen nog de strenge wetten van het economische proces te ontdekken.”21

Voor Luxemburg vereisen de internationale betrekkingen van het imperialisme roof en de uitbuiting van arbeid: “Kapitaal heeft de productiemiddelen en de arbeidskracht van de hele wereld nodig voor ongebreidelde accumulatie.”22 “Bijgevolg kan het niet zonder de natuurlijke hulpbronnen en de arbeidskracht van alle gebieden. [...] ‘Het zweten van bloed en vuil uit iedere porie van kop tot teen’, dat is het kenmerk niet alleen van het ontstaan van het kapitalisme, maar ook voor de escalatie ervan over de wereld.”23

Hoewel Lenin, Boecharin en Luxemburg politiek van mening verschilden over meerdere aspecten van het imperialisme, vooral over kwesties als de rol van het nationalisme in de klassenstrijd en de bevrijding, de nationale zelfbeschikking en het gebruik van buitenlandse markten in het kapitalisme, is het duidelijk dat voor elk van deze drie theoretici de periferie niet alleen een bron van middelen en een markt voor de verkoop van waren is, maar ook ingebed is in een internationale arbeidsverdeling.24 Als onderdeel van deze onderverdeling maakt de uitbuiting van de werkers in de periferie de export en de toe-eigening van meerwaarde door grote ondernemingen mogelijk.

De internationale verdeling van de digitale arbeid

De wereldwijde communicatie door de telegraaf en internationale persagentschappen speelde al een rol in het imperialisme ten tijde van de Eerste Wereldoorlog en bevorderde de organisatie en coördinatie van handel, investeringen, accumulatie, uitbuiting en oorlog.25 Honderd jaar later verschenen er op de markt kwalitatief verschillende vormen van informatie en communicatie zoals supercomputers, het internet, laptops, tablets, mobiele telefoons en sociale media. Maar net als de arbeid van de werknemers in de periferie tijdens vroegere fasen van het imperialisme is ook de productie van informatie en informatietechnologie een onderdeel van een internationale arbeidsverdeling, een die de productiewijzen, de distributie en de consumptie vorm blijft geven.26

Kritische denkers introduceerden in de jaren 1980 het concept van de nieuwe internationale arbeidsverdeling om te benadrukken dat de ontwikkelingslanden goedkope bronnen van productiearbeid waren geworden en om de opkomst van multinationale ondernemingen te bestuderen.27 Volgens John Bellamy Foster en Robert W. McChesney in The Endless Crisis maakt de opkomst van multinationals deel uit van een poging van het kapitaal om langdurige economische stagnatie te overwinnen en wereldwijd monopoliewinsten te realiseren.28 Door de invoering van een systeem van mondiale concurrentie tussen de werknemers willen de multinationals overal het loonaandeel doen dalen en hun winsten verhogen. Het gevolg is een wereldwijde toename van de uitbuitingsgraad, door Foster en McChesney, in navolging van Stephen Hymer, een “verdeel-en-heers-strategie” genoemd.29

Tabel 1 toont vergelijkende gegevens van de 2.000 grootste multinationals ter wereld in de jaren 2004 en 2014. De inkomsten van deze ondernemingen zijn goed voor meer dan 50 % van het bruto binnenlandsproduct van de wereld, waaruit blijkt dat multinationals elkaar op mondiaal vlak beconcurreren voor de monopoliepositie. In beide jaren bevond bijna driekwart van de vaste activa van die bedrijven zich in de zogenaamde FIRE-sector30. Dit bevestigt wat Foster en McChesney zeggen, namelijk dat we terecht kunnen spreken van een systeem van het globale monopoliefinancierskapitalisme.31 Die activa omvatten echter ook belangrijke aandelen in de mobiliteitsindustrieën (infrastructuur voor transport, olie en gas, voertuigen), de verwerkende industrie en de informatie-industrie (van telecommunicatiehardware, software en halfgeleiders tot reclame, het internet, publicaties en uitzendingen). Dit alles wijst erop dat het wereldwijde kapitalisme, weliswaar in verschillende mate, niet alleen monopoliekapitalisme op financieel vlak betekent, maar ook monopoliekapitalisme op het vlak van mobiliteit en informatie en hyperindustrieel monopoliekapitalisme.32

Tabel 1. De 2000 grootste multinationals ter wereld, 2004-2014
  2004 2014
Totaal inkomsten (in miljarden dollar) 19.934 38.361
Totaal vaste activa (in miljarden dollar) 68.064 160.974
Totaal winst (in miljarden dollar) 760,4 2.927,5
Aandeel van de omzet in het mondiale bbp 50,8% 51,4%
Aandeel van financiën, verzekeringen, vastgoed in de totale activa (FIRE) 70,8% 73,6%
Aandeel van FIRE in de totale winst 32,7% 33,5%
Aandeel van de informatie-industrie in de totale activa 5,9% 5,5%
Aandeel van de informatie-industrie in de totale winst 0,8% 17,3%
Aandeel van de informatie-industrie in de totale inkomsten 11,3% 13,1%
Aandeel van de mobiliteitsindustrie in de totale activa 7,5% 6,9%
Aandeel van de mobiliteitsindustrie in de totale winst 22,4% 19,0%
Aandeel van de verwerkende industrie in de totale activa 7,1% 6,9%
Aandeel van de verwerkende industrie in de totale winst 28,3% 18,6%
Chinese multinationals in de top 2000 49 207
Amerikaanse multinationals in de top 2000 751 563
Aandeel van de Chinese activa 1,1% 13,7%
Aandeel van de Chinese winst 3,6% 14,3%
Aandeel van de Noord-Amerikaanse en Europese activa 77,4% 63,1%
Aandeel van de Noord-Amerikaanse en Europese winsten 82,9% 61,7%

De opkomst van de Chinese multinationals, waarvan het aandeel van de activa, inkomsten en winsten sterk toenamen, ligt aan de basis van een belangrijke verandering tussen 2004 en 2014. Europese en Noord-Amerikaanse multinationals controleren niet langer ongeveer driekwart, maar slechts twee derde van het mondiale kapitaal, waardoor ze toch dominant blijven. Dat de Chinese multinationals een belangrijker rol spelen, wijst niet op een fundamentele breuk, maar toont aan dat China het kapitalisme de westerse stijl imiteert, wat heeft geleid tot een ‘kapitalisme met Chinese kenmerken’.

In de informatie-economie en de digitale economie die de informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en de informatie zelf produceren, staat de nieuwe internationale arbeidsverdeling centraal. Met verschillende vormen van fysiek werk worden informatietechnologieën geproduceerd die vervolgens door de werknemers aangewend worden in de media en culturele industrieën voor de creatie van digitale content zoals muziek, films, gegevens, statistieken, multimedia, afbeeldingen, video’s, animaties, teksten en artikelen. Technologie en content worden dus dialectisch verbonden zodat de informatie-economie tegelijkertijd fysiek en niet-fysiek is. De informatie-economie is geen bovenbouw en ook niet immaterieel, maar veeleer een specifieke vorm van organisatie van de productiekrachten die dwars door de scheiding tussen basis en bovenbouw snijdt.

Figuur 1 schetst een voorbeeld van de grote productieprocessen die betrokken zijn bij de internationale digitale arbeidsverdeling. Elke productiefase omvat menselijke subjecten (S) die arbeidstechnologieën (T) toepassen op arbeidsproducten (O), waardoor een nieuw product ontstaat. Het fundament van de wereldwijde digitale arbeid is de land- en mijnbouwkundige arbeidscyclus waarbij mijnwerkers mineralen opdelven. Deze mineralen worden dan in de volgende productiefase verwerkt tot ICT-componenten. Daarop volgt een nieuwe arbeidscyclus: assemblagearbeiders produceren digitale mediatechnologieën met behulp van ICT-componenten als input. Het resultaat van al deze arbeid zijn de digitale mediatechnologieën die aangewend worden voor het beheer van de productie, distributie, verspreiding en consumptie van diverse soorten informatie.

Figuur 1. De internationale verdeling van digitale arbeid.

Internationale verdeling van de arbeid

Juist daarom betekent ‘digitale arbeid’ niet alleen de productie van digitale content. Het is een categorie die veeleer de hele digitale productiewijze omvat, een netwerk van land- en mijnbouwkundige, industriële en informatieve arbeid die het bestaan en het gebruik van digitale media mogelijk maakt. De subjecten (S) die betrokken zijn bij de digitale productiewijze − mijnwerkers, processors, monteurs en informatiewerkers − hebben hun plaats in de specifieke productierelaties. Wat dus aangeduid wordt als S in figuur 1 is in feite een relatie, S1-S2, tussen verschillende subjecten of groepen subjecten.

Tegenwoordig worden de meeste van deze digitale productieverhoudingen gevormd door loonarbeid, slavenarbeid, onbetaalde arbeid, precaire arbeid en freelancerarbeid, waardoor de internationale verdeling van digitale arbeid een uitgebreid en complex netwerk van wereldwijde, onderling verbonden processen van uitbuiting is. Die variëren van de mijnslaven in Congo die mineralen opdelven voor gebruik in ICT-componenten, extreem uitgebuite loonarbeiders in de Foxconnfabrieken in China en slecht betaalde software-ingenieurs in India tot zeer goed betaalde, gestreste software-ingenieurs bij Google en andere westerse bedrijven, precaire digitale freelancers die cultuur creëren en verspreiden, en elektronische afvalverwerkers die ICT’s demonteren en daarbij blootgesteld worden aan giftige stoffen.

Laten we eens kijken naar een voorbeeld van digitale arbeid. In 2015 voerde Apple de Fortune-ranglijst van de 12 grootste transnationale ondernemingen aan.33 De winst steeg van 37 miljard dollar in 2013 tot 39,5 miljard in 2014 en tot 44,50 miljard in 2015.34 Dat jaar waren iPhones goed voor 56 % van de netto omzet, iPads voor 17 %, Macs voor 13 %, en iTunes-software en andere diensten voor 10 %.35 De Chinese arbeid, betrokken bij het vervaardigen van een iPhone, maakt slechts 1,8 % uit van de prijs, terwijl de winst van Apple uit de verkoop van die toestellen 58,5 % bedraagt. De leveranciers van Apple zoals het Taiwanese bedrijf Foxconn, maakten 14,3 % winst.36 De prijs van 299 dollar voor een iPhone 6 Plus is bijgevolg niet te wijten aan de loonkosten, maar aan de gemiddelde winst van 175 dollar die Apple voor elke telefoon binnenrijft en de 43 dollar winst van Foxconn. De arbeiders daarentegen die de telefoons in een Foxconnfabriek assembleren, krijgen voor hun werk maar 5 dollar. De hoge kosten van iPhones en andere producten zijn een gevolg van de hoge winstmarge en de hoge uitbuitingsgraad – rechtstreekse gevolgen van de internationale digitale arbeidsverdeling. China is, zoals Foster en McChesney schrijven, “het internationale assemblagecentrum” in een systeem van “globale arbeidsarbitrage en ... superuitbuiting.”37

Volgens de Fortune Global 500-ranglijst van 2015 is Foxconn38 de op twee na grootste privéwerkgever ter wereld met meer dan een miljoen werknemers, voornamelijk jonge migranten van het platteland.39 Foxconn assembleert de iPad, iMac, iPhone en de Amazon Kindle, alsook de videogameconsoles van Sony, Nintendo en Microsoft. Toen tussen januari en augustus 2010 zeventien Chinese Foxconnwerknemers probeerden zelfmoord te plegen en de meesten daarin ook slaagden, trokken de ellendige arbeidsomstandigheden in de Chinese ICT-assemblage-industrie de bredere aandacht. Een aantal wetenschappelijke studies namen de dagelijkse realiteit (lage lonen, lange werkdagen, met de regelmaat van de klok gewijzigde werkroosters) in de Foxconnfabrieken onder de loep. Ze kwamen tot volgende bevindingen: onvoldoende beschermende kledij, overvolle gebouwen die veel weg hebben van een gevangenis, gele vakbonden (beheerd door functionarissen van het bedrijf en gewantrouwd door de werknemers), het verbod om te praten tijdens het werk, mishandeling en intimidatie door de bewakers en weerzinwekkend eten.40

En toch bluft Apple in zijn Supplier Responsibility Progress Report van 2014 dat het van zijn leveranciers “eist dat ze onze maximum 60-urige werkweek voor gemiddeld 95 % naleven”.41 In haar Verdrag C030 over arbeidsuren beveelt de Internationale Arbeidsorganisatie een bovengrens van achtenveertig uur per week aan en niet meer dan acht uur per dag. Dat Apple er prat op gaat een werkweek van zestig uur te hebben ingevoerd in zijn toeleveringsketen toont aan dat de internationale digitale arbeidsverdeling van het hedendaagse imperialisme niet alleen gelijk staat met uitbuiting maar in feite ook racistisch is: Apple gaat ervan uit dat zestig uur een geschikte norm is voor Chinese arbeiders.

In het Rapport van 2014 beweert Apple ook dat het de arbeidsomstandigheden van meer dan een miljoen werknemers heeft doorgelicht. Dit zijn echter geen onafhankelijke audits en de resultaten worden ook niet onafhankelijk gerapporteerd. Omdat Apple niet werkt met onafhankelijke toezichthouders zoals Students and Scholars against Corporate Misbehavior (SACOM - Studenten tegen wangedrag van bedrijven, opgericht in 2005 in Hong Kong), moeten die verslagen beschouwd worden als inherent bevooroordeeld: allicht zullen werknemers die door hun eigen werkgevers gecontroleerd worden, geen klacht indienen, anders verliezen ze hun baan.

Uit de stijl en de taal van het rapport kunnen we opmaken dat de waslijst van arbeidsschendingen en de tekortkomingen bij de leveranciers en de lokale instanties moet liggen: “Onze leveranciers zijn verplicht om aan de strenge normen van de gedragscode voor leveranciers van Apple te voldoen en ieder jaar leggen we de lat hoger … We controleren jaarlijks alle leveranciers van de eindassemblage.” Dat dergelijk gedrag in feite wordt aangedreven door de eigen vraag om goedkoop en snel te produceren, zal het rapport nooit toegeven. De ideologische strategie van Apple leidt de aandacht af van de eigen verantwoordelijkheid voor de uitbuiting van de Chinese arbeiders.

Conclusie: ideologie en verzet

Apple bracht de iPhone 5 op de markt “for the colorful” en de iPhone 6 als “bigger than big”. Dergelijke slogans impliceren dat de digitale technologische revolutie een nieuwe en betere samenleving heeft voorgebracht, die iedereen voordelen oplevert. Vergelijkbare ideologische beloften en claims zijn terug te vinden bij de sociale media, cloud computing42, big data43, crowd sourcing44 en aanverwante verschijnselen. Zulke beweringen zijn vormen van technologisch fetisjisme die ervan uitgaan dat technologie inherent leidt tot een goede samenleving zonder enige analyse van de sociale relaties waarin ze is ingebed. Zoals Marx schreef over het warenfetisjisme, neemt bij het technologiefetisjisme de “bepaalde maatschappelijke verhouding van de mensen zelf (…) de fantasmagorische vorm van een verhouding tussen dingen” aan.45

Door de internationale digitale arbeidsverdeling te toetsen aan de klassieke concepten van het imperialisme van Lenin, Luxemburg en Boecharin kunnen we dit technologiefetisjisme ontmaskeren. Uit het voorbeeld van Apple blijkt dat de digitale technologie en de ideologieën die aan de basis liggen van de reclame en het beleid van deze onderneming, verborgen blijven door een fascinatie voor nieuwe zaken die helemaal geen rekening houdt met de continuïteit van de wereldwijde uitbuiting.

Apple behaalt hoge winsten in de internationale arbeidsverdeling door het outsourcen van digitale productiearbeid naar China, terwijl de westerse strategie van “kapitaalexport naar het buitenland” hoge winsten oplevert dankzij de lage lonen en de hoge uitbuitingsgraad.46 De uitbuiting van de werknemers door Foxconn, Pegatron (ook uit Taiwan) en andere ondernemingen bewijst de juistheid van Rosa Luxemburgs woorden: “Het zweten van bloed en vuil uit iedere porie van kop tot teen, dat is het kenmerk niet alleen van het ontstaan van het kapitalisme, maar ook voor de escalatie ervan over de wereld.”47 Daarom zijn de analyses van Lenin en Luxemburg in onze 21e  eeuw even correct als honderd jaar geleden.

Foster en McChesney stellen dat “de kapitalistische tegenstellingen met Chinese kenmerken” onder meer bestaan uit overinvesteringen in de bouw en het stedelijk vastgoed, zwakke consumptie, extreme uitbuiting, toenemende ongelijkheid, ongebruikte infrastructuur, discriminatie van landelijke arbeidsmigranten, vervuiling en verloedering van het milieu.48 Toch hebben westerse mediaberichten over China de neiging om de actieve politieke cultuur van de arbeidersklasse en de sociale strijd die voortvloeien uit deze tegenstellingen te negeren. Volgens gegevens van het China Labor Bulletin vonden er in 2014 in China 1.276 stakingen plaats.49 China is geen monolithische maatschappij, integendeel, er wordt zeer actief en intens strijd gevoerd tegen de uitbuiting. Na eerdere arbeidsonrust in juni gingen in oktober 2014 duizenden arbeiders van de Foxcommfabriek in Chonggqing in staking voor loonsverhoging.50

Op korte en lange termijn moet de strijd van de digitale arbeidersklasse gericht zijn op de vorming van door de werknemers gecontroleerde ondernemingen in de digitale en culturele industrieën, op alle niveaus van organisatie en over de hele wereld, ongeacht of dat de sociale media, software engineering, de freelancereconomie, de delfstoffenwinning of de ICT-montage verstoort. Op langere termijn moet gestreefd worden naar de afschaffing van de kapitalistische organisatie van deze sferen, samen met de kapitalistische maatschappij zelf. Welke de rol van de nationale of internationale dimensie van de sociale strijd tegen het digitale kapitalisme moet zijn, dient in strategische politieke debatten uitgeklaard worden. In een toespraak tot de Eerste Internationale uit 1867 stelde Marx dat “de werkgevers in hun verzet tegen hun werknemers ofwel werknemers uit het buitenland laten overbrengen of de productie verhuizen naar landen met goedkope arbeidskrachten”.51 En het blijft vandaag even waar als toen: als “de arbeidersklasse haar strijd met enige kans op succes wil voortzetten”, dan is de enige gepaste reactie op de mondiale kapitalistische overheersing dat “de nationale organisaties internationaal moeten worden.”52

Christian Fuchs is hoogleraar Sociale Media aan het Communication and Media Research Institute van de universiteit van Westminster en mederedacteur van het tijdschrift TripleC: Communication, Capitalism & Critique. Dit artikel verscheen onder de titel “Digital Labor and Imperialism” Monthly Review, Vol. 67, nr. 8, januari 2016. Zie: http://monthlyreview.org/2016/01/01/digital-labor-and-imperialism/.


11 Informationalisme: een vorm van ontwikkeling waarbij de belangrijkste bron van productiviteit ligt in de kwalitatieve capaciteit de verschillende productiefactoren optimaal te combineren, op basis van kennis en informatie.

2 Voor gedetailleerde analyses, zie Christian Fuchs, “Media, War and Information Technology,” in Des Freedman and Daya Kishan Thussu, uitg., Media and Terrorism: Global Perspectives, Sage, Londen, 2012, p. 47-62; Christian Fuchs, “Critical Globalization Studies: An Empirical and Theoretical Analysis of the New Imperialism,” Science & Society, Vol. 74, nr. 2, (2010), p. 215-47; Christian Fuchs, “Critical Globalization Studies and the New Imperialism,” Critical Sociology, Vol. 36, nr. 6 (2010), p. 839-67; en Christian Fuchs, “New Imperialism: Information and Media Imperialism?” in Global Media and Communication, Vol. 6, nr. 1 (2010), p. 33-60.

3 V.I. Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, in Keuze uit zijn Werken, deel 2, Uitg. Progres Moskou, p. 331.

4 N. Boecharin en E. Preobrazhensky, Het ABC van het communisme [1920]. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/boecharin/1920/1920abc.htm.

5 N. Boecharin, Imperialism and World Economy, Monthly Review Press, New York, 1973, p. 140.

6 Ibid., p. 158.

7 Ibid., p. 120-121.

8 V. I. Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, p. 333.

9 Rosa Luxemburg, De accumulatie van het kapitaal [1912]. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1912/1912accumulatie.htm.

10 Ibid.

11 Ibid.

12 V. I. Lenin, op.cit., p. 342.

13 N. Boecharin en E. Preobrazhensky, Het ABC van het communisme.

14 Vergelijk bijvoorbeeld John Bellamy Foster en Robert W. McChesney, The Endless Crisis: How Monopoly-Finance Capitalism Produces Stagnation and Upheaval from the USA to China, Monthly Review Press, New York, 2012; David Harvey, The New Imperialism, Oxford University Press, Oxford, 2003; en Ellen Meiksins Wood, Empire of Capital, Verso, Londen, 2003.

15 V. I. Lenin, op.cit., p. 281.

16 Ibid., p. 308.

17 N. Boecharin, Imperialism and World Economy, p. 18 en 21.

18 Ibid., p. 19.

19 Ibid., p. 20.

20 Ibid., p. 22.

21 Rosa Luxemburg, De accumulatie van het kapitaal.

22 Ibid.

23 Ibid. Rosa Luxemburg verwijst hier naar de bekende zinssnede van Marx in Het Kapitaal, Boek 1.

24 Zie Paul Matticks essay “Luxemburg versus Lenin,” [1935] in Anti-Bolshevik Communism, Merlin Press, Monmouth, 1978.

25 Christian Fuchs, Digital Labor and Karl Marx, Routledge, New York, 2014.

26 Ibid.

27 Folker Fröbel, Jürgen Heinrichs en Otto Kreye, The New International Division of Labor, Cambridge University Press, 1981.

28 Foster en McChesney, The Endless Crisis.

29 Ibid., p. 114-115, p. 119.

30 FIRE: Finance, Insurance, Real Estate - Financiën, verzekeringen, vastgoed.

31 Foster en McChesney, op. cit.

32 Ibid.

33 Fortune Global 500 list 2015. Beschikbaar op http://fortune.com.

34 Apple Inc., 10-K Report 2014. Beschikbaar op http://sec.gov.

35 Ibid.

36 Jenny Chan, Ngai Pun and Mark Selden, “The Politics of Global Production: Apple, Foxconn and China’s New Working Class”, New Technology, Work and Employment, Vol. 28, nr. 2, 2013, p. 100–15.

37 Foster en McChesney, The Endless Crisis, p. 172.

38 Het Taiwanese Foxconn heeft onder andere fabrieken in China, India, Tsjechië, Slowakije, Polen, Mexico en Brazilië.

39 Zie Christian Fuchs, Culture and Economy in the Age of Social Media, Routledge, New York, 2015.

40 Zie Jenny Chan, “A Suicide Survivor: The Life of a Chinese Worker,” in New Technology, Work and Employment, Vol. 2, nr. 2, 2013, p. 84–99; Chan, Pun en Selden, “The Politics of Global Production”; Foster en McChesney, The Endless Crisis, p. 119-20, p. 139-40, p. 173; Ngai Pun and Jenny Chan, “Global Capital, the State, and Chinese Workers: The Foxconn Experience”, in Modern China, Vol. 38, nr. 4, 2012, p. 383-410; Jack L. Qiu, “Network Labor: Beyond the Shadow of Foxconn,” in Larissa Hjorth, Jean Burgess and Ingrid Richardson, uitg., Studying Mobile Media: Cultural Technologies, Mobile Communication, and the iPhone, Routledge, New York, 2012, p.173-89; Jack L. Qiu, Goodbye iSlave: Rethinking Labor, Capitalism, and Digital Media, University of Illinois Press, 2016, en Marisol Sandoval, “Foxconned: Labor as the Dark Side of the Information Age”, TripleC, nr. 2, 2013, p. 318–47.

41 Apple Inc., Supplier Responsibility 2014 Progress Report. Zie: http://apple.com.

42 Cloud computing is het via het internet op aanvraag beschikbaar stellen van hardware, software en gegevens, te vergelijken met de elektriciteit die via het net wordt geleverd. 

43 Men spreekt van big data wanneer men werkt met één of meer datasets die te groot zijn om met gewone databasemanagementsystemen te onderhouden.

44 Bij crowdsourcing maken organisaties of personen gebruik van de kennis, capaciteiten en diensten van een grote groep niet vooraf gespecificeerde individuen voor consultancy, innovatie, beleidsvorming en onderzoek.

45 K. Marx, Het Kapitaal, Deel 1. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1867/kapitaal/1.htm.

46 V. I. Lenin, op.cit., p. 308.

47 R. Luxemburg, De accumulatie van het kapitaal.

48 Foster en McChesney, The Endless Crisis, p. 157.

49 China Labor Bulletin, “Strike Map”. Zie: http://strikemap.clb.org.hk.

50 China Labor Watch, “Thousands of Foxconn Workers Strike Again in Chongqing for Better Wages, Benefits”, 8 oktober 2014. Zie: http://chinalaborwatch.org.

51 Karl Marx, “On the Lausanne Congress,” in Marx Engels Collected Works, Vol. 20, Lawrence and Wishart, Londen, 1984, p. 421-423. Zie ook: https://www.marxists.org/archive/marx/works/cw/.

52 Ibid., p. 422.