Een ‘andere bank’, in het licht van de geschiedenis

Auteur: 
Charles Laisne

Nu het kapitalisme steeds dieper wegzinkt in een crisis, een crisis die aan de fundamenten zelf van onze maatschappij raakt, gaan er stemmen op om ondernemingen op te richten (waaronder banken) die ‘anders’, ‘ethisch’ beheerd worden, ondernemingen die geen winst, maar een sociaal oogmerk nastreven.

Op dat vlak is er een internationale bank bekend, de Triodosbank. Naar eigen zeggen is de “Triodos Bank […] een van de eerste duurzame banken ter wereld. Het is onze opdracht om geld te gebruiken voor positieve sociale, ecologische en culturele veranderingen.”1 Verder bevestigt ze te willen “ [blijven] bijdragen aan een duurzamere maatschappij en aanzetten tot een meer verantwoord gebruik van het geld binnen de banksector”.2

Andere banken proberen eerder de nadruk te leggen op het bestuur. Het gaat dan eerder om ‘transparantie’, ‘participatie’, ‘eerlijkheid’, ‘soberheid’ en ‘nabijheid’.3

Deze financiële instellingen beschouwen zichzelf als de motor van een sociale verandering, door ‘op een andere manier’ te bankieren. Voor Triodos is de Beurs een instrument, “alles hangt af van wat men ermee doet […]. Sommige ondernemingen doen interessante, maatschappelijk verantwoorde zaken die het verdienen aangemoedigd te worden. Er is dus geen reden om ervan uit te gaan dat de Beurs automatisch des duivels is”.4 Je kunt dus maar beter inzetten, maar op een verantwoorde wijze, op de verandering van het bankwezen ‘van binnenuit’.

Dat zijn de twee fundamentele motivaties van de oprichters van deze banken: ‘de wereld veranderen’ doorheen de economische wereld en de financiële instellingen ‘anders’ beheren, door dicht bij de klanten te staan. Dit andere beheer zou het mogelijk maken komaf te maken met de excessen van de traditionele banken.

Om dieper in te gaan op onze vraagstelling (‘is een andere bank mogelijk ?’), baseren we ons op de geschiedenis.

De Belgische Bank van de Arbeid

Wij pretenderen niet in dit artikel de hele geschiedenis van het bankwezen uit de doeken te doen. Op basis van enkele elementen uit dit historische voorbeeld proberen wij een kritische kijk te geven op het verschijnsel beschreven in de inleiding.

Aan de oorsprong ligt de coöperatie

De oorsprong van de socialistische bank vinden we terug in de coöperatieve beweging. Deze beweging, ontstaan in de tweede helft van de 19e eeuw, neemt vaste vorm aan na de revolutie van 1848 en de sociale spanningen die ermee gepaard gaan. De materiële omstandigheden van de arbeiders zijn op dat moment erbarmelijk, wat hen ertoe drijft zich te organiseren om de noodzakelijke levensmiddelen in het groot aan te kopen. De onderliggende idee is het volgende: “Als verbruikers zijn de arbeiders het slachtoffer van de uitbuiting van hun loon door de koophandel. Als producenten zijn de arbeiders het slachtoffer van de uitbuiting van hun arbeid door het kapitaal.”5 De coöperatieve beweging probeert in de jaren 1850 voet aan de grond te krijgen in België. Tot de jaren 1870 volgen er heel wat mislukkingen. De arbeiders wagen zich aan verbruikerscoöperaties maar ook aan productiecoöperaties. De Internationale verdedigt de idee van verbruikerscoöperaties in België.

In 1873 liberaliseert het Wetboek van koophandel de oprichting van vennootschappen en wordt het mogelijk Coöperatieve Vennootschappen (CV) op te richten, net zoals in andere landen (Pruisen, Engeland). Volgens de liberale volksvertegenwoordiger Guillery maakt de coöperatieve vennootschap het mogelijk “om van niets, iets te maken, van dit zwakke wezen [de arbeider, nvdr], machteloos in zijn onwetendheid, in zijn onervarenheid, in zijn isolement, een mens te maken. De arbeider verheffen door het gevoel van kracht, ontstaan uit de solidariteit met zijn broeders; de weg banen voor morele vervolmaking, bron van verbetering van de maatschappelijke conditie […]: dat is het doel van enkele mensen die in de coöperatieve vennootschap de oplossing denken gevonden te hebben voor de grote maatschappelijke problemen.”6

Het is in deze context dat in 1881 in de Gentse socialistische wereld de Vooruit ontstaat. De Vooruit zal model staan voor de verbruikerscoöperatie, zelf “de moeder van de coöperatie”, om het met de woorden van Jean Puissant te zeggen. Dit model is om twee redenen interessant: enerzijds is het dit model dat andere socialistische coöperatieve vennootschappen zal inspireren, zoals het bekende Volkshuis in Brussel; anderzijds is het vanuit de Vooruit dat de Belgische Bank van de Arbeid (BBA) werd opgericht.

De Vooruit ontwikkelt zich snel en spectaculair: van 110 coöperanten bij haar oprichting, telt de Vooruit er in 1894 al 5.908; van één bakkerij in 1881, omvat de Vooruit in 1900 al 8 kruideniers, 5 apotheken en andere winkels (onder meer een Super Vooruit, een soort voorloper van de huidige grootwarenhuizen).

Aan de hand van de Vooruit wordt het makkelijker de werking van een arbeiderscoöperatie te begrijpen: een arbeider kon lid worden van de coöperatieve vennootschap en goedkoop aankopen doen (aanvankelijk brood). Hij krijgt geen dividend op de winsten van de CV, maar wel kortingen zodat hij goedkoop aankopen kan doen in de andere diensten van de coöperatieve die weldra de deuren zouden openen (kruidenier, apotheek, enz.).

De Vooruit draagt twee doelstellingen van de socialisten in zich: de onmiddellijke verbetering van de materiële omstandigheden van de arbeiders (aanvankelijk dankzij de verkoop van brood, maar snel uitgebreid naar andere producten) en de politieke strijd (meetings, persartikels) en materiële steun aan de Arbeiderspartij (financiering) en aan haar strijdbewegingen (zoals het bezorgen van brood aan de stakers). Het succes van deze doelstellingen heeft een enorme impact op dit type van coöperaties, wat verklaart dat er bijvoorbeeld tussen 1885 en 1888 14 coöperatieve vennootschappen werden opgericht in de Borinage en tussen 1886 en 1889 19 in het Luikse.7

Bedwelmd door het economische succes van de coöperaties hebben de Gentse coöperanten, aangevoerd door Edward Anseele, ambitieuzere projecten: zich lanceren in de grote productie om de verbruikerscoöperaties te kunnen bevoorraden en op termijn ondernemingen oprichten die de economische macht (productie en consumptie) in de handen van de arbeidersklasse zullen leggen.

Dat deze evolutie zich in Gent voordoet is geen toeval. Velen benadrukken terecht de grote invloed van Edward Anseele, stichter van de Vooruit en een ware capitan of industry zoals Fernand Baudhuin hem noemt.8 De fenomenale en gestage groei van de Vooruit sinds haar oprichting is echter ongetwijfeld een betere verklaring voor deze overgang van coöperatieve vennootschappen naar de grote productie. Het was niet enkel meer een coöperatie, het was “de wereld van de Vooruit”.

Deze wereld bestond uit kleine productiecoöperaties (maar onvoldoende voor de projecten van Anseele) die de Vooruit bevoorraadden. De Vooruit beschikte bovendien over kapitaal dankzij wat Guy Vanschoenbeek “de primitieve fase van kapitaalaccumulatie in de coöperatie”9 noemt.

De leiders van de Vooruit hebben dan twee opties voor een verdere en versnelde uitbreiding: ofwel wachten ze met investeren tot er voldoende kapitaal is geaccumuleerd dankzij de klassieke coöperatieve methode (onmogelijk volgens Éliane Soutar, een Franse juriste die het systeem van Gent heeft geanalyseerd in haar doctoraatsthesis10); ofwel doen ze een beroep op privékapitaal afkomstig uit andere economische sectoren (de ‘klassieke’ kapitalistische methode). Het is deze tweede weg die de Gentse socialisten inslaan. Op basis van een bestaande CV wordt in Gent de eerste Naamloze Arbeidersvennootschap opgericht: de NV Verenigde Spinnerijen en Weverijen (Filatures et Tisserands Réunis – FTR) in 1910, twee jaar later gevolgd door La Nouvelle Linière du Canal. Deze twee ondernemingen leverden zowel aan coöperaties als aan ‘burgerlijke’ winkels.11

Maar om een industriële sector tot ontwikkeling te brengen is er meer nodig : een bank.

De stichting van de Belgische Bank van de Arbeid

Nog een ander feit heeft een cruciale invloed op het proces dat de socialistische leiders ertoe brengt om een bank op te richten: het spaargeld van de arbeiders wordt steeds omvangrijker. De Coöperatie, het tijdschrift van de socialistische coöperatieve beweging, gaat er bijvoorbeeld van uit dat “onze [arbeiders] klasse in haar geheel misschien rijker is dan de bourgeoisie”.12. In 1895-1896 was 40 % van de deposito’s bij de ASLK (opgericht in 1865) afkomstig uit arbeidersmiddens.13 De socialisten moeten dus een oplossing vinden om deze beschikbare fondsen te gebruiken: onmogelijk voor hen om dit spaargeld in handen van de kapitalistische banken te laten. Bijgevolg moet dit geld bijeengebracht worden om het te investeren.14

Raoul Miry (economist, socialist, professor aan de Universiteit van Gent) onderstreept dat er geen eensgezindheid is onder de socialistische denkers over de oprichting van arbeidersbanken.15 Volgens hem zou Marx zich gekant hebben tegen arbeidersbanken, terwijl andere denkers er de aandacht op vestigen dat de omstandigheden veranderd en geëvolueerd zijn. De kwestie wordt dan: “Moeten we de zaken op hun beloop laten en wachten tot het uiteindelijke ogenblik waarop de kapitalistische maatschappij ineenstort zoals Marx het voorspelde? Of doen we er beter aan het spaargeld van de arbeiders bijeen te brengen en zelf te beheren in plaats van het toe te vertrouwen aan de burgerlijke instellingen, het zo te gebruiken dat het bijdraagt tot de politieke, culturele, syndicale en coöperatieve inspanningen van de Arbeid in haar emancipatiebeweging?.”16 Het antwoord van Miry, in de lijn van dat van Anseele, is realistisch te zijn, dat het beter is om “stilaan, in afwachting van het grote doel van de uiteindelijke bevrijding van de Arbeid en zonder dit uit het oog te verliezen, hervormingen en een deel van de macht af te dwingen van het kapitalisme”.17 Daartoe moet “tegenover de macht verworven door de almachtige bank, de solidaire macht gezet worden van het spaarkapitaal verenigd door alle loontrekkenden”.18 Volgens Anseele is de oprichting van een arbeidersbank een noodzakelijke stap om een machtige industriële groep op te richten die in staat is “het doodskleed van de kapitalisten te weven”. Met andere woorden, door het socialistische spaargeld bijeen te brengen en te herinvesteren, moet het mogelijk worden de controle over de kapitalistische economie over te nemen. Enkel een gecentraliseerde en wijdvertakte organisatie zoals een bank, kan het mogelijk maken kapitaal aan te lokken om te investeren en ondernemingen het krediet bieden dat zij nodig hebben.19 Want zoals Pierre Joye opmerkt, “de geïsoleerde industrieel die kapitaal wil verwerven heeft immers geen enkele mogelijkheid om zelf aandelen te plaatsen in het publiek. Hij moet zich wenden tot de banken die over talrijke agentschappen beschikken en in contact staan met de wisselagenten tot wie de spaarders zich vaak wenden.”20

Volgens Anseele moesten de wapens van de kapitalisten (de bank, het financierskapitaal) gebruikt worden om tegen het kapitalisme te vechten. De Belgische Bank van de Arbeid (BBA) “moest tot doel hebben een zenuwcentrum te worden voor de zaken van de bestaande of op te richten socialistische groep”.21 In maart 1913 stichtten ondernemende Gentenaars de BBA, zonder de goedkeuring van de BWP noch van de Federatie van Coöperatieve Vennootschappen (FSC).22

Evolutie van de bank: diversificatie van haar activiteiten
Welke activiteitensectoren?

De balans groeit zeer sterk. Van 2,4 miljoen frank in 1913 naar 732,5 miljoen frank in 1933 (datum van het laatste verslag van de Algemene Vergadering). Ook de aandelenportefeuille stijgt in absolute cijfers, maar blijft relatief stabiel: hij is zelden hoger dan 20 % van de balans.

Wij zien twee bewegingen in het kader van de diversificatie van haar activiteiten. Ten eerste, een horizontale diversificatie, dit wil zeggen een diversificatie van de sectoren waarin wordt geïnvesteerd. Dat gebeurt vooral na de Eerste Wereldoorlog en in de jaren 1920.

De groep kent eveneens een verticale diversificatie: in een gegeven sector gaat de groep investeren om in alle stadia van de productie te kunnen tussenkomen. Dit gebeurt zeer sterk in de textielsector, dé speerpuntsector van de groep: aanvankelijk beperkt tot ondernemingen die grondstoffen omzetten in eindproducten, gebeuren de investeringen stilaan in de volledige productieketen, van grondstof tot verkoop. Zo verschijnen naast de spinnerijen en weverijen ondernemingen die afgewerkte producten vervaardigen, verkopen en uitvoeren naar het buitenland en ondernemingen die grondstoffen produceren. Zo konden niet alleen de rode fabrieken actief zijn in alle stadia van de productie, maar waren de voorstanders van het Gentse systeem niet meer afhankelijk van kapitalistische ondernemingen voor uitrusting en grondstoffen of voor de afzet van hun productie.23

Hoe groeide de Bank van de Arbeid?

Stilaan hebben de Gentse socialisten een klein ‘rood’ keizerrijk opgericht, dat verschillende types van ondernemingen en vennootschappen vermengde. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen twee grote subgroepen binnen de ondernemingen van de Gentse groep: enerzijds de ‘rode fabrieken’ die hoofdzakelijk door de socialisten werden gecontroleerd (via hun ondernemingen) en geacht werden op een andere manier te werken dan de ‘klassieke’ kapitalistische ondernemingen; en anderzijds, de volledig ‘klassieke’ ondernemingen, waarin de socialisten belangen hadden.

Aanvankelijk concentreerde de BBA-groep zich hoofdzakelijk op de oprichting ‘van rode fabrieken’, ondernemingen die volledig gecontroleerd werden door de Gentse socialisten. Dat kon op verschillende manieren gebeuren.

Ten eerste, de ondernemingen die van a tot z waren opgericht door de Gentse socialisten, door de Vooruit of de BBA.

Ten tweede werden reeds bestaande ondernemingen, die de Gentse socialisten hadden overgenomen of overgekocht dankzij de BBA, ‘omgevormd’ tot ‘rode’ fabrieken. Het geval van de Bonneterie Victor Ameye is verhelderend. Bij de oprichting van deze NV werden 420 kapitaalsaandelen van 500 frank uitgegeven. De FTR ontving er 200, Victor Ameye 200 andere en de 20 resterende werden op de beurs genoteerd. Naast deze 420 kapitaalsaandelen werden ook 420 dividendaandelen uitgegeven (zie hierna). Zij waren in handen van de BBA. We zien hier heel duidelijk de rol en het belang van de financiële instelling in de geest van de Gentse socialisten, in het kader van hun expansiedrang: zij moest de hoeksteen vormen die het mogelijk maakte om participaties in bestaande ondernemingen te ontvangen.

Ten derde hield de groep zich ook bezig met de reorganisatie en de fusie van bestaande ondernemingen om nieuwe vennootschappen op te richten.

Daarna heeft de BBA participaties genomen in andere ondernemingen, zonder ze daarom te controleren. Op 31 december 1933 zien we in het overzicht van de portefeuille dat de bank bijvoorbeeld 250 aandelen van 500 frank bezit in de NV Bank van Parijs en van de Nederlanden, 30 sociale aandelen ter waarde van 500 frank in de CV Crédit Maritime Belge, of nog 104 kapitaalsaandelen in de Société Immobilière in de Kivu. Naast de bank gaan ook andere ondernemingen van de groep op dezelfde manier te werk. De Compagnie du Ruzizi (koloniale onderneming) bijvoorbeeld nam participaties in andere koloniale ondernemingen, zoals Tabarudi, Cotafor, Syndicat minier Africain.24

Hier zien we een heel ander kenmerk van de BBA-groep: de cascade aan participaties. De ondernemingen die geheel of gedeeltelijk in handen waren van de BBA konden participaties nemen in andere NV’s. Zo ontstond er een cascade aan participaties, wat de lezing van de BBA-groep complex maakt. Op die manier is het mogelijk om met een vrij beperkt startkapitaal een zeer grote industriële groep te controleren. Deze methode was exact dezelfde als die van de Société Générale de Belgique.25

Controle van de groep

Hoe de groep laten groeien en er toch de controle over behouden? Deze vraag was cruciaal in de ideologie en de argumentatie van de Gentse socialisten. Er waren twee mechanismen waardoor de controle op de activiteiten van de groep in theorie in handen kon blijven van de socialisten en vooral van het moederbedrijf, de Vooruit.

De dividendaandelen

In zoveel mogelijk vennootschappen opgericht binnen de BBA-groep (en in de eerste plaats de BBA zelf), werden dividendaandelen uitgegeven, meestal evenveel als de kapitaalsaandelen. Deze dividendaandelen waren niet vrij overdraagbaar, in tegenstelling tot de kapitaalsaandelen. Voor het overige gaven de twee types aandelen dezelfde rechten (deelneming in de winst en vooral een stem tijdens de Algemene Vergadering (AV) van de aandeelhouders).

Deze dividendaandelen waren toegekend aan de Vooruit of aan andere vennootschappen die voor het grootste deel in handen waren van de Vooruit, zoals de BBA, waardoor een meerderheid (of op zijn minst een doorslaggevende invloed) kon behouden blijven in de AV van de aandeelhouders van de verschillende vennootschappen van de groep. Door op die manier te werk te gaan verzekerden de oprichters van de BBA zichzelf van de controle over de vennootschappen van de groep.

Machtsconcentratie

Doordat de BBA participaties nam in het kapitaal van talrijke ondernemingen, had zij het recht om te zetelen in hun Raad van Bestuur (RvB). Op het totale aantal zetels binnen de RvB van de vennootschappen van de groep, controleerden de lasthebbers van de bank (32 in totaal) 198 mandaten op 278. Met andere woorden, 43 % van de bestuurders controleerde 71 % van de mandaten van de groep. Maar dat is niet alles. Een andere vaststelling is dat Anseele en zijn naaste medewerkers het leeuwendeel naar zich toe trokken: met z’n vieren (Vleurinck, Heckers, Anseele en D’Asseler), controleerden de echte leiders van de BBA 89 mandaten (respectievelijk 26, 25, 21 en 17), hetzij 32 % van alle mandaten van de groep. Zij cumuleerden niet alleen veel mandaten, maar ook veel verantwoordelijkheden. Zo was Anseele was voorzitter van 14 ondernemingen (alle belangrijkste ondernemingen van de groep) en Vleurinck afgevaardigd bestuurder van tien vennootschappen en voorzitter van een andere vennootschap.

We kunnen dus vaststellen dat de Gentse groep hyper-gecentraliseerd was. Een paar bestuurders van de BBA verdelen onderling de controle van de groep en incasseren en passant duizelingwekkende bedragen. “Vleurinck heeft van 1925 tot 1932 3,2 miljoen frank verdiend; Heckers meer dan 4 miljoen tussen 1926 en 1933; D’Asseler 2,2 miljoen van 1925 tot 1932, naast zijn honoraria als advocaat. Anseele heeft 2,1 miljoen verdiend van 1925 tot januari 1934 […].”26 Het loon van een boekhouder bij de BBA bedroeg 21.775 frank in 1929.27 Als we eraan toevoegen dat de BBA-groep een koloniale onderneming had opgericht, wordt het nog duidelijker dat de BBA alleen maar de ‘klassieke’ holdings kopieerde.

Het faillissement en de gevolgen ervan

De BBA is in 1934 failliet gegaan. De economische toestand van België had een impact op de ondernemingen die onder de vleugels van de Bank zaten. Die gingen overigens ook gebukt onder zware financiële fouten (onderkapitalisatie, schulden, te grote of weinig rendabele omzettingen van roerend in onroerend goed, enz.), die de economische crisis nog erger maakte. De kwetsbare situatie van de ondernemingen van de groep had op zijn beurt een impact op de financiële gezondheid van het moederbedrijf, de bank, onder meer omdat er massaal beroep werd gedaan op krediet. De bank was overigens verzwakt door financiële problemen (niet vrijgemaakt kapitaal, ongezonde gemengde bank) en moest wel reageren. De machtsconcentratie bij enkelen, gekoppeld aan hun roekeloosheid en amateurisme, belette elke radicale verandering in het beleid van de Bank en van de socialistische industriële groep. De industriële groep kon dan ook enkel afstevenen op de ondergang, en dat gebeurde ook: de Bank sloot haar loketten op 28 maart 1934.

Het faillissement van de socialistische financiële instelling sleurde ei zo na het spaargeld van de arbeiders en de socialistische organisaties (vakbonden, ziekenfondsen, coöperaties) met zich mee. Er was een interventie nodig van de katholiek-liberale regering ten opzichte van de spaarders (en niet van de socialistische organisaties) om de situatie te kunnen redden. De antisocialistische pers berichtte er natuurlijk met veel plezier over.

De gevolgen van het faillissement van de BBA overstegen het kader van de socialistische beweging en de arbeidersbank. Haast op hetzelfde ogenblik kende een andere bankinstelling, die verbonden was met de Boerenbond (de Algemene Bankvereniging), immers ook enorme moeilijkheden.28 Deze bank was groter dan de BBA: het ging destijds om de derde Belgische bankgroep.29

Binnen het publiek ontstond een paniekbeweging. De mensen haastten zich om hun deposito’s uit de financiële instellingen weg te halen. Heel het bank- en depositosysteem dreigde ineen te storten.

De regering Broqueville liet de Koning een basis koninklijk besluit betreffende de banken ondertekenen: het koninklijk besluit nr. 2 van 22 augustus 193430 luidde de doodsklok, in principe althans, van de gemengde banken. De deposito- en investeringsactiviteiten van de banken konden niet meer ondergebracht worden in dezelfde juridische entiteit.31

Het tweede gevolg was de controle op de bankinstellingen. De regering Van Zeeland publiceerde het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 inzake de controle op de banken en het uitgiftesysteem van aandelen en waarden.32 Dit besluit legt regels vast met betrekking tot het kapitaal, ongeacht de rechtsvorm van de bank, en roept eveneens een bankcommissie in het leven die de activiteiten van de banken moet controleren.

Een debat binnen de arbeidersbeweging

Vooraleer we besluiten gaan we kort in op het ideeëndebat: de houding van de arbeidersbeweging ten opzichte van deze coöperatieve vennootschappen is immers niet unaniem.

Binnen de Eerste Internationale stonden de zogenaamde proudhonisten lijnrecht tegenover de marxisten. De eersten verdedigden hervormingen en een wettelijke verovering van het socialisme door middel van, onder meer, coöperaties en “banken van het volk”.33 De voorstanders van de coöperaties hebben terecht gesteld dat de ontwikkeling van de coöperatieve beweging het mogelijk heeft gemaakt de arbeiderspartijen te financieren. Ze heeft het ook mogelijk gemaakt de materiële omstandigheden van de arbeiders, die vaak in erbarmelijke omstandigheden leefden, te verbeteren.

Marx en Engels verwierpen de coöperaties niet als dusdanig34, maar stelden de (politieke) klassenstrijd voorop. Om Jules Guesde (1901) te citeren, “de coöperatie, zeg ik, is niet het middel – of kan slechts één van de middelen zijn – indien de coöperaties hun bijdrage leveren aan het militante socialisme. Ja, de coöperaties zijn slechts goed om munten te slaan, om wapens en munitie te leveren aan de partij van de arbeidersklasse”.35

Later erkende Lenin de kracht van de coöperaties en zag hij er “een echte loopgraaf van het socialisme” in. Maar, zo vervolgde hij, “zolang de bourgeoisie de macht in handen heeft, vertegenwoordigen de verbruikerscoöperaties niet echt veel, ze garanderen geen enkele grondige verandering, voeren geen radicale wijzigingen door en leiden de aandacht soms zelfs af van de ernstige strijd voor de revolutie … De socialisten moeten […] het onderscheid kunnen maken tussen het deel van het geheel en in hun ordewoord het geheel eisen [het socialisme] en niet het deel [de coöperaties] …”36

We begrijpen dus dat de ontwikkeling van de CV en van de coöperatieve beweging de grondslagen van het kapitalistisch systeem niet in vraag heeft gesteld. De CV zijn gewoonweg in concurrentie getreden met de klassieke kapitalistische ondernemingen.

In België en meer specifiek in de socialistische arbeidersbeweging heeft de arbeidersbeweging, door te investeren in coöperaties, het doel en de middelen door elkaar gehaald. De rol van de coöperaties en van de economische werken werd uiteindelijk het belangrijkst. Dat heeft geleid tot een grote depolitisering van de socialistische politieke organisaties. Het succes van de coöperaties was bijvoorbeeld zo groot dat ze al vóór de Eerste Wereldoorlog de ruggengraat van de Belgische socialistische beweging waren geworden.37 De Man die (zoals De Brouckère) kritischer was, vond dat “de coöperatieve beweging om zo te zeggen de andere vormen van [syndicale of politieke, nvdr] de arbeidersorganisatie had verstikt”, wat heeft geleid tot een “coöperatieve idiotie”.38

Over het idee om een arbeidersbank op te richten, had Vandervelde zelf de eerste kritiek al perfect geformuleerd: “waartoe kon het dienen de wereld te veroveren, indien wij er onze ziel bij moesten verliezen?”39. Er was inderdaad kritiek op de grote afstand tussen de socialistische leer en de oprichting van een arbeidersbank, die geacht werd het spaargeld van de arbeiders te investeren, net zoals de andere kapitalistische banken. Binnen de BWP vond officieel geen enkele basisdiscussie plaats40. In de coulissen daarentegen41 ontspon zich een zeer intens debat.

Conclusie

Welke lessen kunnen we trekken uit dit historisch overzicht? We gaan terug naar onze beginvraag: is een andere bank mogelijk?

Ten eerste hebben de coöperatieve vennootschappen en andere arbeidersondernemingen in hun ontwikkeling uiteindelijk de methodes van de kapitalistische vennootschappen gekopieerd. Binnen het kapitalisme blijft een vennootschap, zelfs een coöperatieve, toch in de eerste plaats een vennootschap.

Zoals Guesde zegt, “op dit ogenblik [in 1901, nvdr] worden bijna al onze coöperaties door het kapitalistische milieu verplicht om aan kapitalisme te doen want, in plaats van te verdelen onder hun leden, aan kostprijs, verkopen zij en zijn ze steeds vaker verplicht om te verkopen aan derden, met het oog op winst. […] Dat er uitzonderingen zijn, is mogelijk. Maar over het algemeen wordt u steeds meer veroordeeld, door een omgeving gebaseerd op concurrentie, om bestaans- en ontwikkelingsmiddelen te zoeken buiten de verdeling van de producten; […] in één woord, op die manier waren ze niet meer dan nieuwe grootwarenhuizen, gevormd door kleine arbeiders-aandeelhouders, in plaats van grootwarenhuizen gevormd door grote bourgeois-aandeelhouders.”

“Dat is de realiteit. Maak u geen illusies en laat u niet meeslepen, dit is wat de coöperatie is en steeds meer zal zijn, die we onszelf zouden willen geven voor het komende socialisme. Zich inbeelden dat in de huidige maatschappij het anders zou kunnen zijn, zou een terugkeer zijn naar de utopie van vroeger…”42.

Uiteindelijk pleit de Belgische historische ervaring niet in het voordeel van blind vertrouwen in de banken die de wereld willen veranderen door het spaargeld van de werknemers te investeren. Ofwel hebben deze banken geen (of een zeer zwakke) invloed op de loop der gebeurtenissen, ofwel ‘verliezen zij uiteindelijk hun ziel’. Doordat ze de wereld hebben willen veroveren, vormen de CV en de economische werken van de BWP (waaronder de BBA) een bevoorrechte getuigenis van het volgende dilemma: ofwel blijven ze beperkt tot de anonimiteit en een klein gamma aan activiteiten; ofwel ontwikkelen zij zich en kopiëren ze na verloop van tijd de kapitalistische ondernemingen.

Charles Laisne (laisne.charles bij gmail.com) is historicus.


1 “Missie”, www.triodos.be.

2 “Jaarrekeningen 2011”, www.triodos.be.

3 Zie bijvoorbeeld “De 12 waarden van New B”, www.newb.coop.

4 J.-P. Duchateau, “Est-il temps d’entrer ou de retourner en Bourse? », La Libre Belgique, 21 december 2012, p. 53.

5 L. Bertrand, Histoire de la Coopération en Belgique, I, Brussel, 1902, p. 192, geciteerd door J. Puissant, « La coopération en Belgique. Tentative d’évaluation globale », Revue belge d'Histoire contemporaine (RBHC), 22, 1991, p. 32. (Nederlandse titel : Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis (BTNG). Zie: http://www.journalbelgianhistory.be/en.

6 Parlementaire Handelingen, Kamer der Volksvertegenwoordigers, zitting 1870-1871, p. 174.

7 J. Puissant, op. cit., p. 42 e.v.

8 F. Baudhuin, Histoire économique de la Belgique. 1914-1939, Deel II, Brussel, 1946, p. 212 e.v.

9 G. Vanschoenbeek, “En toch draait ze ! Het verhaal van de coöperatieve weverij van Vooruit te Gent 1903-1919”, RBHC, 22, 1991, p. 372.

10 E. Soutar, Le système de Gand. Essai sur les Sociétés Anonymes Ouvrières de Belgique, Rijsel, 1935.

11 G. Vanthemsche, “Van regionale spaarkassen naar Coop-Deposito’s”, E. Witte, R. De Preter, Geschiedenis van het sociale spaarwezen, Brussel, 1989, p. 180.

12 De Coöperatie, 1 augustus 1911, p. 2, geciteerd door G. Vanthemsche, “Van regionale spaarkassen naar Coop-Deposito’s”, op. cit., p. 176.

13 R. Miry, Essai over de Naamloze Arbeidersvennootschap, Gent, 1930, p. 182.

14 G. Vanthemsche, “Van regionale spaarkassen naar Coop-Deposito’s”, op. cit., p. 175 e.v.

15 R. Miry, op. cit., p. 176 e.v.

16 R. Miry, op. cit., p. 181.

17 Ibid.

18 Ibid.

19 E. Soutar, op. cit., p. 37-38; J. Cottenier, P. De Boosere, Th. Gounet, De Société Générale. 1822-1992, Brussel, 1989, p. 22 e.v.

20 P. Joye, Les trusts en Belgique. La concentration capitaliste, 2e ed., Brussel, 1960, p. 88.

21 F. Baudhuin, Histoire économique de la Belgique. 1914-1939, Deel II, Brussel, 1946, p. 175.

22 Voor meer informatie over de FSC : H.  Legros, “Les structures de la coopération socialiste, 1900-1940”, RBHC, 22, 1991.

23 Zie de talrijke voorbeelden geciteerd in P. Joye, op  cit.

24 G. Vanthemsche, “Van regionale spaarkassen naar Coop-Deposito’s”, op. cit., p. 204.

25 P. Joye, op. cit. ; ; J. Cottenier, P. De Boosere, Th. Gounet, op. cit.

26 G. Vanthemsche, “Van regionale spaarkassen naar Coop-Deposito’s”, op. cit., p. 214.

27 Amsab, BBT, PV van het directiecomité, 15 januari 1929.

28 Voor een analyse van de moeilijkheden die deze bankgroep kende, zie: F. Baudhuin, op. cit., p. 184 e.v.

29 G. Kurgan-Van Hentenryk en S. Tilman, “Les banques locales et régionales en Belgique”, in M. Lescure en A. Plessis (dir.), Banques locales et banques régionales en Europe au XXe siècle, Parijs, 2004, p. 61 e.v.

30 Koninklijk besluit van 22 augustus 1934 betreffende de bescherming van het spaargeld en de bankactiviteit, Belgisch staatsblad, 24 augustus 1934, p. 4483.

31 X, “De financiële en bancaire hervorming in België”, in Banque Nationale de Belgique – Service des études économiques, Bulletin d’information et de documentation, 25 augustus 1934, Brussel 9e jaarg, Vol. II, 4, p. 91 e.v.

32 Koninklijk besluit van 9 juli 1935 inzake de controle op de banken en het uitgiftesysteem van aandelen en waarden, Belgisch staatsblad, 10 juli 1935, p. 4356 e.v.

33 J. Droz, L’internationale ouvrière de 1864 à 1920, www.marxists.org.

34 “Marx en ik hebben er nooit over getwijfeld dat, om over te gaan naar de volle communistische economie, het coöperatieve beheer op grote schaal een tussenliggende stap vormde.”, Engels, Brief aan Bebel, 20-23 januari 1885, www.marxists.org

35 J. Guesde, De socialistische coöperatie. Toespraak aan het Congres van Parijs 1901, www.marxists.org.

36 Lenin, “Het laatste woord van de tactiek van de Iskra of de komedie van de verkiezingen als een extra stimulans voor de opstand”, Oeuvres IX (juni-november 1905), Moskou, 1966, p. 383-384.

37 M. Liebman, De Belgische socialisten 1885-1914. De opstand en de organisatie. Geschiedenis van de arbeidersbeweging in België. III, Brussel, 1979, p. 187.

38 H. De Man, geciteerd door M. Liebman, op. cit., p. 191.

39 E. Vandervelde, De BWP 1885-1925, Brussel, 1925, p. 269.

40 G. Vanthemsche, “Van regionale spaarkassen naar Coop-Deposito’s”, op. cit., p. 222 e.v.

41 Zoals de brieven van François Gelders aan de Algemene raad van de BWP getuigen. Amsab, Onderzoekscommissie van de BWP over de Belgische Bank van de Arbeid, 22, Brieven van François Gelders.

42 J. Guesde, op.cit.