Een kritiek van Post Kapitalisme, een gids voor de toekomst van Paul Mason

Auteur: 
Christian Fuchs

In 1857 beschreef Karl Marx de opkomst van “instellingen waarmee iedereen informatie kan verwerven over de activiteit van alle anderen” en “interconnecties” tot stand kan brengen.[1] Het lijkt alsof niet Tim Berners Lee, maar Karl Marx het World Wide Web uitgevonden heeft![2] Wat klinkt als een beschrijving van het internet, was in feite een analyse van de lijsten van de toenmalige prijzen die belangrijke informatiebronnen waren voor de organisatie van de handel in de 19e eeuw. Marx was niet alleen een theoreticus van het kapitalisme, maar ook één theoreticus van de communicatie[3] of van wat hij bestempelde als de communicatiemiddelen. Het is dan ook geen verrassing dat niet alleen de kapitalistische crisis, maar ook de opkomst van het internet vandaag heeft geleid tot belangstelling voor Marx. We hebben de opkomst meegemaakt van wat kan worden aangeduid als het digitaal marxisme.[4]

Journalist Paul Mason nijgt naar het digitale marxisme met PostCapitalism, een populair wetenschappelijk boek.[5]Hij toont hoe de informatietechnologie de fundamenten heeft gelegd van wat Mason een postkapitalistische economie noemt.

Lange golven van economische ontwikkeling: Kondratieff, Schumpeter en Marx

Paul Mason beschouwt postkapitalisme als het gevolg van de informatietechnologie: “Postkapitalisme is mogelijk dankzij drie invloeden die de nieuwe technologie de afgelopen vijfentwintig jaar heeft uitgeoefend”[6]: 1) de vervaging van de grenzen tussen arbeid en vrije tijd, 2) de overvloed aan informatie, 3) de digitale samenwerking in coöperatieve productie. “De voornaamste tegenstrijdigheid vandaag de dag is die tussen de mogelijkheid van gratis goederen en informatie in overvloed, en een systeem van monopolies, banken en overheden die proberen zaken privé, schaars en verhandelbaar te houden.”[7] Deze analyse overschat de informatie-economie omdat het kapitalisme niet alleen een digitaal en informatief kapitalisme is, maar tegelijkertijd een financieel kapitalisme, superindustrieel kapitalisme is, een kapitalisme gebaseerd op fossiele brandstof, een mobiliteitskapitalisme, enz.[8]

Mason pleit voor een langegolventheorie van crisis en kapitalisme. Hij combineert de lange cycli theorie van Kondratieff[9] en de stelling van Marx over de tendentiële daling van de winstvoet. De start van de vijfde lange golf “vertraagd”[10] als gevolg van het neoliberalisme en de informatietechnologie.[11] “In het neoliberale systeem gebruiken bedrijven de winsten liever om dividenden uit te keren dan ze opnieuw te investeren.”[12] De factoren die het neoliberalisme mogelijk maakten zijn “fiat money, financialisering, de verdubbeling van de beroepsbevolking, de mondiale onevenwichtigheden, inclusief het deflatie-bevorderende effect van goedkope arbeid, plus het goedkoper worden van al het andere als gevolg van de informatietechnologie.”[13]

Mason meent dat de vierde cyclus begon in de late jaren veertig en duurde tot en met 2008[14] en aangedreven werd door “transistors, synthetische materialen, consumptiegoederen voor de massa, automatisering van de fabrieken, kernenergie en automatische rekenkracht.”[15] Hij stelt dat de innovaties en de invoering van nieuwe technologieën niet afkomstig zijn van ondernemende inventiviteit zoals Schumpeter betoogt, maar van de arbeidersstrijd die het kapitalisme gedwongen heeft zichzelf opnieuw uit te vinden.[16] De belangrijkste technologieën van de vastgelopen vijfde cyclus zijn “netwerktechnologie, mobiele communicatie, een werkelijk mondiale marktplaats en informatiegoederen.”[17]

De combinatie Kondratieff en Marx in een marxistische versie van de langegolventheorie als alternatief voor de theorie van Schumpeter is niet nieuw. Paul Mason lijkt absoluut niet bewust te zijn van het werk van Ernest Mandel, in het bijzonder zijn boek Late Capitalism.[18] Mandel stelde dat er zich lange golven voordoen in de ontwikkeling van de winstvoet en dat de verslechtering van de vierde lange golf een aanvang nam rond 1967. Mason gaat er net als Mandel van uit dat de tendentiële daling van de winstvoet verloopt in lange cycli van vijftig jaar: “De neiging van de winstmarge om te dalen, in voortdurende wisselwerking met de contra-tendensen, is een veel betere verklaring voor de drijvende kracht achter de vijftigjarige cyclus dan die van Kondratieff.”[19] (p. 77). Mandel schreef in zijn werk Late Capitalism van 1972:
 

Op internationaal niveau is het kapitalisme dus niet alleen een opeenvolging van cyclische bewegingen elke 7 of 10 jaar, maar ook een opeenvolging van langere periodes van ongeveer 50 jaar. […] Een economische opleving is alleen mogelijk met een stijgende winstvoet, die op zijn beurt de voorwaarden schept voor een nieuwe uitbreiding van de markt en een accentuering van de opleving. Op een bepaald punt in deze ontwikkeling echter moet de verhoogde organische samenstelling van het kapitaal en de limiet aan het aantal goederen die kunnen worden verkocht aan de ‘eindgebruikers’ de winstvoet doen dalen en ook een relatieve inkrimping van de markt teweegbrengen. Deze tegenstrijdigheden gaan vervolgens over in een crisis van overproductie. De daling van de winstvoet leidt tot een inperking van de investeringen. Door de teruggang ontstaat er dan een depressie.”[20]

Mason deelt de mening van Kondratieff, Schumpeter en Mandel: “vijftigjarige cycli zijn het langetermijnritme van het winstsysteem”.[21] Maar de beweringen van Mason spreken deze metafysische veronderstelling dat de cyclus 50 jaar duurt tegen: op andere plaatsen in het boek stelt hij dat de vierde golf 60 jaar duurde.[22] Doordat het kapitalisme een complex, dynamisch open systeem[23] is, is de deterministische veronderstelling dat lange cycli van 50 jaar duren, gewoon niet correct.[24]

In tegenstelling tot neo-Schumpeterianen zoals Christopher Freeman en Carolta Perez verwerpt Mason de veronderstelling dat het paradigma van de informatietechnologie resulteert in een nieuwe lange cyclus met duurzame groei. Hij twijfelt daarbij niet aan de deterministische, niet-dialectische en instrumentele logica, maar hanteert een andere vorm van determinisme. Paul Mason gaat ervan uit dat de informatietechnologie moet leiden tot de ineenstorting van het kapitalisme.

Karl Marx

“Marx kon geen rekening houden met de belangrijkste verschijnselen van de twintigste eeuw – staatskapitalisme, monopolies, complexe financiële markten en mondialisering.[25] Het is duidelijk dat Marx niet in de 20e eeuw leefde. Hij was echter wel een zeer anticiperende denker, maar in tegenstelling tot Mason had hij inderdaad een goed begrip van globalisering, monopolies en financiën. Reeds in het Communistisch Manifest wezen Marx en Engels op het verband tussen het kapitalisme, de globalisering en de technologie. Ze argumenteerden, bijvoorbeeld, dat “de kapitalistische wereldmarkt aan de handel, de scheepvaart en het wegtransport een nooit geziene impuls gegeven heeft. Die werkte dan weer in op de uitbreiding van de industrie. […] Overal moet het [kapitaal] zich inplanten, overal ontginnen, overal relaties aanknopen.”[26] Eric Hobsbawm stelt in deze context dat we vandaag “de kracht van de voorspellingen van het Manifest duidelijker kunnen inzien de door nieuwe communicatie en de verder gevorderde globalisering.”[27]

Het is ook gewoon onjuist dat Marx de monopolietendens van het kapitalisme niet begreep. Deze tendens is een sleutelaspect van wat Marx in het eerste deel van Het Kapitaal de historische tendens van de kapitalistische accumulatie noemt. Dat betreft de “centralisatie van kapitalen” door de “immanente wetten van de kapitalistische productie zelf”, zodat een “kapitalist vele andere kapitalisten ten val brengt”.[28] Marx begreep ook de speculatieve dimensie en de crisis van het financiële kapitaal. In zijn analyse van wat hij het fictieve kapitaal noemt (Het Kapitaal, deel 3) had hij het over het financierswezen als “een systeem van oplichting en bedrog met betrekking tot de promotie van bedrijven, de uitgifte van aandelen en aandelentransacties”.[29]

We moeten – tegen Mason in – benadrukken dat Marx vele ontwikkelingstrends van het kapitalisme van de twintigste eeuw anticipeerde. Het kapitalisme ontwikkelt zich op een dialectische manier door middel van crisissen die resulteren in eliminaties (wat Hegel in het Duits Aufhebung noemde) die leiden tot relatief onvoorspelbare veranderingen. Crisissen zijn kruispunten die het systeem destabiliseren. Marx’ visie zelf is dialectisch en historisch: zijn theorie beschrijft de fundamentele structuren en tendensen van het kapitalisme, maar ze moeten door analyse en kritiek van de politieke economie van iedere specifieke fase van de kapitalistische ontwikkeling worden aangepast en genegeerd. Dit betekent niet dat Marx het mis had in zijn de analyse van het hedendaagse kapitalisme, maar eerder dat de fundamenten van zijn analyse de basis vormden voor een dialectische analyse van het kapitalisme in de 21e eeuw en alle andere tijdperken van het kapitalisme en de klassenmaatschappij, evenals van de samenleving in het algemeen.[30]

Grundrisse van Marx en het informatieve exceptionalisme

Paul Mason gebruikt de aannames van de neoklassieke theorie van de economische goederen voor het formuleren van een hypothese van informatief exceptionalisme: “Informatiegoederen veranderen alles”[31], omdat ze gebrek aan rivaliteit vertonen en niet exclusief zijn in het gebruik[32] en ze “voor niets gereproduceerd”[33] kunnen worden. Informatie zou dan ook het prijsmechanisme ondermijnen en leiden tot het ontstaan van een tegenstelling tussen kunstmatige kapitalistische informatiemonopolies en “gratis goederen”[34], evenals in een alternatieve niet-markt gestuurde informatie-economie die bijvoorbeeld bestaat uit Wikipedia, Wikileaks, open source, creative commons (creatief gemeengoed), vrije software, enz.

Paul Mason echoot Jeremy Rifkins[35] argument over de opkomst van een samenleving met zero marginale kosten: de convergentie van communicatie-, energie- en transporttechnologieën van het internet bevorderen volgens Rifkin een samenleving met zo goed als zero marginale kosten waarin de “marginale kosten van het produceren en verspreiden van” informatie “tot bijna nul herleid worden”.[36] Zo onstaan gemeenschapsgoederen (samenwerkend gemeengoed) die een “overgang van het kapitalistische tijdperk naar de het tijdperk van de samenwerking” stimuleren, de biosfeer kunnen herstellen en een meer rechtvaardige, humane en duurzame mondiale economie voor ieder mens op aarde kunnen scheppen in de eerste helft van de eenentwintigste eeuw”.[37] Zowel Paul Mason als Jeremy Rifkin zijn er zeer optimistisch over dat de informatietechnologie het einde van het kapitalisme zal inluiden en moet resulteren in een betere wereld die het kapitalisme overstijgt. Een dergelijk uitgangspunt is niet alleen optimistisch, maar ook techno-deterministisch. Het onderschat het antagonistische karakter van het digitale kapitalisme en zijn imperialistische tendens om nieuwe binnenlandse kolonies van uitbuiting te creëren.

Masons analyse van het post-kapitalisme is gebaseerd op een bepaalde lezing van Marx' Fragment on Machines in Grundrisse[38], die naar voren werd gebracht door een theoretische traditie binnen het autonome marxisme. Deze traditie leeft bij auteurs als Antonio Negri, Michael Hardt, Carlo Vercellone, Yann Moulier Boutang, Maurizio Lazzarato en Paolo Virno, en naar wie Mason op positieve wijze verwijst bij de interpretatie van het Fragment. Volgens deze interpretatie ontkracht de opkomst van een informatie-economie of wat deze auteurs ‘kenniskapitalisme’ noemen, de waardewet, vernietigt ze de arbeidstijd als bron van waarde, maakt ze waarde onmeetbare en ‘immaterieel’. En zo bevordert ze de crisis en de overgang naar het communisme.

Marx’ Grundrisse toont aan dat “een machine die eeuwig blijft bestaan, of zonder arbeid kan worden gemaakt, geen arbeidsuren kan toevoegen aan de waarde van de producten die zij maakt.”[39] Mason zegt dat in de informatie-economie “een wereld van gratis dingen niet kapitalistisch kan zijn”[40], “informatie de waarde aantast”[41], en de “waarde verdwijnt”[42]. Hij stelt dat de informatietechnologie zorgt voor een tijdloze economie, onafhankelijk van de arbeidstijd: “Nuttige spullen die met kleine beetjes menselijke arbeid vervaardigd kunnen worden, zullen uiteindelijk waarschijnlijk gratis, gedeeld en gemeenschappelijk eigendom worden.”[43] “De informatietechnologie is slechts de jongste loot van een innovatieproces dat al 250 jaar bestaat. Maar informatie brengt een nieuwe dynamiek met zich mee. Doordat je met informatietechnologie machines kunt hebben die niets kosten, eeuwig meegaan en niet kapotgaan.”[44] “Het echte wonder van informatie is niet dat zij onstoffelijk is, maar dat zij de noodzaak van arbeid op een onbecijferbare schaal wegneemt.”[45] “Technologisch stevenen we af op gratis goederen, onmeetbaar werk, een exponentiële vlucht van de productiviteit en de uitgebreide automatisering van fysieke processen. Sociaal zitten we gevangen in een wereld van monopolies, inefficiency, de ruïnes van een door het financiële kapitalisme gedomineerde vrije markt en een enorm aantal ‘bullshit-banen’. Vandaag de dag speelt de voornaamste strijd binnen het moderne kapitalisme zich af tussen gratis, in overvloed en sociaal geproduceerde goederen, en een systeem van monopolies, banken en overheden die moeite hebben de controle over de macht en de informatie in handen te houden. Dat wil zeggen: alles is doortrokken van de strijd tussen het netwerk en de hiërarchie.”[46]

Mason meent dat er “structurele hindernissen”[47] zijn voor de opkomst van het informatiekapitalisme: nulkost, nulprijs, problemen met omscholing en menselijke weerstand tegen vermarkting. “Dus wat we in werkelijkheid hebben is een informatiekapitalisme dat moeite heeft om in leven te blijven. We zouden door een derde industriële revolutie moeten zijn heen gegaan, maar die is vastgelopen. […] Een economie gebaseerd op informatie, met haar natuurlijke neiging om te zorgen voor producten die niets kosten en voor zwakke eigendomsrechten, kán geen kapitalistische economie zijn[48] zijn.

In een annex in het boek Reading Marx in the Information Age ben in dieper ingegaan op “Fragment on Machines” uit Grundrisse.[49] Ik heb er de autonomistisch interpretatie waarop Paul Mason in detail ingaat, ter discussie gesteld. Een belangrijk probleem van deze interpretatie is dat Fragment verkeerd gelezen wordt, in het bijzonder die passage waarin Marx schrijft dat “de arbeidstijd stopt en moet stoppen als” maat van rijkdom.[50] Deze eigenaardige lezing impliceert dat de opkomst van de informatietechnologie en het kenniskapitalisme de waardewet binnen het kapitalisme afschaft en resulteert in de automatische overgang naar het kenniscommunisme.

Marx maakt het echter duidelijk dat de context van de situatie die hij beschrijft die is van de “massa van de werknemers” die zich “hun eigen meerarbeid” hebben toegeëigend[51]  en dat “de productie gebaseerd op de ruilwaarde stopt”[52]. Marx spreekt over de afschaffing van de waardewet in het ‘post-kapitalisme’, niet in het kapitalisme! Zolang het kapitalisme bestaat institutionaliseert de waardewet de uitbuiting van de arbeid in ruimte en tijd. Informatietechnologie legt de tegenstelling tussen de productiekrachten en de productieverhoudingen bloot, maar dit doet niets af aan de waardewet.

Roman Rosdolsky betoogde in zijn baanbrekende studie[53] van Marx’ Grundrisse dat Marx in Fragment “het afsterven van de waardewet in het socialisme” in gedachten had, maar niet onder het kapitalisme. Moishe Postone benadrukt dat de crisis van de waarde in het kapitalisme “niet simpelweg vervangen werd door een nieuwe vorm van rijkdom”, maar eerder dat de waarde “de noodzakelijke structurele voorwaarde van de kapitalistische maatschappij blijft”.[54] “Het kapitalisme maakt zijn eigen negatie mogelijk, maar evolueert niet automatisch tot iets anders.”[55] De studie van Rosdolsky van de Grundrisse en de werken van Postone, een van de belangrijkste critici van de waarde bij Marx, zijn slechts twee van de marxistische werken waarvan Mason zich niet bewust is. Dit resulteert in een eendimensionale, deterministische interpretatie van de arbeidswaardetheorie. Mason gaat ook voorbij aan de stand van zaken in de discussies over de digitale arbeidswaardetheorie.[56] Dit is een vrij complex en multidimensionaal debat. Meerdere aspecten zijn van belang in de verschillende categorieën, zoals productieve digitale arbeid, de collectieve werknemer, circulatie, huur, reclame als ideologische hulpmiddel, reproductieve arbeid, consumptieve arbeid, vermarkting van de arbeid van de gebruiker, de politieke economie van gerichte online reclame, of immateriële arbeid/kenniskapitalisme. Mason vertrouwt alleen op de laatste categorie en interpretatie van de digitale arbeidswaardetheorie.

Hoewel het kopiëren van informatie niet lang duurt, zijn er manieren waarop het kapitaal probeert nieuwe vormen van arbeidstijd, meerwaardecreatie en uitbuiting te introduceren in de informatie-economie. Ten eerste, commerciële software en andere informatiegoederen worden niet alleen een keer geproduceerd en vervolgens gekopieerd, maar er komen nieuwe versies op de markt, constante updates en vormen van ondersteuning. Het is dan ook geen verrassing dat het aantal gewerkte uren in de IT-sector en andere informatiediensten elk jaar stijgt (dat is inclusief software engineering en andere vormen van arbeid). Duitsland kende voor dit soort werk een groei van 765 miljoen uren per jaar in 2000 tot 1069 miljard in 2010.[57]

Ten tweede, is het ook zo dat grote delen van de politieke economie van het internet gebaseerd is op gerichte reclame. De reclame-industrie is slechts een voetnoot in de analyse van Mason, hoewel de wereldwijde reclame-inkomsten zijn gestegen van 234 miljard pond in 2010 tot 283 miljard pond in 2014.[58] Het aandeel van de onlinereclame in de totale advertentiesector nam snel toe en droeg bij aan de crisis van de commerciële printmedia. Google en Facebook zijn geen communicatiebedrijven. Ze zijn ’s werelds grootste reclamebureaus.[59] Reclame is niet alleen gebaseerd op de arbeidstijd van marketing professionals, maar ook op de tijd dat het publiek er aandacht aan besteed en op het commerciële internetgebruik, (onbetaalde) werktijd dus. De theorie van Dallas Smythe stelt ons in staat om dit fenomeen te begrijpen nu de grenzen vervagen tussen werk en vrije tijd en tussen zwoegen en spelen.[60]

Ten derde, is er een internationale verdeling van digitale arbeid, waarin verschillende vormen van arbeid georganiseerd worden.[61] Het varieert van de uitbuiting van geknechte mijnwerkers in Congo, tayloristische ICT-monteurs bij Foxconn in China of software ingenieurs in India of in de Silicon Valley tot verschillende vormen van niet-betaalde onlinearbeid.[62] De productie van informatietechnologie kent een hoge graad van uitbuiting en vergt veel tijd. De hypothese over de instorting van de waarde in de informatie-economie onderschat de gevaren van de werkelijk bestaande uitbuiting in de kapitalistische wereldeconomie.

     Ten vierde bestaan er ook verschillende vormen digitale arbeid: illegale, niet-betaalde, onzekere, uitbestede, crowdsourced en click-worked. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van Facebook, Google, YouTube, Weibo, LinkedIn, Pinterest en Instagram; online klantenbeoordelingen op Amazon of Yelp; werken via freelancer platforms zoals Upwork, PeoplePerHour, Amazon Mechanical Turk en ClickWorker; de deelname aan enquêtes, het installeren van software-updates, het verwijderen van spam, het afmelden voor spamlijsten, de tijd besteed aan datingplatforms als match.com of Tinder, het beantwoorden van professionele e-mails via de mobiele telefoon of tablet buiten de normale werktijden, het werken in de trein, de metro of in cafés; het online boeken van een reis, enz.

Onbetaalde arbeid en productieve consumptie schept waarde die verder gaat dan het internet. Denk daarbij aan selfservice tankstations, de zelfassemblage van IKEA-meubels, thuiswerk, werken tijdens de reistijd, het reinigen van je afval voordat je het weggooit, geldautomaten, zelfscanning in de supermarkten, de cultuur van onbetaalde stages, incheckmachines op luchthavens, kaartautomaten in de metro-, trein- en busstations, geautomatiseerde service kiosken in geprivatiseerde postkantoren, verkoopautomaten, selfservice bars in restaurants, fastfood restaurants, enz. “Shadow work omvat alle onbetaalde taken die we verrichten in opdracht van het bedrijfsleven. […] Klanten pompen hun eigen benzine, tappen hun eigen bier, nemen hun eigen fruityoghurt en scheppen zelf basmati of rijst in zakken en voorzien ze vervolgens van een etiket in de bulkvoedselafdeling van Whole Foods. Ze vullen hun schotels aan de saladebars en scheppen hun eigen soep, lo meinnoedels, mac en kaas of roerei op aan de soep bars. […] Met 3D-printers moeten ze alleen maar het ontwerp downloaden om vele objecten te ‘printen’ die ze niet zolang geleden zouden gekocht hebben in een winkel. Dit is thuisproductie.”[63]

Consumenten- en prosumerarbeid is shadowwork omdat het niet op een voor de hand liggende manier aanvoelt als werk, maar waarde creëert voor bedrijven. Dit vergt nu eenmaal tijd en dat gaat ten koste van de tijd die buiten de warencultuur anders zou kunnen worden gebruikt. Hij vervangt betaalde arbeid door onzekere en onbetaalde arbeid. Door het verminderen van de ‘loonsom’ van de bedrijven draagt dit bij tot het verhogen van de winst. Consumenten en gebruikers zijn een deel van de arbeidersklasse geworden.

Ik pleit niet voor de handhaving van afstompende arbeid die veel beter door machines kan worden uitgevoerd, maar wil benadrukken dat de tegenstellingen die Marx beschrijft in Fragment in het tijdperk van de informatietechnologie, erg acuut zijn geworden: de automatisering en digitalisering van de arbeid resulteert niet alleen in werkloosheid, maar neemt ook nieuwe vormen van uitbuiting aan die vaak niet alleen onzeker zijn, maar men ook niet ziet en verborgen blijven.

De meerwaardewet is duidelijk niet opgedoekt als men kijkt naar de grootste transnationale digitale mediabedrijven die enorme winsten maken. In 2015 was Apple ’s werelds 12e grootste transnationale onderneming met een jaarlijkse winst van 44,5 miljard dollar. Microsoft was de 25e grootste (jaarlijkse winst: 20,7 miljard dollar), Google de 39e grootste (13,7 miljard dollar), IBM de 44e grootste (12 miljard dollar), Comcast de 46e grootste (8,4 miljard dollar), Disney de 84e grootste (7,8 miljard dollar), Hewlett-Packard de 96e grootste (5 miljard dollar), Foxconn de 122e grootste (4,3 miljard dollar), 21st Century Fox de 150e grootste (9,3 miljard dollar), Time Warner de 163e grootste (3,8 miljard dollar), enz.[64] Deze winsten zijn niet uit de hemel komen vallen en zijn niet ontstaan uit niets. Ze zijn het resultaat van uitbuiting van betaalde, onbetaalde, precaire, uitbestede of crowdsourced digitale arbeidstijd door het kapitaal dat deze economische meerwaarde voortbrengt in de internationale digitale arbeidsdeling.

De interneteconomie (net als alle andere onderdelen van het kapitalisme) is eveneens gevoelig voor crisissen. De reden hiervoor is niet dat ze buiten de meerwaarde en de arbeidstijd valt. Er leven eerder overdreven ideologische verwachtingen die menen dat de opkomst van het internet de winstdaling in andere sectoren van de economie kan compenseren. Elke nieuwe ontwikkeling in de digitale wereld resulteert in een nieuwe versie van de digitale bejubeling[65], dat wil zeggen techno-optimistische ideologieën die het internet en computers aanbidden. Het kapitalistische internet gaat dan ook samen met verwachtingen van massale winstpercentages die afwijken van de huidige economische werkelijkheid. Deze hoge winstverwachtingen overstijgen de feitelijke mogelijkheden die eigen zijn aan de uitbuiting van de digitale arbeid. Hierdoor wordt de financialisering van de interneteconomie aangevuurd zodat er financiële zeepbellen ontstaan die kunnen barsten zoals de dot.com-crisis in 2000 aantoonde.

De opkomst van de informatietechnologie heeft geleid tot tegenstellingen die een nieuw digitaal- en consumentenproletariaat hebben gecreëerd dat deel uitmaakt van de mondiale arbeidersklasse en die de informatiemonopolies hebben gefinancialiseerd en daardoor het informatiekapitalisme ook gevoelig voor crisissen gemaakt. Digitaal- en informatiekapitalisme is niet onmogelijk, zoals Mason stelt. Het is een realiteit waarin we vandaag moeten leven. De digitale waardewet heeft nieuwe vormen van uitbuiting en tegenstellingen voortgebracht die de schepping van nieuwe sferen van niet-commerciële, alternatieve, coöperatieve productie en solidariteit mogelijk hebben gemaakt, gedeelde en peer-productie-economie buiten het domein van het kapitalisme, wat de waardewet ondermijnt. Maar het doel en de tendens om de waardewet te vernietigen is geen automatisme dat voortvloeit uit de informatie en informatietechnologie. Dat kan slechts worden bereikt door de bewuste politieke strijd voor het onttrekken van de informatie aan de wereldwijde markteconomie. Het vereist een dialectische politieke eenheid van de sociale massabeweging en de partij.[66] “Massa’s verenigen zich, maar ze blijven niet duren […] [Het zijn] de massa’s die de partij aansporen om hun verwachtingen hoger te stellen [en] de partij die de moed van de mensen onderkent in de haast van de menigte. […] [De] partij werkt aan de uitbreiding van de collectieve wens naar collectiviteit, nadat de menigte naar huis is gegaan.”[67]

Klassenstrijd en politieke veranderingen

Paul Mason slaagt er niet in om een diepgaande en belangrijke bijdrage aan het digitale marxisme te leveren. Zijn analyse is een eendimensionale, techno-deterministische theorie die de analyse van de digitale arbeid, de internationale verdeling van digitale arbeid en de tegenstelling tussen digitale arbeid- en digitaal kapitaal negeert.

     Paul Mason is goed in het identificeren en beschrijven van politieke eisen die kunnen helpen om de voorwaarden voor de creatie van een post-kapitalistische maatschappij (zie hoofdstuk 10) te bevorderen. Dergelijke eisen omvatten, onder meer, de vermindering van de standaard werktijden; het bevorderen van steun voor co-operatieven, de solidariteit en de gedeelde peer-productie-economie; de vermindering van de kooldioxide-uitstoot, de versterking van de verzorgingsstaat en gratis openbare diensten, de vermindering van de ongelijkheden, de socialisering van het financiële systeem, het bevorderen van mensgerichte automatisering, het beëindigen van de privatisering, te beginnen met door de overheid geleide infrastructurele projecten (huisvesting, vervoer, gezondheidszorg, onderwijs, enz.), kwijtschelding van schulden, de sluiting van belastingparadijzen, een beperking van de belastingontwijkingen, de invoering van een universeel basisinkomen, die gefinancierd worden uit belastingen, enz.[68]

Ten minste twee ideeën moeten eraan toegevoegd en benadrukt worden.

Vooreerst zijn er verschillende vormen van fiscaal gefinancierd universeel basisinkomen – een neoliberaal en een vooruitstrevend basisinkomen. In het neoliberale basisinkomen wordt het belastingstelsel zodanig veranderd dat de armen beschikken over een minimuminkomen, maar over het algemeen is er een herverdeling van groepen met een laag inkomen naar groepen met een hoger inkomen en vermogen door maatregelen, zoals een forfaitaire vlaktaks en de gedeeltelijke afschaffing van de welvaartsstaat. Daardoor gaat die de eerste groep er sociaal op achteruit. Het is geen wonder dat Milton Friedman het idee van een dergelijk basisinkomen omhelsde. Een versie ervan wil alle belastingen afschaffen, met uitzondering van de btw die massaal wordt verhoogd. Het progressief basisinkomen daarentegen is een maatregel die universele economische rechten combineert met het verhogen van de belasting op kapitaal en de rijken. Enkele jaren geleden hielp ik met het ontwerpen van modellen van hoe het progressieve basisinkomen doorgevoerd kon worden in de Duitstalige wereld.  De tegenstelling tussen het neoliberale en het progressieve basisinkomen werd zeer duidelijk in deze beweging. Mijn politiek punt in deze context is altijd geweest dat ik niet bezorgd was over het basisinkomen als zodanig, maar enkel over een socialistisch en herverdelend basisinkomen.

Paul Mason ziet de noodzaak in om het maatschappelijk middenveld en de overheid samen te brengen in een progressief beleid. Het probleem van de alternatieve projecten heeft te maken met de traditionele scepsis van radicaal-links tegenover de staat. Dergelijke projecten hebben vaak een tekort aan middelen en blijven hangen in een alternatief getto voor de verlichte linkse enkelingen en zijn gebaseerd op vrijwilligheid en sterk zelf uitbuitende arbeid. Als gevolg van dit alles kan de kapitalistische macht niet aangepakt worden. We hebben mechanismen nodig die een progressieve overheid combineert met de acties van het maatschappelijk middenveld. Een ervan is wat ik de participatieve mediavergoeding noem[69]: extra staatsinkomsten gegenereerd door kapitaalbelasting, bijvoorbeeld door het belasten van reclame, worden in dit model herverdeeld via het participatief budgetteren voor de burgers, die een cheque ontvangen. Er wordt hen gevraagd de jaarlijkse som die zij ontvangen aan niet-commerciële media of culturele projecten te besteden en zo te helpen bij het veroveren van de publieke ruimte.

Bij het bespreken van de mogelijke politieke veranderingen rijst de vraag wie de mogelijke actoren van deze verandering zijn. Voor Paul Mason vormen de huidige activisten deze politieke motor. Hij onderkent de noodzaak van een actieve, bewuste politieke praxis. Maar in zijn techno-deterministisch raamwerk lijkt het erop dat een dergelijke praktijk niet relatief autonoom is, maar het gevolg van de blinde noodzakelijkheid die de informatietechnologie oplegt. Volgens Mason is protest een automatische en noodzakelijke kracht van de geschiedenis. Een dergelijke analyse onderschat de rol van ideologieën die kunnen vooruitlopen op politieke veranderingen en politieke bewegingen. Crisissen bepalen niet, maar conditioneren de politieke strijd. Crisissen, als objectieve dialectische factor van het kapitalisme, conditioneren de mogelijkheden en de beperkingen van de subjectieve tegenstellingen, waarin de mensen collectief in de samenleving ingrijpen en haar proberen te veranderen. “Geen enkele natuurlijke noodzaak of automatische onvermijdelijkheid garandeert de overgang van kapitalisme naar socialisme. […] De revolutie vereist de maturiteit van vele krachten, maar de grootste onder hen is de subjectieve kracht, namelijk de revolutionaire klasse zelf. De realisatie van de vrijheid en de rede vereist de vrije rationaliteit van de mensen die dit tot stand brengen. De marxistische theorie is dan onverenigbaar met het fatalistisch determinisme.[70]

Wie is voor Mason de progressieve politieke actor? Er is volgens hem “een nieuwe drager van verandering gecreëerd: de goed opgeleide en verbonden mens”.[71] “De afgelopen twintig jaar heeft het kapitalisme echter een nieuwe sociale kracht opgeroepen, die zijn grafdelver zal zijn, net zoals in de negentiende eeuw het fabrieksproletariaat door het kapitalisme tot leven werd gewekt. Het zijn de genetwerkte individuen die op de stadspleinen kampeerden, de fracking-sites blokkeerden, punkrock speelden op de daken van Russische kathedralen, uitdagend glazen bier hieven als provocatie van het islamisme op het gras van het Gezi Park, een miljoen mensen op straat kregen in Rio en São Paulo en nu massastakingen organiseerden in Zuid-China. Zij vormen de ‘gesublimeerde’ arbeidersklasse – die is verbeterd en vervangen”[72]

Bijna alle managers, CEO’s, en andere leden van de klasse van de 1 % zijn “opgeleid en onderling verbonden”. Zij zijn geglobaliseerd, genetwerkt, goed opgeleid, invloedrijk - en rijk. Zijn de opgeleide, onderling verbonden en genetwerkte hedgefonds managers en de opgeleide, onderling verbonden en genetwerkte ondernemers, die rijkdom in belastingparadijzen onderbrengen en verbergen, een deel van progressieve kracht? Zeker niet! Onderwijs, netwerken en onderlinge verbondenheid zijn niet automatisch politiek progressief. Als we aannemen dat goed opgeleide, onderling verbonden, genetwerkte individuen het progressieve onderwerp uitmaken, dan betekent dit dat deze 1 % de avant-garde van links moet zijn; dat is een absurde veronderstelling. Ook fascistische leiders en activisten kunnen worden opgeleid en zijn meestal niet alleen populisten, maar ook sterk onderling verbonden en genetwerkt. We moeten inzien dat een aanzienlijk deel van de hedendaagse politieke actie een fascistisch, racistisch of extreemrechts karakter heeft. Niet alleen is het relatief open als tijdens een crisissituatie protest ontstaat of tegengehouden wordt door ideologieën en repressie, ook de dominante politieke richting van een dergelijke politiek is niet bepaald.

Paul Masons kijk op politieke verandering is naïef. Dit werd ook duidelijk in zijn boek van 2012 Why it’s Kicking Off Everywhere: The New Global Revolutions[73]waarin hij   het fabeltje dat Facebook en Twitter moderne protesten of revoluties zouden zijn, voor waar aanneemt. Als men boeken baseert op journalistieke waarnemingen en niet op systematische en kritische empirische studies, dan vallen kortsluitingen niet uit te sluiten met eendimensionale analyses als resultaat. Wat Paul Mason als journalist op sommige pleinen van de wereld en in zijn interviews observeert, kan op zijn best een gedeeltelijke waarheid, een halve waarheid of een onwaarheid zijn. Het is niet gebaseerd op een sociaalwetenschappelijke methodologie. Empirisch onderzoek heeft daarentegen uitgewezen dat noch online media hedendaagse protesten en revoluties veroorzaken noch dat ze onbelangrijk zijn.[74] Protesten worden gevormd door de dialectiek tussen de media en de straat, het internet en de pleinen, online en offline, face-to-face en mediacommunicatie, traditionele en nieuwe media.[75] Soms is het beter dat de journalisten (opnieuw) naar de universiteit gaan en een doctoraat in de filosofie behalen om enige basiskennis van de sociale wetenschappen te verwerven en aan systematisch empirisch onderzoek te doen voordat ze boeken schrijven.

De opgeleide, onderling verbonden en genetwerkte personen vormen vandaag geen politieke kracht. De potentieel progressieve politieke factor wordt veeleer gevormd door al diegenen die vandaag gemeenschappelijke goederen voortbrengen door hun arbeid, maar de gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen, de sociale kennis, de cultuur, de technologie, de zorg en het onderwijs niet controleren, onteigenen of bezitten. De 1 % zijn geen onderdeel van deze politieke kracht, maar zij zijn er de dialectische tegenkracht van.

Conclusie

Het boek Post-Capitalism van Paul Mason verafgoodt de informatietechnologie. Het negeert de rol van digitale arbeid en de tegenstelling tussen arbeid en digitaal kapitaal in de internationale verdeling van de digitale arbeid. Het is gebaseerd op een eendimensionale, functionalistische lezing van Marx en begrijpt het imperialistisch karakter van het digitale kapitalisme niet.[76] Het ziet de menselijke praxis als een blinde noodzaak afkomstig van de informatietechnologie en is gebaseerd op een lineaire, techno-deterministische, functionalistische logica:

Informatietechnologie => Zero-marginale kosten van de informatie =>
Trend van de val van de winstvoet => Ineenstorting van het kapitalisme => Post-kapitalisme

“We moeten onbeschaamde utopisten zijn”[77], zegt Paul Mason als utopisch socialist 2.0. Hij ziet de utopie van het socialistische post-kapitalisme niet als het resultaat van de actieve hoop van socialistische praxis, maar als een gevolg van de informatietechnologie. Het boek volgt de traditie van andere theorieën van de ineenstorting van het kapitalisme. Hoewel het in theorie veel minder verfijnd is, is het niet los te denken van de aanpak van de Duitse marxist Robert Kurz. In zijn boeken zoals Der Kollaps der Modernisierung[78], Schwarzbuch Kapitalismus[79] of Geld ohne Wert: Grundrisse zu einer Transformation der Kritik der Politischen Ökonomie[80], stelt Kurz dat de micro-elektronische revolutie de inhoud van de meerwaarde vernietigt en resulteert in een onvermijdelijke daling van de winstvoet. Dit zal dan leiden tot de ineenstorting van het kapitalisme en de opkomst van een post-kapitalistische maatschappij.

     “In het kort kan men zeggen dat het potentieel van de micro-elektronische revolutie die begon in de vroege jaren tachtig nog lang niet uitgeput is, niet alleen de Fordistische expansie, maar de expansie van de productieve arbeid en dus ook de echte waardecreatie, zijn stilgevallen. De productieve arbeid is sindsdien op een wereldwijde schaal teruggedrongen. Dit betekent dat het historisch compensatiemechanisme, dat de parallelle uitbreiding van de kapitalistisch niet-productieve arbeid ondersteunde, niet meer bestaat. De basis van de kapitalistische reproductie heeft werkelijk zijn absolute grens bereikt, hoewel de ineenstorting (in de ruimste zin van het woord) nog niet heeft plaatsgevonden op formeel fenomenologisch vlak. Maar een dergelijke gebeurtenis zou niet langer enkel de vorm van een versnelde daling van de winstvoet aannemen.”[81]

De analyse in het boek van Mason lijkt ook op de oorspronkelijke economische theorie van de ineenstorting, namelijk het boek van Henryk Grossmann [1929] Das Akkumulations- und Zusammenbruchsgesetz des kapitalistischen Systems. Grossmann geeft een wiskundig voorbeeld (op basis van een berekening die Otto Bauer [1912/1913] formuleerde in een essay), waarin het kapitalisme na 35 jaar ineenstort. Volgens Grossmann toont het voorbeeld aan dat de stelling van Marx over de tendentiële daling van de winstvoet de automatische ineenstorting van het kapitalisme veroorzaakt.

“Als het kapitalistische systeem onvermijdelijk ineenstort als gevolg van de relatieve daling van de winst, kunnen we begrijpen waarom Marx een enorm belang hechtte aan de tendetiële daling van de winstvoet, dat is gewoon de uitdrukking van deze ineenstorting.”[82]         

“Het kapitalistische mechanisme valt stil, niet omdat het te veel meerwaarde bevat, maar omdat het er te weinig schept. De valorisatie van het kapitaal is de belangrijkste functie en het systeem sterft, omdat niet kan worden voldaan aan deze functie.”[83]

“Marx meent dat de wortels van de ineenstorting te zoeken zijn in de maatschappelijke vorm van de productie; in het feit dat het kapitalistisch mechanisme geregeld wordt door de winst en dat er op een bepaald niveau van de kapitalistische accumulatie er niet genoeg winst is om de valorisatie van het opgebouwde kapitaal te verzekeren.”[84]

Bauer berekende dat de ontwikkeling van de winstvoet in zijn voorbeeld alleen gold voor vier jaar. Grossmann breidde dit uit tot meer dan 35 jaar.[85] Er is een probleem met het uitgewerkte voorbeeld: de meerwaardevoet blijft constant, terwijl de organische samenstelling van de kapitaal toeneemt. In werkelijkheid kan de klassenstrijd die het kapitaal voert de graad van de meerwaarde doen stijgen en een rol spelen als compenserende tendens. Op die manier is de klassenstrijd een cruciale variabele die tussenkomt in de ontwikkeling van de winstvoet.[86] Grossmann erkent het bestaan van compenserende trends, maar meent dat de ineenstortingstrend uiteindelijk zichzelf moet doen gelden en moet uitmonden in een definitieve crisis: “Ondanks periodieke onderbrekingen die herhaaldelijk de trend van de ineenstorting bezweren, neigt het mechanisme als geheel meedogenloos naar het definitieve einde door het algemeen accumulatieproces. Aangezien de accumulatie van kapitaal op absolute wijze toeneemt, wordt de valorisatie van dit groeiende kapitaal steeds moeilijker. Zodra deze onderbrekingen zelf onschadelijk gemaakt worden of gewoon ophouden te functioneren, krijgt de trend tot ineenstorting de overhand en uit ze zich in haar absolute vorm in de ultieme crisis.[87]

Lenin overliep de negatieve aspecten van de technologie toen hij het onmenselijke Taylor-systeem idealiseerde en dacht dat het volkomen geschikt was om in een socialistische maatschappij te worden toegepast: “Het Taylorsysteem – zonder dat de initiatiefnemers het wisten of wensten – bereidt het tijdstip voor waarop het proletariaat de hele maatschappelijke productie in handen zal nemen en zijn eigen werknemerscomités zal aanstellen om op juiste wijze de verdeling van alle sociale arbeid te regelen. Grootschalige productie, machines, spoorwegen, telefoon - bieden duizenden mogelijkheden om de arbeidstijd van de georganiseerde arbeiders vier keer te verminderen en hen ze vier keer meer welzijn te verzekeren dan vandaag.”[88]

Het kapitalisme en de overheersing die het uitoefent, modeleren inherent de aard van de technologieën. Dat is het essentiële waarom het gaat. Het is daarom weinig waarschijnlijk dat een technologie in het kapitalisme alleen positieve en emancipatorische mogelijkheden biedt. De moderne technologie kent tegenstrijdige tendensen die kunnen bijdragen ofwel aan emancipatie ofwel aan repressie. Zowel de hele maatschappij als de technologie opnieuw vormgeven, is een enorm belangrijke politiek opdracht. Op die manier zal het democratisch socialisme vooruitgang kunnen boeken.

De winstvoet is afhankelijk van de organische samenstelling van het kapitaal en van de meerwaardevoet. Hij is recht evenredig met de meerwaarde en indirect evenredig met de organische samenstelling.[89] De technologische ontwikkeling kan leiden tot een toename van beide. Een daadwerkelijke stijging of daling van de winstvoet en de economische uitdrukking ervan zijn afhankelijk van de resultaten van de klassenstrijd en de effecten van de compenserende tendensen.[90] Het kapitalisme zal niet noodzakelijkerwijs ineenstorten. De informatietechnologie schept de voorwaarden, maar bepaalt niet de objectieve en subjectieve tegenstellingen in het kapitalisme en hun ontwikkeling.

De werknemers moeten zich wereldwijd politiek verenigen om de humanisering van de samenleving en de technologie te realiseren. Als digitaal marxist is Paul Mason een Grossmann 2.0. Een dergelijke beoordeling kan men moeilijk bestempelen als en lofbetuiging voor zijn boek. PostCapitalism: A Guide to our Future heeft succes in markttermen (in kapitalistisch ideologische termen spreekt men van een ‘bestseller’), niet vanwege de superioriteit van zijn analyse, maar omdat de auteur als journalist meer dan 200.000 Twitter-volgers heeft en is uitgegroeid tot een alom bekende verschijning tijdens de nieuwsuitzendingen op de BBC en Channel 4. De gelaagdheid van de media-aandacht in de kapitalistische spektakelmaatschappij resulteert in misleidende aandacht. Daardoor kunnen hoge verkoopcijfers, inkomsten en grote aandacht samengaan met een lage academische, theoretische en analytische kwaliteit. De armoede van de theorie verkoopt als ze blinkt en schril en luid genoeg schreeuwt in onze economie, zelfs als ze alleen maar imiteert, kopieert en zich vermomt als digitaal marxisme.

Christian Fuchs is mederedacteur van het open access tijdschrift TripleC: Communication, Capitalism & Critique (http://www.triple-c.at). Hij is professor aan de Universiteit van Westminster, waar hij directeur is van het Communication en Media Research Institute en de directeur van het Westminster Institute for Advanced Studies Dit artikel verscheen in het Engels onder de titel “Henryk Grossmann 2.0 : A Critique of Paul Mason’s Book PostCapitalism : A Guide to Our Future” in TripleC, vol. 14, 2006, nr. 1, p. 232-243. Zie: http://www.triple-c.at/index.php/tripleC/article/view/757/841.


Referenties

      Aouragh, Miriyam. 2016. Social Media, Mediation and the Arab Revolutions. In Marx in the Age of Digital Capitalism, ed. Christian Fuchs en Vincent Mosco, p. 482-515, Brill, Leiden.

      Bauer, Otto. 1912/13. Die Akkumulation des Kapitals. Die Neue Zeit, vol. 31 (1): p. 831-838, p. 862-874.

      De La Haye, Yves, ed. 1980. Marx and Engels on the Means of Communication. International General, New York.

      Dean, Jodi. 2016. Crowds and Party, Verso, Londen.

      Dyer-Witheford, Nick. 1999. Cyber-Marx: Cycles and Circuits of Struggle in High-Technology Capitalism. University of Illinois Press, Urbana, IL.

      Fisher, Eran en Christian Fuchs, eds. 2015. Reconsidering Value and Labour in the Digital Age. Palgrave Macmillan, Basingstoke.

      Fuchs, Christian. 2016a. Against Theoretical Thatcherism: A Reply to Nicholas Garnham. Media, Culture & Society, vol. 38 (2), p. 301-311.

      Fuchs, Christian. 2016b. Critical Theory of Communication: New Readings of Lukács, Adorno, Marcu- se, Honneth and Habermas in the Age of the Internet. University of Westminster Press, Londen. (in voorbereiding).

      Fuchs, Christian. 2016c. Digital Labor and Imperialism. Monthly Review, vol. 67 (8), p. 14-24.

      Fuchs, Christian. 2016d. Reading Marx in the Information Age: A Media and Communication Studies Perspective on “Capital Volume I”. Routledge, New York.

      Fuchs, Christian. 2015a. Culture and Economy in the Age of Social Media. Routledge, New York.

  Fuchs, Christian. 2015b. Left-Wing Media Politics and the Advertising Tax. Reflections on Astra Taylor’s Book “The People’s Platform: Taking Back Power and Culture in the Digital Age”. TripleC:

Communication, Capitalism & Critique, vol. 15 (1), p. 1-4.

      Fuchs, Christian. 2014a. Digital Labour and Karl Marx. Routledge, New York.

      Fuchs, Christian. 2014b. OccupyMedia! The Occupy Movement and Social Media in Crisis Capitalism. Zero Books, Winchester.

      Fuchs, Christian. 2014c. Social Media: A Critical Introduction. Sage, Londen.

      Fuchs, Christian. 2011. Foundations of Critical Media and Information Studies. Routledge, Londen.

  Fuchs, Christian. 2009. Some Theoretical Foundations of Critical Media Studies: Reflections on Karl Marx and the Media. International Journal of Communication, vol. 3, p. 369-402.

      Fuchs, Christian. 2008a. Foundations and Two Models of Guaranteed Basic Income. In Perspectives on Work, eds. Otto Neumaier, Gottfried Schweiger and Clemens Sedmak, p. 235-248. LIT, Wenen.  

   Fuchs,  Christian.  2008b.  Internet  and  Society:  Social  Theory  in  the  Information  Age. Routledge, Londen.

      Fuchs, Christian. 2004. The Antagonistic Self-Organization of Modern Society. Studies in Political Economy, vol. 73, p. 183-209.

      Fuchs, Christian. 2002. Aspekte der evolutionären Systemtheorie in ökonomischen Krisentheorien unter besonderer Berücksichtigung techniksoziologischer Aspekte. In Christian Fuchs, Krise und Kritik in der Informationsgesellschaft: Arbeiten über Herbert Marcuse, kapitalistische Entwicklung und Selbstorganisation, p. 82-401. Libri, Norderstedt.

      Fuchs, Christian en Nick Dyer-Witheford. 2013. Karl Marx@Internet Studies. New Media & Society, vol. 15 (5), p. 782-796.

      Fuchs, Christian en Nicholas Garnham. 2014. Revisiting the Political Economy of Communication. TripleC: Communication, Capitalism & Critique, vol. 12 (1), p. 102-141.

Fuchs, Christian en Vincent Mosco, eds. 2016. Marx in the Age of Digital Capitalism. Brill, Leiden.

Fuchs, Christian en Vincent Mosco, eds. 2012. Marx is back – The Importance of Marxist Theory and

Research for Critical Communication Studies Today. TripleC: Communication, Capitalism & Critique, vol. 10 (2), p. 127-632.

      Fuchs, Christian en Marisol Sandoval. 2014. Introduction: Critique, Social Media and the Information Society in the Age of Capitalist Crisis. In Critique, Social Media and the Information Society, ed. Christian Fuchs and Marisol Sandoval, p. 1-47. Routledge, New York.

      Gerbaudo, Paolo. 2012. Tweets and the Streets: Social Media and Contemporary Activism. Pluto Press, Londen.

      Grossmann, Henryk. 1992. The Law of Accumulation and Breakdown of the Capitalist System. Being also a Theory of Crises. Pluto, Londen.

      Hobsbawm, Eric. 2011. How to Change the World: Reflections on Marx and Marxism. Yale University Press, New Haven, CT.

      Huws, Ursula. 2014. Labor in the Global Digital Economy. Monthly Review Press, New York.

Huws, Ursula. 2003. The Making of a Cybertariat. Monthly Review Press, New York.

      Kurz, Robert. 2012. Geld ohne Wert. Grundrisse zu einer Transformaion der Kritik der politischen Ökonomie. Horlemann, Berlijn.

      Kurz, Robert. 1999. Schwarzbuch Kapitalismus. Ein Abgesang auf die Marktwirtschaft. Eichborn, Frankfurt/Main.

      Kurz, Robert. 1995. The Apotheosis of Money: The Structural Limits of Capital Valorization, Casino Capitalism and the Global Financial Crisis. Zie: https://libcom.org/library/apotheosis-money-structural- limits-capital-valorization-casino-capitalism-global-financi.

      Kurz, Robert. 1991. Der Kollaps der Modernisierung. Eichborn, Frankfurt/Main.

      Lambert, Craig. 2015. Shadow Work. The Unpaid, Unseen Jobs that Fill Your Day. Coutnerpoint, Berkeley, CA.

      Lenin, Vladimir I. 1964. Lenin Collected Works. Volume 20. Progress, Moskou.
Mandel, Ernest. 1975. Late Capitalism. NLB, Londen.

      Marcuse, Herbert. 1941. Reason and Revolution. Hegel and the Rise of Social Theory. Humanity Books, New York.

      Marx, Karl. 1894. Capital. Vol. 3. Penguin, Londen.

      Marx, Karl. 1867. Capital. Vol; 1. Penguin, Londen.

      Marx, Karl. 1857/58. Grundrisse. Penguin, Londen.

Marx, Karl and Friedrich Engels. 1848. In MECW, vol. 6, 477-519. Lawrence & Wishart, Londen.
Mason, Paul. 2012. Why It’s Kicking Off Everywhere. The New Global Revolutions. Verso, Londen.

  Mosco, Vincent. 2004. The Digital Sublime. MIT Press, Cambridge, MA.

      Ofcom. 2015. International Communications Market Report 2015. Ofcom, Londen.

      Postone, Moishe. 2008. Rethinking Capital in the light of the Grundrisse. In Karl Marx’s Grundrisse, ed. Marcello Musto, 120-137. Routledge, Londen.

      Rifkin, Jeremy. 2015. The Zero Marginal Cost Society. Palgrave Macmillan, Basingstoke.

Rosdolsky, Roman. 1977. The Making of Marx’s “Capital”. Pluto, Londen.

      Salem, Sara. 2015. Creating Spaces for Dissent: The Role of Social Media in the 2011 Egyptian Revolution. In Social Media, Politics and the State: Protests, Revolutions, Riots, Crime and Politics in the Age of Facebook, Twitter and YouTube, ed. Daniel Trottier en Christian Fuchs, 171-188. Routledge, New York.

      Wilson, Christopher en Alexandra Dunn. 2011. Digital Media in the Egyptian Revolution: Descriptive Analysis from the Tahrir Data Sets. International Journal of Communication, vol. 5, p. 1248-1272.

      Wolfson, Todd. 2014. Digital Rebellion. The Birth of the Cyber Left. University of Chicago Press, Urbana, IL.


[1]     Karl Marx, Gundrisse, [1858], Marx Engels Collected Works (MECW). Zie: https://www.marxists.org/archive/marx/works/1857/grundrisse/index.htm. In de PDF-versie, p. 91.

[2]     Fuchs, 2014a, p. 17. [De voetnoten met vermelding van de auteur verwijzen naar de referenties die het artikel afsluiten].

[3]     Fuchs, 2016d, 2009; De La Haye, 1980.

[4]     Dyer-Witheford, 1999; Fisher en Fuchs, 2015; Fuchs, 2014a, 2014c, 2015a; Fuchs en Mosco, 2012, 2016; Huws, 2003, 2014.

[5]     Paul Mason, Postcapitalism: A Guide to our Future. Allen Lane, Londen, 2015, 368 p. ISBN 978-1-846-14738-8 (hardcover), ISBN 978-0-141-97529-0 (paperback). Ondertussen is er ook een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Post Kapitalisme, een gids voor de toekomst, De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2016, 399 p. ISBN 978-90-234-9431-7. Ook beschikbaar als e-book. We hebben de verwijzingen naar de pagina’s in de Engelse versie behouden en daarnaast de verwijzing naar de pagina’s van het Nederlandse e-book vermeld.

[6]     Mason, op. cit., p. XV. Nederlands, p. 16.

[7]     Mason, op. cit., p. XIX. Nederlands, p. 20-21.

[8]     Fuchs, 2014a, hoofdstuk 5.

[9]     Kondratieff stelt dat de kapitalistische ontwikkeling de vorm van een 50-jaar lange golf aanneemt en bestaat uit 25 jaar economische opleving, gevolgd door 25 jaar terugval.

[10]    Mason, op. cit., p. 47. Nederlands, p. 71.

[11]    Mason, op. cit., p. 48. Nederlands, p. 71.

[12]    Mason, op. cit., p. 71. Nederlands, p. 92.

[13]    Mason, op. cit., p. 106. Nederlands, p. 125.

[14]    Mason, op. cit., p. 72. Nederlands, p. 92.

[15]    Mason, op. cit., p. 48. Nederlands, p. 68.

[16]    Mason, op. cit., p. 75-76. Nederlands, p. 96.

[17]    Mason, op. cit., p. 48. Nederlands, p. 71.

[18]    Mandel, Late Capitalism, 1975; voor een bespreking, zie Fuchs, 2016d, p. 151-152 en p. 211.

[19]    Mason, op. cit., p. 77. Nederlands, p. 100.

[20]    Mandel, Late Capitalism, 1975, p. 120, p. 439.

[21]    Mason, op. cit., p. 77. Nederlands, p. 100.

[22]    Mason, op. cit., p. 72. Nederlands, p. 94.

[23]    Fuchs, 2004, 2008b, 2002.

[24]    Voor een meer gedetailleerde uitwerking van dit argument, zie Fuchs, 2016d, p. 150-159.

[25]    Mason, op. cit., p. 54. Nederlands, p. 76.

[26]    Marx en Engels, Het Communistisch Manifest [1848], in Marxistische Studies, nr. 41, februari-maart 1998. Zie: http://www.marx.be/nl/content/archief?action=get_doc&id=55&doc_id=158.

[27]    Eric Hobsbawm, 2011, p. 112.

[28]    Marx, 1867, p. 929.

[29]    Marx, 1894, p. 569.

[30]    Zie ook Fuchs, ook 2016a, 2011.

[31]    Mason, op. cit., p. 116. Nederlands, p. 134.

[32]    Mason, op. cit., p. 118. Nederlands, p. 136.

[33]    Mason, op. cit., p. 117. Nederlands, p. 135.

[34]    Mason, op. cit., p. 143. Nederlands, p. 163.

[35]    Rifkin, 2015.

[36]    Rifkin, 2015, p. 5.

[37]    Rifkin, 2015, p. 380

[38]    Marx, Gundrisse, op. cit., Fragment on Machines, p. 612- 632.

[39]    Mason, op. cit., p. 167. Nederlands, p. 186.

[40]    Mason, op. cit., p. 142. Nederlands, p. 162.

[41]    Mason, op. cit., p. 143. Nederlands, p. 162.

[42]    Mason, op. cit., p. 170. Nederlands, p. 189.

[43]    Mason, op. cit., p. 164. Nederlands, p. 183.

[44]    Idem.

[45]    Mason, op. cit., p. 165. Nederlands, p. 184.

[46]    Mason, op. cit., p. 144. Nederlands, p. 162-163.

[47]    Mason, op. cit., p. 173. Nederlands, p. 191.

[48]    Mason, op. cit., p. 175. Nederlands, p. 193.

[49]    Fuchs, 2016d, p. 360-375.

[50]    Marx, Gundrisse, op. cit., Fragment on Machines, p. 625.

[51]    Idem, p. 628.

[52]    Idem, p. 625.

[53]    Rosdolsky, 1977, p. 428.

[54]    Postone, 2008, p. 126.

[55]    Idem, p. 127.

[56]    Zie Fisher en Fuchs, 2015; Fuchs, 2014a; Fuchs, 2015a, hoofdstukken 4-6.

[57]    OESO, Database for Structural Analysis.

[58]    Ofcom, 2015.

[59]    Fuchs, 2014c.

[60]    Fuchs, 2014a; 2014c; 2015a.

[61]    Fuchs, 2014a; 2015a.

[62]    Idem.

[63]    Lambert, 2015 1, p. 251-252.

[64]    Forbes 2000, lijst 2015.

[65]    Mosco, 2004.

[66]    Dean, 2016.

[67]    Dean, 2016, p. 26, p. 260.

[68]    Mason, op. cit., hoofdstuk 10, p. 292. Nederlands, hoofdstuk “10. Project nul”, vanaf p. 292.

[69]    Fuchs, 2015b.

[70]    Marcuse, 1941, p. 318-319. Voor een gedetailleerde bespreking van de kritische theorie van Herbert Marcuse in het tijdperk van de digitale en sociale media, zie Fuchs 2016b, hoofdstuk 4.

[71]    Mason, op. cit., p. XVII. Nederlands, p. 16.

[72]    Mason, op. cit., p. 212. Nederlands, p. 234.

[73]    Mason, 2012.

[74]    Zie bijvoorbeeld Aouragh, 2016; Fuchs, 2014b; Gerbaudo, 2012; Salem, 2015; Wilson en Dunn, 2011; Wolfson, 2014.

[75]    Fuchs, 2014b.

[76]    Fuchs, 2016c.

[77]    Mason, op. cit., p. 288. Nederlands, p. 311.

[78]    Kurz, 1991.

[79]    Kurz, 1999.

[80]    Kurz, 2012.

[81]    Kurz, 1995.

[82]    Grossmann, 1992, p. 119.

[83]    Idem, p. 126.

[84]    Idem, p. 127.

[85]    Vergelijk: Fuchs, 2002, p. 254.

[86]    Fuchs, 2016d, p. 348-350; Fuchs en Sandoval, 2014; Fuchs en Garnham, 2014, p. 125-126.

[87]    Grossmann, 1992, p. 85.

[88]    Lenin, 1964, p. 154.

[89]    Fuchs, 2016d, p. 248-256, p. 347-351.

[90]    Idem.