Een rationele landbouw is onmogelijk onder het kapitalisme

Auteur: 
Fred Magdoff

Vanuit humanitair en ecologisch oogpunt zijn veel aspecten van het kapitalistisch economisch systeem irrationeel, ook al zijn ze zeker rationeel vanuit het meer beperkte standpunt van de individuele onderneming of kapitalist die winst wil maken. Zo beschikt het overgrote deel van wereldbevolking niet over eigen middelen om een inkomen te verwerven. Ze zijn verplicht hun arbeidskracht te verkopen aan ondernemingen die daar een voldoende hoog loon voor moeten betalen om de werker en zijn gezin in staat te stellen zich te reproduceren. Maar hoewel het economische systeem van de mensen verwacht dat ze werken om te kunnen leven, kan het niet iedereen die werk wil en nodig heeft een baan aanbieden. De beschikbare banen betalen evenmin altijd een voldoende hoog loon om een fatsoenlijk bestaan op te bouwen (hoewel overheidsregulering in sommige gevallen de werkgevers in die richting dwingt). Praktijken die zinvol zijn voor de individuele kapitalist of onderneming, zoals een zo laag mogelijk loon betalen om zich te verzekeren van voldoende werkkrachten met de vereiste scholing, zorgen uiteindelijk voor problemen, niet alleen voor de werknemers, maar ook voor het kapitalistische systeem zelf. Lage inkomens dragen bij aan problemen in de vraag.

     Op milieugebied zijn er tal van voorbeelden van irrationeel gedrag van kapitalistische ondernemingen die enkel op winst uit zijn. Veel praktijken en neveneffecten van de werking van het kapitalisme zijn nefast voor het ecosysteem en de processen waarvan we allemaal afhankelijk zijn. Daarnaast kunnen ze ook de mens zelf schade toebrengen. Zo is het verre van rationeel om chemische stoffen die toxisch zijn of allerhande ziekten veroorzaken te introduceren in onze omgeving en in de producten die we dagelijks gebruiken. Toch worden er in de Verenigde Staten meer dan tachtigduizend chemicaliën gebruikt; in veel gevallen werd de impact op de mens of andere soorten niet eens getest en van veel courante producten wordt vermoed dat ze kankerverwekkend zijn of een of andere schadelijke invloed hebben.[1]

     Voor dit betoog wil ik focussen op een bekende passage uit het derde deel van Het Kapitaal van Marx: “... dat het kapitalistisch systeem een rationele landbouw tegenwerkt of de rationele landbouw onverenigbaar is met het kapitalistisch systeem (al bevordert het technische ontwikkelingen), ofwel de hand van zelfstandige kleine boeren nodig heeft, of de controle van de geassocieerde producenten.”[2]

     Het Amerikaanse voedselsysteem bestaat uit een aantal delen voordat het voedsel bij de consument terechtkomt. De landbouw houdt zich bezig met het telen van planten en dieren voor menselijke voeding en dierenvoeder, voor de omzetting in industriële chemicaliën en brandstof voor voertuigen, en voor vezels (zoals katoen). Maar upstream heeft de boer allerlei invoer nodig zoals meststoffen, onkruid- en insectenverdelgers, zaden, werktuigen, dierlijke hormonen, antibiotica, minerale voedingssupplementen en brandstof voor het machinepark en om sommige gewassen te drogen. Downstream worden de producten eerst aangekocht en daarna bewerkt en verwerkt door een of meer ondernemingen. Vervolgens worden ze vervoerd naar de kleinhandel, die ze verkoopt aan de consumenten. Dit systeem kent geen cycli, aangezien de energie en voedingsstoffen van de ene naar de andere locatie vloeien.

     In zijn geheel gezien bestaat het voedselsysteem uit de volgende keten: (a) invoerindustrieën; (b) landbouwbedrijven; (c) inkopers van ruwe landbouwproducten; (d) bewerkers en verwerkers; (e) kleinhandel; (f) consumenten. De landbouwsector − agrobusiness − bestaat uit (a) tot en met (c), maar bedrijven die gespecialiseerd zijn in basisbewerkingen (zoals vermalen) behoren ook tot die sector.

Doel en resultaten van de landbouw

Het belangrijkste doel van bijna alle landbouwproductie in de VS is de verkoop van ruwe producten met een zo hoog mogelijke winst. Sommige boeren produceren voor nichemarkten en/of ‘voegen waarde toe’ door hun producten op de boerderij te verwerken (tot bijvoorbeeld kaas of confituur) en rechtstreeks aan de consument te verkopen. Maar de overgrote hoeveelheid voedsel wordt geproduceerd door boeren die niet-gedifferentieerde waren aanbieden op een grote regionale of nationale markt. Dit streven naar de maximalisatie van de winstmarge (de verkoopprijs min de productiekosten) dicteert:

  • welke gewassen er in een gegeven jaar en na verloop van een bepaalde tijd worden geplant (welk type wisselbouw);
  • welk vee er al dan niet en waar wordt gekweekt en hoe het wordt behandeld;
  • de gebruikte invoer, zoals meststoffen, pesticiden, het machinepark en de benodigde brandstof;
  • de schaal van de productie en de mechanisering;
  • de hoeveelheid gehuurde arbeidskracht en de behandeling van de arbeiders;
  • het tijdstip van de verkoop en het gebruik van termijncontracten;
  • de al dan niet afsluiting van directe productiecontracten met verwerkende ondernemingen.

‘Logische’ vooruitgang

Al die zaken zijn onderling met elkaar verbonden, dat wil zeggen dat één beslissing rechtstreeks kan leiden tot bepaalde beslissingen in andere aspecten. Nemen we als voorbeeld een boer in de Amerikaanse cornbelt (de maisgordel die zich grotendeels bevindt in Iowa en Illinois, maar ook grote gebieden bestrijkt in Minnesota en het oosten van Nebraska, Missouri, het westen van Indiana, delen in het westen van Ohio en het oosten van Noord- en Zuid-Dakota). Onze boer beslist mais en soja te verbouwen, wat veel boeren in die streek doen (vaak bijna uitsluitend). De benodigde infrastructuur is aanwezig: leveranciers van de invoerproducten, marktafspraken, opslag en vervoer van de oogst naar de markt. Je zou tot de slotsom kunnen komen dat al die aspecten het gevolg zijn van absoluut rationele beslissingen. En in feite zijn ze ook formeel rationeel, gezien het economische systeem waarin deze boer werkt. Maar de kernvraag is: zijn de resultaten van zo’n reeks beslissingen en praktijken voldoende rationeel vanuit een ruimer ecologisch of sociaal standpunt? Laten we dit eens van naderbij bekijken.

De eerste keuze voor een of twee gewassen sluit automatisch een ecologisch gezondere en complexe wisselbouw uit. Een gebrek aan diversificatie (en het ontbreken van vee) is zinvol omdat de boeren zich zo kunnen specialiseren, zoals ook in andere soorten ondernemingen gebeurt. Een typische conventionele boer in de cornbelt teelt in eerste instantie mais en soja.[3] Doordat er niet wordt afgewisseld met een meerjarig grasachtig gewas (zoals gras- en peulvruchthooi die het hele jaar door de complete bodemoppervlakte bedekken en de opbouw van organisch materiaal verzekeren) zal de grond gemakkelijker eroderen en het grondwater sneller verontreinigd raken. De afwezigheid van een complexe wisselbouw zorgt ook voor meer onkruid, insecten en ziekten die bestreden moeten worden, meestal met pesticiden. Vertrouwen op twee gewassen betekent ook dat een eventuele prijsdaling voor beide producten tot dichtbij of onder de productiekosten − zoals gebeurde voor mais en soja in de vroege herfst van 2014 − de boerderij economische problemen kan bezorgen. Overheidssubsidies, met inbegrip van het programma voor inkomensverzekering dat de federale overheid subsidieert (waarvan de voordelen voor het grootste deel naar de grote landbouwbedrijven en de verzekeringsindustrie gaan) vormen een bumper als het inkomen krimpt, bijvoorbeeld door een prijsdaling of een mislukte oogst.[4] Op deze manier wordt een van de economische aspecten van het irrationele systeem dat kiest voor slechts twee gewassen en de risico’s niet spreidt over een groter aantal deels verholpen door de politieke macht van de landbouwlobby, die bestaat uit boeren, invoerbedrijven, verwerkende ondernemingen, kredietinstellingen en in dit geval de verzekeringsindustrie.

Jaar na jaar mais planten of enkel wisselen tussen mais en soja berooft de grond gedurende meer dan de helft van het jaar van levende vegetatie. In niet-verstoorde natuurlijke systemen sterven de eenjarige planten in de herfst af en verliezen loofbomen hun bladeren, maar meerjarigen zijn winterhard. En op grasland, waarvan de planten tijdens de winter rusten, blijven ze langer actief in de herfst en komen ze sneller weer tot leven in de lente dan eenjarige gewassen zoals mais en soja. Ook is de bodem bedekt met hun afval. Daarenboven houden de wortels van levende planten − zelfs in de rustperiode − de grond vast en voorkomen zo erosie. Als de boer de hele maisplant oogst om kuilvoeder te maken, meestal voor melk- of vleeskoeien, dan blijft er in het inactieve seizoen een naakte bodem achter. Oogst hij daarentegen alleen de maiskorrels, dan blijft er heel wat afval liggen op de bodem. En hoewel dat niet hetzelfde is als een levende plant, is het altijd beter dan een bijna naakte bodem. Anderzijds is er veel minder afval van soja dan van mais. Steeds meer boeren planten dekgewassen om de bodem en het grondwater in de late herfst, winter en vroege lente te beschermen. Het routineus planten van dekgewassen verhelpt dus dit probleem van een conventioneel landbouwsysteem dat uitsluitend werkt met eenjarige gewassen.

De keuze van het aantal hectare mais of soja hangt af van hun relatieve winstpotentieel, dat verschilt van jaar tot jaar en zelfs binnen een jaar. De geprojecteerde prijzen die de boeren zullen krijgen voor mais of soja zijn belangrijk (en kunnen vastliggen als de boer een verkoopcontract afsluit voor het seizoen begint). Maar ook de relatieve kosten voor het telen van de twee gewassen zijn van belang. Zo liggen de kosten voor mais hoger, vooral omdat die plant veel stikstofmeststof nodig heeft en de maiskorrels voor de verkoop gedroogd moeten worden.

Door de lage winst per hectare mais en soja heeft de boer meer grond nodig om zijn gezin te onderhouden volgens de huidige economische levensstandaard. Stel bijvoorbeeld dat de winst voor mais of soja 140 euro per hectare is. Een boerderij met honderd hectare beplante grond zal dan een winst van 14.000 euro maken. Dat is niet zo veel geld voor een jaar hard werken. Tenzij de boer naast zijn boerderij nog een andere baan heeft om zijn inkomen aan te vullen en sociale zekerheid te regelen (zoals voor veel boeren geldt) moet hij meer grond kopen of huren. En naarmate de boerderij uitbreidt, zal de boer zijn grond minder goed kennen. Een oud gezegde luidt: “De beste meststof is de voetafdruk van de boer”. Maar doordat de boerderijen almaar groter worden, zal het grootste deel van de grond de voet van de boer nooit voelen.[5]

Een grotere boerderij betekent grotere machines om de uitgestrekte grond te bewerken. Het belangrijkste gevolg van mechanisering is de hogere arbeidsefficiëntie, die resulteert in minder arbeid per hectare en per eenheid geproduceerd gewas (per korenmaat, pond of kilo). Mechanisering leidt echter niet noodzakelijk tot een hogere opbrengst per hectare, tenzij de boer sneller kan werken.[6] Dit zwaardere en duurdere materiaal heeft ook een mogelijke keerzijde: de boer kan er ook mee werken op zijn land als het te nat is, wat kan leiden tot bodemverdichting. Schade aan de bodemstructuur doet zich immers sneller voor bij natte grond. Hoewel kleinere machines ook bodemverdichting kunnen veroorzaken, gebeurt het met grotere tractoren gemakkelijker om op ongepaste momenten te werken omdat ze zo veel krachtiger zijn.

Specialisatie in mais en soja leidt tot meer gebruik van pesticiden. Beide zijn eenjarige gewassen. Onkruid dat goed gedijt in zulke omstandigheden (zonder wisselbouw met meerjarige planten) verspreidt zich snel. Over het algemeen kan het snel meegroeien met het geplante gewas en zijn levenscyclus afsluiten voor de oogst, zodat er een heleboel zaden vrijkomen voor het volgende jaar. Ook insecten en ziektes tieren welig op grote oppervlakten met slechts twee gewassen. Aaltjes (parasiterende rondwormen) tasten de wortels van soja aan en doen de opbrengst gevoelig dalen, terwijl ze eenvoudig bestreden kunnen worden door om de twee jaar af te wisselen met gewassen waarop ze niet gedijen, zoals mais en tarwe. Ook één jaar afwisselen met mais helpt al, hoewel de besmette grond nog steeds minder soja zal opbrengen.

     Vertrouwen op pesticiden om onkruid, insecten, aaltjes en ziekten onder controle te brengen heeft geleid tot de zogenaamde ‘pesticidecarrousel’. Zodra je erin stapt, kun je er moeilijk nog af, doordat de ‘pest’ resistent wordt tegen de pesticide. Dan moeten de boeren overschakelen op pesticiden die anders werken en soms moeten ze hun toevlucht nemen tot meervoudige pesticiden voor een probleem waarvoor eerst een enkel pesticide volstond.

     Er bestaat heel wat literatuur over de toxiciteit van pesticiden voor de mens en voor andere dan de bedoelde soorten. Ze besmetten stelselmatig landarbeiders en mensen die in de buurt van de boerderij wonen, tasten veel soorten groenten en fruit aan en verontreinigen het water. De onkruidverdelger atrazine berokkent bijvoorbeeld schade aan de mens en andere organismen, maar wordt toch nog veel gebruikt. Er zijn sporen aangetroffen in een hoog percentage van de drinkwaterstalen in landbouwgebieden.[7] Veel andere pesticiden zijn ook terug te vinden in voedsel en watervoorraden.[8]

Een boer die zich toespitst op mais en soja zal meer meststoffen moeten gebruiken dan bij wisselbouw of in het geval van een gemengd bedrijf met zowel landbouw als veeteelt. Verderop bespreek ik dit meer gedetailleerd, maar ik kan nu al zeggen dat het kleine aantal voedingsstoffencycli op deze boerderijen (waarbij het afval van de gewassen naar de bodem terugkeert en daar ontbindt) aanzienlijke hoeveelheden meststof vereist. Dit soort bedrijven exporteert de hele oogst − maiskorrels en sojabonen − naar ver afgelegen locaties als veevoeder, om verwerkt te worden tot voeding (ontbijtgranen, plantaardige olie), voedingsadditieven of ethanol voor auto’s. Maar de voedingsstoffen in die producten zijn wel allemaal afkomstig van de grond van de boerderij en moeten bijgevolg door meststoffen vervangen worden.

Het systeem van twee gewassen met mais en soja heeft grote ‘lekken’ en brengt grote hoeveelheden nitraat in de grond en het oppervlaktewater. Mais kent een ongelooflijke groeisprint van twee maanden: eerst groeit de plant in de hoogte en krijgt hij meer bladeren, daarna schakelt hij over van de vegetatieve toestand (meer bladeren en meer hoogte) naar de reproductieve toestand (groei van de maiskolf). Om een zo groot mogelijke opbrengst te halen moet de plant sneller stikstof opnemen en verwerken dan kan worden aangeboden (behalve door de vruchtbaarste grond of wanneer de plant geteeld wordt na een meerjarig groentegewas zoals alfalfa). Een hoog gehalte stikstofmeststof moet er dan voor zorgen dat er voldoende stikstof aanwezig is op het ogenblik dat de plant die nodig heeft. Het gebruik van stikstofmeststof is nu beter aangepast aan de noden van de gewassen, maar bij de oogst wordt in de bodem nog altijd een hoog gehalte stikstof vastgesteld. Ook verontreiniging van het water met stikstof komt in zulke regio’s veel voor doordat stikstof (NO3-) niet goed wordt vastgehouden in de bodem − die zelf negatief geladen is − en oplost in het grondwater en de draineerbuizen. Zo vindt het zijn weg naar grachten, beken en rivieren.[9] Als de mais zo’n groot deel van de bodem bedekt, wordt het grondwater of het afvoerwater sterk verontreinigd met stikstof. En als er in het drinkwater hoge concentraties stikstof aanwezig zijn, moeten sommige grote steden dure methoden toepassen om die onder het voor de volksgezondheid toelaatbare niveau te houden. Des Moines in Iowa moest bijvoorbeeld meer dan 1 miljoen dollar neertellen voor de zuivering van het water uit de Raccoonrivier. Nu wil de stad drie stroomopwaarts gelegen provincies met drainagedistricten[10] voor de rechter slepen.[11] Stikstof van de maisvelden in de Midwest sijpelt in de Mississippi en creëert zo een grote ‘dode zone’ (water met een zeer laag zuurstofgehalte), nadat de rivier in de Golf van Mexico is uitgemond.[12]

Doordat grotere gebieden moeten bewerkt worden is elke vereenvoudiging van het systeem aantrekkelijk voor de boer, zodat hij nog grotere oppervlakten kan bewerken. Hier doen dan de genetisch gemodificeerde zaden hun intrede.[13] Het grote voordeel van die zaden − tot dusver gecommercialiseerd door ondernemingen als Monsanto en Syngenta − is dat er veel grotere gebieden kunnen worden verbouwd dankzij de vereenvoudiging van het werk op de akker. Dat heeft de keuze van de zaden beïnvloed. De genetisch gemodificeerde zaden van Monsanto, zoals Roundup Ready-mais, zijn bijvoorbeeld resistent tegen onkruid. De boeren moeten minder vaak de akker op en hoeven maar één enkele onkruidverdelger te gebruiken, totdat het onkruid uiteraard resistent is geworden. Dan moeten ze bijkomende en grotere hoeveelheden onkruidverdelgers gebruiken om het onkruid dat resistent geworden is tegen Roundup te bestrijden.

De voorbije tien jaar heeft de huidige elektronische informatievergaring er nog een dimensie aan toegevoegd voor de boer die de bodem voorbereidt, gewassen aanplant of de oogst binnenhaalt. Die gadgets zijn zo duur dat het hele assortiment vooral van nut is voor de zeer grote landbouwondernemingen. In de woorden van een boer uit Iowa met een zeer groot bedrijf (8.000 hectare): “Vroeger kon een boer [uit de cornbelt] met 400 hectare goed de kost verdienen… Ik weet niet of dat gaat blijven duren.”[14] De gespecialiseerde en bijna volledig geautomatiseerde uitrusting kan gegevens verzamelen over de opbrengst, de bodem en de vochtigheid van de korrels, kan zeer secuur ploegen, is zelfbesturend enzovoort, maar alleen beschikbaar voor bepaalde gewassen. Door de aankoop kunnen boeren nog grotere oppervlakten bewerken, waardoor ze nog meer in de richting worden geduwd van een vereenvoudigd systeem van slechts twee gewassen, dat makkelijk te telen, oogsten en te verkopen is. En het bedrijf dat zo veel variëteiten van gewassen controleert, Monsanto, heeft bedrijven opgekocht waardoor het nu ook actief is in het verstrekken, verwerken en opslaan van landbouwinformatie aan individuele akkers en boerderijen. Zo kreeg Monsanto nog meer vingers in de pap van de landbouwproductie.

Wat is er nog meer irrationeel aan het kapitalistische landbouwsysteem?

De hierboven besproken waterval van beslissingen is het gevolg van die eerste beslissing om één soort landbouw te beoefenen, zij het dan een veel voorkomende in de Midwest van de Verenigde Staten. Alle besproken keuzes zijn absoluut logisch als je vertrekt van de verbouwing van mais en soja voor de algemene grondstoffenmarkt (in plaats van een nichemarkt) in die regio en van de prikkels en vereisten van de kapitalistische marktrelaties; overheidssubsidies maken dit vast en zeker gemakkelijker. Bijna alle grote landbouwbedrijven, die de overgrote meerderheid van het voedsel produceren voor het land, zijn gespecialiseerd in enkele gewassen of één type van dieren. Maar alles samen worden er veel verschillende gewassen verbouwd. In de grootschalige commerciële sector vinden we bedrijven die zich specialiseren in fruitbomen (of bepaalde fruitbomen), andere vruchten en bessen, groenten (of specifieke groepen van groenten), andere landbouwgewassen zoals aardappelen, tarwe, gierst, hooi, katoen, pinda’s enzovoort. En er zijn melkboerderijen en andere bedrijven die vleeskoeien, varkens, gevogelte of schapen kweken. Ze hebben de neiging om te specialiseren, omdat ze dan gemakkelijker kunnen standaardiseren en hun productiesysteem verfijnen.

     In plaats van de aaneenschakeling van beslissingen te bestuderen zoals ik hierboven heb gedaan voor de productie van mais en soja in de Midwest, wil ik hier enkele andere irrationele aspecten van de Noord-Amerikaanse landbouw onder de aandacht brengen.

Honger te midden van de overvloed. Er zijn nog altijd heel veel mensen die honger lijden te midden van al de overvloed en verspilling van voedsel. Als het doel van de kapitalistische landbouw was om eten te produceren om de bevolking te voeden, dan zou er in de VS geen honger zijn. Nu worden meer dan 40 miljoen mensen getroffen door ‘voedselonzekerheid’ − en dat in een land dat meer voedsel produceert dan het kan gebruiken. Zelfs een land als India voert voedsel uit terwijl mensen honger lijden. De Wall Street Journal kopte in 2004: ‘Een Indische paradox: bumperoogsten en toenemende honger’.[15] Honger en ondervoeding is een plaag die in de meeste landen voorkomt. Er bestaat geen ‘recht op voedsel’, hoewel iedereen het nodig heeft, net als schone lucht en zuiver water. Voedsel is eerder een handelswaar zoals alle andere en als je geen geld hebt om voldoende hoeveelheden van voldoende kwaliteit te kopen, dan moet je maar zien te krijgen wat je kunt van een liefdadigheidsinstelling of een regeringsprogramma.

Voedselverspilling. Een van de meest irrationele aspecten van het voedselsysteem in zijn geheel is de immense verspilling, geschat op een derde van het in de VS geproduceerde voedsel. Een groot deel komt op het conto van de huishoudens. Het voedsel dat consumenten weggooien, belandt uiteindelijk op het stort. Maar de verspilling doet zich ook voor wanneer de boeren meer hebben geproduceerd dan ze kunnen verkopen of wanneer hun producten niet in overeenstemming zijn met de eisen van de kleinhandel (heeft het product de juiste vorm en afmetingen, in welke staat verkeert het...). In een rapport uit 2012 van de Natural Resources Defense Council lezen we: “Een grote komkommerteler zei dat minder dan de helft van de groenten die hij teelt ook echt de boerderij verlaat en dat 75 procent van de afgekeurde komkommers eetbaar is.”[16] Nog meer verspilling doet zich voor tijdens de verwerking en in de kleinhandel. De markten hebben liever volle rekken die wijzen op overvloed, dan dat het lijkt alsof ze maar weinig in voorraad hebben; wat bederft gooien ze gewoon weg. Enige verspilling is wellicht onvermijdelijk maar veel van de voedselverspilling in de VS is het gevolg van de irrationele aspecten die ingebakken zitten in het systeem.

De evolutie naar grote landbouwbedrijven in de VS en nu ook in het buitenland, zoals in Zuid-Amerika, heeft ook een sociale dimensie: de boeren worden onteigend en moeten verhuizen.[17] Daarnaast geven ook veel boeren er de brui aan omdat ze niet kunnen concurreren met de lage prijzen van ingevoerd voedsel. Zo moesten veel Mexicaanse boeren de maisteelt stilleggen toen het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord (NAFTA) van kracht werd. Boeren in het Caribische gebied en in veel andere landen werden het slachtoffer van de ‘structurele aanpassingsprogramma’s’ van het IMF, die de beschermende voedseltarieven verlaagden of afschaften. Een van de grote problemen van de 21e eeuw is dit: als in de toekomst uiterst gemechaniseerde, grootschalige landbouwbedrijven al het voedsel voor de hele wereld zullen produceren, wat zal er dan gebeuren met de miljarden mensen die in de landbouw werken? Er zijn niet genoeg banen voor de boeren die verhuizen naar de krottenwijken van de steden. Ze zullen proberen de eindjes aan mekaar te knopen door te werken in de ‘informele economie’. De evolutie naar grote landbouwbedrijven leidt dus tot delokalisatie van de bevolking en meer voedselonzekerheid.

Afbouw van voedingsstoffencycli. De groei van de steden in de 19e en 20e eeuw scheidde de mensen van de grond die hun voedsel voortbracht. En vanaf het midden van de twintigste eeuw haalde de veeteelt op fabrieksschaal de dieren van het land dat hun voeder voortbracht. Boerderijen die voedsel en dierenvoeder produceren hebben grote hoeveelheden meststof nodig, terwijl tegelijk grote hoeveelheden meststoffen zich opstapelen in de steden en de boerderijfabrieken, waar ze meestal veel vervuiling veroorzaken. Dankzij meststoffen konden de boeren de continue afvoer van de voedingsstoffen via de producten die ze verkopen compenseren, evenwel tegen hoge kosten voor het milieu, in termen van zowel energie als in de vervuiling van het mijnbouw- en productieproces. Ook de bodemgezondheid kreeg het hard te verduren doordat het gehalte aan organisch materiaal dramatisch daalde.

     In een toekomstige rationele maatschappij zullen we een manier moeten vinden om ervoor te zorgen dat de meeste voedingsstoffen die wegvloeien van de boerderijen naar de steden ‘terugvloeien’ naar de boerderijen. Hetzelfde geldt voor de dieren, hoewel het antwoord daar veeleer moet worden gezocht in de promotie van gemengde bedrijven (gewassen en vee). Die landbouwbedrijven − hoewel ze niet ‘rationeel’ zijn in de kapitalistische betekenis van winstmaximalisatie − kunnen een ecologisch gezondere wisselbouw toepassen en minder voedingsstoffen laten wegvloeien. De meeste voedingsstoffen worden immers op de boerderij zelf gerecycleerd via het afval van de gewassen en de mest van de dieren.

     Dat er onvoldoende voedingsstoffen terugvloeien naar de landbouwbedrijven is op dit ogenblik hoofdzakelijk het gevolg van de uitbreiding van de steden naar de voorsteden. Naast andere voorstedelijke problemen betekent het ook dat landbouwgrond die in aanmerking komt voor bewerking met menselijk afval almaar verder van de steden verwijderd ligt. Daarbij komen ook nog de milieuverontreinigende stoffen die afkomstig zijn van commerciële activiteiten en producten die de stadsbewoners door de riolering wegspoelen, waardoor het rioolslib nog nauwelijks veilig genoeg is als meststof.

De onmenselijke behandeling van dieren en voer met een hoog zetmeelgehalte voor herkauwers. In grote ‘landbouwfabrieken’ worden de dieren in onmenselijke omstandigheden gekweekt. Vleeskuikens zitten met tienduizenden samen. Ze moeten zo snel mogelijk toenemen in gewicht − uiteraard met het oog op snelle ‘omzet’ en veel winst − en hebben een dikke borst omdat de consumenten nu eenmaal liever wit vlees eten. Ze zijn minder actief doordat een groot deel van hun energie naar de groei gaat. Ze brengen de meeste van hun dagen zittend door, ook al stapelt de mest zich tijdens de groeicyclus onder hen op. Gewoonlijk verliezen ze de veren op hun borst en krijgen ze open wonden door het constante contact met de mest. Pas na het vertrek van de kippen worden de stallen schoongemaakt maar vaak wordt de oude mest opnieuw gebruikt voor de volgende groep: er gaat gewoon een laagje houtsnippers over. De kippen zitten altijd in het halfdonker (sommige bedrijven verbieden zonlicht) en in hun korte leventje (zes tot acht weken) komen ze nooit buiten. Hun voeder bevat omstreden additieven zoals antibiotica die de groei stimuleren, maar veel kippen sterven in de dicht opeengepakte loodsen. Een van de taken in de fabriek is regelmatig door de stal gaan om dode of misvormde dieren op te ruimen.

     De ongelooflijk snelle groei van gevogelte − van 0,0009 kg naar bijna 4 kg in acht weken (wat overeenstemt met een gewichtstoename van 299 kg in twee maanden voor een baby die bij de geboorte bijna 3 kg weegt) − leidt tot abnormale dieren.[18] Het is juist dat kippen sneller groeien dan mensen maar de extra snelle groei dankzij ‘verbeterde’ genetica en optimale voeding heeft een wel zeer onfortuinlijk dier in het leven geroepen. Omdat ze zo snel moeten groeien kunnen hun poten hen soms niet dragen. Er zitten dus altijd kippen bij die niet kunnen lopen en die gewoonlijk ge-euthanaseerd worden. Nicholas Kristof, columnist van New York Times formuleerde het als volgt: “Als je één enkele kip martelt, riskeer je gearresteerd te worden. Maar honderdduizenden kippen gedurende hun hele leven mishandelen? Dat is de agribusiness.”[19] De kippen in legbatterijen zijn nog slechter af: ze hebben weinig ruimte, zitten hun hele leven opgesloten en kunnen niet eens in de grond pikken.

     Die problemen blijven niet beperkt tot gevogelte. Varkenszeugen liggen in boxen waarin ze zich niet kunnen omdraaien zodat ze hun biggen dan ‘efficiënter’ kunnen voeden. Van een foto alleen al word je niet goed. Vleeskoeien, herkauwers dus, halen normaal gezien al hun energie uit gras. De cellulose, een bestanddeel van planten dat wij niet kunnen verteren, bezorgt hun het grootste deel van hun energie door de activiteit van de micro-organismen in hun maag. Om ze sneller in gewicht te doen toenemen worden ze met duizenden in stallen met voederbakken geplaatst. Het voeder bevat een hoog gehalte aan maiskorrels en soja en is dus proteïnerijk. (De teelt van mais en soja vereist een intens gebruik van onkruidverdelgers en meststoffen die helemaal niet nodig zouden zijn als de koeien gewoon konden grazen in de weide. Daar vormen onkruid en insecten geen probleem en de meeste voedingsstoffen vloeien rechtstreeks terug naar de bodem via de mest en de urine.) Ook hier zijn antibiotica en hormonen deel van het systeem omdat ze het meest doeltreffend zijn voor snelle gewichtstoename.

     Omdat de jacht op winst de ultieme doelstelling is van de industriële veeteelt, is de enige belangrijke vraag hoe dit zo snel en zo goedkoop mogelijk kan gebeuren. New York Times publiceerde onlangs nog een artikel over de wrede behandeling van vee in een door de overheid gesubsidieerd onderzoekscentrum onder de titel: ‘Onderzoekslabo laat dieren lijden in jacht naar winst’.[20] Er is wel degelijk openlijk geprotesteerd tegen de mishandeling van dieren. In de staat New Jersey leidde dit in 2014 tot de goedkeuring van een wet die zeugenboxen verboden zou hebben als de gouverneur er zijn voet niet had voorgezet. Een diervriendelijk en ecologisch gezond systeem voor de teelt van dieren voor menselijk voedsel zou de dieren in kleinere groepen en kudden laten doen wat ze doorheen hun evolutiegeschiedenis altijd gedaan hebben. Koeien zouden kunnen grazen in weiden. Kippen zouden voldoende ruimte hebben om rond te lopen en zelfs te rennen, ze zouden naar hartenlust in een schone omgeving kunnen rondpikken en ’s avonds op stok gaan. Zeugen zouden hun biggetjes kunnen baren en voeden op een ontspannen manier, met meer ruimte.

Het werk op de boerderij en in de verwerkingsbedrijven stelt immense problemen. De landarbeiders die pesticiden sproeien en de oogst binnenhalen, vooral fruit en groenten (werk dat moeilijk gemechaniseerd kan worden), worden gewoonlijk afschuwelijk behandeld. Het loon is laag, hun logement − als dat er al is − tart vaak elke verbeelding. De wetgeving op het niveau van de staten, die gewoonlijk al niet erg streng is, wordt stelselmatig genegeerd. Veel van de arbeiders zijn mensen zonder papieren. Ze zitten dus in een ondergeschikte positie en dienen maar zelden een klacht in. Het vergt heel wat inspanning om zelfs zeer bescheiden eisen ingewilligd te krijgen, iets waarover de tomatenplukkers in het Immokaleegebied van Florida kunnen meespreken. De werkers in de slachthuizen lopen vaak verwondingen op en worden volgens Eric Schlosser “maar een beetje beter dan de varkens in het slachthuis van Hormel” behandeld. Hij beschrijft veel slachthuispersoneel als volgt: “Migranten die recent werden gerekruteerd om de vakbonden te ondermijnen en de lonen te drukken. Mensen zonder papieren die continu in angst leven en die aarzelen om schendingen van de arbeidswet te rapporteren. Een slachthuiscultuur vol stress en gevaar, bijzonder genadeloos.”[21] Ondertussen maken veel dierenrechtenorganisaties zich (terecht) zorgen over de mishandeling van het vee, maar ze zwijgen in alle talen over de slechte behandeling van de mensen in die sector.

     De grote invoer van voedsel uit West- en Noordwest-Mexico, vooral tijdens de koudere maanden in de VS, is goed voor de helft van de jaarlijkse tomatenconsumptie. Het is dus een belangrijke component geworden van de Amerikaanse voedselbevoorrading. De meestal inheemse arbeiders, afkomstig uit het zuidelijk deel van het land, werken er in zeer barre omstandigheden, bijna te vergelijken met slavernij. Een artikel in Los Angeles Times beschrijft de omstandigheden in die Mexicaanse landbouwbedrijven:

  • Veel landarbeiders zitten maandenlang gevangen in deze door ratten geplaagde kampen. Vaak hebben ze niet eens een bed en soms ook geen fatsoenlijk toilet of proper drinkwater.
  • Sommige kampopzieners houden loon in − wat onwettig is − om de arbeiders te beletten weg te gaan tijdens de drukke oogstperiode.
  • De prijzen in de bedrijfswinkels zijn zo hoog, dat de werkers vaak schulden opstapelen. Wie geen krediet meer krijgt, moet zijn eten maar bij elkaar zien te scharrelen. Heel wat arbeiders keren na de oogst berooid naar huis terug.
  • Wie probeert onder zijn schulden uit te komen of aan zijn miezerige omstandigheden te ontsnappen, stuit op hekken met prikkeldraad of krijgt te maken met de opzichters, en soms ook met dreiging met geweld door de kampverantwoordelijken.
  • Grote Amerikaanse bedrijven doen bitter weinig om richtlijnen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen op te leggen, waardoor arbeiders een basisbescherming zouden krijgen, zoals goede huisvesting en eerlijke lonen.[22]

Verlies van biodiversiteit. Als de inheemse plantensoorten worden uitgeroeid om de door de markt gewenste gewassen te verbouwen, gaat de biodiversiteit verloren. Als de habitat van verscheidene soorten verloren gaat, betekent dit meteen ook het verlies van de natuurlijke controlemechanismen. De biologische diversiteit verdwijnt eveneens als er maar weinig (of slechts één) gewas wordt aangeplant; ook het organisch bodemmateriaal wordt dan afgebroken. Daarnaast is er nog het verlies van genetische diversiteit van de gewassen zelf. In 2004 schatte de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN dat “zo’n drie kwart van de genetische diversiteit van landbouwgewassen de voorbije eeuw verloren gegaan is. En van de 6.300 diersoorten worden er 1.350 met uitroeiing bedreigd.”[23] De zaden van commerciële bedrijven zijn in grote delen van de wereldlandbouw doorgedrongen. Ze vervangen er de inheemse variëteiten, zelfs in de gebieden waaruit de soort afkomstig is (en waar normaal gezien de hoogste genetische diversiteit gevonden wordt). Aangezien die privéondernemingen zich richten op een paar variëteiten die zelf genetisch eenvormig zijn, ontstaat er een gebrek aan genetische diversiteit in het gewas, waardoor akkers met maar één gewas nog kwetsbaarder worden voor insecten.

Massaal gebruik van fossiele brandstoffen. Een belangrijke pijler van de ‘moderne’ grootschalige landbouw is de aanzienlijke invoer van energie, meestal afkomstig van fossiele brandstoffen. Bepaalde aspecten van de landbouw zijn zeer energie-intensief. Bij grote landbouwbedrijven denken we dan vooral aan de grote machines en de diesel die daarvoor nodig zijn. Hoewel het juist is dat de fabricage en het gebruik van die machines veel energie verslindt, gaat toch een derde van alle energie voor de maisteelt naar het maken en sproeien van de stikstofmeststof! De omzetting van stikstofgas in de atmosfeer (N2) in een vorm die door de planten kan gebruikt worden (ammonium en nitraat) vergt veel energie.

Wat er gebeurt met de geteelde gewassen hangt af van wie het meest wil en kan betalen: een verwerkingsbedrijf (voor voeding), een ethanolfabricant of een boer met koeien op stal. Dit zou het bewijs zijn dat van elk product “het hoogste en beste gebruik” wordt gemaakt. Maar is het echt in het belang van de mensheid en het milieu dat voedsel zo goedkoop mogelijk wordt geproduceerd om daarna verkocht te worden aan de hoogste bieder, bijvoorbeeld een exportmarkt? Behalve in de dromen van een klassieke econoom misschien, maar hoe kan in hemelsnaam de persoon of de onderneming die de hoogste prijs kan betalen, beschouwd worden als het “beste” gebruik van een product? Was het echt “het beste gebruik” voor India, een land waar zo veel honger wordt geleden, dat 210.000 ton tarwe en 100.000 ton plantaardige olie naar de Verenigde Staten werden uitgevoerd?[24]

Een interessant aspect van de landbouw is dat prijsveranderingen er niet hetzelfde effect hebben op de productie als in andere sectoren. Zoals bij alle andere ondernemingen is de stelling ook hier: als de prijzen hoog zijn, zullen de boeren proberen de productie te maximaliseren om de hogere prijs te bekomen en een zo hoog mogelijk totaal netto-inkomen te verwerven. De situatie bij lage prijzen daarentegen gaat in de landbouwsector in tegen het dogma van de conventionele economie, namelijk dat lage prijzen zouden leiden naar een productiedaling. 

     Als de prijzen laag zijn, moeten de boeren juist zo veel mogelijk produceren om de kostprijs per eenheid te drukken om de variabele kosten en ook zo veel mogelijk van de vaste kosten te dekken. Doordat boeren hoge vaste kosten hebben in vergelijking met andere sectoren waar de arbeidskracht − die op non-actief kan gezet worden − de hoogste kostenpost is, moeten zij het hoofd bieden aan uitdagingen die heel erg verschillen van de gemiddelde onderneming. Voor boeren die met een periode van lage prijzen worden geconfronteerd, zal elke bijdrage van een hogere productie aan de vaste kosten helpen om de verliezen te beperken. En die verhoogde productie leidt dan naar een verdere prijsdaling.[25]

     De boeren verhogen dus de productie wanneer de prijzen hoog zijn (zoals ze ‘zouden moeten’ doen) en wanneer de prijzen laag zijn (wat ze ‘niet zouden moeten’ doen). Een rationele economische beslissing van elke individuele boer gaat dus in tegen de zogenoemde kapitalistische economische logica en wordt uiteindelijk irrationeel voor de hele groep boeren samen. En wat is de belangrijkste manier waarop de boeren snel de totale productie verhogen in antwoord op hoge prijzen voor al de gewassen die ze verbouwen? Ze maken gebruik van de vaak erosiegevoelige grond van buffers of stroken (zoals grasstroken) die zijn aangelegd met het oog op de instandhouding van de bodem en vormen die om tot akkergrond voor exportgewassen. Dit brengt uiteraard schade toe aan het milieu.

Grote ondernemingen met politieke connecties kunnen wetten en reglementen laten aannemen die de boeren stimuleren tot een andere keuze van gewassen. Ook dat kan de voedselprijzen beïnvloeden. Dwayne Andreas bijvoorbeeld, de voormalige CEO (van 1971 tot 1997) van de agribusinessgigant Archer-Daniels-Midland (ADM), had zeer goede banden met de toenmalige Amerikaanse presidenten en met invloedrijke Congresleden. ADM is een van ’s werelds grootste kopers, verkopers en verwerkers van graan en is altijd op zoek naar nieuwe gebruiken voor gewassen en nieuwe kansen om nog meer winst te maken. Andreas en ADM zorgden mee voor de Amerikaanse vergunning voor ethanolbrandstof en verkochten dat aan het Congres als een manier om “energie van eigen bodem” te produceren. De vergunning voor de vermenging met ethanol − ethanol vormde 10 procent van alle verkochte benzine en dit percentage zou volgens de wet moeten stijgen tot 15 procent − betekende in essentie zowel een ondersteuning van de maisprijs (ongeveer 40 procent van de Amerikaanse oogst ging in 2012 naar de productie van ethanol) als van de ethanolindustrie. Als de productie van ethanol op basis van mais echt grote hoeveelheden energie zou kunnen besparen, dan zouden er nog altijd problemen zijn met die vergunning. Maar nu blijkt dat de maisteelt en de productie van ethanol (dat drie keer moet gedistilleerd worden om al het water te verwijderen) zeer energie-intensief is. Om die reden kan het hele proces zelfs tot een nettoverlies van energie leiden.[26]

De proletarisering van boeren die gevogelte en varkens kweken met een contract van een grote gemengde onderneming. De productie van vleeskippen is geconcentreerd in bepaalde regio’s zoals het DelMarVa-schiereiland (grote stukken van Delaware, Maryland en Virginia), het noorden van Alabama and Georgia, het zuiden van Mississippi, delen van Arkansas en het westen van Oklahoma. Het was geen toeval dat die productie zich daar vestigde. Grote ondernemingen zoals Tyson (met hoofdkwartier in Arkansas, ook actief in varkens- en rundsvlees), JBS USA (dat zichzelf aanprijst als de grootste producent van “proteïne” − dat wil zeggen vlees − ter wereld) en Perdue beslissen waar zij hun verwerkingsfabrieken willen. Dan sluiten ze contracten af met nabijgelegen boeren die vervolgens stallen moeten bouwen op basis van de specificaties van de onderneming. Kuikens, voeder, medicijnen enzovoort worden door de onderneming geleverd. De boeren zijn enkel eigenaar van de stallen en de mest en worden betaald per geproduceerde kip en de gewichtstoename. In feite is de boer een arbeider in dienst van de onderneming. Hij moet de richtlijnen volgen en wordt ‘ontslagen’ als zijn contract niet wordt hernieuwd.[27] De Agricultural Appropriations Bill van 2015[28] maakt komaf met de bescheiden bescherming waarvan contractboeren voorheen konden genieten als ze de misbruiken van de industrie durfden aan te klagen of probeerden zich te organiseren met andere boeren om gunstiger contractvoorwaarden af te dwingen. En aangezien alle grootschalige verwerkende bedrijven gecontroleerd worden door geïntegreerde ondernemingen, kunnen onafhankelijke boeren geen grote aantallen dieren verwerken. Hetzelfde geldt voor varkens. Ook daar vinden we zones met hoge concentraties varkenskwekerijen die werken onder contract.

Is een ecologische en sociale verbetering van de kapitalistische landbouw mogelijk?

Natuurlijk is dat wel degelijk mogelijk! Er is al veel gedaan en er kan en moet in de toekomst nog veel meer gedaan worden om de ecologische en sociale problemen, veroorzaakt door de kapitalistische landbouw, aan te pakken. Sommige van die irrationaliteiten bedreigen onvoldoende de machtige belangen die mogelijk schade kunnen ondervinden, ofwel begrijpen de invloedrijke ondernemingen dat slechte publiciteit niet wenselijk is en er dus wel degelijk iets moet gebeuren. In bepaalde gevallen kan er ook echt iets bereikt worden. Zo was ik eens aan het praten met een groep verdelers van chemische producten voor de landbouw. Ik wees hen erop dat de boeren veel te veel stikstofmeststof sproeien op hun mais. Het was duidelijk dat er iets gedaan moest worden om de verontreiniging van het water met nitraat te verminderen maar voor de verkopers van meststoffen betekent dat natuurlijk minder inkomen. Uiteindelijk begrepen ze wel dat nitraatvervuiling echt een probleem is en dat ze, om overheidsregulering te voorkomen, beter hun bezwaren lieten varen tegen de toepassing van kleinere hoeveelheden die de universiteiten voorstelden en die beter beantwoorden aan de behoeften van de gewassen. Later botste ik op een ander dilemma, namelijk toen bleek dat de boeren hun melkkoeien te veel onnodige fosformineralen gaven. De mensen die mineralen verkopen waren daar niet gelukkig mee, maar uiteindelijk moesten zij zich bij een beperking neerleggen. Betere bodemtesten helpen de boeren om minder meststof te gebruiken en zo de waterverontreiniging tegen te gaan. Het gebruik van dekgewassen en minder intensieve bewerking van de grond breidt zich uit, met als gevolg dat de teelt van vooral (of uitsluitend) eenjarige gewassen niet meer zo veel erosie of waterontreiniging veroorzaakt.

     Er kunnen wetten goedgekeurd worden − als de mensen gemobiliseerd kunnen worden om te vechten voor verandering − voor hogere lonen, voor een betere behandeling en betere arbeidsomstandigheden, zowel voor landarbeiders als voor arbeiders in slachthuizen. Theoretisch zou er een wet aangenomen kunnen worden zodat contractboeren die gevogelte kweken en nu beschouwd worden als onafhankelijke ondernemers, ressorteren onder de arbeidswetgeving en zich mogen organiseren en onderhandelen in groep zonder bang te moeten zijn dat ze in de toekomst geen werk meer vinden in die sector − maar, zoals ik al heb gezegd, werd er dit jaar een wet goedgekeurd die komaf maakt met die bescheiden bescherming.

     Voor de arbeidskrachten op de boerderijen zouden strengere en beter afdwingbare wetten goedgekeurd kunnen worden die toegang tot zuiver water, sanitaire voorzieningen en betere huisvesting verplicht. Tot dusver wordt dat verhinderd door de macht van de landbouwlobby en het gebrek aan macht van de arbeiders.

     En het is alvast theoretisch mogelijk om de honger hier en in het buitenland uit te roeien, want er is voldoende voedsel om de hele wereld te voeden. Er is meer dan genoeg geld om fossiele brandstofondernemingen te subsidiëren, om de rijken belastingvermindering toe te kennen en om oorlog te voeren, maar vreemd genoeg is er niet voldoende geld om iedereen te voeden.

     Een aantal boeren heeft ecologische en sociale doelstellingen opgenomen in hun landbouwsysteem. De meest opmerkelijke zijn de boerderijen van de Community Supported Agriculture (CSA) die ecologisch gerund worden (vaak zijn het bioboerderijen) en voedsel produceren “om een welbepaalde groep mensen te voeden”. Veel van die boeren werken met glijdende prijzen voor gezinnen of helpen op andere manieren ook de lage inkomens. Hoewel zij ook werken binnen een kapitalistische maatschappij, zijn het in essentie niet-kapitalistische bedrijven. Maar veel van die boerderijen kunnen de boer slechts een eenvoudige levensstandaard garanderen. Er zijn nog andere kleinschalige boeren met ecologisch gezonde werkwijzen en een goede wisselbouw die aan veel verschillende zaken verkopen zoals restaurants en boerenmarkten. Maar ook sommige grootschalige boerderijen pakken uit met hun ecologische (of bio) praktijken. Voor hen zijn het enkel marketinginstrumenten, terwijl ze economisch gezien gewoon een ander soort kapitalistische boerderij zijn. Misschien berokkenen ze minder schade aan het milieu, maar vaak is het er niet echt aangenaam werken voor de arbeiders.

     Er is dus wel een aantal boerderijen die op een meer sociale en ecologische basis werken, maar zij produceren maar een miniem deel van het voedsel in de VS. Een toenemend aantal conventionele boeren past meer ecologisch gezonde werkwijzen toe, zoals het planten van dekgewassen, minder intensieve bodembewerking en een betere behandeling van het vee. Toch is het systeem nog voor een groot deel irrationeel. Kijk naar het vereenvoudigde ecosysteem, de aanhoudende waterverontreiniging, het gebruik van (en de besmetting met) onkruidverdelgers en de slechte werkomstandigheden voor de arbeidskrachten op de boerderij en in de verwerkende industrie.

De kern van de zaak

Het wel en wee van het kapitalistische systeem en de manier waarop het zich inherent ontwikkelt met alle sectoren die streven naar maximale winst, leidt tot een landbouw waarin a) mensen honger leiden ook al is er voedsel in overvloed; b) voedingsstoffen niet worden gerecycleerd, waardoor het gebruik van meststoffen stijgt, terwijl tegelijkertijd een overschot van voedingsstoffen wordt opgestapeld in veeboerderijen en in steden; c) dieren onmenselijk worden behandeld; d) weinig aan wisselbouw wordt gedaan; e) arbeidskrachten op de boerderijen en in de slachthuizen doorgaans onrechtvaardig (en/of wreed) worden behandeld; en f) pesticiden en meststoffen op grote schaal het milieu vervuilen en nog andere problemen veroorzaken. Alle beslissingen en praktijken van conventionele boeren en andere spelers in het landbouwsysteem zijn beslist logisch (dat wil zeggen het zijn rationele beslissingen) vanuit het enge doel om zo veel mogelijk winst te maken binnen een kapitalistisch systeem. Zoals Marx uitlegde: “De afhankelijkheid van de teelt van bepaalde landbouwproducten van de schommelingen van de marktprijzen en het feit dat de teelt voortdurend mee verandert met de prijsschommelingen − heel de geest van de kapitalistische productie die gericht wordt op onmiddellijk geldgewin − zijn tegengesteld aan de landbouw, die de hele waaier van altijd terugkerende levensbehoeften moet vervullen, die vereist wordt door de ketting van opeenvolgende generaties.”[29]

     We moeten hieruit besluiten dat de manier waarop het kapitalistische systeem werkt in de echte wereld ecologisch en sociaal irrationeel is.

     Maar hoe zou een rationele landbouw er dan uitzien? Ik stel volgende definitie voor: “Een rationele landbouw is het werk van individuele boeren of verenigingen (coöperaties) van boeren, met als doel de totale bevolking te voorzien van een voldoende hoeveelheid, kwaliteit en variëteit van voedsel, waarbij zij de boerderij runnen en de akkers bewerken met respect voor de dieren en in harmonie met het ecosysteem.” Er zou geen uitbuiting van de arbeid zijn − iedereen die op de boerderij werkt zou zijn zoals alle anderen, een boer. Wanneer een individuele boer hulp nodig heeft, zou hij kunnen overschakelen naar een boerderij met meerdere arbeidskrachten. De eigenlijke productie van voedsel op het land zou gebeuren door de samenwerking met en sturing van de landbouwecosystemen (in plaats van overheersing). Op deze manier wordt de kracht van onbeheerde natuurlijke systemen in de boerderijen en hun omgeving verwerkt.

     Zo’n soort landbouw zal ontwikkeld moeten worden binnen een nieuw socio-economisch systeem, gebaseerd op de leniging van de behoeften van de bevolking (zoals een gezonde en welvarende omgeving) in plaats van winstaccumulatie.

Fred Magdoff is professor emeritus in de Plant- en Bodemwetenschappen aan de universiteit van Vermont en becommentarieert sinds lang politiek-economische onderwerpen. Samen met John Bellamy Foster schreef hij The Great Financial Crisis (2009) en What Every Environmentalist Needs to Know About Capitalism (2011). Beide werken werden gepubliceerd door Monthly Review Press. De auteur dankt Elizabeth Henderson voor haar suggesties. Het overgenomen artikel verscheen in maart 2015 in Monthly Review (zie: monthlyreview.org/2015/03/01/a-rational-agriculture-is-incompatible-with-capitalism/).


[1] Deze beschrijving is uiteraard gericht op/afkomstig uit de landbouwsituatie in de VS. Hormonen zijn bijvoorbeeld in België niet toegelaten in de veehouderij in tegenstelling tot de VS. Het herbicide atrazine, dat eveneens in de tekst als voorbeeld vermeld wordt, is eveneens bij ons al lang verboden (hoewel het nog gedetecteerd wordt in het milieu). In Europa ligt vandaag ook het wereldwijd gebruikte glyfosaat  onder vuur.

[2] Karl Marx, Het Kapitaal, Boek 3, hoofdstuk 6, paragraaf 2 - https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1894/kapitaal-3/6.htm.

[3] Er zijn natuurlijk andere soorten boerderijen in deze regio zoals groenteteelt, zuivel en varkenskwekerijen. Maar de landbouw in die regio wordt gedomineerd door mais en soja.

[4] Land Stewardship Program, “Crop Insurance—How a Safety Net Became a Farm Policy Disaster; White Paper 2: Crop Insurance Ensures the Big Get Bigger”, 2 december 2014. Zie: http://landstewardshipproject.org.

[5]  De boerderijen in de VS die alle soorten gewassen en vee telen, blijven groter worden, maar er zijn ook goedboerende kleine en middelgrote bedrijven. Ongeveer 6 procent van alle boerderijen − zo’n 120.000 − teelt drie kwart van de geproduceerde voedselwaarde. Zie Daniel Sumner, “American Farms Keep Growing: Size, Productivity, and Policy”, Journal of Economic Perspectives 28, nr. 1, 2014, p. 147-156. Zie: http://pubs.aeaweb.org.

[6] Fred Magdoff, “Pros and Cons of Agricultural Mechanization in the Third World”, Monthly Review 34, nr. 1, 1982, p. 33-45.

[7] Mae Wu, Mayra Quirindongo, Jennifer Sass, en Andrew Wetzler, Still Poisoning the Well: Atrazine Continues to Contaminate Surface Water and Drinking Water in the United States, Natural Resources Defense Council, april 2010. Zie: http://nrdc.org. Voor een opmerkelijk stuk over de aanvallen van de pesticidenindustrie op een onderzoeker die onderzoek deed naar de gezondheidsproblemen veroorzaakt door atrazine, zie Rachel Aviv, “A Valuable Reputation”, New Yorker, 10 februari 2014. Zie: http://newyorker.com.

[8] U.S. Department of Agriculture, Agricultural Marketing Service, Pesticide Data Program: Annual Summary, Calendar Year 2011, februari 2013. Zie: http://ams.usda.gov.

[9] Klei en goed ontbonden organische materie heeft negatieve ladingen. Daardoor kan de bodem positief geladen ionen van calcium (Ca++), magnesium (Mg++), potassium (K+) en ammonium (NH4+) vasthouden en die voor planten essentiële voedingsstoffen beschikbaar houden zodat de wortels ze kunnen opnemen.

[10] Een drainagedistrict is een soort waterschap, een bestuurseenheid voor het waterbeheer van een gebied.

[11] Dan Charles, “Iowa’s Largest City Sues Over Farm Fertilizer Runoff In Rivers”, National Public Radio, 12 januari 2015. Zie: http://npr.org.

[12] De dode zone in de Golf van Mexico is een zuurstofarm gebied zonder zeeleven aan de kust van Louisiana. In 2003 besloeg het 22.079 km2, dat is groter dan de staat Massachussetts.

[13] De productie van genetisch gemodificeerde zaden berust nog altijd op traditionele kweekprogramma’s om variëteiten te kweken met goede basiseigenschappen zoals opbrengst en kwaliteit. De resistentie voor onkruidverdelgers en/of de mogelijkheid om zelf eigen insecticide aan te maken, worden vervolgens vanuit andere soorten in deze variëteiten ingebracht.

[14] Quentin Hardy, “Working the Land and the Data”, New York Times, 30 november 2014. Zie: http://nytimes.com.

[15] Roger Thurow and Jay Solomon, “An Indian Paradox: Bumper Harvests and Rising Hunger”, Wall Street Journal, 25 juni 2004. Zie: http://wsj.com.

[16] Dana Gunders, Wasted: How America Is Losing Up to 40 Percent of Its Food from Farm to Fork to Landfill, Natural Resources Defense Council Issue Paper, augustus 2012. Zie: http://nrdc.org.

[17] Fred Magdoff, “Twenty-First-Century Land Grabs: Accumulation by Agricultural Dispossession”, Monthly Review 65, nr. 6, november 2013, p. 1-18.

[18] R.F. Wideman, et al., “Pulmonary Arterial Hypertension (Ascites Syndrome) in Broilers: A Review”, Poultry Science 92, nr. 1, 2013, p. 64-83.

[19] Nicholas Kristof, “Abusing Chickens We Eat”, New York Times, 3 december 2014. Zie: http://nytimes.com.

[20] Michael Moss, “U.S. Research Lab Lets Livestock Suffer in Quest for Profit”, New York Times, 20 januari 2015. Zie: http://nytimes.com.

[21] Eric Schlosser, “‘The Chain,’ by Ted Genoways”, New York Times, Sunday Book Review, 21 november 2014. Zie: http://nytimes.com.

[22] Richard Marosi, “Hardship on Mexico’s Farms, A Bounty for U.S. Tables”, Los Angeles Times, 7 december 2014. Zie: http://graphics.latimes.com.

[23] Food and Agriculture Organization of the United Nations, Regional Office for Asia and the Pacific, Biodiversity for Food Security, 2004. Zie: http://fao.org.

[24] Dit cijfer dateert uit 2013. Zie United States Department of Agriculture, U.S. Food Imports, Economic Research Service, “U.S. Food Imports”. Zie: http://ers.usda.gov.

[25] Daryll Ray en Harwood Schaffer, “Farm-level Production Decisions and Industry-level Impacts”, Policy Pennings Weekly Agricultural Column, 14 november 2014. Zie: http://agpolicy.org.

[26] Fred Magdoff, “The Political Economy and Ecology of Biofuels”, Monthly Review 60, nr. 3, juli-augustus 2008, p. 34-50.

[27] See R. C. Lewontin, “The Maturing of Capitalist Agriculture: Farmer as Proletarian”, Monthly Review 50, nr. 3, juli-augustus 1998), p. 72–84.

[28] Wet over de bedragen die vrijgemaakt worden voor onder andere landbouw.

[29] Marx, Het Kapitaal, Boek 3, hoofdstuk 37, Inleiding, voetnoot 27. Eigen vertaling.