Fire Gym, sportcentrum voor het volk viert zijn 30-jarig bestaan. Interview met Carlos Perez

Auteur: 
Herwig Lerouge

Carlos Perez (carlosperez740 at msn.com) is een zoon van Spaanse immigranten die het fascistische Francoregime in Spanje ontvluchtten. Hij animeert en leidt sinds 1983 het sociaal sportcentrum Fire Gym in Jette, op de grens met Sint-Jans-Molenbeek.

Hij schreef het boek L’enfance sous pression, Quand l’école rend malade (2007 en 2012, Aden) en een bijdrage over de school en sociale diversiteit “L’école et mixité sociale: mélange toxique ? ”, in het tijdschrift Mauvais Sang, n°°3, Aden. Meer info over Fire Gym op: www.lenfance-sous-pression.be, www.firegym.be, www.toperformance.be.

Fire Gym - Brussels Sports Movement ontstond in 1983 uit de dagelijkse praktijk van Carlos Perez, de iniatiefnemer van het Brusselse sportcentrum Fire Gym. In het begin was de enige ambitie van de club zich specialiseren in bodybuilding, powerlifting en krachttraining, gewichtheffen en het begeleiden van topatleten in functie van de competitie. Maar al heel vlug zouden de wijk en de bevolking het profiel van de club in een andere richting sturen. Fire Gym heeft een unieke visie ontwikkeld op het sportleven en het belang van sport in een metropool als Brussel.

We hebben Carlos Perez, de oprichter en bezieler ontmoet.

Gefeliciteerd met jullie verjaardag. Waarvoor staat Fire Gym vandaag?

Carlos Perez. Als infrastructuur beschikt Fire Gym over een overdekte ruimte van 700 m² die wordt gehuurd door een Vzw. Die Vzw stond ook in voor de volledige sportieve uitrusting en alle toestellen (66 fitness- en cardiofitness-toestellen, een polyvalente zaal met parketvloer en een spiegelmuur voor dans en een ruime oefenzaal voor de vechtsporten met een volledige tatamivloer.

Het centrum heeft een vaste kern van een zo’n 250 leden. Daarnaast schrijven jaarlijks ongeveer 1000 kinderen, jongeren en volwassenen zich in voor allerlei lessenreeksen en activiteiten. De deelnemers zijn vooral afkomstig uit het noordwesten van Brussel (Molenbeek, Jette en Laken-Brussel stad).

Fire Gym is 7 dagen op 7 open, in totaal 68 uur per week. In het aanbod zitten allerlei lessenreeksen voor verschillende sporttakken (fitness, cardiofitness, krachttraining, gewichtheffen, aerobic, stepaerobic, body-sculpt, spinning, boks-aerobic, Hip Hop, reggae, breakdance, taekwondo, judo, Braziliaanse jiujitsu, karate, Engelse boks, capoeira).

Vanaf 3,5 jaar kunnen kinderen al in het centrum terecht voor bepaalde activiteiten. In alle schoolvakantieperiodes gaan er sportkampen door.

Fire Gym ontvangt de gezinnen met open armen. De activiteiten en openingsuren zijn aangepast aan de kinderen en hun mama’s. Het centrum is sociaal geëngageerd in het gewest en heeft een multiculturele en professionele aanpak. Het stelt aan scholen en plaatselijke clubs uitrusting en monitoren ter beschikking. We organiseren ook opleidingscursussen voor animatoren en de ADEPS-opleiding[1] voor sportmonitoren. Alle leden kunnen zich voor deze cursus inschrijven zonder dat ze hiervoor extra moeten betalen. Wie slaagt ontvangt het ADEPS-diploma van sportmonitor.

Waarin verschilt Fire Gym van andere fitnesszalen?

Carlos Perez. Voor een buurtsportclub is het onmogelijk om zich niet bewust te zijn van de problemen in de wijk. Vroeg of laat sluipen die problemen toch de club binnen. De club kan hier wel de ogen voor sluiten en zich strikt beperken tot de sportbeoefening door te stellen dat sport neutraal en apolitiek is. Of de club kan proberen oplossingen aan te brengen voor die dagdagelijkse problemen van de mensen in de buurt. Dat is wat het verschil maakt tussen een of andere liefdadigheidsactie en een werktuig worden voor sociale vooruitgang en emancipatie. Dat is de politieke visie achter de actie.

De sportzaal van Fire Gym vormt op dat vlak zelf een mooi voorbeeld. Het centrum werd in 1983 opgericht met zuiver commerciële doeleinden. In de loop van hun carrière maakten de begeleiders van het sportcentrum een keuze, om nuttig te zijn voor de gemeenschap, met alle moeilijkheden die deze keuze met zich meebracht. Het publiek van het centrum evolueerde van financieel eerder welgestelde atleten naar een economische zwakke buurtbevolking.

Fire Gym heeft op verschillende manieren getracht de samenleving, waarbinnen het centrum functioneerde, politiek bewust te maken.

Democratisering van de sport is een rode draad in onze strategie. Wij willen sport toegankelijk maken voor jongeren vanaf de jongste leeftijd en voor al die kinderen die normaal helemaal niet de kans krijgen om aan sport te doen. Fire Gym is een sociale structuur voor sportbeoefening en fitness die er bewust voor kiest om open te staan voor de minstbedeelden (mensen met een leefloon, werklozen, nieuwkomers, kinderen uit instellingen voor bijzondere jeugdzorg, mensen zonder papieren of hun kinderen, mensen zonder vast werk, kinderen die spijbelen of op een andere manier van school afhaken). Maar niet alleen voor hen. Er komen ook veel gewone buurtbewoners en allerlei sportlieden. De doelstellingen van het centrum zijn lijnrecht tegengesteld aan wat de multinationale sportbedrijven beogen die de fitness-sector in België controleren. Dat sport ook belangrijk is voor arme mensen is wel het laatste dat hun interesseert. Hun doel is immers zuiver commercieel en ze zullen de winst niet herinvesteren ten gunste van het openbaar welzijn. Van zodra het zakencijfer tegenvalt, verkopen ze of doeken ze de zaak gewoon op, net zoals overal elders in de privé. Hun prioriteit is niet zoals de onze gericht op opvoeding en ontvoogding.

Vreemd genoeg bestaan er in de sociale sector zo goed als geen fitnesszalen of andere infrastructuur ter verbetering van de fysieke conditie, terwijl de vraag en de behoefte hieraan enorm groot is. Fitness komt op de vierde plaats - na wandelen, lopen en joggen - van de sportbeoefening van gezinnen. En de sector wordt volledig aan de privé overgelaten. Op dat vlak doen wij met Fire Gym echt pionierswerk in deze branche. Onze zorg is dat iedereen zoveel mogelijk kan fitnessen.

Fire Gym is bovendien van geen enkele gevestigde overheid afhankelijk. In een groot deel van de sociaal-sportieve en culturele sector steken allerlei administratieve, politieke en communautaire (taal) regeltjes nogal eens stokken in de wielen voor de initiatieven op het terrein. Verenigingen moeten constant over van alles verantwoording afleggen ten overstaan van hun bevoegde (en subsidiërende) overheid die hun vanuit de eigen bevoegdheid ook nog eens in een welbepaalde richting duwt. Vaak is initiatief beperkt tot een welbepaald profiel voor een welbepaald doelpubliek, bijvoorbeeld probleemjongeren tussen 12 en 18 jaar, in een welbepaalde territoriale omschrijving, een specifieke wijk. Dikwijls is de actieradius beperkt tot welbepaalde vormen van coördinatie of begeleiding van een bepaald type jeugd, dat bijvoorbeeld van het rechte pad dreigt af te wijken. Het niet verklaarde doel van de overheidssteun voor jongerenwerk in bepaalde wijken is dikwijls niets anders dan het bewaren van de sociale vrede in het kader van gemeentelijke veiligheids- en samenlevingscontracten. De politieke instanties hebben zo hun eigen lezing van de oorzaken van onveiligheidsgevoelens in bepaalde achtergestelde wijken: jongeren en meer in het bijzonder migrantenjongeren worden als bedreigend gezien omdat ze wel eens iets zouden kunnen mispeuteren en overlast kunnen bezorgen, maar meer nog “eenvoudigweg” doordat ze er zijn.

Fire Gym beschikt over een aantal hendels voor zelfbeheer en zelfcontrole op de hele organisatie. Het programma van het centrum is niet opgelegd door de regering en nog minder door de veiligheidscontracten. Integendeel, het is het resultaat van overleg met de leden en vrijwilligers.

Wie komt er naar Fire Gym?

Carlos Perez. Fire Gym staat open voor alle buurtbewoners. De mensen die in het centrum komen, zijn van alle leeftijden en van zeer verschillende afkomst, oud, jong, mannen, vrouwen, gewone sportliefhebbers en topatleten. Je moet in Fire Gym geen jaarabonnement nemen, zoals dat het geval is in veel fitnessmultinationals die al menige jongere uit de wijk in schulden hebben gestort. Er is ook geen preselectie bij de inschrijving. Fire Gym zegt niet “nee” tegen de Afrikaanse mama die komt vragen of er nog plaats is in de zaal. Een commercieel fitnesscentrum weigerde haar kind in te schrijven onder het voorwendsel dat er een maximum was aan het toegelaten aantal. Fire Gym heeft geen afgebakend doelpubliek en ook geen specifiek profiel.

Hoe wordt het centrum bestuurd?

Carlos Perez. Fire Gym zet jongeren aan om actief mee te werken als vrijwilliger in het centrum. Goede praktijkervaringen worden met elkaar gedeeld en het ontwikkelen van de nodige bekwaamheden gebeurt heel spontaan zonder al te veel bureaucratie. Nieuwe ideeën die aan de basis ontstaan, dringen al snel door tot de top en richtlijnen van de top bereiken zonder tussenpersonen zeer snel de basis. Vandaag nemen jongeren – die het centrum zelf heeft gevormd en opgeleid – allerlei verantwoordelijkheden op in het fitnesscentrum.

We hebben als centrum voortdurend aandacht voor de behoeften en de belangen van de wijkbevolking. Deze actieve sociaal geëngageerde houding maakt dat er niet alleen opleidingen en trainingen, maar ook tal van culturele en sociale activiteiten in het centrum doorgaan. Het is niet alleen een sportschool in dienst van de bevolking, maar ook een begeleidingscentrum voor de allerjongsten en raakt aan alle facetten van het sportgebeuren, de fysieke ontwikkeling en de algemene ontwikkeling van kinderen en jongeren die in het centrum ook terechtkunnen voor ondersteuning bij hun schoolloopbaan. Er zijn allerlei samenwerkingsverbanden voor sportevenementen, vanuit Fire Gym wordt regelmatig opgeroepen voor deelname aan acties en er zijn ook internationale uitwisselingen.

De bewoners worden nauw betrokken bij beslissingen. Alle jonge kaders binnen de trainingsstructuur zijn op de werkvloer gevormd en wat er in het centrum gebeurt, beantwoordt aan de behoeften en is het resultaat van concrete ervaringen. Hierbij staat de sociale economie model. Fire Gym functioneert als een non-profit bedrijf voor de productie van goederen en diensten voor gemeenschappelijk welzijn en gezondheid.

Fire Gym heeft altijd gefunctioneerd als een sociaal netwerk voor dat deel van de bevolking dat slachtoffer is van sociale uitsluiting. Fire Gym wil de strijd aanbinden met deze vorm van sociale “beroving” en alle hulpmiddelen mobiliseren om zijn kennis en competenties ten dienste te stellen van integratie, tegen de marginalisering van de meest kwetsbaren. Hefbomen creëren voor verandering en alles in het werk stellen om de macht van de bezitlozen te versterken, dat is onze doelstelling.

Fire Gym komt op voor de democratisering van de sport. Welke rol ken je toe aan de sport in onze samenleving.

Carlos Perez. Via sportbeoefening verwerven mensen het gedrag en de vaardigheden, nodig voor zelfontplooiing: ze leren werken binnen structuren, ze leren plannen en organiseren, ze leren samenwerken, ze leren in zichzelf geloven en de eigen talenten en mogelijkheden ontdekken en ontwikkelen. Ze dragen zorg voor persoonlijke hygiëne en hebben oog voor een mooi én gezond lichaam. Maar sport is ook een instrument voor het smeden van sociale banden.

Door samen aan sport te doen, leren we ook de problemen van de gezinnen beter kennen, worden we geconfronteerd met hun dagelijkse behoeften en vinden we ook samen oplossingen.

Begeleiders en sportmonitoren van Fire Gym zien dagelijks wat er misgaat met de kinderen en stellen talrijke problemen en gebreken vast. Stress, astma, obesitas, diabetes... zijn zeer wijd verbreid onder de Brusselse bevolking en vooral bij de jongeren. Het Witboek van de Koning Boudewijnstichting over sport en gezondheid bevestigde dat nog in 2000. België staat voorlaatste op de lijst van de vijftien landen die het langst lid zijn van de Europese Unie, voor de fitheidsbarometer van de jeugd. Hoog tijd dus om in actie te komen. We moeten alles in het werk stellen om de strijd aan te binden tegen de nieuwe ziektes in onze maatschappij, zoals obesitas. Nauwelijks een derde van alle kinderen tussen 7 en 9 jaar speelt nog buiten. Dat is een toestand met ernstige problemen voor de openbare gezondheid.

Vanaf steeds jongere leeftijd schaden een tekort aan beweging, het gebrek aan contact met leeftijdsgenootjes, het gebrek aan ruimte en aan groen in de woonomgeving en het op elkaar gepropt zitten in appartementen en in klassen de mentale en fysieke gezondheid van kinderen. Op de lagere scholen in (Franstalig) België is veel te weinig plaats voor lichaamsoefening. Eenmaal volwassen komt daar nog de flexibiliteit op het werk bij die maar al te vaak leidt tot burn-out bij de werknemers. In Molenbeek bedraagt de werkloosheid bijna 30 %. Dat leidt tot onevenwicht en stress bij de mensen.

Maar zoals in heel onze maatschappij, kent ook de toegang tot sport een zeer grote ongelijkheid. De ervaring van verenigingen, actief rond kansarmoede en in het bijzonder kinderarmoede, wijzen op het feit dat veel kinderen uit kansarme gezinnen nooit naar de opvang gaan, noch naar structuren voor voorschoolse of naschoolse opvang, noch naar zomerkampen of andere speelse, sportieve, artistieke of culturele ontspanningsactiviteiten. Maar weinig kinderen uit arme gezinnen krijgen in hun kindertijd ooit de kans om mee te gaan met groepsvakanties, laat staan om op vakantie te gaan met het gezin.”

Welke kritieken maken jullie precies op het sportbeleid van de overheden?

Carlos Perez. Sport is in België noch een recht, noch een openbare dienst. Sport is een commerciële dienst en de gebruikers van deze dienst worden aanzien als consumenten of klanten. Aan sport doen is in België een privilege en geen recht. Sport is geprivatiseerd. Het neoliberale systeem wil van sport een zuivere handelswaar maken.

In de studie Economie en Sport van de Koning Boudewijnstichting van 2000 kan men lezen dat het liberale reveil aanstuurt op het financieel zelf bedruipend maken van culturele activiteiten. Sommigen beweren zelfs dat de sport niet zou moeten worden gesubsidieerd door de overheid; zij zou zich enkele moeten beperkten tot het promoten van de sport.

Als we ons niet tegen deze liberale logica verzetten, zal sport nooit toegankelijk worden voor iedereen. De staat investeert steeds minder in sport. In België dragen de gezinnen zelf het grootste deel van de uitgaven voor (recreatieve) sport. Volgens het rapport van de Koning Boudewijnstichting stonden de Vlaamse gezinnen in 1982 al voor 71 % in voor de totale sportbestedingen in het gewest. Vandaag is het aandeel van de overheid teruggeschroefd van 26 % in 1982 naar 9 % in 1996. Maar wie zijn die gezinnen die zich deze uitgaven kunnen veroorloven en dus aan sport kunnen doen?

Bovendien gaan de sportbudgetten van de gemeenschappen niet naar de kleine clubs en kleine federaties die nochtans veel toegankelijker zijn voor de armste bevolking. Alleen in Franstalig België zijn er meer dan 6000 kleine clubs. Het Brusselse gewest, waar toch meer dan een miljoen mensen leven die voor meer dan 90 % Franstalig zijn, ontving nog geen 2 % van de toegekende subsidies!

Het overheidsbudget voor sport wordt vooral geïnvesteerd in infrastructuur en grote prestige-evenementen die het meeste winst opbrengen en scoren inzake marketing. En ook al zijn het openbare investeringen, de financiële opbrengst is toch voor de privé. De geldstromen in de sportwereld gaan meestal naar sportspektakels op hoog niveau. Zij trekken meer publiek dan de amateursport.

Dit heeft gevolgen voor het aanbod aan infrastructuur voor de amateurclubs en maakt dat voor een aantal sporttakken de vraag veel groter is dan het aanbod. In bepaalde wijken verdringen kleine clubs elkaar om een plaatsje te bemachtigen binnen de beperkte beschikbare infrastructuur, terwijl er voor andere activiteiten een overcapaciteit voor handen is. Dat is zo voor de de federaties en de prestigeclubs zoals voetbalclubs uit de eerste afdeling. Zij zijn verbonden van met dienstenmarkt.

Het gevecht van Fire Gym gaat niet om ‘de kleine clubs tegen de grote clubs’, maar wel om de strijd tegen de vermarkting van de sport. Volgens ons moet sport een openbare nutsvoorziening zijn, toegankelijk voor iedereen. Sport mag geen luxe zijn. Het moet een recht zijn.

De sociale en economische verhoudingen hadden altijd een fundamentele invloed op het hoe en wat van sportbeoefening. De moderne sport is bovenal een wereldorganisatie die wordt overheerst door een “internationale sportregering”. Het zijn de internationale federaties, het Internationaal Olympisch Comité en al dit soort instellingen die de sport beheren en controleren. Sport wordt globaal over de hele wereld georganiseerd als een groot gecentraliseerd en supranationaal bedrijf, gesponsord door een waaier multinationals. De zogenaamde “waarden” van de moderne sport zijn onlosmakelijk verbonden met de economische en commerciële waarden van ondernemingen. Een aantal voetbalploegen zijn zelfs beursgenoteerde bedrijven. En de deontologische code van de sport is dan ook dezelfde als die van een op winst gericht bedrijf: concurrentiepositie, competitiviteit en fusies en herstructureringen zijn de sleutel voor “succes” van het sportbedrijf. Voetballers zijn handelswaar geworden, verkocht op de transfermarkt aan de meest biedende.

De sportideologie is een machtig hulpmiddel voor de overheersende ideologie. Aan sport buiten dit kapitalistische kader, wordt geen waarde gehecht; ze vindt geen sponsors en krijgt geen media-aandacht, behalve als dat kan dienen als alibi of om bijvoorbeeld de sociale vrede te bewaren in het kader van wijkveiligheidscontracten. Sport heeft een uitermate duaal karakter. In onze steden en in de wijken vind je hetzelfde schema terug als in de maatschappij in haar geheel: er is de sport van de rijken en de sport van de armen, sport voor de rijke en sport voor arme buurten.

Maar er bestaan toch veel amateurclubs in alle mogelijke disciplines?

Carlos Perez. De amateursport staat voor 99 % van de mensen, maar is toch maar goed voor 1 % van de middelen. Meer dan 6000 clubs, alleen al in de Franse gemeenschap, die in tegenstelling tot de spektakelsport, wel in dienst staan van de bevolking, aan de kant van gezinnen.

Maar clubs hangen vooral af van de inzet van vrijwilligers. Bij ons zijn 200 à 300 kinderen lid van elke club die in Fire Gym onderdak heeft. Samen met familieleden, ouders en anderen, betekent dat ongeveer 600 mensen per club. Sport is in België een zaak van vrijwilligers, behalve voor een handvol professionele sportclubs. Geen enkele sector doet meer een beroep op vrijwilligers dan de sportsector: 35% van al het vrijwilligerswerk. Zonder vrijwilligers zou de Belgische sport eenvoudigweg niet bestaan.

De overheid heeft er alle belang bij om dat zo te houden. De staat doet alleen maar zijn voordeel met die duizenden onbetaalde uren. Ook de technische staff (trainers, coach), ongeacht in welke sporttak, krijgt hiervoor dikwijls geen enkele betaling van een of andere overheid. Ze moeten beroep doen op de leden van hun club om in hun behoeften te voorzien ofwel moeten ze daarnaast nog een job hebben.

Het voltijds bezoldigd technisch personeel is uiterst beperkt: 1 voltijdse job per 22 clubs. Voor alle 6.964 clubs samen binnen de Franse gemeenschap schat men hun aantal op 317, fulltime belast met technische activiteiten.

Maar dat vrijwilligerswerk heeft ook veel nadelen. Het laat geen enkele planning toe, noch enig globaal plan voor een goede spreiding van sportclubs. Elke sportactiviteit in de buurt hangt in wezen helemaal af van de inzet van vrijwilligers.

In economisch gunstiger woonzones is de sport nog min of meer correct georganiseerd. In de economisch zwaar getroffen woongebieden is er dikwijls op sportvlak een echte woestijn omdat de bewoners daar minder middelen hebben om in sport te investeren.

Vrijwilligerswerk doe je in je vrije tijd en wie bereid is om vrijwilligerswerk te doen, heeft meestal voldoende bestaansmiddelen. Ouders die de middelen hebben, steunen de club van hun kind zowel financieel als door er tijd in te stoppen; anderen zullen dat niet kunnen doen.

Het beleid voor de opleiding van het sportief kader leidt eveneens tot discriminatie. Stafleden, trainers en coaches kunnen een opleiding krijgen bij BLOSO, een openbaar bestuur. BLOSO verzorgt het theoretische gedeelte, maar voor het praktische en technische gedeelte van dergelijke opleiding moeten de clubs en de federaties zelf instaan. De federaties die hiervoor de nodige middelen hebben, qua tijd en qua budget, zullen recht hebben op deze opleiding, de anderen moeten hun plan trekken. Ze hebben meestal niet de kans om hun stafleden een degelijke opleiding te bieden.

Veel politici zijn het wel eens met deze vaststelling, maar hun oplossing is meer sponsoring en privatisering, meer privékapitaal en nog minder staatstussenkomst. We zien dat zelfs in scholen gebeuren. De Europese Commissie stimuleert deze logica. Staatsinterventie beschouwt ze als concurrentievervalsing, ook in de sport. Ook al hebben de Europese autoriteiten geen enkele rechtstreekse bevoegdheid wat sport betreft, toch is de sportsector net zoals de andere sectoren in de economie, onderworpen aan dezelfde Europese verdragsregels, in de mate dat de sector ook een zekere economische activiteit genereert.

Welke oplossingen stellen jullie hier tegenover?

Carlos Perez. Sport is te belangrijk om dit over te laten aan de privé die enkel uit is op financiële winst. Sport moet een basisrecht worden en een openbare nutsvoorziening. Iedereen moet sport kunnen beoefenen, dat moet een recht zijn. De overheid moet de obstakels voor de kleine clubs zoveel mogelijk uit de weg ruimen: overheidsgeld voor sport moet op de eerste plaats gaan naar clubs die werken met de honderdduizenden kinderen en jongeren.

De onzekere situatie van de trainers van de 6600 Franstalige clubs is een rem op de ontwikkeling van de Belgische sport. Er moet meer waardering komen voor deze job. De opleidingen moeten aangepast zijn en voldoende soepel om te garanderen dat alle trainers deze kunnen volgen, ook van kleinere clubs. In 2010 konden duizend vrijwilligers de Franstalige basisopleiding van ADEPS volgen. Een onbetekenend cijfer voor de 6600 clubs. We kunnen niet zonder de openbare diensten voor structuren, omkadering, opleiding, waardering en planning.

Maar we beperken ons niet tot het eisen van een tussenkomst van de overheid. We dragen op ons bescheiden niveau bij tot de oplossing van dit probleem. Wij vragen aan de sportclubs om een extra inspanning te doen om de jongeren in hun club ook de kans te geven zich te vormen als assistent of sportmonitor en het aantal uren les in de club of op school te kunnen verhogen.

Fire Gym stelt alles in het werk voor de expansie van sport in Brussel. We nodigen ook de verschillende initiatieven in de sociaal-sportieve sector uit om zich te verenigen en gezamenlijk deze opleidingen te organiseren. We willen soepele formules vinden om sportbegeleiders en monitoren in te schakelen en instrumenten te vinden voor permanente vorming en bijscholing. We willen een opleidingsagentschap voor vorming en opleiding door sport oprichten.

Fire Gym veranderde in de loop der jaren ook meer en meer in een vorming- en opleidingscentrum in een concrete sporttechnische knowhow voor specifieke trainingsmethodes. Het ontwikkelde “TOPerformance”, een vernieuwende invulling van de DREPS-methode, een moderne methode die aanvankelijk alleen bedoeld was voor topatleten.[2] De methode kan gebruikt worden in alle sporttakken en de doeltreffendheid ervan werd bekroond met nationale en internationale resultaten. Fire Gym wilde deze vaardigheden in dienst stellen van alle sportbeoefenaars, met als doel het voor elke sportbeoefenaar mogelijk te maken om in zijn of haar discipline uit te blinken en op die manier de training voor sport van topkwaliteit te democratiseren.

De problematiek van topsport heeft altijd veel aandacht gekregen in het centrum. Is het voldoende zich te beperken tot een niveau van recreatieve sportinitiatie of moeten we ook tegemoet komen aan het verlangen van jongeren om zichzelf te overtreffen in de competitie? Moeten we stoppen voor de poorten van de competitiesport of moeten we er binnenstappen en eraan meedoen? De keuze werd gemaakt samen met de clubleden. De vastberadenheid om bepaalde objectieven te bereiken en uitdagingen aan te gaan, wekt enorm veel motivatie op bij jongeren en dikwijls ook een verlangen om zich steeds meer te perfectioneren. Uit deze visie is de trainingsschool "ToPerformance" ontstaan, gericht op sportieve trainingsprogramma’s die welzijn, gezondheid en mentaal, fysiek en emotioneel evenwicht van de atleten combineren. Zo willen we de vakbekwaamheid waarover de trainers van Fire Gym beschikken, in dienst stellen van de minstbedeelden. We willen dat zij ook de kans krijgen om zich fysiek voor te bereiden en aan sport te doen via een hoogwaardige vernieuwende sportmethode die meestal niet toegankelijk is voor gewone buurtjongeren.

Jullie activiteiten overstijgen het clubkader; jullie zijn aanwezig in de wijk in de scholen.

Carlos Perez. Een buurtsportclub kan onmogelijk de problemen in de wijk negeren. Fire Gym heeft ervoor gekozen om op verschillende manieren de samenleving, waarbinnen het centrum actief, politiek inzicht mee te geven.

Fire Gym vindt dat sport een recht is. Het centrum vecht om het voor iedereen mogelijk te maken om aan sport te doen en dat er hiervoor voldoende mogelijkheden en middelen zijn. Het centrum ijvert ook voor de verhoging van de budgetten die naar sport gaan. Voor het behoud van de sportcheques organiseerden we met onze clubs een actiedag. De trainingsmethodes zijn niet gericht op selectie, maar inclusief. De sportevenementen krijgen dan ook altijd een politiek thema mee: meer sport op school, eerst vriendschap dan de competitie.

Fire Gym besteedt sinds jaren veel aandacht en discussies aan het onderwijs. Dat gebeurde onder druk van duizenden ouders, bezorgd over de toekomst van hun kinderen. Het idee heeft zich als het ware opgedrongen doorheen alle discussies en de vele contacten met leerkrachten, families, sociale sportbegeleiders en verantwoordelijken van sociaal-culturele verenigingen, allemaal mensen die bezig zijn met en zich zorgen maken over de jongeren. Op die manier is het boek “Kindertijd onder druk” ontstaan.[3]  

Steeds meer kinderen zijn ziek door de stress die de school en het hele schoolgebeuren met zich meebrengt. We eisen van kinderen dat ze het normaal vinden om met dertig in te kleine klaslokalen te zitten, dat ze zich zeer snel kunnen aanpassen. We eisen soepelheid en allerlei vaardigheden om de hele dag stil te zetten en geconcentreerd te blijven. Met hun behoefte aan beweging wordt geen rekening gehouden en al evenmin met hun creativiteit. De school is een marathon geworden en alleen de besten halen de eindmeet. De school is een ziekteverwekkende instelling geworden. Zij maakt ziek, veroorzaakt depressies en leidt soms zelfs tot zelfmoord. En dan spreken we nog niet over het ontelbare aantal jongeren dat uit het schoolsysteem wordt uitgesloten. In de federatie Brussel-Wallonië verlaat meer dan 30 % van de leerlingen het onderwijs zonder enig diploma. Leerlingen worden constant geëvalueerd, beoordeeld en geselecteerd en vervolgens in heel wat gevallen weggestuurd. Het boek klaagt ook de medicalisering aan in het schoolse kader; een steeds groter aantal leerlingen krijgen Rilatine voorgeschreven.

Deze visie op het onderwijs werd concreet vertaald in tien eisen. En we trachten de buurt en de gezinnen die in ons centrum komen, zoveel mogelijk bewust te maken van en te mobiliseren voor deze eisen. De pijlers van dit eisenpakket zijn de noodzaak tot herfinanciering van het onderwijs, gratis onderwijs, de inrichting van een gemeenschappelijke sokkel tot 16 jaar, geen zittenblijvers, minder leerlingen per klas, herinrichting van de schooltijd zodat er tijd is op school voor sport en cultuur, een herziening van het evaluatiesysteem, meer betrekken van ouders bij het pedagogisch project van de school, op de eerste plaats aandacht voor de gezondheid van leerlingen, ophouden met het medicaliseren van pedagogische problemen en de invoering van een scholierenvakbond.

Fire Gym heeft binnen de club een mentorsysteem uitgewerkt, waarbij studenten en universitair afgestudeerden zich bezighouden met kinderen met leerproblemen. Op 1 mei 2009 nam Fire Gym het initiatief voor een mars “tegen uitsluiting en afhaken van school”.

We trachten ook zoveel mogelijk sport te promoten op school. Te weinig lichamelijke opvoeding op school is gevaarlijk voor de gezondheid van het kind. Om deze nefaste logica te veranderen stelt Fire Gym een “namiddag zonder boekentas” voor. In Brussel vertoont 30 % van alle scholieren rugpijn en fysiek ongemak, dat kan uitlopen op ruggengraatletsels. Dat is het gevolg van een te zware boekentas, maar ook van het feit dat ze de hele dag op ongemakkelijke stoelen zitten, op jaarbasis een goede duizend uur. En de weinige sport en lichaamsbeweging, de twee uurtjes per week, kunnen dit sedentair bestaan absoluut niet compenseren.

30 % van de kinderen vertoont ook overgewicht. Daar zou de school iets aan moeten doen, want een kind zit toch zes à tien uur per dag op school. De allerkleinsten, scholieren en jongeren, allemaal hebben ze meer lichaamsbeweging nodig voor een integrale vorming die de zelfontplooiing stimuleert en rekening houdt met het kind, niet als bron van inkomsten, maar als een sociaal wezen.

Fire Gym stelt voor om een officieel statuut uit te werken voor sportmonitoren van sportclubs en deze als trainers in het kader van permanente vorming en bijscholing ter beschikking te stellen van scholen.

Fire Gym heeft ook een visie uitgewerkt op de Brusselse sociaal-sportieve en sociaal-culturele sector. In Brussel is deze sector grotendeels ontstaan uit de noodmaatregelen na de revoltes in 1991. Allerlei projecten kregen subsidies uit de pot van de veiligheidscontracten in het kader van het grootstedenbeleid. Als pleister op de wonde voor een steeds verder afbrokkelende sociale zekerheid en een tot illusie geworden werkzekerheid heeft men een noodverband aangelegd. Een lapmiddel voor het toenemende ongenoegen in de sociaal achtergestelde wijken. Het doel was duidelijk de jongeren die niet in het rijtje liepen en die van het rechte pad afweken, “marginale jongeren”, op te sporen en in kaart te brengen, opnieuw een sociale band met hen te krijgen en door hen te omkaderen de steden opnieuw veiliger te maken.

We zagen door die veiligheidscontracten een wildgroei aan mini-jobs en allerlei functies in de informele opvoedingssector ontstaan: straathoekwerkers, preventiewerkers, schoolbemiddelaars en huiswerkbegeleiders, sociale bemiddelaars, buurtvaders, gemeenschapswachten, allerlei slag ‘straatwerkers’. Voor veel maatschappelijke werkers en begeleiders uit de sector was en blijft de cruciale vraag nog steeds: waartoe dient dat? Men animeert, men coördineert, men begeleidt individuen of groepen, maar waarvoor is dat goed als het mis is gelopen op school en er geen werk is?

Als het dan niet lukt om de jongeren terug naar school te leiden of aan werk te helpen, blijft als compromis nog alleen hen uit te besteden aan sport- en sociaal-culturele verenigingen. Ze moeten allerlei samenwerkingsverbanden creëren. En daar begint het schoentje te wringen: de hele sector is zodanig versnipperd en moet in zulke miserabele omstandigheden werken, heel dikwijls met veel vrijwillige inzet, dat iedereen maar wat aanklungelt. Anarchie troef. Het is een echte schande als je ziet wat aan jongeren als alternatief geboden wordt. Het lokt hun in een neerwaartse spiraal, nog dieper de marginaliteit in. Al die vzw’tjes zijn niet meer dan een uitlaatklep, een soort ‘veiligheidsklep’ voor de burgerlijke maatschappij, maar volkomen inefficiënt als het echt gaat om de toekomst van jongeren. Behalve misschien hier en daar voor een enkeling die erin slaagt om langs deze weg sportief of artistiek een beetje naam te maken, maar dat is dan eerder een toevalstreffer. Men kent aan de sociaal-sportieve en sociaal-culturele sector een rol toe, waarvoor zij helemaal niet bedoeld zijn. Ze hebben noch de middelen, noch de pretentie, noch het potentieel om school of werk te vervangen.

Het zou veel beter zijn als de sociaal-sportieve en sociaal-culturele sector volledig geïntegreerd binnen een globaal pedagogisch project van een school zou kunnen werken. Als een volwaardige partner, ook voor inrichtende machten en het ministerie van Onderwijs. En niet alleen als laatste degradatieventiel of speler aan de zijlijn van het terrein van de ordehandhaving. Opvoeders, trainers, coachen, sociaal-culturele begeleiders moeten degelijke opleiding en tewerkstelling krijgen.

Fire Gym zette de deuren open voor de sociale sector en creëerde samenwerkingsverbanden met een dertigtal sociaal-sportieve en sociaal-culturele organisaties. Ze nemen binnen het centrum deel aan tal van activiteiten. Door de banden die op die manier zijn ontstaan, is ook het idee ontstaan om al die kleine vzw’tjes in één globale beweging samen te brengen. Momenteel vormen ze niet meer dan een lappendeken van projectjes die elkaar in Brussel meer beconcurreren dan samenwerken. Deze sector kan immers een belangrijke rol spelen in de strijd voor een onderwijs met meer aandacht voor sport en cultuur en uiteindelijk voor welzijn en gezondheid van elk kind.

Als sportclub heeft Fire Gym zich altijd ingezet in het maatschappelijk leven rondom de club. Het centrum heeft altijd geijverd voor een verbetering van de sociale omstandigheden door meer bewonersparticipatie.

Als sociaal opleidingslaboratorium voor volksorganisatie en reflectie nam het centrum al meermaals sociale en politieke standpunten in in algemene maatschappelijke debatten. Altijd met een eigen visie, gemotiveerd door discussiegroepen in het centrum met leden van het sportcentrum en ouders en familieleden. Dit werk vond al een zekere weerklank. Een aantal van onze stellingen zijn uitgegeven in boekvorm en we namen deel aan debatten en conferenties.

De erkenning als “Plaatselijk initiatief voor de ontwikkeling van werkgelegenheid” (PIOW) en het feit dat jongeren bij ons hun brevet van lichamelijke oefening en fitness kunnen behalen, maakten van Fire Gym ook meer formeel een centrum voor permanente vorming en bijscholing. Fire Gym heeft al tientallen jongeren op deze manier aan werk geholpen. Sommigen richtten een eigen sportclub op en meerderen werken als assistent in voetbalclubs, tennisclubs enz.

Je kijkt ook verder dan de eigen landsgrenzen.

Carlos Perez. Het centrum organiseert sport-events voor het volk en nodigt alle sportclubs uit om mee te werken aan de organisatie van een jaarlijks sportief hoogtepunt, de “Spartakiade”. Het zijn “Olympiades” met een boodschap en eigen waarden. De eerste Spartakiade in 2002 ging door onder het motto “Eerst vriendschap, dan de competitie”. Elk jaar nemen meer dan 500 kinderen en jongeren uit verschillende sociaal achtergestelde buurten van Brussel deel. In 2002 was het thema: “Geen geld voor oorlog, meer geld voor onderwijs.” Een ander jaar: “Meer sport op school.”

Deze Spartakiades zijn precies het tegenovergestelde van het liberale sportmodel. We zien sport als een instrument voor sociale vooruitgang en emancipatie, gratis sport voor iedereen.

Samen met de vele verschillende culturen in de zaal komen ook allerlei wereldproblemen binnen. Fire Gym heeft door middel van de sport banden gecreëerd met landen die het moeilijk hebben, zoals Irak, Cuba, Noord-Korea, Rwanda, Marokko...

Fire Gym verdedigt de verbroedering en de internationale solidariteit. Het is op initiatief van Fire Gym dat in 1996 de eerste Vredesloop Käthe Kollwitz in België doorging. Deze loopwedstrijd gaat elk jaar door onder een thema voor vrede en verzet: tegen kernwapens of voor steun aan de Palestijnse bevolking in de Gazastrook. De wedstrijd gaat door in Ieper, de stad die symbool staat voor de Eerste Wereldoorlog.

Het centrum heeft vriendschapsbanden met sportclubs uit de Derde Wereld en zendt soms ook sportmonitoren uit naar deze landen als plaatselijke trainers, in scholen, in een weeshuis in Marokko, in een instelling voor mindervaliden in Spanje enzovoort. Er zijn sportieve uitwisselingen met jonge boksers uit Cuba, met Senegalese worstelaars en Koreaanse beoefenaars van taekwondo.

Solidariteitsreizen, steun of samenwerking met onderdrukte of gebombardeerde volkeren of uitgesloten bevolkingsgroepen vormen en stalen het karakter van jongeren.

Samen met de jongeren nam Fire Gym deel aan talrijke betogingen tegen de bezetting van Palestina, de oorlog in Irak en Afghanistan.

Zo zien we hoe een kleine, maar georganiseerde structuur invloed kan hebben op de buurt en op de gemeente, op de grootstad en het land.

Fire Gym kreeg voor dit positief sociaal karakter bijzondere erkenning. In 1999 riep het Vlaamse Gemeenschap  Fire Gym uit tot “buurtsportcentrum van het jaar”. Sinds 2000 wordt het centrum ondersteund door de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). In 2004 kreeg het een bijkomende erkenning als project voor sociale economie en aansluitend de titel van “Best Brussels Social Company”. In 2006 kreeg ik van de gemeente Molenbeek de trofee voor sportverdienste voor mijn hele carrière in dienst van sport voor allen. In 2010 kwam de toenmalige Brusselse minister voor Sport, Emir Kir, persoonlijk de trofeeën voor sportverdienste uitreiken aan een tiental atleten die hun training en opleiding kregen in Fire Gym. Als project voor integratie en vorming van langdurige werklozen volgde in 2010 ook een erkenning van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de categorie “Plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van werkgelegenheid” (PIOW). En dit jaar kreeg Fire Gym van de gemeente Jette de trofee voor sportverdienste voor meer dan 30 jaar volgehouden sociale inzet.

Al zeker een tiental keer dreigde het centrum zijn deuren te moeten sluiten. Elke keer zijn het de mensen zelf die het er weer bovenop hebben geholpen.

Fire Gym heeft geleerd tegen de heersende sfeer van pessimisme en ontmoediging in te gaan en wil een boodschap blijven verspreiden van vooruitgang die helemaal niet utopisch is: organiseer je! Neem de zaken zelf in handen, daar waar je staat! Wie vecht, heeft daarom nog niet gewonnen, maar wie niets doet, heeft al verloren.


[1] ADEPS is de Franstalige tegenhanger van BLOSO. ADEPS staat voor Adminstration de l’éducation physique et des Sports en is vandaag de Algemene Directie Sport geworden, een integraal onderdeel van de Franse Gemeenschap.

[2] De DREPS-methode is een vorm van fysieke voorbereiding van sporters. DREPS staat voor ontwikkeling, consolidatie en evaluatie van atletische prestaties. Zie www.toperformance.be.

[3] Carlos Perez, L’Enfance sous pression. Quand l’école rend malade. Uitg. Aden, mei 2007, herdruk 2012.