Friedrich Engels en het wetenschappelijk socialisme in China
Bijdrage tot het Internationaal Symposium, 13-15 oktober 2005, Wuhan, Volksrepubliek China
Friedrich Engels en het wetenschappelijk socialisme in China
110 jaar geleden stierf Friedrich Engels, de man die samen met Karl Marx de basis legde van het wetenschappelijk socialisme. Naar aanleiding daarvan ging in de Chinese stad Wuhan een internationaal symposium door. De organisatoren waren de Universiteit van Wuhan, het Vertaalbureau van het Centraal Comité van de Communistische Partij en de Academie voor Sociale Wetenschappen van China. Er waren 32 Chinese en 13 buitenlandse sprekers. Op vraag van de organisatoren schreef Peter Franssen, Solidair-redacteur en onderzoeker aan het Instituut voor Marxistische Studies een bijdrage. Die kan u hieronder integraal lezen.
Peter Franssen
Geachte voorzitter,
Beste vrienden en kameraden,
Dames en heren,
Het is een bijzonder grote eer dat ik hier voor u enkele woorden mag zeggen over Friedrich Engels en zijn verdiensten in de opbouw van het socialisme in China.
Wat de Communistische Partij van China, de Chinese regering en het Chinese volk sinds de revolutie van 1949 gerealiseerd hebben, is nooit gezien in de geschiedenis van de mensheid. Alleen de opbouw van de Sovjet-Unie na de oktoberrevolutie van 1917 kan de vergelijking doorstaan. Nog nooit heeft een volk zo'n enorme vooruitgang gemaakt op economisch, sociaal, cultureel en politiek vlak. De praktijk bewijst onweerlegbaar en met glans dat de algemene lijn van de Communistische Partij van China correct is.
De verwezenlijkingen van de Chinese Communistische Partij waren maar mogelijk omdat de partij het wetenschappelijk socialisme, de dictatuur van de volksdemocratie, de leiding door de communistische partij en het marxisme-leninisme als richtsnoer neemt. Friedrich Engels is met Karl Marx de man die de fundamentele basis gelegd heeft van het denken van de Chinese Communistische Partij. 110 jaar na de dood van Friedrich Engels zijn diens ideeën nergens zo levend als in China.
Het historisch en dialectisch materialisme
Friedrich Engels is slechts 23 jaar als hij Umrisse zu einer Kritik der Nationalökonomie schrijft. Hij is daarmee de eerste die de methode van het historisch en dialectisch materialisme toepast bij de analyse van de economische verhoudingen in de burgerlijke maatschappij. Hij onderzoekt het geheel van de economische fenomenen, hun interactie en hun ontwikkeling. De burgerlijke politieke economie zei toen – net zoals nu, 161 jaar later – dat de kapitalistische privé-economie de hoogst mogelijke economische vorm was en dat het kapitalisme enkel in zijn verdelingsmechanismen voor enige verbetering vatbaar was. Maar Friedrich Engels bewees dat de privé-eigendom van de productiemiddelen onder kapitalistische verhoudingen gekenmerkt is door een aantal wetten die de dood van de privé-eigendom in zich dragen. De belangrijkste daarvan zijn de wet van de constante concurrentie en de wet van de constante relatieve of zelfs absolute verarming van de massa's.
Umrisse zu einer Kritik der Nationalökonomie trekt voor het eerst een messcherpe scheidingslijn tussen de kleinburgers die het kapitalisme verwerpen op morele grond, en het wetenschappelijk socialisme dat de noodzaak en vervolgens de historische beperkingen van de privé-eigendom aantoont om te concluderen dat een socialistische revolutie nodig is om de privé-eigendom van de productiemiddelen te vernietigen en de maatschappij te kunnen laten overgaan naar een hoger stadium waarin de bevrijding en ontwikkeling van de productiekrachten de hoofdopdracht is.
De scheidingslijn die Engels in 1844 trekt, vormt vandaag nog steeds de grens tussen het marxisme en de 'linkse' kleinburgerlijke stromingen in China en elders in de wereld. Aan de ene kant staat het wetenschappelijk socialisme. Aan de andere kant een amalgaam van morele, ethische, religieuze overwegingen, met andere woorden het idealisme, dat, zoals Engels bijtend opmerkt, « een vooraf geprepareerd recept blijkt te hebben om de hemel op aarde te realiseren ». Bij de utopisten heeft de wetenschappelijke analyse plaats moeten ruimen voor de moraal. Engels neemt Karl Heinzen, een vertegenwoordiger van de utopisten, op de korrel en schrijft: « De heer Heinzen beeldt zich in dat men de eigendomsverhoudingen en het erfenisrecht naar believen kan veranderen. Hij kan maar niet begrijpen dat de eigendomsverhoudingen van iedere tijdsperiode het noodzakelijjke resultaat zijn van de productiewijze en de manier van handel voeren in die tijdsperiode.[1] »
Datzelfde jaar 1844 schrijft Engels samen met Marx Die heilige Familie oder Kritik der kritischen Kritik. Het is hun eerste gezamenlijke werk. Het boek is een vernietigende kritiek op het utopisme en bevat de fundamentele idee van de materialistische geschiedenisopvatting die zegt dat de materiële productie uiteindelijk de beslissende rol speelt in de ontwikkeling van de maatschappij.
In 1844-1845 schrijven Engels en Marx Die deutsche Ideologie waarin zij de dialectische verhouding tussen productiekrachten en productieverhouding aantonen. De historische rol van het kapitalisme en van haar draagster, de bourgeoisie, was de productiemiddelen te concentreren en daardoor de maatschappij op alle vlakken te revolutionariseren. Maar naarmate de bourgeosie die taak volbrengt, nadert ze haar limiet die bepaald is door de economische en sociale tegenstellingen die ze zelf geschapen heeft. De sindsdien steeds weerkerende crises van overproductie en de steeds weerkerende oorlogen tussen de kapitalistische landen onderling en tegen landen in ontwikkeling ter verovering of herverdeling van grondstoffen- en afzetmarkten, bewijzen hoe juist de analyse van Engels en Marx is.
Op nauwelijks twee jaar tijd hebben Engels en Marx de grondbeginselen van het historisch en dialectisch materialisme uitgewerkt. Lenin schrijft later: « Dit was de grootste verwezenlijking van het wetenschappelijk denken ooit.[2] »
Het utopisme vandaag
Dat alles leert ons dat het socialisme een overgangssysteem is dat kenmerken in zich draagt van het feodale en kapitalistische verleden en kenmerken van de communistische toekomst. Het socialisme is geen statische toestand maar een beweging van laag naar hoog, van primair naar ontwikkeld. Het socialisme zal zichzelf opheffen en overgaan in het communisme zodra alle economische, politieke, sociale, religieuze, morele, culturele overbljfselen van de feodale en kapitalistische uitbuitingsverhoudingen uit het verleden in de maatschappelijke structuren voltooid verleden tijd zijn en zodra de leden van de maatschappij die overblijselen in hun gedrag en hun denken grotendeels achter zich hebben gelaten. De socialistische overgangsmaatschappij zal noodzakerlijkerwijze een zeer lange historische periode duren en, zoals alle voorgaande maatschappijen, constant van structuur veranderen.
Nogal wat marxisten en anderen hebben deze basisidee van Engels en Marx niet begrepen en slaan wild om zich heen als de woorden « socialistische opbouw in China » vallen.
Eén van de teksten die de ronde doen in West-Europa en de Verenigde Staten is het boekje China and Socialism van twee Amerikaanse professoren, Martin Hart-Landsberg en Paul Burkett. Je kan daarin het volgende lezen: « Vanaf 1978 is de Chinese Communistische Partij een hervormingsproces gestart waarvan beweerd werd dat het de opbouw van het socialisme nieuwe kracht zou geven. Maar dat proces is de tegenovergestelde richting ingeslagen en heeft het Chinese volk veel gekost.[3] » Een paar bladzijden verder staat dit: « Ondanks de hoop van velen aan de linkerzijde, zijn wij van mening dat het Chinese proces van markthervormingen het land niet naar een nieuwe vorm van socialisme geleid heeft maar eerder naar een toenemend hiërarchische en brutale vorm van kapitalisme.[4] » De ietwat objectieve lezer staat perplex van dit kloeke besluit: het gaat hier om een brutale vorm van kapitalisme dat het Chinese volk veel kost. Professor Minqi Li van de York University geeft daar niettemin toch dit commentaar bij: « Hart-Landsberg en Burkett bieden een betekenisvolle analyse van de interne en externe tegenstellingen van het Chinese kapitalisme. Op overtuigende wijze argumenteren ze dat het Chinese experiment van marktsocialisme tot niets anders geleid heeft dan tot een volgroeid kapitalisme. China and Socialism is één van de belangrijkste bijdragen tot de marxistische literatuur over hedendaags China. »
Een ander merkwaardig geschrift dat ijverig bestudeerd wordt is « From situational dialectics to pseudo-dialectics: Mao, Jiang and capitalist transition » van de Amerikaanse professor Barbara Foley. Mevrouw Foley schrijft: « Er zijn heel wat aanwijzingen dat de Volksrepubliek China in alle praktische opzichten een kapitalistisch land geworden is en dat zelfs de overgebleven kenmerken van de socialistische ijzeren rijstkom snel verdwijnen.[5] »
Martin Hart-Landsberg, Paul Burkett en Barbara Foley geven identieke redenen om te beweren dat de Communistische Partij van China het socialisme vervangen heeft door het kapitalisme. Die redenen zijn: de inkomensverschillen zijn dusdanig gegroeid dat ze nu tot de hoogste ter wereld behoren; het officiële werkloosheidscijfer bedraagt 5 procent maar heel wat Westerse onderzoekers denken dat het veel meer is; corruptie is wijd verspreid; de economische transformatie met zijn voorkeur voor de markt, zijn privatisering en zijn stijgende buitenlandse overheersing, heeft een economie tot stand gebracht die weinig te maken heeft met socialisme; gedwongen overwerk, illegale werktijden, niet uitbetaalde lonen en erg slechte gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk zijn schering en inslag.
Wat is hun conclusie? Barbara Foley formuleert die zo: « Sympathisanten van het Chinese socialisme die denken dat de teerling nog niet geworpen is, dat linkse krachten binnen de Chinese Communistische Partij het nog kunnen halen en dat de werkers en de boeren dan opnieuw de weg opkunnen naar het communistisch egalitarisme, houden, denk ik, zichzelf voor de gek als zij menen dat dit alles mogelijk is zonder een nieuwe revolutie.[6]»
Er is een revolutie nodig om dit monsterachtige regime omver te werpen, aldus deze 'linkse' critici van de Chinese Communistische Partij.
De verwezenlijkingen
Het is dus tijd om te kijken naar de verschrikkingen die de Chinese Communistische Partij over het land en het volk gebracht heeft.
In de eerste fase van de opbouw van het socialisme, van 1950 tot 1978, lag het groeitempo van de Chinese economie op 6,2 procent per jaar. Die eerste fase was gekenmerkt door de organisatie van de staat en de uitbouw van de industrie die beiden zo goed als onbestaande waren. China was een achterlijk landbouwland. In dergelijke omstandigheden is er geen betere methode dan de gecentraliseerde planning. De primitieve accumulatie van het kapitaal moest nog beginnen en de nog embryonale industrie moest een volwaardig apparaat worden. Het kapitaal dat gewonnen werd, diende onmiddellijk geherinvesteerd te worden om die doelstelling te verwezenlijken. Tussen 1950 en 1978 verdubbelde de Chinese bevolking in aantal maar toch daalde het aantal armen van 300 naar 250 miljoen.[7] En steeg de consumptie van de gemiddelde Chinees in deze periode met 2,2 procent per jaar.[8]
In de jaren 1960 was het industrieel apparaat zijn kinderschoenen ontgroeid. Maar de staatssubsidies die de ondernemingen kregen stegen jaar na jaar. De bankkredieten van veel ondernemingen bereikten recordhoogten. In het midden van de jaren '60 leed 60 procent van de ondernemingen verlies. De staatssubsidies aan de ondernemingen waren goed voor één derde van alle staatsuitgaven.[9] De hervorming van de ondernemingen vormde de sleutel van de volgende fase in de opbouw van het socialisme in China.
In deze fase, die van start ging in 1978, groeide de economie met een gemiddelde van 9,5 procent per jaar. Dat is acht maal meer dan de groei in Duitsland en drie keer meer dan de groei in de Verenigde Staten. De consumptie en dus het levensniveau van de gemiddelde Chinees kent een groei van 7,5 procent per jaar.
De Chinese maatschappij in haar geheel kent nu een gematigde welvaart. Het aantal absoluut armen is tussen 1978 en 2004 gedaald van 250 miljoen naar 25 miljoen, dat is minder dan 2 procent van de bevolking. In 1949 werd een Chinees gemiddeld 40 jaar, vandaag is dat 71 en in de hoofdstad Beijing zelfs 80 jaar. In 1949 kon 90 procent van de bevolking niet lezen en niet schrijven. Nu is dat minder dan 10 procent.
De productiewijze en de structuur van de economie hebben de voorbije 25 jaar belangrijke stappen vooruit gezet naar het niveau waar het maatschappelijk bezit van alle grote productiemiddelen opnieuw noodzakelijk wordt. Bij de revolutie van 1949 maakten de landbouw en het individuele artisanaat 90 procent van de economie uit. Er waren nauwelijks 3 miljoen industrie-arbeiders, dat wil zeggen 0,6 procent van de bevolking. Het aandeel van de landbouw is intussen gedaald tot onder de 20 procent en zal naar planning in 2010 nog maar 10 procent bedragen. Het aandeel van de industrie zal dan 50 procent zijn, het aandeel van de tertiaire sector 40 procent.[10]
Wat zeggen de leermeesters ?
Wij heben gezien hoe Friedrich Engels en Karl Marx de dialectische relatie schetsten tussen productiewijze en productieverhouding en hoe de utopisten buiten die realiteit gaan staan om te dagdromen over een perfecte maatschappij. Marx, Engels, Lenin, Mao, al deze leermeesters van de arbeidersklasse, hebben de utopisten gewezen op hun vergissing.
Friedrich Engels was mild voor de utopisten van het begin van de 19de eeuw zoals Claude-Henri Saint-Simon, Charles Fourier en Robert Owen. Engels schreef: « De utopisten waren utopisten, omdat zij niets anders konden zijn in een tijd waarin de kapitalistische productiewijze nog zo weinig ontwikkeld was. Zij waren genoodzaakt de elementen van een nieuwe maatschappij uit hun hoofd te construeren, omdat deze elementen in de oude maatschappij zelf nog niet algemeen zichtbaar aan de dag traden. Zij moesten zich voor de grondslagen van hun nieuwe bouwwerk tot een beroep op de rede beperken, omdat zij zich nu eenmaal nog niet op de geschiedenis van hun tijd konden beroepen.[11] »
Maar de utopisten die leefden in de tijd van Engels en de utopisten van vandaag, Martin Hart-Landsberg, Paul Burkett en Barbara Foley hebben dat excuus niet meer. Ze kunnen bij Engels lezen: « Het in bezit nemen van de gezamenlijke productiemiddelen door de maatschappij heeft, sinds de kapitalistische productiewijze op het historische toneel verscheen, zowel aan enkelingen als aan gehele sekten vaak meer of minder duidelijk als toekomstideaal voor ogen gezweefd. Maar dit kon eerst mogelijk, eerst historische noodzakelijkheid worden, toen de materiële voorwaarden voor de verwezenlijking ervan aanwezig waren. Evenals iedere andere maatschappelijke vooruitgang kan ook deze eerst worden verwezenlijkt, niet doordat men tot het inzicht komt dat het bestaan der klassen in strijd is met de gerechtigheid, de gelijkheid, enz., niet door de enkele wil om deze klassen af te schaffen, maar door bepaalde nieuwe economische voorwaarden.[12] »
Na de revolutie van 1949 riep Mao Zedong diezelfde economische voorwaarden in om te pleiten voor goede relaties en een eenheidsfront met de nationale burgerij. Hij zei: « Sommigen beelden zich in dat wij het kapitalisme sneller kunnen uitschakelen en het socialisme vlugger kunnen toepassen. Hun mening is fout want ze is niet in overeenstemming met de voorwaarden vandaag in China.[13] »
In 1921 maakte Lenin een autokritiek over de periode van de voorbije drie jaar en hij zei: « Wij dachten dat wij door marsbevelen vanuit de proletarische staat op een communistische manier de productie en de verdeling van de goederen door de staat konden organiseren in een land van kleine boeren. De praktijk heeft onze fout bewezen.[14] » Die fout heeft, zei Lenin, tot een zware nederlaag geleid: « Op het economische front hebben wij met de poging tot overgang naar het communisme in de lente van 1921 een nederlaag geleden die zwaarder was dan eender welke nederlaag tegen Koltchak, Denikine of Pilsudski, een veel ernstiger nederlaag, veel gevaarlijker en met zware gevolgen. De nederlaag is tot uitdrukking gekomen in het feit dat onze politieke economie aan de top gescheiden stond van de basis en de opgang van de productiekrachten niet verwezenlijkte, wat het programma van onze partij nochtans aanduidt als de de meest dringende en fundamentele taak.[15] » Vandaar de Nieuwe Economische Politiek met deze richtlijn van Lenin: « Wij zullen de ondernemingen die wij niet absoluut nodig hebben uitbesteden aan onder meer privé-kapitalisten en buitenlandse concessiehouders.[16] » Lenin voegde eraan toe dat deze periode lang kan duren: « Dit zal een hele historische periode duren. In het beste geval kunnen wij die binnen tien of twintig jaar afsluiten.[17] »
En natuurlijk, net zoals nu, schreeuwde het criticastersdom: « De bolsjewieken kapituleren! De bolsjewieken kiezen voor het kapitalisme![18] » Lenin veegde hen de mantel uit en schreef: « In plaats van te helpen, belemmeren zij de economische opbouw; in plaats van te helpen, belemmeren zij het verloop van de proletarische revolutie; het zijn geen vertegenwoordigers van het proletariaat maar van kleinburgerlijke stromingen.[19] »
De opkomst van sociaal-democratische ideeën
Friedrich Engels heeft ons geleerd dat de geboorte van een nieuwe klasse onvermijdelijk is als er nieuwe productieverhoudingen ontstaan. Het privé-bezit van sommige productiemiddelen plaatst in China een nieuwe klasse van kapitalisten tegenover de klasse die ze zelf creëert: de arbeidersklasse. De arbeidersklasse heeft de Chinese Communistische Partij en de socialistische staat als haar twee belangrijkste wapens. De kapitalistenklasse zoekt naar wegen en middelen om haar eigen programma te realiseren. In China gebeurt dat vandaag via het verwoorden van op de eerste plaats sociaal-democratische ideeën die, zoals Marx schrijft, « het socialisme de tanden willen uittrekken.[20] »
Bij de enen gebeurt dat door te wijzen op de « de convergentie tussen het kapitalisme en het Chinese socialisme, waar men bij de vergelijking van het Communistische Manifest van Marx met de praktijk van de Westerse maatschappijen, tot de conclusie moet komen dat veel van het sociaal programma van Marx in het Westen gerealiseerd is.[21] » Anderen voegen daaraan toe: « Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben alle belangrijke kapitalistische landen gevarieerde en energieke maatregelen genomen ter bevordering van het sociaal welzijn en voor de opheffing van de tegenstellingen tussen arbeid en kapitaal.[22] »
In West-Europa predikt de sociaal-democratie al sinds de tweede helft van de 19de eeuw een derde weg tussen communisme en kapitalisme die het allebei « mensonwaardige systemen » noemt. Sommigen in China nemen een letterlijke kopie van dit boerenbedrog en schrijven: « China zit vandaag geprangd tussen de twee extremen van een verdwaasd socialisme en een nepotisch kapitalisme. China lijdt onder het slechtste van de twee systemen. We moeten een alternatief vinden. Dat is de grote opdracht van onze generatie. Ik ben in het algemeen voorstander van de markthervormingen maar China's ontwikkeling moet meer gelijk en uitgebalanceerd verlopen. De Europese sociaal-democratische idee zoals we die zien in Duitsland, kan een model zijn voor nieuw links in China.[23] »
Hier is de kritiek van Friedrich Engels op professor Eugen Dühring van toepassing waar Engels zegt: « Dührings economie kwam neer op de stelling: de kapitalistische productiewijze is heel goed en kan blijven bestaan, maar de kapitalistische verdelingswijze is uit den boze en moet verdwijnen.[24] » De economische wetten en tegenstellingen van het kapitalisme liggen besloten in zijn productieverhoudingen, zo leert Engels ons. Het privé-bezit van sommige productiemiddelen brengt onvermijdelijk een kapitalistische productieverhouding tot stand waarvan de fundamentele tegenstellingen door geen enkele socialistische staat en door geen enkele sociaal-democraat op zoek naar een derde weg, verhinderd kunnen worden. De oorspronkelijke noodzaak van privé-bezit van sommige productiemiddelen slaat ook hier, in het moderne China, naarmate het privé-bezit steeds meer zijn opdracht vervult, om in zijn tegendeel: het wordt een rem op de verdere ontwikkeling van de productiekrachten.
Niemand kan voorspellen wanneer dit proces zo ver gevorderd is dat de opheffing van het privé-bezit dwingend wordt. Maar wat we nu wel met stellige zekerheid kunnen zeggen is dat op dat tijdstip de politieke en ideologische standvastigheid van de Chinese Communistische Partij en van de Chinese arbeidersklasse van doorslaggevend belang zullen zijn.
Ik dank u.
[1]. Friedrich Engels, Die Kommunisten und Karl Heinzen, Marx-Engels, Werke, Dietz-Verlag, Berlijn, 1980, Band 4, blz. 314.
[2]. Lenin, Les trois sources et les trois parties constitutives, Oeuvres, Editions Sociales, Parijs, 1959, Tome 19, blz. 15.
[3]. Martin Hart-Landsberg en Paul Burkett, China & socialism, Market reforms and class struggle, Monthly Review, New York, juli-augustus 2004, blz. 8.
[4]. Ibidem, blz. 26.
[5]. Barbara Foley, From situational dialectics to pseudo-dialectics: Mao, Jiang and capitalist transition, Cultural Logic, Volume 5, 2002. De tekst van Foley is terug te vinden op: http://eserver.org/clogic/2002/foley.html.
[6]. Ibidem, punt 5.
[7]. Liu Wenpu, Poverty and the poverty policy in China, Chinese Academy of Social Science, Beijing, 1999.
[8]. Justin Yifu Lin, Fang Cai en Zhou Li, The Miracle: Development strategy and economic reform, University Press, Hong Kong, 1995.
[9]. Zhu Huayou en Liu Changhui, The development of China's nongovernmentally and privately operated economy, in: Gao Shangquan en Chi Fulin, Studies on the Chinese market economy, Foreign Languages Press, Beijing, 1996, blz. 1-38.
[10]. Li Jingwen en Zhang Xiao, China's enviromental policies in the 21st century, Chinese Academy of Social Science, Beijing, 1999.
[11]. Friedrich Engels, Anti-Dühring, Marx-Engels, Werke, Dietz-Verlag, Berlijn, 1980, Band 20, blz. 246.
[12]. Ibidem, blz. 262.
[13]. Mao Zedong, Pour une amélioration radicale de la situation, Oeuvres choisies, Editions en Langues Etrangères, Beijing, 1977, Tome V, blz. 27.
[14]. Lenin, Pour le quatrième anniversaire de la révolution, Oeuvres, Editions Sociales, Parijs, 1959, Tome 33, blz. 51.
[15]. Lenin, Rapport au IIième Congrès des Services d'Education, Oeuvres, Editions Sociales, Parijs, 1959, Tome 33, blz. 57.
[16]. Lenin, Nouveaux temps, anciennes erreurs, Oeuvres, Editions Sociales, Parijs, 1959, Tome 33, blz. 19.
[17]. Lenin, De la coopération, Oeuvres, Editions Sociales, Parijs, 1959, Tome 33, blz. 483.
[18]. Lenin, Nouveaux temps, anciennes erreurs, Oeuvres, Editions Sociales, Paris, 1959, Tome 33, blz. 11 en 14.
[19]. Ibidem, blz. 18.
[20]. Karl Marx, Brief aan F.-A. Sorge, 19 september 1879, in: Marx-Engels, Correspondance, Editions du Progrès, Moskou, 1971, blz. 336.
[21]. Sen Jiru, Zhongguo Du Dang 'Bu Xiansheng', Jinri Zhongguo Chubanshe, Beijing, 1998, blz. 36-42.
[22]. Su Shaozhi, Developing marxism under contemporary conditions, in: Su Shaozi and others, Marxism in China, Spokesman, Nothingham, 1983, blz. 29.
[23]. Wang Hui, China's new order: society, politics and economy in transition, Harvard University, Cambridge, 2003; Wang Hui, China: unequal shares – how Tiananmen protests led to the new market economy, Le Monde Diplomatique, april 2002, deze laatste tekst is ook terug te vinden op http://www.christusrex.org/www1/news/hui-4-02.html.
[24]. Friedrich Engels, Anti-Dühring, Marx-Engels, Werke, Dietz-Verlag, Berlijn, 1980, Band 20, blz. 278.




