Gramsci en de Griekse crisis

Auteur: 
Herwig Lerouge

De noodzaak van ideeënstrijd

Duidelijk is dat de Europese Unie Griekenland vandaag tracht te degraderen tot de rang van neokolonie. Toch was de strijd van het Griekse volk een goede zaak voor het sociale verzet in Europa. Maar al betekent het nieuwe hoop, we moeten ons toch vragen stellen bij de relatief zwakke reacties van solidariteit met de strijd van het Griekse volk. Een van de redenen hiervoor is ongetwijfeld de meedogenloze campagne die de gevestigde machten hebben gevoerd om het Griekse volk in dit gevecht te isoleren.

     Door tot tweemaal toe “neen” te zeggen aan de blinde wurggreep van het beleid van de Europese Unie, het IMF en de Europese Centrale Bank forceerden de Grieken de leiders van de Unie om zelf de illusie van een sociaal en democratisch Europa – die ze lang in stand wisten te houden –, aan diggelen te slaan. Het antidemocratische karakter van dit Europa ligt voortaan open op tafel. Voor veel mensen is het voortaan helder dat dit Europa de wet van de sterkste hanteert en een neoliberalisme oplegt met misprijzen voor elke vorm van democratische controle. Tot nu toe waren het alleen meer bewuste militanten die waarschuwden voor de gevaren van de ijzeren loonwet, vervat in het Verdrag van Lissabon.

     Die Verdragen hebben inderdaad het neoliberalisme en het besparingsbeleid kracht van wet gegeven, grondwettelijke kracht. Het is precies op basis van deze Verdragen dat de Trojka zich niet alleen beperkt tot het vastleggen van de begrotingsdoelstellingen voor de Griekse regering (en trouwens voor alle Europese regeringen), maar ook nog beslist hoe die doelstellingen moeten bereikt worden: verboden zijn hierbij een economisch herstelbeleid, maatregelen die de koopkracht verhogen of de sociale uitkeringen, en strengere belastingen op vermogens. Die dingen staan niet in de neoliberale bijbel.

     De ‘democratie’ van de Europese banken en multinationals aanvaardt zeker niet dat men de grondslagen van het privébezit van ondernemingen en banken in vraag zou stellen. Maar vandaag zit de democratie opgesloten binnen nog veel engere grenzen. De Europese Unie laat zelfs niet toe dat men ook maar een vraag stelt bij haar neoliberale dogma’s van de ongehinderde vrije concurrentie, van privatisering van essentiële openbare diensten, flexibiliteit van de arbeidsmarkt, omvorming van de sociale zekerheid in een bijstandskas enz. Als u hierover wilt discussiëren, hoort u gewoon niet in het gemeenschappelijke huis van Juncker en Schäuble en jammer genoeg ook van Dijsselbloem en Sigmar Gabriel.

     Syriza wilde nochtans maar heel gedeeltelijk breken met de besparingspolitiek, zonder echt de fundamenten van de Europese Unie in vraag te stellen. Toch heeft dit geleid tot een forse confrontatie. Het Syriza-experiment moest tegen elke prijs in de kiem worden gesmoord.

     Dat is de reden waarom ze alles in het werk hebben gesteld om de solidariteit met Griekenland, dat de besparingen afwees, te dwarsbomen, om te verhinderen dat het bewustzijn zou toenemen dat wij uiteindelijk allemaal het doelwit zijn van dat Europese beleid. Om te verhinderen dat de slachtoffers van de bezuinigingen in de rest van Europa de Grieken beschouwen als werknemers die dezelfde onrechtvaardigheden ondergaan in plaats van als een van de oorzaken van hun problemen. Om te voorkomen dat de volkeren in Europa uit de Griekse lijdensweg de conclusie trekken dat er een eind moet komen aan de recessie die de besparingen overal veroorzaakt en dat men een ander ontwikkelingsmodel moet volgen.

     En in die hele operatie hebben de massamedia die grotendeels onder controle staan van dezelfde financiële groepen die zo sterk profiteren van de Europese politiek, aardig meegespeeld. Een mediasysteem, met basis in Brussel en met een zeer goed geolied raderwerk, gecontroleerd door de Duitsers.[1] De voornaamste spelers voor nieuwsgaring en doorspelen van nieuwsberichten zijn drie grote media met pan-Europese media-uitstraling: persagentschap Reuters, Bloomberg en het dagblad The Financial Times.

     De informatieoverdracht kent drie niveaus: via de werknemers binnen de Europese bureaucratie die de cruciale vergaderingen in het oog houden (tolken en administratieve medewerkers), via politieke deelnemers of hun naaste medewerkers en via hoge EU-functionarissen.

     Om een bericht door te spelen gebruiken ze hoofdzakelijk sms’jes, terwijl voor de analytische ‘lekken’ sinds enkele maanden een informele vergadering doorgaat, waaraan journalisten van die drie grote media deelnemen samen met nog een paar andere, vooral Duitse en Britse journalisten.

De persoon in die vergaderingen, verantwoordelijk voor de updating, is heel dikwijls dezelfde ambtenaar van het persbureau van de Europese Commissie, een Duitser.

     Verdeeldheid zaaien was een wapen dat de grote media volop hebben ingezet. Vooral in Duitsland en Nederland hebben de grootste media niet getwijfeld de racistische snaar te beroeren door het beeld op te hangen van de Grieken als profiteurs.

     De Griekse crisis maakte nog maar eens duidelijk hoe de gevestigde machten onophoudelijk een ideeënstrijd leveren om hun wereldvisie op te dringen aan de hele samenleving. Dag na dag worden we overstelpt met die ‘waarheden’ die blijkbaar vanzelfsprekend zijn: als mensen geen werk hebben, is dat hun eigen schuld; de ondernemingen creëren de rijkdom; we kunnen niets ondernemen tegen de rijken, want dan vluchten ze met hun kapitaal naar het buitenland; de overheidsadministratie neemt teveel plaats in, we moeten afslanken door het aantal ambtenaren te verminderen; we moeten langer werken omdat we allemaal ouder worden; nog nooit hebben vakbondsacties iets fundamenteels veranderd in de maatschappij; de wereld verandert; de sociale zekerheid moet dus ook veranderen; wie dat niet inziet, is conservatief; enzovoort.

     Die ideeën zijn de uitdrukking van de wereldvisie van het establishment en met deze wereldvisie willen ze hun macht consolideren en de huidige gang van zaken in stand houden. In het dossier over deze ideeënstrijd dat u verderop kan lezen, becommentarieert Staf Henderickx het nieuwste boek van Owen Jones, The Establishment: And How They Get Away With It. Hij legt uit hoe de huidige overheersende stroming, de agressieve liberale wereldvisie, het aan boord gelegd heeft om het overwicht te krijgen.

     Deze ideeënstrijd en zijn rol voor de instandhouding van het status quo in de maatschappij werd geanalyseerd door Gramsci[2], een Italiaans communistisch leider en theoreticus. Als de maatschappij geen echte crisis doormaakt, dan slaagt de heersende klasse er volgens hem over het algemeen wel in haar ideologie op te leggen als de normale gang van zaken.

     Door de controle op de hefbomen van de staat en op wat hij de “belangrijkste instrumenten voor hegemonie noemt (onderwijsprogramma’s, kerk, partijen, massacommunicatiemiddelen enz. die ideeën  verspreiden die beetje bij beetje de geesten veroveren en toelaten om de instemming van de meerderheid te verwerven) kan de heersende klasse tamelijk gemakkelijk de intellectuelen uit andere klassen aan haar kant krijgen door hen bepaalde posities aan te bieden.  Hegemonie is bij Gramsci een vorm van macht gebaseerd op instemming, op politieke en ideologische overtuigingskracht. Macht is niet enkel gelegen is in het staatsapparaat (de politieke maatschappij). In moderne samenlevingen wordt de macht ook uitgeoefend via het maatschappelijke middenveld ofwel civiele maatschappij (media, universiteiten, levensbeschouwelijke organisaties...).

     Gramsci herneemt Marx. Naast het feit dat ze de productie en distributie van economische waren regelt, staat de heersende klasse ook in voor de organisatie en verspreiding van ideeën, zo stelt Marx: “De ideeën van de heersende klasse zijn in elk tijdperk de heersende ideeën, dat wil zeggen dat die klasse die de heersende materiële macht in de maatschappij vormt, tegelijk haar heersende geestelijke macht is. De klasse die over de middelen tot materiële productie beschikt, beschikt daarmee tegelijk over de middelen tot geestelijke productie, zodat in het algemeen gesproken ook de ideeën van hen die niet in het bezit zijn van de middelen tot geestelijke productie, aan haar onderworpen zijn.”[3]

     Het establishment zal net zolang doorgaan met het populariseren en commercialiseren van zijn filosofie totdat de mensen die wereldvisie niet langer zien als een ideologisch discours van wie de macht heeft, maar doodgewoon beschouwen als het “alledaagse denken”. En dan kunnen we spreken van culturele hegemonie van de heersende klasse.

Eeuwigdurende heerschappij bestaat niet

Voor Gramsci betekent dat niet dat die overheersing absoluut zou zijn, dat ze geen grenzen kent of dat er geen barsten in kunnen komen en dat het perspectief van een alternatieve maatschappij een utopie zou zijn geworden. Zo heeft de Griekse crisis bijvoorbeeld de machthebbers gedwongen een aantal maskers te laten vallen. Het feit dat een aantal leden van de Griekse regering niet wilde meedoen aan de geheime diplomatie die alle besluitvormingsmechanismen voor het volk verborgen houdt, het bestaan van de sociale media en het werk van bepaalde partijen en organisaties hebben ervoor gezorgd dat er toch een bres geslagen is in die zondvloed van de propaganda. Dat is het voordeel van dergelijke crisistijden.

     Zowel Gramsci als Marx zijn van mening dat het kapitalisme nooit om het even welke economische, politieke of ideologische stabiliteit kan vinden: het is permanent in beweging om zichzelf in stand te houden. Dat is tegelijk zijn sterkte en zijn zwakte. Zijn sterkte omdat het niet snel zal verstarren en de tegenstanders verplicht onophoudelijk de functionering ervan te blijven bestuderen om nieuwe strijdmiddelen te kunnen ontwikkelen. Zijn zwakte omdat de telkens nieuwe configuraties die het nodig heeft voor zijn bestaan, onvermijdelijk leiden tot crisissen op sociaal, economisch, politiek en/of ideologisch niveau.

     Die crisissen, zo zegt Gramsci, dragen in zich de kiem voor de “crisis van de hegemonie”: “Deze crisis ontstaat ofwel omdat de leidende klasse is mislukt in een van haar grote politieke ondernemingen waarvoor ze de instemming van de grote massa heeft gevraagd of met geweld heeft geëist (oorlog bijvoorbeeld of, in ons geval, de Europese Unie, n.v.d.a.) ofwel omdat de brede massa (vooral van de boeren en de intellectuele kleinburgerij) ineens uit hun politieke passiviteit ontwaakt en tot een zekere activiteit komt waarbij ze eisen naar voren schuift die, in een niet organisch geheel, neerkomen op een revolutie.”

     Volgens Gramsci kan de bourgeoisie deze crisissen niet vermijden. Waar het dus om gaat is ze goed voor te bereiden want de uitkomst ervan is verre van automatisch in het voordeel van uitgebuiten en onderdrukten: “De traditionele heersende klasse die over een uitgebreid en goed getraind personeel beschikt, verandert regelmatig van personeel en van programma. Ze herstelt op die manier de controle die ze aan het verliezen was, aan een tempo dat de onderdrukte klassen onmogelijk kunnen bijhouden. Desnoods brengt ze hiervoor een aantal offers en neemt ze grote risico's voor de toekomst en doet ze demagogische beloftes, maar ze behoudt de macht. Ze versterkt die macht zelfs tijdelijk en maakt daarvan gebruik om haar tegenstander te verpletteren.”[4]

     Al beschikt de heersende klasse over tal van think tanks, al controleert ze de belangrijkste communicatiekanalen, ze kan haar ideologie nooit volledig opleggen aan de onderdrukten. Ze zijn niet zuiver receptief, passief en van buitenaf geconditioneerd. Net zoals, stelt Gramsci, het individu op een bepaalde manier een keuze maakt uit de diverse invloeden die de sociale omgeving uitoefent en zelfstandig, vanuit zichzelf kan denken binnen door de omstandigheden gestelde perken, op dezelfde manier is er ook binnen elke sociale klasse een kern van “gezond verstand” die is gebaseerd op directe observatie van de werkelijkheid. Zonder die kern van “gezond verstand” zou het onmogelijk zijn voor de werknemers om zich te bevrijden van de overvloed aan propaganda die de bourgeoisie over hen uitstort. Ze zouden niet in staat zijn te protesteren, niet enkel tegen haar hegemonie over de maatschappij, maar ook tegen haar economische en politieke macht.

     Gramsci meent dat “de actieve massamens [de werker] [...] [beschikt over een] theoretisch bewustzijn dat [...] in zijn actie ligt vervat en hem reëel verbindt met al zijn medestanders in de praktische omvorming van de werkelijkheid [de arbeid].”[5] Gramsci noemt dat het “gezond verstand” of met andere woorden een inzicht in de wereld, dat voortkomt uit zijn sociale productieactiviteit en dat, al is het dan heel “embryonaal”, de werkelijke belangen van diegenen die produceren uitdrukt. Zo zet het sociale en productieve karakter van de loonuitbuiting de werkende mens aan tot het op zijn minst gedeeltelijk in vraag stellen van het systeem.

     Dikwijls is het niet dit “gezond verstand” dat zich manifesteert binnen de arbeidersklasse. Gramsci legt deze tegenstrijdigheid uit als volgt: “door onderwerping en intellectuele onderworpenheid neemt een sociale groep (ook al bezit die in wezen een eigen wereldopvatting [...]) een opvatting over van een andere groep die niet klopt met zijn eigen opvattingen. Ze zullen die in woorden wel onderschrijven, en er zelfs van overtuigd zijn dat ze het ermee eens zijn, want in normale tijden volgen ze die opvatting ook gewoon… [...] Men kan stellen dat de groep een dubbel theoretisch bewustzijn heeft (of een tegenstrijdig bewustzijn): een bewustzijn, dat impliciet in zijn actie aanwezig is [...], en een ander, dat verbaal of oppervlakkig expliciet aanwezig lijkt, dat uit het verleden overgeërfd is en de groep kritiekloos met zich meedraagt. [Dit is] niet [...] zonder gevolgen: dit bewustzijn [beïnvloedt] meer of minder krachtig de richting waarin de groep wil gaan. Dit kan zover gaan dat die tegenstelling in het bewustzijn die groep verlamt en niet meer in staat is tot actie, het nemen van beslissingen of het maken van keuzes. Dat leidt uiteindelijk tot een toestand van volledige morele en politieke passiviteit.”[6]

     Zo wordt het bewustzijn van de werkende mensen volgens Gramsci in “normale tijden” (dat wil zeggen buiten de periodes van massabeweging en mobilisatie) beheerst door de druk van de kapitalistische concurrentie waaraan ze permanent zijn onderworpen, gedomineerd door de ideeën van de leidende klasse die ze meedragen uit het verleden en uit gewoonte blijven meeslepen omdat ze er voortdurend mee in aanraking komen. Dat noemt Gramsci “het alledaagse denken”. Hun “wereldbeschouwing” is opgebouwd uit het geheel van die voorgevormde ideeën die een logica lijken te hebben die antwoord biedt op de meeste van hun vragen. Dit “alledaagse denken” krijgt vorm op basis van religieuze overtuigingen over de menselijke natuur die de maatschappij meestal niet indelen in klassen, maar volgens met elkaar concurrerende groepen (zwarten/blanken, homo’s/hetero’s, gelovigen/ongelovigen enz.).

     Het bewustzijn van de werkende mensen wordt dus beheerst door de heersende klasse, maar nooit volledig, omdat het twee kanten heeft: een dominant negatief en een ander, slapend positief. Samen vormen die twee een geheel, in een enkel bewustzijn, maar dat dus “tegengesteld” is. En omdat dit positief element berust op ervaring, is dit fundamenteel een zwak punt voor de dominante positie van de leidende klasse: die blijft onstabiel. De leidende klasse kan de werkers immers nooit de praktijk van hun arbeid ontnemen, zonder de hele productie van rijkdom aan te tasten.

Het belang van ideeën en van de strijd

De ideologische overheersing van de leidende klasse steunt op de economische en politieke structurering van de maatschappij. De arbeidersklasse is zowel sociaal, nationaal, als politiek en ideologisch verdeeld. Al die verdeeldheid weegt op het bewustzijn, dat de arbeidersklasse heeft. Wie de maatschappij wil veranderen, heeft de taak de arbeidersklasse te verenigen over deze verschillen heen. Het is immers door haar bewuste en autonome politieke actie dat de arbeidersklasse de wereld in zijn complexe samenhang begrijpen, als een voorwaarde om die te kunnen veranderen.

     Die diepe kern van “gezond verstand” brengt Gramsci tot de mogelijkheid en de noodzaak voor de werkers om een autonoom zelfbewustzijn te ontwikkelen. Gramsci: “Wat kan een vooruitstrevende klasse inzetten tegen dat immense geheel van greppels en vestingwerken van de heersende klasse? De geest van afscheiding, dat wil zeggen de mogelijkheid zich geleidelijk meer bewust te worden van haar eigen historische persoonlijkheid, de geest van afscheiding die ernaar moet streven zich geleidelijk uit te breiden […] tot andere klassen die potentiële bondgenoten kunnen zijn…”[7]

     Maar hoe kan men zich ontdoen van de heersende ideologie en hoe de potentiële bondgenoten hiervan losweken? Om zelfbewustzijn te verwerven moeten de werkers volgens hem hun eigen laag van intellectuelen vormen en ze moeten ook proberen de traditionele intellectuelen bij hen te doen aansluiten – wat de snelste en meest doeltreffende manier is om haar hegemonie als klasse uit te breiden naar de groepen waarop deze intellectuelen invloed hadden. Dat proces mag niet losstaan van de strijd tegen de bourgeoisie, integendeel.

     Volgens Gramsci kan het “gezond verstand” alleen maar toenemen door actie en mobilisatie, dat wil zeggen in de strijd. Het is dus de taak van diegenen die de maatschappij willen veranderen om elke spontaan verzet aan te moedigen en te steunen met dit ene doel, de onderdrukten te vormen in de actie. “De communisten [...] moeten alles in het werk kunnen stellen om dit objectief te bereiken en vooral bewijzen dat ze in staat zijn contacten te leggen voor samenwerking met de arbeiders binnen andere partijen of zonder partij, en komaf maken met hun misplaatste vijandigheid en onbegrip, door zich in alle omstandigheden te presenteren als diegenen die in staat zijn tot klasseneenheid in de strijd voor de verdediging van de klasse en voor haar bevrijding.”[8]

     De ervaringen van de werkende mensen, stappen vooruit en tegenslagen, de herinneringen aan voorbije strijd en de militante tradities moeten in organisaties belichaamd worden. Elke stap vooruit in het gevecht tussen het “alledaagse denken” en het “gezond verstand” die volgt uit mobilisatie, onder een of andere permanente vorm van organisatie institutionaliseren, maakt het mogelijk het “gezond verstand” eruit te lichten en de voorwaarden te creëren voor zijn permanente ontwikkeling.

     Volgens Gramsci bestaat er geen eenzijdige inwerking van de intellectuelen op de massa. Er is steeds wisselwerking, waardoor ook de klasse de intellectuelen ideologisch beïnvloedt: de verhouding ‘intellectueel-klasse’ is een dialectische verhouding.

     Een partij moet deze intellectuelen van het proletariaat kunnen centraliseren en verenigen. Naast het feit dat zij de wereldbeschouwing van de arbeidersklasse ontwikkelt en verder verspreidt, is de partij volgens Gramsci ook de experimentator van de nieuwe wereldbeschouwing in de mate dat zij die dagelijks confronteert met de politieke realiteit. De partij van de werkende mensen is niet gewoon maar een instrument ter verspreiding van een ideologie; zij centraliseert veeleer de verschillende middelen voor die verspreiding om het bewustzijn van de werkende klassen verder te ontwikkelen. Elk propagandistisch initiatief – haar kranten, haar tijdschriften, haar bijeenkomsten... – moet hiertoe dienen.

     Maar deze ideologische initiatieven alleen zouden onvoldoende zijn om weerwerk te bieden tegen de machtige propagandamiddelen van de burgerij. Het is vooral in en door de dagelijkse strijd, door de mobilisatie van de massa voor welomschreven concrete doelen, dat de partij de mogelijkheid biedt aan de volksmassa’s om hun waarnemingsveld uit te breiden en geleidelijk hun inzicht in de sociale mechanismen en verhoudingen te verdiepen. De arbeidersbeweging moet tegenover de culturele hegemonie van het establishment dus een “tegen-hegemonie” vestigen.

     Gramsci herinnert ons eraan dat dit een strijd op zich is die we niet mogen onderschatten. Het is van wezenlijk belang zich bezig te houden met de prijzenpolitiek, de lonen en pensioenen en met de onmiddellijke noden en behoeften van de bevolking. De culturele strijd over de wereldbeschouwing is echter minstens even belangrijk. De mensen worden uitgebuit, maar het zijn dikwijls ook de ideeën die de mensen gevangen houden in hun onderdrukking.

     Daarom verdrijft de crisis die door de Europese Unie raast, niet automatisch de uittredende regeringen. Zelfs niet als het beleid, dat ze gevoerd hebben, de sociale ellende alleen maar erger maakte.

     Sinds het beleid in handen is van de conservatieven – en hun liberaal-democratische bondgenoten –, lijden de Britten onder de ergste verslechtering van hun levensniveau sinds het Victoriaanse tijdperk (1837-1901), onder de zwaarste ontmanteling van de openbare dienstverlening en sociale bescherming sinds tientallen jaren. En dat allemaal in een context van de meest matige economische heropleving van de eeuw. Dat is een van de lessen uit de Britse nationale verkiezingen van mei 2015 die een regering van conservatieve miljonairs in oorlog met de armen, nog sterker in het zadel heeft gezet. Tot die vaststelling komt Owen Jones in een artikel in Le Monde Diplomatique van juni 2015.

     In Duitsland leven 12,5 miljoen mensen onder de armoedegrens, een record. De armoede nam in 2013 toe met 15 %, zo blijkt uit een onderzoek, gepubliceerd door het Verbond voor sociale bijstand, Paritätischer Wohlfahrtsverband, een federatie die zowat 10.000 verenigingen groepeert die actief zijn op het domein van de sociale hulpverlening en de gezondheidszorg. “We zien een tendens tot toenemende armoede sinds 2006 […] Nooit eerder was er zoveel armoede en de regionale verschillen waren nooit zo ernstig als vandaag”, verklaarde Ulrich Schneider, algemeen directeur van het Paritätischer Gesamtverband (PG)op de website Euractiv Allemagne. Als de regering stelt dat het verschil tussen rijken en armen vermindert, dan is dat “gewoonweg compleet onjuist” is, zegt hij. Toch blijven de Duitse traditionele partijen heel veel stemmen halen bij de slachtoffers van hun politiek.

     Om de consensus over het heersende maatschappijmodel te doorbreken, hebben we een nieuwe wereldbeschouwing nodig. Een progressieve, sociale, democratische en ecologisch vooruitstrevende levensopvatting die vanaf de basis vorm krijgt. Dat is een historisch proces waarin de mensen een actieve rol spelen. De Franse Revolutie werd voorbereid door decennia van culturele strijd en ideeënstrijd van de radicale denkers van de Verlichting in een proces van toenemende bewustwording. Dit proces van culturele strijd in brede zin van het woord hebben wij vandaag ook nodig. De Griekse crisis en de maar heel bescheiden internationale solidariteit zijn hiervan een nieuwste bewijs.

Herwig Lerouge (herwiglerouge at gmail.com ) is medewerker van de studiedienst van de Partij van de Arbeid van België.


[1]    Nikos Sverkos, “Des machinations politiques par le biais des médias internationaux”, 29 april 2015. Zie http://syriza-fr.org/2015/04/29/des-machinations-politiques-par-le-biais...

[2]      Antonio Gramsci (1891-1937) wordt vanaf 1913 lid van de Italiaanse Socialistische Partij en vanaf 1919 speelt hij een leidende rol in de radenbeweging die opkomt voor de oprichting van arbeidersraden in de bedrijven. Nog in hetzelfde jaar sticht hij het weekblad Ordine Nuovo. Op 21 januari 1921 neemt hij deel aan de stichting van de Communistische Partij van Italië (PCd’I, later PCI). Hij wordt partijleider en in 1928 houden de fascisten hem aan. Gramsci sterft enkele dagen na zijn vrijlating in 1937. Zijn Gevangenisgeschriften (Quaderni dal carcere) bevatten meer dan 2000 pagina’s bedenkingen over geschiedenis, cultuur, politiek of revolutie. Zijn opvatting over de culturele hegemonie als middel voor het behoud van het status quo door de overheid in een kapitalistische maatschappij vormt een van zijn fundamentele bijdragen.

[3]    Marx Karl, De Duitse ideologie. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1845/duitse_ideologie/.

[4]    Antonio Gramsci, “Observations sur quelques aspects de la structure des partis politiques dans les périodes de crise organique”, Cahiers de prison (XXX volgens de nummering van Tatiana Schucht, 13 volgens de nummering van Valentino Gerratana. Zie: www.marxists.org/français/gramsci/works/1932/observations.htm.

[5]    Antonio Gramsci, Cahiers de prison, Deel 3, (Schrift 10 tot 13), Gallimard, 1978, p. 184-185.

[6]    Idem.

[7]    Passato e presente, p. 172-173. Geciteerd in Jean-Marc Piotte, La pensée politique de Gramsci, Anthropos, Parijs en Parti pris, Montreal, 1970, p. 131. Zie: classiques.uqac.ca/contemporains/piotte_jean_marc/pensee_de_gramsci.html. Nieuwe uitgave Lux, Montreal, 2010.

[8]    Gramsci, “La situation italienne et les tâches du PCd’I”, in M.A Macciocchi, Pour Gramsci, Seuil, 1974, p. 363-364.