Haal de verbeelding uit de vitrine van het neoliberalisme

Auteur: 
Michel Franssens

Gesprek met Robrecht Vanderbeeken over zijn boek Buy buy art – De vermarkting van kunst en cultuur.

José Saramago, de Portugese schrijver noteerde: “Men privatiseert de zee en de hemel, men privatiseert het water en de lucht. Men privatiseert de wolk die voorbijtrekt, men privatiseert de droom, vooral de dagdroom en de droom die met open ogen gedroomd wordt.” Cultuur is die ‘droom met open ogen’. Ter bevordering van Europa als economische topregio staat die droom nu in de vitrine en wel onder de noemer ‘Culturele en Creatieve Industrieën’. Vanuit die stelling vertrekt het boek Buy Buy Art van filosoof Robrecht Vanderbeeken.[1] Michel Franssens verzamelde een tafel vol teksten en beelden en ging met hem in gesprek.

Hoewel je boek drie delen bevat, zie ik er vier: de cultuurstrijd, de neoliberale achtergrond, het cultuurbeleid van de uitverkoop en uiteindelijk de verbeelding aan de macht.

Robrecht Vanderbeeken. Het vierde deel waarover je spreekt, het laatste hoofdstuk, hield ik bewust beknopt om te vermijden dat de kritische analyse uit de andere delen gepareerd wordt met het gebaar: ‘Ah zo, daar wil de schrijver dus naartoe’. Nochtans zet dat slothoofdstuk een paar grote lijnen uit en eindig ik verschillende hoofdstukken met een richtingaanwijzer naar alternatieven.

België is geen uitzondering, zo begint het eerste deel. Is de vermarkting van de kunst een mondiaal verschijnsel?

Robrecht Vanderbeeken. Na de Koude Oorlog hoeft het Westen zich niet meer te bewijzen tegenover een communistisch alternatief. Met de afbouw van de verzorgingsstaat en het emanciperend cultuurbeleid tot gevolg. Het neoliberalisme is vanaf 1980 het antwoord op de systeemcrisis, die al in de jaren 1970 begon. Dat heeft een nefaste weerslag op kunst en cultuurbeleid, wereldwijd. Kevin Doyle, een Amerikaanse theatermaker, zei me onlangs dat hij gefascineerd geraakte door theater door het systematisch sterke werk uit België, zoals Rosas, Needcompany…, dat hij in New York ontdekte. In de Verenigde Staten is zo’n vernieuwingsbeweging al een tijd niet meer mogelijk, simpelweg door een tekort aan steun. Maar toen hij een tijd terug naar Brussel kwam om te leren uit de diversiteit van ons cultuurlandschap, moest hij geschokt vaststellen met welk wegwerpgebaar ons beleid dit vandaag afbouwt. De top krijgt nog wel wat omkadering. Maar de basis – de voedingsbodem voor nieuw talent – wordt drooggezet. Het beleid stuurt aan op een recuperatie van beschikbare middelen voor marktconforme, niet-artistieke doelen. De kunstwereld moet maar steun zoeken bij private belangen.

De markt als oplossing, stelde cultuurminister Sven Gatz in De Morgen. Zo komen havenbaronnen als Fernand Huts aan zet. In De Standaard sluit beeldend kunstenaar Luc Tuymans zich daar bij aan: “Ondernemers zullen de kunst redden, wie anders”?

Robrecht Vanderbeeken. Dat is een arrogante leugen! Gatz stelt het voor alsof de overheid vandaag een monopolie heeft op kunst en cultuur en dat bijgevolg meer balans tussen publiek en privé redelijk is. Maar er is helemaal geen monopolie. De huidige situatie is al een en-en. Er is de kunstmarkt, de amusementsindustrie, Studio 100, enzovoort. De minister wil vooral vermijden dat er eilandjes zijn waar de private belangen geen vat op hebben. Hij wil een hegemonie van de markt, met de overheid als coach en cheerleader. Hij draait de publieke kraan dicht en jaagt zo iedereen de markt op. Ondernemers willen de kunst ‘niet redden’, maar zich inkopen. Ze azen op de verdienmodellen die deze regering ontwikkelt.

Besparingen op zorg en cultuur zijn een transfer naar banken en bedrijven, schrijf je. Als we de economie aanzwengelen dan volgt de rest vanzelf, aldus de minister. Op de tafel voor ons ligt documentatie over de hoogtepunten in het kunstverleden: de barok, de renaissance in Italië, kunst tijdens de Gouden Eeuw in de Lage Landen... Gingen deze hoogtepunten niet gepaard met een grote economische welvaart?

Robrecht Vanderbeeken. Natuurlijk gaat een economische hoogcultuur doorgaans gepaard met een bloei van cultuur. Vergelijken met het verleden is verleidelijk maar ook misleidend. Het is bijvoorbeeld niet omdat iets vroeger goed was, dat het nu ook zo zal zijn. Zo projecteer je de huidige situatie terug naar een periode van voor het bestaan van de moderne kunst, naar een tijd waar het onderscheid tussen publiek en privaat helemaal anders ligt. Liberalen willen ons vandaag doen geloven dat we die hoogtepunten te danken hebben aan private ondernemers, zoals zij. Werkelijk? Dat het ging over kerk, koning en adel, of dat dit deels ook ‘de overheid’ van toen was, houden ze buiten beeld.

       Het punt is dat neoliberalen het idee van een economische hoogcultuur die weldaad met zich meebrengt, net misbruiken. Gatz gebruikt hetzelfde discours als Thatcher: zodra de economie herpakt, zou er trickle-down zijn. Eerst een taart bakken, dan krijgt iedereen een groter stuk, enzovoort, je kent het wel. Een fabel weten we intussen, die als argument dient om te besparen en de publieke sector voor de kar van de private economie te spannen: van publieke vrijheid naar private horigheid.

Maar men investeert wel in het monumentale verleden: de Oude meesters, Breugel, Van Eyck, Rubens…

Robrecht Vanderbeeken. Klopt. Er is dus blijkbaar wel geld. Die ‘historiezucht’ heeft dan ook veel politieke voordelen: een houvast aan de nationale trots, de aandacht afleiden van hedendaagse kritische kunst, van de kaalslag in steun aan cultuurorganisaties en kunstenaars die met de kunst van vandaag bezig zijn, de focus zetten op Vlaanderen als economische regio, op topinstituten die als Vlaamse vuurtorens toerisme aanzwengelen, op instituten die inzake uitstraling uitermate interessant zijn voor sponsors en private ‘partners’.

       Liberalen vinden die commerciële prestigeprojecten prima en N-VA is maar wat blij om zo het huidige culturele middenveld, dat niet het hunne is, te kunnen verwaarlozen. Zonder de perceptie te wekken dat ze volstrekt niet met cultuur bezig zijn.

       Maar ook bij die aandacht voor het verleden speelt een neoliberale agenda. Voor Philip Heylen, de Antwerpse cultuurschepen, dient de renovatie van het Plantin-Moretusmuseum bijvoorbeeld een concreet doel: “We willen aan de toeristen uitleggen wat er toen in Antwerpen is gebeurd.” De nadruk ligt op Antwerpen. Het gaat om city marketing veeleer dan om de betekenis van dit humanistisch bolwerk dat 100 jaar voor de uitvinding van de boekdrukkunst een broedplaats was voor een nieuwe cultuur van Verlichting.

Plantin-Moretus was wel een ondernemer…

Robrecht Vanderbeeken. Ja, die nadruk vindt de Antwerpse afdeling van VOKA ook belangrijk. Maar Plantin was naast zakenman vooral een cultuurproducent. Toch een verschil met een havenbaron als Huts die wil bijverdienen aan kunst. Het mogen ook zonnepanelen zijn, of vervuilende afvalrecyclageparken van de Saoedi’s. De bijbelverkoop van Plantin maakte ruimte vrij voor de publicatie van humanistische werken die een historische impact hadden. Hij creëerde een enclave voor ruimdenkende intellectuelen en kunstenaars te midden van een duistere omgeving van brandstapels, soldaten, heksenvervolging en ander fanatisme. Aan welke kant staan de ondernemers vandaag?

Hier speelt de tweespalt tussen kunst als kunst en de maatschappelijke return ervan. Voor ons ligt de tentoonstellingscatalogus van de weefkunst van Berbervrouwen. Moet kunst dan enkel de weergave zijn van de meest individuele oerervaringen?

Robrecht Vanderbeeken. Kunst is zingeving en dat heeft vele vormen. Natuurlijk kan dat gepaard gaan met een materiële return en verdienen mensen daar geld aan. Kunst heeft een economie, ze is geen economie. Opmerkelijk is wel de nadruk op die return vandaag. Alsof dat het criterium voor relevantie wordt. Zo benadrukt de schilder Luc Tuymans graag dat hij jaarlijks toch een paar miljoen euro belasting betaalt. Kan zijn, maar dat zegt toch nog niets over de maatschappelijke waarde van zijn werk? Idem voor kunstenaar Renzo Martens. Hij werkt nu aan een project in Congo waarbij hij het idee van gentrification wil omdraaien: door de aanwezigheid van onze kunst ginder gaat niet de elite maar de lokale arme bevolking erop vooruit. In een lezing presenteerde hij onlangs een chocolade paashaasje naast een chocolade afgietsel van een sculptuur gemaakt door Congolezen. De provocatie mag duidelijk zijn: afbeeldingen van, en gemaakt door gewone Congolezen in chocolade gegoten. Bedoeld als kunstig koopwaar, met het logo van Callebaut eronder. Postkoloniaal? Welnee. Martens benadrukte dat de return voor deze mensen wel 7000 procent hoger lag dan hun huidig loon. Oxfam zou maar 120 procent realiseren, voegde hij er fijntjes aan toe. Maar kunst gaat toch om de symbolische kracht, over de politieke betekenis, over de strijdbaarheid die ermee aan bod komt, enzovoort, niet over financiële return? Deze kunstenaar gebruikt zelf een neoliberaal argument om de maatschappelijke relevantie van zijn werk te onderstrepen. Meer nog: als argument waarom het beter zou zijn dan ander politiek werk. Maar als je ginder een duur en ‘rechtvaardig’ bordeel begint, heb je ook veel return als je wil. Kunst zou ik het niet noemen.

Is die nadruk op economische return geen gevaarlijke hinderpaal voor betekenisvolle kunst?

Robrecht Vanderbeeken. Kunst moet vrij kunnen zijn, zowel politiek als artistiek. Die nadruk op return maakt kunst evengoed onvrij. Topkunstenaars zitten vandaag gevangen in zakenbelangen. Denk je dat de schilder Michaël Borremans, gesteld dat hij dat wou, zijn tentoonstelling in Tel Aviv had kunnen afblazen toen hij geconfronteerd werd met de Boycot Israël-campagne? Maar evenmin vind ik dat kunst per definitie kritisch en politiek moet zijn. Diversiteit is essentieel: kunst die gewoon over het leven gaat, met een humanistische aspiratie, is even belangrijk. Niet alles is klassenstrijd. Bovendien is dat een zwakte van sommige revolutionairen: dat kunst voor hen maar relevant is als ze een politiek doel dient. Dan herleid je kunst tot een politiek instrument.

       Die instrumentalisering wordt vandaag trouwens gebruikt als argument tegen politieke kunst. Men stelt het zo voor dat, door de hernieuwde interesse voor politiek engagement, de ‘autonomie’ van kunst in gevaar is. Waar men eigenlijk op aanstuurt, is dat kunst niet politiek mag zijn. Maar hoe vrij ben je dan als kunstenaar, als dat niet mag? Trouwens, alle kunst is in zeker opzicht politiek. Je maakt altijd werk binnen een sociale context, er is altijd een ideologische horizon. Alle kunst verhoudt zich tot de eigendomsverhoudingen: door ze te negeren, te verbloemen of te bekritiseren. Abstracte westerse kunst, ontdaan van elke verwijzing naar de maatschappelijke werkelijkheid, is bijvoorbeeld de ideale ‘vrije’ kunst om aan de muur in de lobby van banken te hangen.

Voor ons ligt de Divina Comedia van Dante, waarin vele medeburgers er flink van langs krijgen. In het tijdschrift Sir Edmund legt tenor Ian Bostridge uit dat zelfs in de Winterreise van Schubert een hele politieke ondertoon schuil gaat. Hoe zie je de verhouding tussen kunstenaar en politiek?

Robrecht Vanderbeeken. Kunstenaar Jonas Staal zegt daar boeiende dingen over. Hij vindt dat een kunstenaar zich steeds de vraag moet stellen wie hij of zij een gezicht heeft gegeven. Kunstenaars die zich ‘onafhankelijk’ opstellen, worden dikwijls voor een politieke kar gespannen buiten hun wil om. Onlangs was er bijvoorbeeld een kunstenfestival in Saoedi-Arabië met Duitsland als gastland. Het Goethe-instituut werd ingeschakeld om de diplomatieke betrekkingen te verzorgen. Het komt erop neer dat dit waardevol cultuurinstituut dit reactionair regime, exporteur van een radicaal salafisme, wat moest verbloemen. Wat een schandaal. Jonas Staal wil daarom zelf kiezen wie hij een gezicht geeft, namelijk zij die buiten beeld worden gehouden: rechtelozen, staatslozen, onderdrukten. Hij organiseert New World Summits met revolutionaire organisaties die sinds 9/11 door de Verenigde Staten op de lijst van terroristische organisaties zijn gezet. Vertegenwoordigers van die organisaties, die doorgaans geen visum kunnen krijgen, zelfs geen bankrekening kunnen openen, mogen zo afreizen naar Europese theaters om hun zaak te bepleiten. Hij ontwierp het nieuwe parlementsgebouw in Rojava (in Syrisch Koerdistan), de enige plek in het Midden-Oosten met een seculier, gendergelijk, socialistisch en radicaaldemocratisch bestuur. Staal zegt dat hij niet geïnstrumentaliseerd wil worden en er daarom als kunstenaar zelf voor kiest om in de frontlinie van de progressieve stroming te staan. Hij wil niet alleen de wereld representeren, hij wil een nieuwe wereld mee mogelijk maken. Hij beschouwt dat als zijn vrijheid, als de manier waarop hij zijn vrijheid en soevereiniteit kan garanderen.

Sven Gatz wil private spelers meer armslag geven. Kan dergelijke politieke kunst dan nog?

Robrecht Vanderbeeken. Goeie vraag. Je kan veel bedenkingen hebben bij de vrijheid die kunstenaars binnen een publieke werking krijgen, het protocollaire keurslijf bij subsidieaanvragen bijvoorbeeld, maar Jonas Staal toont toch dat hij wel steun krijgt voor radicaal politiek werk. Dat kan binnen een publieke sector, maar binnen een private? Ik vraag mij af welke rijkaard daarin wil investeren. Bij zakenbelangen geldt: bijt de hand niet die je voedt. Luc Tuymans reisde af met een grote tentoonstelling naar Qatar, want de zakenbelangen voor zijn galerij zijn simpelweg te groot. Zo’n topkunstenaars uit de kunstmarkt gaan eventueel nog wel kritisch werk maken, maar dan vooral om de opponenten van hun achterban te bekritiseren. China bijvoorbeeld. Of Iran. Denk aan Diego Rivera die een fresco maakte voor Rockefeller. Zodra hij in een menigte mensen ook een portret van Lenin wou aanbrengen, besloot de miljardair de kunstenaar meteen uit te betalen, het werk af te dekken en te overschilderen. Toch een duidelijk geval van censuur.

Wanneer wordt kunst propaganda? Malevitsj met het befaamde zwarte vierkant? Julian Barnes schreef recent een boek over de moeilijke situatie waarin Sjostakovitsj zich bevond onder het bewind van Stalin. Een totaal nieuwe wereld wordt verbeeld maar anderzijds is er de staat die stuurt en onderdrukt.

Robrecht Vanderbeeken. Propaganda had aanvankelijk helemaal geen negatieve connotatie. Men wou toen nadrukkelijk een bepaalde waarheid propageren. Een waarheid die onderdrukt was: geen burgerlijke kunst meer maar kunst voor de arbeider, over de waarde van arbeid. Het was kunst die een betere wereld voorafspiegelde en aan bewustwording wou werken. Malevitsj maakte artistiek trouwens een kwantumsprong die nog decennia nazinderde.

            Maar als je de relatie van die kunst bekijkt met de omgeving toen, dan is er een probleem. De modernisten wilden een breuk met het verleden, andere kunst moest opzij. Het idealisme speelt hier: via een nieuwe bovenbouw zou het socialisme vorm krijgen. Maar is het niet problematisch als je verwacht dat een zwart vierkant een rolmodel wordt in een samenleving, een boerengemeenschap nota bene, waar de mensen bij wijze van spreken nog in de Zwarte Madonna geloofden? Het systematisch vernietigen van cultuur, als statement, is altijd het handelsmerk van fundamentalisten. Dat zijn praktijken van beeldenstormers. Materialistisch bekeken, zou je maar van evolutie kunnen spreken als je ziet dat bijvoorbeeld religieuze kunst en burgerlijke kunst helemaal op het achterplan geraken, hun belang en invloed verliezen, erfgoed worden. Je moet die cultuuromslag niet alvast via kunst en cultuur verwezenlijkt willen zien door andere kunst weg te vegen. Dat soort autoritair gedrag werkt de opbouw van een progressieve samenleving tegen.

Kunst moet toch een voorhoederol spelen? Ze moet uitdagen, een cesuur maken tussen dat wat was en dat wat komt. In die zin is het zwarte vierkant wel erg belangrijk.

Robrecht Vanderbeeken. Ja, natuurlijk. Maar dat is onderdeel van de cultuurstrijd. In elke maatschappij heb je een conflict tussen verschillende belangen. Die tegenstellingen worden doorheen kunst zichtbaar. Daarom is diversiteit belangrijk: dat kunst de samenleving waaruit ze voortkomt ook kan weerspiegelen en zo alsnog representeren. Kunst moet dingen zichtbaar maken, inclusief de bestaande verhoudingen. Ook reactionaire kunst kan in deze context belangrijk zijn: als ziektebeeld. Het revolutionaire Rusland bevond zich op een scharniermoment. Men wou vooruit en alles wat in de weg stond moest weg: tabula rasa. Je moet in deze optiek de Zwarte Madonna niet wegnemen, maar door de uitbouw van een nieuwe samenleving volgens andere waarden en normen zorgen dat ze niet meer nodig is. Dat ze slechts als kitsch nog betekenis heeft.

In het Westen speelt die cultuurstrijd ook. De CIA infiltreerde in Hollywood en financierde kunstenaars met een anticommunistisch profiel. Overheden sturen ook, zoals we vandaag merken met de vermarktingspolitiek. Dus overheden kunnen ook een probleem zijn.

Robrecht Vanderbeeken. Zeker. De uitdaging is natuurlijk een progressief beleid mogelijk maken, de neoliberale overheid heroveren. In principe kan je als publieke sector wel een hoge mate van vrijheid voor kunstenaars garanderen, dat is het idee waaraan we ons moeten vasthouden. Vandaag zie je helaas dat veel musea meestappen in de glitter van de kunstmarkt. Het zijn showrooms geworden terwijl een museum eigenlijk het huis van de muze moet zijn. Het zijn de identiteitskamers van onze cultuur, en in neoliberale tijden tonen ze de pathologie van onze tijdsgeest. Neem het designmuseum in Gent bijvoorbeeld. Bij de modernisten ging design over ideeën, om dingen te maken voor iedere mens, mee te bouwen aan een nieuwe wereld. Vandaag gaat het over stijl en exclusiviteit. Een tijd terug had je naast het museum een giftshop, maar nu is het museum zelf een giftshop: de stoel die je in de tentoonstelling ziet, kan je aan de kassa kopen. Dat maakt van musea ook therapiekamers…

Hoe bedoel je?

Robrecht Vanderbeeken. In mijn boek geef ik het voorbeeld van de Japanse kunstenaar Murakami. Zijn happy zombiekunst verbeeldt genadeloos hoe de kunstmarkt in al zijn vertoon het subversieve van de bestaande orde uitdraagt. Ze belichaamt ook het groteske, dwangmatig dartele karakter ervan. Superflat, om het met de geliefkoosde omschrijving van de kunstenaar zelf te zeggen, die daarmee een pseudokritische, ironische pose aanneemt. Deze kunst maakt zoveel zichtbaar van zichzelf en van het tijdsgewricht waarin we vandaag leven! Ze vergroot het uit. Ze toont hoe de hedendaagse kunst het museum van het kapitalisme is. Precies daarom is ze een waardevol onderdeel van de cultuurstrijd. Waarom zouden we de kunstenaar verwijten de ziel te weerspiegelen van diegene die zijn werk koopt? Het is aan de kunstcriticus en aan ons als cultuurparticipanten om de waarde ervan door te lichten en via een diagnose een symptoom als dit in het juiste perspectief te plaatsen.

Dan gaat het toch weer over politiek en ideologie. Wat met schoonheid, mag kunst nog behagen?

Robrecht Vanderbeeken. De vraag is dan: wat is schoonheid? Ik vind het werk van Murakami niet ‘schoon’, maar wel een openbaring. Schoonheid is voor mij gekoppeld aan ontroering. Dat kan voortkomen uit iets dat ontwapenend is. Om bij Japan te blijven, denk aan de films van Kore-Eda, of de nieuwste film van Kawasi. Die gaat over een eenvoudig verhaal van een Japanse man die wafeltjes met rode bonenvulling moet verkopen. De schoonheid ligt niet besloten in de knappe beelden van de film maar in het diepmenselijke dat zich afspeelt tussen de personages. Gaat dit over politiek? Helemaal niet, het is een verhaal van mens tot mens. Toch is het net weer wel politiek, omdat het wat ons tot mensen maakt uitlicht, en dat soort films staat in schril contrast met de ontmenselijking van de geweldindustrie die we voortdurend over ons uitgegoten krijgen via televisie, film, games, misdaadromans. In deze film gaat het over mensen onderling, die doorheen de film als gelijke voor elkaar in het leven komen te staan. Daarin zit de spirit die aan de grondslag ligt van wat communisme is: ‘van ieder naar zijn vermogen aan ieder naar zijn behoeften.’ Dat humanisme in de kunst, is een essentiële sleutel voor schoonheid. En eigenlijk ook voor politiek.

Michel Franssens (michel-franssens at hotmail.com). Wetenschapper, kunstenaar en vooral kunstliefhebber voor wie het duidelijk is dat kunst dan wel niet de wereld zal redden maar haar toch zal kleuren en in vraag stellen.


[1]  Robrecht Vanderbeeken, Buy buy art. De vermarkting van kunst en cultuur, uitgeverij EPO, 2015, 264 p. ISBN: 978-94-91297-47-2.