Henri Houben: De veertigjarige crisis – Het einde van het kapitalisme

Auteur: 
Luc Lever

Naar de wortels van de aanslepende economische wereldcrisis

In augustus 2008 las ik al een interview met een bankier die stelde dat de crisis bezworen was en dat men “zijn lesje wel geleerd hadˮ. De crisis moest toen nog in alle hevigheid uitbreken en ze duurt nog altijd voort. Er zijn dus toch nog heel wat lesjes te leren. Het boek van Henri Houben1, dat in september 2011 al in het Frans2 uitkwam en nu ook in Nederlandse vertaling3 is verschenen, komt dus niet te laat. Niet alleen omdat het aanvullend, up-to-date cijfermateriaal bevat, maar vooral omdat het een eigen insteek heeft, die veel verder en dieper gaat dan de meeste boeken over de crisis. Een eigen benadering die in het Nederlandstalige gebied – helaas – uniek is.

Vele Nederlandstalige boeken over de crisis analyseren nauwelijks. Ze beschrijven voornamelijk specifieke aspecten van de crisis, zoals de huizencrisis en het overwicht van de financiële sector, maar ze gaan niet op zoek naar de kern, naar de werkelijke oorzaken van de crisis. Als er al kritiek geformuleerd wordt, dan blijft ze zeer idealistisch, gericht op de hebzucht en het gebrek aan ethiek, of beperkt ze zich in het beste geval tot een strijd tussen de neoliberale en de neokeynesiaanse opvattingen. Een gemiste kans, want de crisis dwingt ons immers fundamentelere vragen te stellen. “Vergeten woorden zoals kapitalisme en communisme duiken opnieuw op zoals paddenstoelen in het herfstgrasˮ, schrijft Rik Torfs, rector van de KULeuven, kerkjurist, ex-senator voor CD&V en tv-verschijnsel.

Gelukkig graaft Houbens boek veel dieper. De auteur wil een antwoord geven op de vraag of deze crisis een zuiver financiële crisis of een systeemcrisis is. Na 360 pagina’s met argumenten, talrijke grafieken en tabellen zullen vele lezers wellicht de auteur bijtreden: “Elke crisis is een symptoom van het slecht functioneren van het systeem dat ze voortbrengt.”

In het eerste hoofdstuk vertrekt Houben ook van de fenomenen waarmee deze crisis eind 2006 aan de oppervlakte kwam: de vastgoedcrisis met de subprimes, die in 2008 uiteindelijk volledig uitbarstte met het faillissement van Lehman Brothers.

In het tweede hoofdstuk gaat hij echter terug tot 1973, waar het verhaal in feite begint. In een stuk economische geschiedenis legt hij uit hoe de crisis haar wortels heeft in het einde van de jaren 1960. En hoe de antwoorden op de crisis van de jaren 1970 – anders dan in de jaren 1930 – niet meer probeerden een nieuw evenwicht te vinden tussen productiecapaciteit en consumptie door de productiecapaciteit af te bouwen, maar hoe men koos voor het oppompen van de consumptie door kredietverstrekking. Een ‘oplossing’ die maar een uitstel van executie zal blijken.

Dat geeft de auteur de gelegenheid om een goed overzicht te geven van de evolutie van het internationale grootkapitaal in de daarop volgende dertig jaar. Dat alleen al is een meer dan voldoende reden om dit boek te lezen. Het geeft de lezer immers veel inzicht in de wijze waarop het Amerikaanse kapitalisme probeerde zijn dominantie aan de hele wereld op te leggen. De reactie van Europa, met onder andere de invoering van de euro, de desastreuze gevolgen voor de landen die men later de PIIGS is gaan noemen, de opkomst van de BRICS, de nieuwe opkomende economische mogendheden, het komt allemaal aan bod.

Maar telkens opnieuw klopt de crisis aan de deur. Als blijkt dat we van de ene luchtbel naar de andere zijn gegaan, zijn we terug in 2008 en moeten we toch op zoek gaan naar de fundamentele redenen waarom het kapitalisme blijkbaar niet zonder crisissen kan bestaan. En hier toont Houben met cijfers aan hoe de terugkerende kapitalistische crisissen, zowel die van de jaren 1930 als de huidige crisissen, in wezen steeds crisissen van overproductie zijn. Andere verklaringen bijten zich vast in oppervlakkige verschijnselen en gaan niet naar de kern. Belangrijk is dat de auteur duidelijk voorbij de (neo)keynesiaanse analyse gaat en zich baseert op een marxistische analyse die voorbij de grenzen van het kapitalisme reikt. De verwijzingen die hij opneemt van onder anderen Marx en Lenin, gelden hier echter niet als autoriteit of dogma. Het valt integendeel op hoe in een actuele, beargumenteerde fundamentele analyse de woorden van Marx en Lenin verrassend van toepassing zijn.

In de slothoofdstukken spitst Houben zich toe op de Europese politiek in verband met de eurozone en op het verval van de Amerikaanse hegemonie. Hij wijst er heel terecht op dat de val van een wereldmacht vaak met geweld gepaard gaat.

Tegenover het falende kapitalistische systeem wijst de auteur op de mislukking van de sociaaldemocratische oplossingen, die de excessen op de korrel nemen zonder het systeem dat die excessen veroorzaakt, ter discussie te stellen. Hij verdedigt dan ook een socialistische oplossing waarin een planeconomie een belangrijke rol speelt en de werkers de meesters van de productiemiddelen zijn. Misschien stof voor een volgende boek?

Ik geef dit boek alvast drie sterren. Een eerste voor de sterke analyse. Een tweede voor het historische overzicht. Een derde voor de schat aan informatie in citaten, verwijzingen naar diverse auteurs en bronnen, tabellen en grafieken.


1 Henri Houben is economist. Hij werkt voor Gresea, schrijft onder andere voor Marxistische Studies en is lid Attac Brussel.

 2 Éditions Aden, Bruxelles. ISBN 9782805900617.

3 Uitgeverij EPO, Antwerpen. ISBN 9789491297946.