Het basisinkomen en de strijd tegen ongelijkheid

Auteur: 
Daniel Zamora Vargas

Al sinds de jaren tachtig zijn heel wat mensen in linkse middens gewonnen voor de idee van een basisinkomen. Deze eis heeft in 30 jaar tijd een hele weg afgelegd. Hij vond serieuze verdedigers bij personen als Philippe Van Parijs, Ignacio Ramonet, André Gorz, José Bové of Toni Negri. Gaandeweg kregen we ook een enorm arsenaal aan websites, netwerken en collectieven ter ondersteuning en verspreiding van dit gedachtegoed. Mateo Alaluf neemt dat verbond van verschillende geledingen uit de intellectuele en de politieke wereld en allerlei progressieve verenigingen in zijn laatste werk onder de loep.1 Wat vandaag overkomt als een ‘radicaal alternatief voor het neoliberalisme’, is dat namelijk niet altijd geweest. Dit boek is verhelderend omdat het ons niet alleen helpt het eigenlijke opzet van het basisinkomen beter te vatten. Het schetst ook de geschiedenis er van en maakt duidelijk hoe het basisinkomen zich verhoudt ten opzichte van onze sociale zekerheid.

Het basisinkomen en de sociale zekerheid

De idee en de populariteit van het basisinkomen zijn in wezen gegroeid uit de kritieken op de sociale zekerheidsstelsels rond de jaren tachtig. Men vroeg zich af of deze stelsels het aanhoudend probleem van armoede wel konden oplossen. In de jaren die onmiddellijk volgden op de naoorlogse periode, koesterde iedereen de ambitie om verder te evolueren naar een veralgemening van de sociale zekerheid tot alle categorieën die er nog niet onder vielen. Dat gold in het bijzonder voor de uitkeringtrekkers van de Commissies voor Openbare Onderstand (voorlopers van de OCMW’s).

Albert Delperée is de man die toen de meest uitgesproken visie had over een universeel systeem van sociale zekerheid. Delperée is vlak na de Tweede Wereldoorlog een van de sleutelfiguren van sociaal beleid. Hij was namelijk adviseur van Léon-Éli Troclet, de ‘vader’ van de Belgische sociale zekerheid. En hij is secretaris-generaal op het ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg van 1959 tot 1977.2 De verandering van het stelsel onderstelde een diepgaande hertekening van de sociale zekerheid en meteen het einde van de ‘bijstand’ als dusdanig. Hij “droomt” van een “fusie van de twee stelsels”.3 Hij wilde – verdergaand dan zijn bevoegdheden op het gebied van tewerkstelling en inkomen uit arbeid – “alle systemen voor bescherming (ook die voor oorlogsslachtoffers) groeperen” en “in de nieuwe gefusioneerde of samengevoegde of in een federatie verbonden gemeenten zou het bureau of het huis voor sociale bescherming functioneren. Via de gemeentelijke sociale dienst zou dat zich materieel en psychologisch bezighouden met alle inwoners van de gemeente. Dit zou de uitbetalingsinstelling worden voor zo goed als alle toelagen: pensioen, kinderbijslag … enzovoort.”4

Hij heeft een echt universeel stelsel voor ogen, gebaseerd op de principes van de sociale zekerheid en bestemd voor alle burgers. Een universeel, gecentraliseerd en eengemaakt stelsel voor al de verschillende takken en toegankelijk via een en hetzelfde loket.

Hij baseerde zijn plan op de vaststelling dat armoede en onzekerheid voor het overgrote deel het gevolg waren van ontoereikende vervangingsinkomens (vooral van de pensioenen) of te lage inkomens uit arbeid. Hij gaat ervan uit dat het beter is om te werken dan om de sociale zekerheid uit te breiden, om beetje bij beetje het aantal mensen te verminderen dat in armoede leeft.

Dit grote belang, dat wordt gehecht aan de sociale zekerheid, gaat trouwens terug op de centrale plaats die deze inneemt in de regeling van het economisch leven. De sociale zekerheid wordt beschouwd als het belangrijkste instrument ter “beheersing van de economische logica, de eerste oorzaak van bestaande sociale ongelijkheid.”5 Men beschouwt het dan ook als normaal dat de staat moet tussenkomen in de markt om de neiging tot winstaccumulatie in te tomen die inherent is aan de markteconomie.

De economische crisis en de strijd tegen uitsluiting

De toon verandert vanaf de jaren zeventig. Het streven om armoede uit te bannen lijkt mislukt en het stelsel van de sociale zekerheid wordt beticht van alle kwalen. De kritiek komt nu zowel van rechts, van economisten zoals Milton Friedman, als van links, van talrijke organisaties die opkomen voor de armen. Het idee wint veld dat je deze ‘armoede in tijden van overvloed’ niet kunt wegwerken via de klassieke instellingen. Men stelt het tot dan toe gevoerde sociaal beleid in vraag. De sociale zekerheid en het recht op werk zouden de misdeelden hebben ‘uitgesloten’ van de verdeling van de rijkdom en bevorderen dat ze uitgesloten blijven. Vaak horen we dat de sociale zekerheid en de openbare diensten een negatieve herverdeling zouden bewerkstelligen van de rijken naar de armen, dat de sociale zekerheid inefficiënt is en bureaucratisch. Het stelsel zou er helemaal niet in lukken zich te richten op diegenen die het ‘echt nodig’ hebben. Het is in het kader van deze toenemende kritiek op de sociale zekerheid, dat eerst de idee van de negatieve inkomstenbelasting wordt verdedigd door Milton Friedman, en daarna begint de idee van het basisinkomen opgang te maken als alternatief voor de sociale zekerheid. Deze ideeën worden redelijk populair. Allerlei bewegingen en verenigingen die op zoek zijn naar een nieuwe oplossing voor het probleem van de sociale uitsluiting, zetten zich erachter.

Maar die voorstellen staan haaks op twee belangrijke uitgangspunten uit de naoorlogse jaren: de staat moet mee leiding geven aan de economie en de ongelijkheid moet binnen redelijke perken worden gehouden. De idee van het basisinkomen wil niet alleen komaf maken met de sociale zekerheid, maar ook met alle criteria die het stelsel oplegt aan het economisch systeem. Het gaat ook niet om het bestrijden van armoede door regels op te leggen aan de logica van de markt, maar precies het omgekeerde. Door minder regels wil men de economie ‘bevrijden’ van de ‘zware’ verplichtingen van het sociaal recht. In zijn boek herinnert Mateo Alaluf eraan dat de aanhangers van het basisinkomen, in de eerste formulering ervan in 1984, op wat komma’s en punten na exact dezelfde argumenten hanteren als Milton Friedman. We moeten praktisch heel het stelsel van de sociale zekerheid (pensioenen, werkloosheid, kinderbijslag, studiebeurzen enzovoort) afschaffen en ‘de arbeidsmarkt dereguleren’ (de verplichte pensioenleeftijd afschaffen, het minimumloon, de maximale arbeidstijd …) om tegelijk een minimuminkomen te bieden en ondertussen te pleiten voor neoliberale hervormingen van de sociale wetgeving. Reken maar dat de invoering van dergelijke maatregelen kan leiden tot steeds meer onzeker werk en tot een toename van de ongelijkheid. We zouden ons al snel geconfronteerd zien met een situatie die Mateo Alaluf heel goed beschrijft. “Het zou uitkeringstrekkers verplichten werk te aanvaarden tegen om het even welke prijs om naast hun uitkering iets bij te verdienen. Resultaat zou een verslechtering van de arbeidsmarkt zijn, met een wildgroei aan slecht betaalde tijdelijke jobs.”6

Regelrecht naar ongelijkheid

Daarnaast wil het basisinkomen ook de strijd tegen ongelijkheid aan de kant schuiven om zich voortaan alleen nog te concentreren op het bestrijden van sociale uitsluiting en armoede.7 Mateo Alaluf heeft gelijk als hij benadrukt dat “als de aandacht uitsluitend is gericht op het basisinkomen, hierdoor de sociale verhoudingen worden weggemoffeld, die het mogelijk maken dat een kleine laag in de samenleving zich een steeds groter deel van de geproduceerde rijkdom toe-eigent”.8 Het is dus niet verwonderlijk dat in het scenario van het basisinkomen geen plaats meer is voor de vakbonden en voor sociaal overleg. Zij worden gewoon uit het hele plaatje weggegomd. De werkelijkheid achter het sprookje is dat “het vervangen van een stelsel van sociale bescherming, dat hoofdzakelijk wordt gefinancierd door de sociale bijdragen en berust op de loonsolidariteit, door een rente die wordt gestort door de overheid en gefinancierd door de belastingen, wel erg veel weg heeft van een oorlogsmachine tegen de welvaartstaat die door de tegenstanders met alle zonden van Israël overladen wordt.”9

De sociale zekerheid versterken in plaats van af te breken

We hebben vandaag geen nood aan een basisinkomen, maar een uitbreiding van de sociale zekerheid. Langs alle kanten aangevallen, moeten we haar versterken en niet vernietigen. We mogen de langzame ontmanteling van onze sociale zekerheid niet zien als een onontkoombare werkelijkheid. We moeten integendeel ervoor vechten om ons socialezekerheidsstelsel nog ambitieuzer herop te bouwen. Dat is ook wat de auteur van het boek onderstreept: “Door uitbreiding van het toepassingsveld van de sociale zekerheid kunnen we trouwens ook naar mogelijkheden gaan kijken voor veralgemening binnen andere stelsels. Verhoging van de sociale minimumlonen, arbeidsduurvermindering en fatsoenlijke pensioenen, het zijn stuk voor stuk middelen om allerlei vrije en creatieve activiteiten te kunnen ontwikkelen die nuttig kunnen zijn voor de maatschappij en mensen zelfstandig kunnen uitoefenen.”10 We hebben dus geen algemeen basisinkomen nodig, maar wel een veralgemening van onze sociale zekerheid.


1 Mateo Alaluf, L’allocation universelle: Nouveau label de précarité, Couleur Livres, 2014, 88 p.

2 Geneviève Duchenne, “Albert Delperée”, Nouvelle biographie nationale, deel 10, p. 134-132.

3 Uiteenzetting, gehouden op 7 maart 1973 tijdens een seminarie voor verantwoordelijken van de Commissies voor Openbare Onderstand, georganiseerd door het Instituut voor sociologie van de ULg, over “De nieuwe rol van de Commissie voor Openbare Onderstand”, Ligneuville, 5-8 maart 1973, in Albert Delperée, “Openbare onderstand en sociale zekerheid”, Belgisch Tijdschrift voor de sociale zekerheid, juni-juli 1973, nr. 6-7, p. 714.

4 Ibid., p. 715.

5 Colette Bec, La sécurité sociale: Une institution de la démocratie, Gallimard, Parijs, 2014, p. 17.

6 Mateo Alaluf, “L’allocation universelle contre la protection sociale”, rtbf.be info, 14 juni 2013, http://www.rtbf.be/info/opinions/detail_l-allocation-universelle-contre-....

7 Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches, Flammarion, Parijs, 1974, p. 237.

8 Mateo Alaluf, L’allocation universelle. Nouveau label de précarité, op. cit., p. 80.

9 Ibid., p. 81.

10 Ibid., p. 81.