Het conflict in Oekraïne: samenwerking in plaats van confrontatie

Auteur: 
Andreas Buro en Karl Grobe

De context van het huidige conflict

Wat valt er nu min of meer met zekerheid te zeggen over deze schijnbare chaos? De Krim is door Rusland geannexeerd – dat wordt klaarblijkelijk niet meer serieus in vraag gesteld – al kan deze annexatie op juridische en pacifistische gronden niet goedgekeurd worden. Ze is te verklaren met politieke en militaire argumenten.

Het staat ook vast dat aan het einde van het Oost-West conflict de Amerikaanse president Bush, VS-minister van Buitenlandse Zaken Baker en niet in het minst de secretaris-generaal Wörner van de NAVO, Michael Gorbatsjov verzekerden dat de staten van het voormalige Warschaupact niet zouden toetreden tot de NAVO. De NAVO zou dus niet oprukken tot aan de grenzen van de Sovjet-Unie.

Dat gebeurde echter toch. De EU en in het kielzog de NAVO hebben zich uitgebreid naar het Oosten. Na 1999 traden Polen, Tsjechië, Hongarije en na 2004 Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Roemenië, Slowakije, Slovenië en na 2009 Albanië en Kroatië tot de NAVO toe. Dit zijn bijna allemaal landen die eens tot de Sovjet-Unie of tot het zogenaamde Oostblok behoorden.

De inspanningen om tot de NAVO toe te treden zullen hiermee zeker niet stoppen. Georgië, Moldavië en Oekraïne waren en zijn de volgende kandidaten. Het EU-Associatieverdrag dient hierbij als hulpmiddel.

Het lijdt verder geen twijfel dat het Kremlin deze NAVO-omsingeling als een bedreiging aanvoelt.

Op 13 augustus 2008 verklaarde de Georgische president Michail Saakashvili in een televisietoespraak: “De Georgische havens en luchthavens zullen onder controle van het Ministerie van Defensie van de Verenigde Staten gesteld worden, om humanitaire en andere missies uit te voeren. Daardoor zullen de spanningen afnemen.” De woorden van Saakashvili en het ingrijpen van Georgië in Zuid-Ossetië waren pogingen om de VS bij het conflict te betrekken en werden door Moskou als zeer bedreigend ervaren. Moskou maakte met het ingrijpen in Georgië in 2008 het Westen duidelijk dat deze politiek van militaire omsingeling moest stoppen.

Het Westen bleef echter Oost-Indisch doof, zoals het al een jaar eerder geen aandacht besteedde aan de waarschuwende woorden van Poetin tijdens de Veiligheidsconferentie in München.

Het conflict in Oekraïne is tegen deze historische achtergrond in de eerste plaats te begrijpen als een strategisch conflict tussen twee nucleaire grootmachten en hun partners. In het licht van de krachtige steun van het Westen aan de rebellen in West-Oekraïne is deze veronderstelling helemaal niet vreemd. Toch is dat feit door de steun van Rusland aan de separatistische bewegingen in het Oosten van Oekraïne op de achtergrond gedrongen.

Victoria Nuland, hoofd van het VS-Ministerie van Buitenlandse Zaken bevoegd voor Europa en Eurazië, berichtte op 13 december 2013 in Washington voor de VS-Oekraïne Foundation dat de Amerikaanse regering sinds 1991 meer dan vijf miljard dollar voor een “welvarend en democratisch Oekraïne” geïnvesteerd had. Met deze sommen moesten de voorwaarden voor de toenadering van Oekraïne tot de EU geschapen worden. De Westerse strategie berust op het overeengekomen, maar nadien door de toenmalige Oekraïense president Janoekovitsj niet ondertekende partnerschapsverdrag met de EU. Het verdrag zou betekend hebben dat Oekraïne zich meer naar het Westen zou oriënteren. De vroegere banden met Rusland zouden verbroken worden. Het binnendringen van het Westen in de voormalige randgebieden en – vandaag op zijn minst invloedgebieden van Rusland – domineert strategisch gezien de huidige confrontatie in Oekraïne. De grote verscheidenheid van de bevolking, land en economie moeten vooral gezien worden als de tactische elementen in dit conflict.

Het Kremlin wil klaarblijkelijk de mars van het Westen naar het Oosten niet langer aanvaarden. Na de opstand tegen de corrupte Janoekovitsj-regering en de twijfelachtige legitimiteit en democratische kredietwaardigheid van de nieuwe voorlopige regering in Kiev speelde Rusland de oude regering tegen de nieuwe uit en ging het de separatistische bewegingen ondersteunen. Janoekovitsj kreeg asiel in het Russische Rostov en bestempelde de nieuwe regering in Kiev als fascistisch en antisemitisch. Janoekovitsj blijft zichzelf beschouwen als de rechtmatige president van Oekraïne.

Het conflict creëerde ook angst in de voormalige lidstaten van het Warschaupact zoals Polen en de voormalige Sovjetrepublieken met sterke Russische minderheden (Estland, Letland). Zouden de Russen ook hen aanvallen? Ze eisen militaire versterking. Maar kunnen ze als NAVO-lid een aanval verwachten? Dat kan enkel gebeuren, indien het tot een grootscheeps conflict zou komen tussen Rusland en de NAVO.

De burgers die vooral in Kiev en de westelijke regio’s van Oekraïne het voortouw namen tegen voormalig president Janoekovitsj vrezen terecht dat hun democratische vrijheden in toenemende mate zouden verstikt worden. Ze hadden hun hoop gesteld op een betere economische ontwikkeling door het associatieverdrag. Hun opstand werd echter door veel verschillende politieke krachten gedragen, waaronder ook marginale, maar zeer actieve nationalistische tot fascistische. Terwijl westelijk Oekraïne al langer cultureel en taalkundig op Midden- en West-Europa gericht is, oriënteert oostelijk Oekraïne, ondanks een vreselijk verleden, zich op Rusland en spreekt men er ook Russisch. De grote bodemrijkdommen liggen bovendien in het oostelijk deel van het land. De plaatselijke industrie is een belangrijke toeleveraar voor de Russische defensie-industrie.

Tot de basisbestanddelen van het conflict behoren ook de verschillen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie. De VS zijn op handelsgebied en met investeringen in Rusland veel minder betrokken dan de EU-staten. Ze zijn daarenboven niet afhankelijk van de gas- en olieleveringen uit Rusland, die voor de EU-staten van groot belang zijn.

Waarom gaat de afschrikkingspolitiek tussen Oost en West door?

Na het einde van het Oost-West-conflict rekenden vele mensen erop dat het systeem van wederzijdse afschrikking snel tot het verleden zou behoren. De VS en Rusland zouden door de verplichtingen van het nucleaire non-proliferatieverdrag hun strategische wapens vernietigen. Dat gebeurde echter niet. Het aantal nam weliswaar af, maar in het bijzonder de VS werkten consequent verder aan de modernisering van hun wapensystemen, ook tijdens het presidentschap van Obama. Daarvoor had president Reagan het ABM-verdrag eenzijdig opgezegd. De steden in beide landen bleven dus kwetsbaar. Een totale bescherming tegen raketafweersystemen werd verhinderd en in de plaats kwam er een afschrikkingssysteem. De opzegging liet de VS echter toe alle belangrijke doelwitten in de VS met afweerraketten uit te rusten. Tegelijkertijd stationeerden de VS en de NAVO overstoorbaar raketafweersystemen in Europa. Blijkbaar zouden ze tegen Iraanse atoomraketten bedoeld zijn. Deze bestonden echter niet.

De Russische strategen hebben dit anders ervaren. Het raketafweersysteem zou het afschrikkingspotentieel van Rusland in hoge mate uitschakelen, omdat ze de Russische strategische raketten al van bij de start konden afschieten. De VS-strategie bezit door deze ontwikkelingen een potentieel militair overwicht dat toelaat eenzijdige militaire acties uit te voeren, zonder rekening te moeten houden met Russische bezwaren.

Na 1999 traden drie voormalige Sovjetrepublieken toe tot de NAVO, evenals zes vroegere lidstaten van het Warschaupact en twee staten uit het voormalige Joegoslavië.

De escalatie van de Oekraïense crisis werd door de VS aangegrepen om in de drie Baltische staten en in Polen op lange termijn kleine contingenten VS-troepen te stationeren.

Wanneer deze militaire bemoeienissen van de VS verbonden worden met de systematische uitbreiding van het NAVO-lidmaatschap naar het Oosten en het perspectief dat Oekraïne lid van de NAVO zou worden, is het uit militaire logica te verstaan dat Rusland ingegrepen heeft in de Krim, al kan het niet goedgekeurd worden. Stel u voor dat de NAVO vlak naast het belangrijkste Russische maritiem steunpunt Sebastopol haar eigen steunpunt zou oprichten in Oost-Oekraïne.

Daarbij komt nog dat er in Oost-Oekraïne belangrijke onderdelen voor de Russische defensie-industrie vervaardigd worden. Russische commentatoren hebben de uitbreiding naar het Oosten van de NAVO vergeleken met de roll-back-strategie van de VS bij het begin van de Koude Oorlog.

De escalatie van het conflict

Sinds de onafhankelijkheid van Oekraïne eigenden de runners-up uit het Sovjet management en de inlichtingendiensten zich de productie- en dienstverlenende bedrijven toe, verhinderden kartelontbindingen en hervormingen en controleerden van dan af de volkseconomie van Oekraïne. De belangenconflicten tussen de verschillende oligarchengroepen – betrekkingen met Rusland en het Westen – weerspiegelden zich in meerdere partijen en media. Deze structuren werden voor het eerst duidelijk tijdens de presidentverkiezingen van 2004/2005 en de “Oranje revolutie”. Deze revolutie was niet in staat de verschillende oligarchenclans de politieke macht uit handen te nemen. Ze bewerkstelligde echter een diepere splitsing tussen de pro-Westerse (Timosjenko, Joesjtsjenko) en pro-Russische (ondermeer Janoekovitsj) oligarchengroepen. Nadien ondersteunden West-Europese niet-gouvernementele organisaties, maar ook nationale en supranationale instellingen eenzijdig de belangrijkste partijen en politici in het noorden en het westen. De overwinning van de Janoekovitsj – na verschillende coalitiewisselingen van partijen en politici – en economische drukkingsmiddelen (aardgasleveringen, afzetmarkten in Rusland voor defensief materiaal e.a.) zorgden voor een grotere Russische invloed, vooral op propagandistisch vlak.

Ondertussen trokken rechts-radicale bewegingen in het bijzonder in West-Oekraïne grotere groepen aan die door het falen van de Oranje-beweging gedesillusioneerd waren geraakt. De onpopulaire cultuur- en talenpolitiek van de Partij van de Regio’s (Janoekovitsj) verdiepte de bestaande tegenstellingen tussen West-Oekraïne enerzijds en Oost-Oekraïne en de centrale regering anderzijds.

Na 2008 werd de rechts-radicale partij Svoboda, die zich expliciet beroept op Stepan Bandera, de sterkste partij in twee regio’s van Galicië, waar administratieve maatregelen de kandidatuur van de grotere Oranjepartijen verhinderden. Bandera (1909-1959) was als leider van het fascistische bataljon Nachtigall, samengesteld uit in ballingschap levende Oekraïeners, verantwoordelijk voor de massamoord op 7000 Joden in Lemberg in 1941. Hij verbleef korte tijd in een concentratiekamp en werd in 1944 gereactiveerd voor de partizanenstrijd tegen de Sovjet-Unie, die tot 1954 duurde. President Joesjtsjenko herwaardeerde hem in 2009 als nationale held. In West-Oekraïne worden Bandera en zijn ‘opstandelingenleger’ (UPA) als helden vereerd. In Oost-Oekraïne gelden ze eerder als medeplichtigen van de nazidictatuur.

Sinds september 2008 hebben de toenmalige president Viktor Joesjtsjenko en de EU onderhandeld over een economisch verdrag. Militair-politieke bepalingen verhinderden dat de overheid volledige informatie kreeg. Een half jaar later trad Oekraïne toe tot het Oostelijk Partnerschap van de EU, een groep van staten aan wie de EU economische gunstmaatregelen en nauwe samenwerking of zelfs lidmaatschap in het vooruitzicht stelde. Het gaat hier om de vroegere Sovjetrepublieken Wit-Rusland, Moldavië, Georgië, Azerbeidzjan, Armenië – dat echter nauwe relaties heeft met Rusland – en ook Oekraïne.

Hun economische en politieke relaties met Rusland, waarmee de EU een reeks eigen verdragen heeft afgesloten, zouden ook door het Oostelijk Partnerschap niet beïnvloed worden. Maar toch voerde Joesjtsjenko campagne voor toetreding. De presidentsverkiezingen in januari en februari 2010 werden met een klein verschil gewonnen door Viktor Janoekovitsj tegen Joelia Timosjenko. Tegen haar werden al snel politiek gemotiveerde strafrechtelijke procedures opgestart wegens machtsmisbruik tijdens haar ambtsperiode als regeringshoofd. Timosjenko mocht Oekraïne niet meer verlaten en werd opgesloten. De politieke splitsing tussen het kamp van Janoekovitsj en dat van Timosjenko en Joesjtsjenko, die amper nog een rol speelde, was nog dieper geworden. Het was ook een geografische splitsing. Timosjenko werd in de Westerse media voorgesteld als het symbool van de democratie. Haar vroegere rol in gashandel waardoor ze in 1996 de rijkste Oekraïense oligarch was geworden en haar aanhoudende gerechtelijke perikelen in verband hiermee, werden onder de tafel geveegd.

Het EU-verdrag werd niet door Janoekovitsj ondertekend. Op 21 november 2013 besliste zijn regering hiertoe. Tegelijkertijd werd Timosjenko opnieuw een uitreisvisum geweigerd. Sinds november werd er betoogd voor haar vrijlating en vooral tegen de corruptie van Janoekovitsj en zijn entourage. Opinieonderzoeken hebben nooit bewijzen kunnen leveren voor een duidelijke meerderheid voor toenadering of zelfs lidmaatschap van de EU. Nieuwe massale protesten volgden elkaar op in Kiev (Euromaidan; Maidan = plein van Onafhankelijkheid) en in Lemberg. Begin december nam het aantal demonstranten toe tot 800.000. Het plein van de Onafhankelijkheid, het raadhuis van Kiev en enkele ministeries werden bezet. Hierbij waren rechts-extremistische groepen – Svoboda, Prawy Sektor – bijzonder actief. De speciale politie-eenheid Berkut kwam tussenbeide en arresteerde (tot januari 2014) in totaal 234 demonstranten. Meerdere demonstranten werden ernstig verwond.

De betogers op het Maidanplein en almaar meer ook in andere steden het aftreden van de regering en van de president. Buiten de eisen voor de vermindering van de invloed van de oligarchen waren er amper eisen voor sociale verandering te horen. De Maidan-beweging stelde zich voor als een protestbeweging van de stedelijke, intellectuele middenklasse en vertegenwoordigde de kiezers van de oppositiepartijen. Dat stemt goed overeen met het beeld van de eerste Maidan van 2004-2005. De stemmen tegen de almacht van de oligarchen waren overwegend te vinden in het westelijke gedeelte en in het noordelijk gedeelte van Oekraïne dat niet veel steden telt. In westelijk Oekraïne organiseerde Svoboda de protesten.

De belangrijkste economische oligarchen uit Donbass stelden zich terughoudend op. Hun economische belangen liggen zowel in Rusland – de Russische president had duidelijk een voorkeur voor Janoekovitsj – als in West-Europa en Noord-Amerika. Enkel de oligarch Petro Porosjenko, die de snoepwinkels gemonopoliseerd had en eigenaar was van een landelijk televisienetwerk, ondersteunde openlijk de protestbeweging. Zijn keten van chocoladewinkels werd in Rusland geboycot.

De Russische president Poetin snelde op 17 december 2013 de regering Janoekovitsj ter hulp met de annulering van de staatsschuld voor 15 miljard dollar en een aanzienlijke daling van de gasprijs. Dit had niet het gewenste effect op de demonstraties. In november 2013 was er een ongestructureerde volksbeweging ontstaan met een eigen dynamische kracht. Tot minstens februari 2014 stond de ontwikkeling van de volksbeweging onder sterke druk van de rechtse elementen. Ze veroorzaakte de val van Janoekovitsj en van de overgangsovereenkomst, uitgewerkt door drie Westerse ministers van Buitenlandse Zaken maar die door Maidan werd verworpen.

Vooral na 16 januari 2014 verergerde de situatie, toen het parlement (Verchowna Rada) uitzonderingswetten aannam tegen de betogers en voor het eerst twee demonstranten door scherpschutters werden gedood. De politieke achtergrond en motivatie van de daders bleven in dit en latere gevallen onduidelijk. Ook in het hotel met uitzicht op Maidan, waar veel televisieteams ondergebracht waren, bevonden er zich veel gemaskerde scherpschutters op meerdere verdiepingen. Het was niet mogelijk hen te vragen naar hun motieven. De speciale politie Berkut werd dikwijls aangewezen als dader. Er zijn aanwijzingen dat regeringsgetrouwe krachten gedeeltelijk verantwoordelijk zijn. Nochtans kan een verantwoordelijkheid of ten minste een medeverantwoordelijkheid van de rechtse vleugel van de Maidan-bezetters niet worden uitgesloten.

Het debat dat daarop volgde speelde vooral de burgerlijke oppositie in de kaart omdat de slachtoffers tot deze groep behoorden. Berichten in de regeringsgetrouwe media werden bovendien beschouwd als nog minder geloofwaardig dan die van de tegenpartijen.

In de districtshoofdsteden van West-Oekraïne bezetten demonstranten op hetzelfde ogenblik de gebouwen van de regionale regeringen. Leden van de rechtse groepering Svoboda waren zeer actief in die demonstraties. In Lwiw (Lemberg) en Ternopil had Svoboda eerder de regionale verkiezingen gewonnen. Ze vormde er de enige slagkrachtige oppositie; de coalitie van de partijen van Timosjenko en Joetsjenko kreeg er geen administratieve toelating tot deelname aan de verkiezingen. De regeringschef Mykola Asarow trad op 29 januari 2014 terug. Het parlement trok de scherpe demonstratiewetten in en beloofde alle aanklachten tegen de demonstranten te laten vallen indien ze de bezette gebouwen zouden vrijgeven, wat niet gebeurde. Op 20 februari laaide de strijd weer op. Toen werden officieel 88 mensen gedood, meestal door gemaskerde schutters in camouflageuniform.

In Kiev zochten de ministers van Buitenlandse Zaken Laurent Fabius (Frankrijk), Frank-Walter Steinmaier (Duitsland) en Radosław Tomasz Sikorski (Polen) naar een oplossing voor het conflict. De tussenkomst van drie ministers van Buitenlandse Zaken zorgde er voor dat president Janoekovitsj zich op 21 februari bereid verklaarde af te treden en zich geen kandidaat te stellen bij de parlementsverkiezingen van eind 2014. Deze overeenkomst werd echter dezelfde dag nog door de protestbeweging afgewezen. Janoekovitsj verliet hierop het land. Het openstellen van zijn zeer uitgestrekte eigendom Mezhyhirja bracht hem nog meer in diskrediet. Arseni Jatsenjoek (plaatsvervanger van Joelia Timosjenko en haar partij), Vitali Klitsjko (voor de door de Konrad-Adenauer-Stichting gefinancierde partij Udar) en Oleh Tjahnibok (leider van de rechts-radicale Svoboda) dienden zich aan als de nieuwe machthebbers. De als fascistisch bekend staande paramilitaire organisatie Prawy Sektor (Dmitro Jarosch) nam deel aan de macht. De informele Maidan-raad stelde o.a. Andrij Parubij aan in de overgangsregering. Hij is lid van de partij Batkywtschina (Vaderlandspartij) van Timosjenko. Vroeger was hij medeoprichter van een radicale voorloper van Svoboda. Als ‘commandant van Maidan’ collaboreerde hij met de Prawy Sektor van de fascist Dmitro Jarosch. Van 27 februari tot 7 augustus 2014 was hij secretaris van de nationale veiligheids- en verdedigingsraad van Oekraïne.

De functies van de president werden tijdelijk overgenomen door parlementsvoorzitter Oleksandr Toertsjynov, die zoals Jatsenjoek lid is van de Vaderlandspartij. In de Rada verklaarden intussen de meerderheid van de afgevaardigden van de Partij van de Regio’s (Janoekovitsj), dat ze hun mandaten verder zouden waarnemen; meestal stemden ze samen met de toenmalige oppositie.

Maatregelen van de overgangsregering waren de oorzaak van de rebellie in de oostelijke regio’s van Oekraïne, vooral de intrekking van de taalwet van de regering Janoekovitsj. De intrekking werd door de Russisch sprekende groepen als verbod van de Russische taal voorgesteld, hoewel dat niet strookt met waarheid. Zo mondde de versterkte regionalisering uit in separatisme en nadien in een confrontatie van de NAVO, de VS en de EU met Rusland.

Zo leidde in februari 2014 Euromaidan, een uit de middenklasse geboren volksprotest, tot een politieke omwenteling.

De verkiezing van de Petro Porosjenko tot staatspresident

De verkiezingen legaliseerden de omverwerping van Janoekovitsj slechts gedeeltelijk. De rechts-radicale groepen haalden samen amper twee procent van de stemmen. Een tweede ronde was niet nodig omdat Porosjenko tijdens de eerste verkiezingsgang meer dan 50 % van de stemmen behaalde.

In de periode voor de verkiezingen van 25 mei 2014 hadden gebeurtenissen buiten de hoofdstad zware gevolgen. Op 1 maart keurde het Russische Staatsparlement (Doema) een decreet van Poetin goed om Russische strijdkrachten naar Oekraïne te sturen om de Russische belangen te beschermen. De Oekraïense interimpremier Jatsenjoek bestempelde dit als een “effectieve oorlogsverklaring”.

In de Krim waren gewapende pro-Russische groepen actief. Volgens Poetin waren dit geen Russische soldaten, maar “zelfverdedigingskrachten”. Op 16 maart zouden volgens officiële cijfers 96,6 % van alle kiezers – bij een opkomst van meer dan 80 % – op het schiereiland de aansluiting van de Krim bij de Russische Federatie goedgekeurd hebben. Deze cijfers zijn niet geloofwaardig. Ongeveer 24 % van de inwoners waren op dat ogenblik Oekraïeners, 12,1 % Krim Tartaren. Beide groepen waren gekant tegen de aansluiting bij Rusland. Niettemin zou de Russische meerderheid van de bevolking ook zonder manipulatie van de cijfers (58,5%) een meerderheid behaald hebben. De afscheiding van het schiereiland, dat de status van een autonome republiek binnen Oekraïne had, strookte evenmin met de Oekraïense Grondwet als deze van de Krim.

De Oekraïense troepen verlieten op bevel van de interim-president Turchynov de Krim tijdens de laatste week van maart en overhandigden hun basissen aan Rusland. Rusland hecht een groot belang aan de aansluiting van de Krim, enerzijds wegens het groot aantal Krim-Russen, en anderzijds wegens het steunpunt van de vloot in Sebastopol, de thuishaven van de Zwarte Zeevloot.

Het Oekraïense parlement besloot tot de uitbouw van een 60.000 man sterke nationale garde. De EU en de VS gingen over tot sancties en inreisbeperkingen tegen gezagsdragers van Rusland en Oekraïne evenals het bevriezen van hun buitenlandse rekeningen. De NAVO brak elke burgerlijke en militaire samenwerking met Rusland af wegens de afscheiding van de Krim en de Russische troepenconcentraties en manoevers aan de Oekraïense grens.

Begin april 2014 veroverden gewapende groepen in de oostelijke regio’s Donetsk en Loegansk, het industriële Donbass-district, op meerdere plaatsen de macht en riepen een nieuwe staat uit (de Volksrepubliek Donetsk) – ook bekend onder de naam Nieuw Rusland. Sommigen eisten de onmiddellijke aansluiting bij Rusland. In Donetsk en Loegansk was de bezetting van blijvende aard. In Charkov duurde ze amper enkele dagen.

De ‘milities’ van de zogenaamde separatisten kregen hulp uit Rusland, Tsjetsjenië en Dagestan. Stap voor stap namen zij het commando over. Het Westen werd daarover uitvoerig en over het algemeen correct ingelicht. De aanwezigheid van talrijke – ongeveer 400 – huurlingen van de Amerikaanse veiligheidsfirma’s in het spoor van Blackwater, Academi enz. werd enkel kort vermeld. Hun activiteiten werden niet nader opgevolgd of onderzocht.

Op 17 april maakten Oekraïense strijders die versterkt werden door leden van de rechtse partij Prawy Sektor in Marioepol een einde aan de bezetting van de openbare gebouwen door de separatisten. Deze milities van Prawy Sektor namen als strijdmacht van de regering van Kiev op een beslissende wijze deel aan de volgende gevechten in en rond Donetsk. Het was de eerste grote gewapende confrontatie met de rebellenmilities. Midden juni was Marioepol terug in de handen van de regering.

Enkele dagen later namen rebellen in de stad Slovjansk acht buitenlandse militaire waarnemers gevangen. Deze waren in samenwerking met de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), maar niet in haar opdracht, actief in de onmiddellijke omgeving van de bezette stad. Een andere groep werd een weinig later opgepakt. Beide groepen werden enkele dagen later opnieuw vrijgelaten. Tijdens een aanval van het Oekraïense leger op Slovjansk schoten rebellen voor de eerste maal een helikopter van het leger neer. Slovjansk heeft een groot arsenaal (meer dan 10.000 Kalasjnikov geweren) en bleef uiteindelijk onder controle van de rebellen, zoals ook de veel grotere industriesteden Donetsk en Loegansk.

In Odessa kwam het op 1 en 2 mei 2014 tot schermutselingen tussen betogers voor de nationale eenheid van Oekraïne en – zoals de interimpremier Jatsenjoek het voorstelde – pro-Russische elementen. Velen zouden uit het nabijgelegen Transnistrië zijn gekomen, een opstandig deel van de republiek Moldavië, dat naar aansluiting bij Rusland streeft. Ze zouden de betoging, vooral van fans van de plaatselijke voetbalclub Tsjernomorets, hebben aangevallen. De politie stelde zich afwachtend op. De pro-Russische demonstranten vluchtten in het vakbondshuis. Dat werd in brand gestoken, klaarblijkelijk met benzinebommen (Molotovcocktails). 40 personen kwamen om in de brand. Plaatselijke bloggers lieten er, ongeacht hun politieke overtuiging, geen twijfel over bestaan dat de benzinebommen door ‘staatsgetrouwe’ demonstranten geworpen werden. Pogingen van Oekraïense nationalisten om het leven van de ingeslotenen te redden werden ook gedocumenteerd. Rusland trok ondertussen militaire eenheden die in de loop van de crisis aan de Oekraïense grens samengebracht waren, opnieuw terug. De samenwerking in het kader van de OVSE ging verder en de Russische regering verklaarde de economische samenwerking te willen voortzetten. Ze garandeerde de levering van aardgas aan West-Europa en het afsluiten van nieuwe economische akkoorden.

Het neerhalen van een Maleisisch passagiersvliegtuig

Op 17 juli 2014 werd een Maleisisch vliegtuig neergehaald. Dat leidde tot een nieuwe escalatie. Vanaf dat ogenblik werd het een confrontatie tussen de NAVO-staten en Rusland. De satellietbeelden van de Amerikaanse veiligheidsdiensten, het afluisteren van radioverbindingen en andere bronnen zijn tot dusver grotendeels geheim gehouden. De informatie van de Russische (separatistische) of Oekraïense (regerings-) bronnen is onsamenhangend en wordt gebruikt om de schuld bij de tegenstander te leggen. Een professioneel en onafhankelijk onderzoek was tot nog toe niet mogelijk. Drie weken later was de zone van de vliegtuigcrash grondig veranderd, onder andere door groepen gewapende rebellen en de late berging van de slachtoffers. Gekwalificeerde onderzoeksteams werden enkel met tegenzin door de plaatselijke rebellen toegelaten. De eis tot gewapende bescherming hield het gevaar in op nieuwe conflicten. Verder blijft het wachten op de volledige publicatie van de gegevens die de Amerikaanse geheime diensten hebben verzameld.

De massamedia hadden vanaf het begin van de Euromaidan Rusland en in het bijzonder Poetin tot “brandstichter” (Der Spiegel) uitgeroepen. Deze beschuldigingen verdubbelden nu zonder dat de medeplichtigheid van Rusland aan de vliegtuigcrash of de verantwoordelijkheid van Poetin aangetoond was. Der Spiegel pakte uit met “Stop Poetin nu” op de voorpagina onder deels illegaal verkregen foto’s van de slachtoffers.

De stelling dat het vliegtuig door een afweerraket van het type SA-11 (Buk) zou geraakt zijn, is helemaal niet bewezen. Zelfs indien dit het geval zou zijn geweest, moet nog uitgemaakt worden welke team van welk kamp het lanceerplatform heeft bediend.

Specialisten schuiven diverse hypothesen naar voor: leden of ex-leden van de Russische of Oekraïense troepen, overlopers van het Oekraïense leger naar de separatisten enz. Deze laatste veronderstelling is geloofwaardiger dan de veronderstelling van een commandostructuur, want dat zou een door de staat besloten intentie om te doden veronderstellen. Indien de rebellen het vliegtuig neergeschoten hebben, moet opgehelderd worden of ze het vliegtuig per vergissing hebben getroffen omdat ze het voor een grote militaire machine hielden of dat ze een fout hebben gemaakt bij de bediening van het lanceerplatform. Een crash ‘per vergissing’ (door verwarring met een militaire machine) lijkt mogelijk, maar is evenmin bewezen.

Indien de luchtafweer van een staat de crash met voorbedachtheid uitgevoerd heeft, kan dit tot een casus belli uitgroeien. Rusland betoont weinig interesse voor een oorlog in Oost-Oekraïne, en alleen al daarom zijn deze beschuldigingen van de media en instellingen als de NAVO, onverantwoord. Ook Oekraïne kan door de eigen militaire zwakte geen oorlog met Rusland overwegen. Uiteindelijk is het onmogelijk andere machten aan te wijzen die over de nodige banden in de regio of andere technische middelen beschikken om het vliegtuig neer te halen. De veronderstelling dat de crash per vergissing is gebeurd, wordt almaar waarschijnlijker.

Maar het gevolg was echter een substantiële verscherping van de sancties tegen Rusland en dreigingen met een toenemende aanwezigheid van de NAVO, o.a. door secretaris-generaal Anders Fogh Rasmussen. Rusland reageerde met economische tegenmaatregelen. De sancties van de NAVO-staten, de VS en de EU waren eveneens van economische aard – zoals de overweging de vergunning van bepaalde vliegtuigmaatschappijen in te trekken.

De escalatie bereikte een nieuw hoogtepunt. Het intentieproces over de Russische verantwoordelijkheid versterkte nog het vijandbeeld. Men greep daarvoor naar diverse samenzweringstheorieën en in meestal ernstige media verschenen commentaren die op een verscherpte confrontatie aanstuurden. In dit verband kan er op gewezen worden dat het opleggen van nieuwe sancties, tegensancties uitlokken en zo kunnen leiden tot een gevaarlijke escalatie.

De globale ommekeer van een unipolaire naar een multipolaire wereld

Na het einde van het Oost-West-conflict hadden de Verenigde Staten een unieke machtspositie. Er werd gesproken van een unipolaire wereld. Er vonden veel militaire invasies plaats (bv. Kosovo, Afghanistan, Irak, Libië) en evenveel mislukkingen. Er ontstonden middelgrote mogendheden die de status van grootmacht ambieerden (BRICS: Brazilië, Rusland, Indië, China, Zuid-Afrika) terwijl de VS werden geconfronteerd met een relatieve daling van hun economische en financiële macht. Dat heeft geleid tot een multipolaire wereld. De VS strijden vandaag voor het behoud van hun positie in deze geglobaliseerde wereld.

Rusland, dat na de val van de Sovjet-Unie, veel van zijn status als grootmacht verloren had, poogt daarentegen zijn mondiale betekenis opnieuw uit te bouwen. Het zoekt hiervoor naar economische akkoorden met de buurlanden en wil als partner door de VS ernstig genomen worden in het systeem van wederzijdse atoomafschrikking. Daarbij gebruikt Moskou ook onorthodoxe militaire en subversieve methoden zoals op de Krim en in Oost-Oekraïne. Tegelijkertijd verhoogt het zijn militair potentieel.

Beide machten zijn verwikkeld in een concurrentiestrijd, voornamelijk op militair gebied. Het inlijven van de Krim door Rusland werd in de hele wereld veroordeeld – vooral door multinationale staten – die zelf te maken hebben met of separatistische bewegingen vrezen. De publieke opinie in Europa en de VS stelt deze ontwikkelingen eenzijdig voor. Een kritisch onderzoek blijft meestal uit.

De Verenigde Staten en de Europese Unie benaderen het conflict in Oekraïne op verschillende wijze

De VS en de EU hebben op verschillende wijze gereageerd op de door Rusland ondersteunde separatistische verzuchtigingen in Oost-Oekraïne. Beide stellen Rusland verantwoordelijk, maar de VS dringen aan op nog scherpere economische en politieke sancties dan de EU. Voor de VS is de uitbreiding van de NATO naar het Oosten via militair-strategische en economische aspecten van de globalisering van het grootste belang. Dit verklaart de harde opstelling van de VS tegenover Moskou: sancties moeten het Kremlin op de knieën dwingen. De EU dringt eerder aan op onderhandelingen om de samenwerking met Rusland voort te zetten en uit te breiden. Een politiek van Euro-Aziatische samenwerking die de speelruimte van de EU tegenover de VS zou vergroten, wordt in de VS negatief beoordeeld. De VS willen de dollar als heersende referentiemunt veilig stellen tegenover de euro.

De EU wil liever een dialoog opstarten. De Duitse, Franse en Poolse ministers van Buitenlandse Zaken spelen hierin een actieve rol. De economische belangen – investeringen in Rusland, de uitvoer van technologie en vooral de invoer van gas en olie in de EU – spelen een beslissende rol. Voor de EU bedraagt de uitvoer naar Rusland 2,6 % van de totale uitvoer.1 Dit is weliswaar geen erg groot aandeel, maar de Russische markt wordt ingeschat als een groeiende markt voor de toekomst.

Voor de VS, die minder betrokken zijn op economisch gebied, komt het er op aan de inkopen van de EU intensiever te verbinden met de Amerikaanse markt en de dollar. Ze vrezen dat de EU door een nauwere samenwerking met Rusland een grotere zelfstandigheid ontwikkelt en zich aan hun invloed onttrekt. Dat verklaart waarom de VS een speciale relatie met Kiev opbouwen, zodat de EU minder invloed zal kunnen uitoefenen op de houding van Oekraïne. Daarbij gebruiken de VS de historische afkeer tegen Rusland die in Centraal en Oost-Europa, vooral in Polen, sterk leeft. Stemmen van gezaghebbende Amerikaanse politici laten blijken dat een botsing tussen de EU en Rusland beide staten zou verzwakken. Dat zou in het belang van de VS-strategie kunnen zijn.

De EU zou zich meer van de Amerikaanse invloed moeten losmaken. De nadrukkelijk provocerende houding van de VS kan botsen met een dergelijke oriëntatie.

De betrokkenheid van Duitsland bij het Oekraïne-conflict

Oekraïne werd in de 20e eeuw tweemaal door Duitse troepen bezet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vernielden de Wehrmacht, de SS en andere militaire krachten de industriële installaties en grote delen van de infrastructuur van Oekraïne tijdens hun terugtocht. De Duitse bezetting en de oorlog kostten het leven aan ongeveer 20 procent van de Oekraïense bevolking en bijna de hele Joodse bevolking. Oekraïense hulptroepen – hoewel ze permanent verhinderd werden in de uitbouw van een eigen bestuur – hebben hieraan meegewerkt. In de laatste oorlogsfase voerden ze voor het Hitler-rijk een partizanenoorlog tegen de Sovjet-Unie; en ook later nadat nazi-Duitsland al verslagen was.

Duitsland is een leidinggevend lid van de NAVO en de EU. Het land heeft een belangrijke diplomatische rol gespeeld bij de overwinning in het Oost-West-conflict. Er werd beloofd de NAVO niet naar het Oosten uit te breiden. Toch heeft het sinds de jaren negentig de uitbreiding van de NAVO steeds ondersteund en eraan deelgenomen. Het associatieverdrag met Oekraïne bevatte ook belangrijke militaire onderdelen, die eveneens door Duitsland werden gesteund. Duitsland bood massale steun aan de Maidan-revolte. Dat is meteen ook de reden waarom Rusland met groot wantrouwen kijkt naar een rol voor Duitsland als bemiddelaar.

Andreas Buro en Karl Grobe realiseerden dit artikel met medewerking van Clemens Ronnefeldt. Zij zijn medewerkers van het Duits Instituut voor Samenwerking voor de Vrede (Kooperation für den Frieden). Verscheen eerder als achtergrondinformatie in Marxistische Blätter, nr. 5, 2014. Neue Impulse Verlag, Essen.


1 Tageszeitung, 2 augustus 2014, p. 7.