Het stuur van de samenleving

Auteur: 
Tom De Meester

Take me to the magic of the moment
On a glory night
Where the children of tomorrow share their dreams
With you and me
Take me to the magic of the moment
On a glory night
Where the children of tomorrow dream away
In the wind of change

The wind of change, Scorpions

Gordon Brown liep met zijn neus in de wind terwijl tv-ploegen van BBC1 en Sky News het nieuws van de dag doorstraalden vanuit hun satellietwagens aan 10 Downing Street, de ambtswoning van de premier hartje Londen. Hij, James Gordon Brown, leider van de Labourpartij en prime minister van het United Kingdom, zou het zieltogende Britse kapitalisme eigenhandig uit het slop trekken met 400.000 nieuwe jobs in de groene economie. Een Green Deal had hij de Britten beloofd, een groene revolutie.

Zijn woorden waren nog niet koud of op 28 april 2009 besloot Vestas, de grote Deense fabrikant van windturbines, zijn plant in Newport, op het kanaaleiland Isle of Whight, dicht te gooien. Bloody hell! Daar stond Brown met zijn groene revolutie. Tienduizend windmolens had hij beloofd maar de enige windmolenfabriek in Groot-Brittannië was dood en begraven en 425 werknemers stonden op de keien.

Niet alleen milieuactivisten en vakbondsmensen verslikten zich in hun green tea. Als we het klimaat willen redden, is duurzame energieproductie echt nodig, wisten veel modale Britten. It must be done! Vestas had tussen de witte krijtrotsen op het Isle of Whight een performante fabriek staan waar jaarlijks 800 rotorbladen van de productielijnen rolden. Hoe crazy kon je zijn een hypermoderne windmolenfabriek te sluiten? Groot-Brittannië is met zijn eindeloze kustlijn een paradijs voor windmolens. Volgens studies zouden de Britten enkel met offshore windmolens zes keer meer elektriciteit kunnen produceren dan ze op krijgen.1 Bouw ze dan toch, die molens! In plaats daarvan gooide Vestas de enige windmolenfabriek van Groot-Brittannië dicht en flikkerde de sleutel recht in zee.

Vestas, de capriolen van het kapitaal

Het onbrak Vestas niet aan wetenschappelijke kennis over het belang van groene energie. Maar ook ‘groene’ aandeelhouders eisen harde munt, en dus moest Newport dicht. Volgens ceo Ditlev Engel was de sluiting “absoluut noodzakelijk om de concurrentiepositie van Vestas te vrijwaren en een evenwicht te creëren tussen vraag en aanbod van windturbines.” De markt in Groot-Brittannië bleek wat mager uit te vallen en Vestas besloot meer in te zetten op de Amerikaanse markt. Het was geen kwaaie wil hoor, het was gewoon de wet van vraag en aanbod. It’s the economy, stupid! “Wind is onze wereld”, zeggen ze bij Vestas, maar vervang het woordje “wind” gerust door “winst”. Het was de onverbiddellijke logica van een ‘groen’ kapitalisme.

Het personeel van Vestas liet zich niet zomaar slopen. “Wij hebben als belastingbetalers de banken moeten redden – een sector die in puin ligt”, zei Sean McDonagh, een jonge Vestas-arbeider, op tv. “Maar hernieuwbare energie is een sector met toekomst. We roepen mister Brown op de jobs bij Vestas te redden, door een nationalisatie, als dat nodig is. Dat hij toont dat hij het meent als hij het over de redding van de planeet heeft.”

De Britse regering had dan wel 850 miljard pond in de banken gepompt, maar de windmolenfabriek op het eiland redden? Nee, toch maar niet.

De performante windmolenfabriek van Newport laten roesten op de rotsen? Dat was buiten die van Vestas gerekend! De wiekenfabriek werd prompt bezet. Baas Engel stuurde de bezetters hun C4 en liet de plant hermetisch van de buitenwereld afsluiten. Tot woede van Bob Crow, de militante leider van de machtige transportvakbond RMT. Crow liet de bezetters bijstaan door een team vakbondsadvocaten en dreigde desnoods met een helikopter voedsel te laten droppen. “De bezetters worden afgeschilderd als criminelen terwijl ze een medaille zouden moeten krijgen”, vaarde hij uit. “Niks vertelt zoveel over de aanval die hebzuchtige bazen en onbekwame politici inzetten op onze jobs en leefgemeenschappen als de bezetting bij Vestas. Het kan toch niet dat mensen als citroenen worden uitgeperst en dan weggegooid. Er is een eenvoudige oplossing voor dit conflict: de regering kan de fabriek overnemen, de jobs beschermen en tonen dat het haar menens is met groene, duurzame energie.”2

Achttien dagen lang zouden de werknemers zich verschansen op hun werkpost om de enige windmolenfabriek van Groot-Brittannië te redden, om het Isle of Whight een toekomst te geven, om een vuist te maken tegen de wet van de maximale winst, die blijkbaar niet alleen steenkoolreuzen en oliemultinationals in haar greep houdt maar ook groene-energiebedrijven als Vestas. Private aandeelhouders telden hun groene winst, en wetenschappelijke klimaatrapporten verdwenen in de papierversnipperaar.

Vestas stuurde deurwaarders, dwangbevel in de hand en oproerpolitie stand-by. De fabriek werd ontruimd en het klimaatkamp voor de poorten werd opgebroken. “Vroeger was ik een gewone arbeider”, vertelde Chris Ash, een van de bezetters. “Ik deed mijn job. Trok me het niet echt aan wat ik maakte. Ik werd betaald en bracht dat geld naar huis. Maar nu begrijp ik dat wij vochten voor de toekomst, voor onze kinderen en kleinkinderen.”

Als er windmolens te veel zijn

De bezetters van Vestas wisten niet dat de sluiting van Newport in 2009 slechts het begin was. De verwoestende draaikolk van de economische crisis moest toen nog op volle kracht komen. Europese overheidsbegrotingen doken in het rood, grootbanken knipten kredietlijnen door, regeringen hakten in de groenestroomsubsidies. Weg waren de klimaatambities van Kyoto en Kopenhagen.

De crisis trof de windmolenbouwers vol in de buik. Vestas zag in 2010 zijn orderboekje halveren van 6160 MW naar 3072 MW. In oktober 2010 sloot het – “wegens de overcapaciteit in Europa” – opnieuw drie turbinefabrieken en twee vestigingen waar sokkels en rotorbladen gebouwd werden, nu in Denemarken en Zweden. Waar bleef die verhoopte heropleving van de windmolenmarkt? Hoop doet leven, maar voor Vestas telden enkel de winstmarges. De productie werd naar Spanje gedelokaliseerd.

De timing was bitter, eind 2010: enkele dagen voor in het Mexicaanse Cancún, op het paradijselijke schiereiland Yucatán, de klimaattop opende met dramatische cijfers en toespraken vol tremolo’s, sloot Vestas, de grootste windmolenbouwer van de wereld, vijf windmolenfabrieken “om de winsten veilig te stellen”.

In 2012 schrapte Vestas nog eens 1300 man in Denemarken en 1000 elders. Reden: “de flauwe markt voor windturbines”. Tegen wind en stroom is het lastig roeien. Volgens ceo Engel waren de snoeirondes “onvermijdelijk” in een markt met trage groei en scherpere concurrentie: “2013 wordt wellicht het lastigste jaar voor de windindustrie ooit.”3

Niet het maatschappelijke belang staat voorop bij de groene aandeel- houders van Vestas, maar de return on investment. Het is een harde waarheid maar waarom zouden wij erover zwijgen? Sinds 2009 zette Vestas al zesduizend mensen op straat. Hooggeschoolde technici en ingenieurs met dure opleidingen en met de groene knowhow die we nodig hebben om een duurzame energierevolutie mogelijk te maken. Gemotiveerde arbeiders die in de productiehallen van Vestas rotorbladen van 44 meter groot monteren, team leaders en projectmanagers, materialenexperts, ingenieurs gespecialiseerd in aerodynamica, softwaredesigners en elektrotechnici die de turbines optimaliseren. Zesduizend mensen voor wie de wereld rond wind draait, niet rond winst.

Terwijl we tienduizenden windmolens nodig hebben om onze energie te vergroenen, zorgen de wetten van de markt voor “overcapaciteit” en sluit Vestas turbinefabrieken die “overbodig” zijn.

Het is de absurde logica van een dolgedraaid kapitalisme. Als winstzucht en marktwetten de krijtlijnen van onze toekomst uitzetten, dan missen we kansen. Molens draaien niet met wind die al voorbij gewaaid is.

Jiuquan, een drieklovendam in de lucht

Als het eb is, gaan vissers uit de dorpen van Rudong, de parel van de Oost-Chinese kust aan de monding van de Yangtze, blootsvoets naar het strand om er schaal- en schelpdieren te rapen. De schorren en slikken komen bij laag water droog te staan. Met ritmisch getrappel drijven de blotevoetenvissers de venusschelpen uit de zoute, sponzige modder. Een delicatesse, wist keizer Qianlong al in de late achttiende eeuw, toen de Qing-dynastie nog hoogtij vierde. “Geen volksfeest zonder venusschelpen”, luidt een gezegde in Rudong. Liefst gewokt, met hete chili en sjalotten, in een saus van zwarte bonen, of gestoomd met gember en een beetje sherry van Shao-Hsing.

Dagjesmensen uit Shanghai en Nanjing noemen het “discodansen op het water”. Met ossenkarren worden de toeristen op het zilte niemandsland rondgereden. Maar daar op de wadden zijn de dansende vissers niet langer de enige attractie. Op het einde van het getijdenland, waar de opkomende vloed de zoute zandplaat overspoelt, torenen sinds eind 2012 eenendertig hoogtechnologische windturbines. Het windpark is eigendom van China Longyuan Power, een staatsbedrijf voor groene stroom, en levert elektriciteit aan 190.000 gezinnen.

Nergens worden meer windmolens gebouwd dan in China. Zesduizend komen er jaarlijks bij. Van de windturbines die op deze aardbol op hun sokkel gehesen worden, komt de helft in China. Het grootste windmolenpark buiten de Europese Unie staat in Shanghai, langs de lange Dhonghaibrug die de miljoenenstad verbindt met het Yangshanhaveneiland, dertig kilometer uit de kust. En in de baai van Bohai, bij Beijing, bouwt een staatsbedrijf een windmolenpark van 1000 MW. Het moet het grootste windmolenpark ter wereld worden.4

Logisch dat China massaal in windenergie investeert. China is één groot tochtgat. In 2009 onderzocht een team van de universiteit van Harvard onder leiding van klimaatspecialist professor McElroy het technische potentieel voor windenergie in China. Het onderzoek, dat de cover van Science haalde, wees uit dat er in China genoeg wind is om in 2030 het volledige stroomverbruik te dekken, ongeveer twee keer de huidige elektriciteitsconsumptie. Meer nog, op haalbare locaties kunnen betaalbare windmolens gebouwd worden die goed zijn voor “meer dan zeven keer het huidige nationale verbruik”.5

“Het zou op die manier binnen afzienbare tijd mogelijk zijn veel, zo niet alle CO2-uitstoot van de energiesector te elimineren”, schrijft het Harvard-team.

Dat is goed nieuws, want China mag dan wereldkampioen zijn in windmolens, die gouden plak heeft een keerzijde. China heeft de grootste bevolking ter wereld, legt in Qingdao de grootste haven ter wereld aan, heeft de langste hogesnelheidstrein ter wereld, en is volgens de OESO tegen 2016 de krachtigste economie ter wereld. Maar er zijn ook disciplines waarin je maar beter naast het eremetaal kunt grijpen. Zo is China ook de grootste steenkoolverbruiker ter wereld. En dat is niet iets om trots op te zijn. De helft van alle steenkool van de wereld wordt in Chinese elektriciteitscentrales opgestookt en er komen in ijltempo nieuwe steenkoolcentrales bij om de groeiende grootindustrie draaiende te houden.

En toch. Een nieuwe wereldorde is in de maak, schrijft Ernst & Young, met “China als duidelijke leider op het vlak van hernieuwbare energie”. Geen land zet meer in op groene energie.6 In Europa verdubbelde het aantal windmolens sinds 2005 en de VS verviervoudigden hun molenpark. Maar China blies alle waarnemers van hun sokken. De windcapaciteit groeide er van 1250 MW naar meer dan 62.000 MW. Dat is maal vijftig.7

Merkwaardig toch. Terwijl een kampioen als Vestas lek rijdt, zet China een spurtje in. Hoe komt dat? China is nochtans niet bepaald een modelmaatschappij. Het is een complex land waar Beijing de teugels strak en autoritair in de hand houdt, waar het privékapitalisme woekert en waar sterke staatsbedrijven meespelen in het spel van de vrije markt. En dan heb ik het nog niet over de corruptie bij de overheid, het gebrek aan democratie en de groeiende sociale tegenstellingen die de samenleving onder grote druk zetten.

In dat Rijk van de Draak valt er toch een les te leren. Wind is in China booming business, en dat is minder aan de zaligmakende wetten van de vrije markt te danken dan aan de overheid, die zelf de krijtlijnen in zwarte inkt zet. Beijing houdt 86 % van de energiesector in overheidshanden en de regering laat de ontwikkeling van groene energie niet zomaar over aan de chaos van de vrije markt. Niet “de markten” beslisten in maart 2011 om de windmolencapaciteit in China verder op te drijven richting 200.000 MW in 2020. Dat doet het 12e Vijfjarenplan. In tien jaar tijd willen de Chinezen honderdduizend windmolens bouwen en daarvoor stampen ze een geheel nieuwe industriesector uit de grond, compleet met researchcentra, gespecialiseerde ingenieursbureaus en turbinebouwers. “Een groene revolutie”, schrijft The Guardian, waarmee China goed op weg is om “the planet’s first green superpower” te worden.8

Niet de minying zakenlui, kapitalisten uit de miljoenen Chinese privébedrijven, leggen de 350 miljard euro op tafel om de energieproductie in China te vergroenen, laat staan de 113 Chinese dollarmiljardairs. Dat doet de regering in Beijing, die met dat plan ook nog eens 15 miljoen groene jobs wil creëren. Een kwestie van prioriteiten. “Het niveau waarop China van windenergie gebruik maakt, toont wat kan bereikt worden met een zorgvuldig gepland beleid voor energie en industrie dat groene energie als een nationale, strategische prioriteit ziet”, zegt Ben Warren, de energiespecialist bij Ernst & Young.9 Ook Greenpeace ziet “heldere ontwikkelingsobjectieven en plannen” als een “sleutelgegeven waarom de ontwikkeling van de sector zo succes- vol is.”10

De Chinese overheid selecteerde op wetenschappelijke gronden zeven windrijke regio’s in de vier windstreken om daar in één decennium maar liefst 80.000 windmolens te bouwen, goed voor minstens

116.000 megawatt. Grootschalige windparken, zoals er vandaag al staan in Jiuquan, in de provincie Gansu.

Jiuquan ligt in het hoge noorden van China, in de Gang van Gansu, een smalle landstrook ingesloten tussen de besneeuwde toppen van het Nanshangebergte in het zuiden, en in het noorden de zandduinen en zoutzeeën van de gure Gobiwoestijn. Als het waait, waait het hard, in Jiuquan. En doorgaans waait het er.

Ooit was Jiuquan een sobere handelspost langs de drukke Zijderoute, een pleisterplek voor monniken, bandieten en kamelenkaravanen. Een oase van yuan. Kooplui versjacherden er brokaat uit China, saffraan uit Perzië en Indisch sandelhout. Waar de karavanen halt hielden om goud en dierenhuiden op te kopen van de steppenomaden in hun yurts, staan vandaag twintig windmolenparken met samen 3500 windturbines. Een drieklovendam in de lucht. En dat is nog maar fase I. Er komen meer dan tienduizend windmolens in de onherbergzame woestijn van Jiuquan.

Van transition towns tot groene revolutie

Rob Hopkins is de peetvader van de transition towns, een wereldwijd net van intussen al 320 lokale gemeenschappen die in eigen dorp of stadswijk duurzaam willen leven. Ze bouwen passief, eten bio, snoeien energie en houden hun ecologische voetafdruk zo klein mogelijk. Wars van alle doemdenken inspireert het Transitiehandboek van de stichter doodgewone burgers om creatief te bouwen aan een koolstofarme samenleving.

Hopkins vertimmerde zijn dorp in 2005 tot de allereerste transition town. Totnes, met zijn 8000 inwoners vergelijkbaar met Damme of Stavelot, ligt in het idyllische graafschap Devonshire ergens in de zuidwestelijke punt van Engeland. Het lijkt de Gouw wel, de bucoli sche weidegronden en bosschages in het noorden van Midden-Aarde, het land van de Halflingen uit De Hobbit van Tolkien. Totnes ligt vredig aan de monding van de Dart, op een steenworp van het Dartmoor Nationaal Park, en vlakbij de Engelse Rivièra, de heerlijke en beschermde zuidkust van Devon.

In Totnes krijgt de transitie vorm in workshops composteren, co-housing projecten en zelfplukakkers. Burgers gaan op energiejacht, fietsen naar hun werk, leggen zonnepanelen op het dak van hun country house en ruilen een uur strijk tegen een grote kom pompoensoep, met dank aan het koolstofarme kookboek van het transitienetwerk. In Totnes kun je investeren in een groene energiecoöperatie die ruim drie km buiten het dorp twee windmolens heeft neergepoot. Er huist een fietsendokter in het dorp die een lekke voorband plakt in ruil voor een stuk appeltaart van Riverford, of gewoon voor een warme knuffel. Betalen kun je met lokale munt, het Totnes pond, er is een recyclageatelier en de transitiedames van Totnes nemen zelfs, met veel plezier, uw zaad in bewaring. De Seedy Sisters is een vrolijke vrouwengroep die in hun Totnes Zaadbank graag een plaatsje maken voor uw andijvie of boerenkool – of wat had u in gedachten? Gardening can be glamourous.

Maar kun je louter met lokale veerkracht het Europese energiesysteem te lijf? Volstaan enthousiaste ecocommunities om de fossiele energiemultinationals te stoppen? Totnes is het mekka van het consuminderen, een trekpleister voor bioboeren en milieuactivisten en de “hoofdstad van de New Age chic” volgens Time Magazine – maar dat is een gemene roddel.

Toch is het ecologische Utopia van Totnes geen blauwdruk voor een groene energierevolutie. Het energiesysteem van morgen kan niet draaien op autonome eilandjes die onafhankelijk en vrijgevochten in hun eigen stroom voorzien. Het klinkt nochtans verleidelijk. Weg met die fossiele mastodontcentrales. Liever zonnepanelen en windmolens. Die zijn kleinschalig, duurzaam en dicht bij de mensen. Small is beautifull en ook veel democratischer: we produceren onze energie tenslotte zelf.

Het heeft een hoog wishful thinking-gehalte. In het ecotopia van Totnes leveren de twee windmolens enkel stroom aan de energie- coöperatie, maar daar is nauwelijks vijf procent van de bevolking bij aangesloten. En op windstille dagen komt uit de stopcontacten van Totnes gewoon steenkoolstroom van het nationale elektriciteitsnet. Zo krijgen we de Zeven Zusters niet klein.

Zelfs als de dorpsgemeenschap van Totnes helemaal autonoom in de eigen energiebehoefte zou voorzien, wie zou de glasfabriek van Newton Abbot doen draaien? Op welke elektriciteit zouden de treinen van Plymouth naar Bristol rijden? We moeten staalbedrijven en scheepswerven van groene elektriciteit voorzien, scholen en kantoren onder stroom zetten, en treinen klimaatvriendelijk doen rijden. We moeten windmolenfabrieken bouwen, zonneparken aanleggen, onze steden isoleren, wijk na wijk. Onze verwarmingssystemen moeten van het fossiele infuus af en overschakelen op aardwarmte en groene stroom. We moeten het transport vergroenen, met waterstofbussen en elektrische vrachtwagens. Daar is veel elektriciteit voor nodig, heel veel.

Het volstaat niet het eigen stekje energiezuinig te renoveren, we moeten de hele maatschappij grondig verbouwen. Met alleen maar zelfvoorzienende lokale gemeenschappen en welwillende coöperaties kunnen we die omslag niet maken. Om een hele samenleving van groene stroom te voorzien hebben we naast vele kleinschalige, groene elektriciteitsprojecten ook duurzame megaprojecten nodig. Grootschalige windmolenparken bijvoorbeeld, misschien zelfs voor de kust van Devonshire.

Om het windpark te bouwen waar Greenpeace op rekent, met

18.000 windturbines voor de Noordzeekusten, zal het lokale initiatief van de vissersdorpen aan het Skagerrak of de kust van Kent bijlange niet volstaan. De grote schaal van dat windpark dwingt ons internationaal te plannen. Greenpeace vraagt dat “de zeven Noordzeelanden hun investeringen in een offshore elektriciteitsnet zouden coördineren. Er is nood aan een strategische en gecoördineerde planning.”11

Er is nog een tweede goeie reden waarom kleine, autonome energie-eilandjes niet volstaan. De fysieke realiteit zit tegen. Het waait niet overal dag en dacht, zelfs niet aan de zuidkust van Devon. En de zon schijnt in het druilerige Engeland iets te weinig, naar mijn smaak. We zullen maar slagen als we een complex, gesofistikeerd energiesysteem bouwen op schaal van het continent, waarbij we groene technologieën optimaal inzetten, met wetenschappelijke precisie.

Elektriciteit moet je produceren waar dat het efficiëntst is. Daarom vonden klimaatwetenschappers het maar niks toen de Britse premier David Cameron, vastbesloten een plaatsje te veroveren in de geschiedenisboeken als de meest groene regering ooit, in 2010 begon te morsen met subsidies voor zonnepanelen in plaats van in te zetten op windenergie.12 In één jaar werden in het niet bepaald zonovergoten Groot-Brittannië 30.000 zonnepanelen geïnstalleerd. Kostprijs: 1 miljard euro.

Dan is het natuurlijk veel slimmer zonneparken en zonnecentrales te bouwen aan de Méditerrannée, in Andalusië of op de Griekse Peloponnesos. Of geef mij de Sahara maar. In de Grote Zandzee in Libië of aan het zoutmeer van Chott-el-Jerid in Tunesië schijnt de zon drie keer meer dan in Totnes.

Stel u voor dat we uit de grenzen van Europa breken en ons groene energienet aansluiten op grote zonneparken in de Maghreb. Weet u, 0,3 % van het woestijnlicht in de Sahara zou volstaan om heel Europa van energie te voorzien.13 Alleen, als we dat moeten overlaten aan de vrije markt...

Een groene energierevolutie blijft een utopie als we ze laten afhangen van marktwetten en kapitalistische competitiviteit, als het financiële rendement van de aandeelhouders de ultieme maatstaf blijft. Laten we de toekomst samen plannen.

In plaats van terug te plooien op de lokale leefgemeenschap moeten we vooruit, het status-quo voorbij. Think big! Durf dromen, want de wereld van morgen bestaat vandaag nog niet.

Onze samenleving kan een grondige make-over goed gebruiken. We hebben de technologieën. De energierevolutie is mogelijk, en snel. Daar ligt de barrière niet. Wat we nodig hebben is een maatschappij waar internationale coördinatie en maatschappelijke planning vooropstaan, niet de kortetermijnwinst van Zeven Zusters. Waar basisbehoeftes als gas en elektriciteit in gemeenschappelijke handen zijn. Waar we samen aan een duurzame, toekomst kunnen bouwen, op maat van mens en milieu. Een socialisme 2.0, zeg maar. Er is geen ander realistisch perspectief. De groene energierevolutie is alleen mogelijk als we het stuur van de samenleving zelf in handen nemen.

Tom De Meester (tomdemeester bij telenet.be) is lid van de Studiedienst van de Partij van de Arbeid van België (PVDA). Hij is een energywatcher en auteur van Opgelicht, De energiezwendel van Electrabel & co, EPO, 2013. We publiceren hier hoofdstuk 13 van zijn boek.


1 Committee on Climate Change, http://www.theccc.org.uk/pressreleases/new-study-shows-potential-value-of-uks-offshore-wind-2/.

2 The Guardian, 30 juli 2009.

3Reuters, 22 augustus 2012.

4 Ernst & Young, Renewable energy attractiviness country indices, november2010, p. 16.

5 Michael B. McElroy, Xi Lu, Chris P. Nielsen, Yuxuan Wang, “Potential for Wind-Generated Electricity in China”, in Science 325, 1378-1380 (2009).

6Ernst & Young, op.cit., p. 1.

7 Global Wind Energy Council, http://www.gwec.net.

8 The Guardian, 10 juni 2009.

9 The Financial Times, 30 november 2010.

10 Greenpeace, China Wind Power Outlook 2011, 2011, www.greenpeace.org.

11 Greenpeace, (r)evolutie in het elektriciteitsnet van de Noordzeelanden, 2008.

12 The Financial Times, 22 maart 2011.

13 The Guardian, 23 juli 2008.