Hymne aan de gedoemde Jeugd

Auteur: 
Wilfred Owen

De gedichten van Wilfred Owen zijn vaak realistisch en beschrijven de brutaliteit en de verschrikking van de loopgravenoorlog en de gasaanvallen. Ze gaan ook vaak in tegen de opvattingen over de toenmalige oorlog van de in Groot-Brittannië achtergebleven bevolking en staan in schril contrast met de patriottische verzen van beroemdheden als Thomas Hardy en George Meredith of andere jonge dichter-strijders zoals Rupert Brooke.

Owens poëzie werd erg beïnvloed door de goede raad en het voorbeeld van zijn vriend Siegfried Sassoon, die hij in 1917 terug zag in het militair hospitaal van Craiglockhart niet ver van Edinburgh, waar ze allebei werden behandeld voor shellshock. De roman Régénération van Pat Barker vertelt het verhaal van deze ontmoeting.

Wie luidt een klok voor hen die creperen als honden?
Alleen de monsterlijke razernij van het kanon,
Alleen het jachtige gejakker van het hakkelend geweer
Alleen zij mogen hun gebeden afraffelen,
Voor hen geen spotternij uit klok of kerkgebed,
Geen stem die rouwt, buiten de koren, –
De schrille, waanzinnige koren van de kermende granaten
En de lokroep van de bugels uit treurige contreien.

Waar brandt een kaars voor hun behouden wederkeer?
Niet in de handen van de jongens, maar in hun ogen
glanst eerlang de heilige gloed van hun vaarwel,
Het bleke voorhoofd van de meisjes wordt hun doodskleed;
Hun bloemen de tederheid van stille geesten,
En elke lome schemering het dichtgaan van een vensterluik.

Wilfred Owen, 1893-1918