Innovatie in Vlaanderen: in dienst van de competitiviteit

Auteur: 
Pol De Vos en Johan Hoebeke

Inleiding

De Vlaamse economische politiek zit gevangen in het keurslijf van de competitiviteit. We moeten beter en goedkoper worden dan de rest van Europa.[1] Maar dit blijkt niet alleen het geval te zijn voor het economisch beleid. Hier analyseren we hoe dat dwingende concurrentiekader de Vlaamse innovatiestrategie en dus het beleid voor wetenschappelijk onderzoek in een verstikkend keurslijf dwingt.

De Europese ‘Horizon’ van een uitzichtloze crisis

“Horizon 2020” is het nieuwe Europese financieringsprogramma voor onderzoek en ontwikkeling in “Europa 2020, de Europese  competitiviteitsstrategie.[2] Het programma heeft een budget van 70,2 miljard euro voor de periode 2014-2020, en is gebaseerd op drie pijlers: “de wetenschappelijke excellentie, het leiderschap van de industrie, en de sociale uitdagingen”. Bedoeling is niet alleen om onderzoekers en instellingen te financieren, maar vooral ook om goede ideeën beter in dienst te stellen van de industrie. De kloof tussen de kennisinstellingen en de bedrijven is nog te groot, vindt Europa.

Technologisch bureaucratisch aanpak

Het huidige Europees politiek denkkader houdt vast aan de illusie dat een technologische oplossing voor de enorme maatschappelijke en economische uitdagingen mogelijk is binnen het huidige systeem. Door dit als ‘enig mogelijk denkkader’ voor te stellen, wordt een fundamentele politieke of economische analyse uit de weg gegaan, en vervangen door een technologisch-bureaucratische aanpak.

De Commissie Industrie, Onderzoek en Energie (ITRE) van het Europees Parlement formuleert de bredere uitdaging als volgt: “Het versnellen van innovatie is niet alleen essentieel om een duurzaam economisch model te bereiken en toekomstige werkgelegenheid veilig te stellen, maar ook om oplossingen te vinden voor de gezamenlijke grote maatschappelijke uitdagingen voor de Europese samenleving: de huidige demografische veranderingen die een vergrijzende samenleving, verstedelijking en migratie veroorzaken; de transitie naar duurzaam beheer van hulpbronnen: klimaatverandering, hernieuwbare energie, waterschaarste, overstromingen en inspanningen om cruciale grondstoffen veilig te stellen en te vervangen; een stabiele en rechtvaardige economische basis: economisch herstel, het benutten van een kennismaatschappij en stimuleren van het concurrentievermogen van de Europese Unie.”[3]

Men wijst echter niet naar de grondoorzaken van deze uitdagingen, een losgeslagen ‘kapitalisme in crisis’ waar maximale winst de enige drijfveer is. Men gaat ervan uit dat technologische innovatie vanzelf zal leiden tot een ‘duurzaam economisch model’, tot ‘zeker werk’, en tot het oplossen van de ‘demografische veranderingen’, een ‘duurzaam beleid van de grondstoffen’ en ‘een stabiele en rechtvaardige economische basis’ gebaseerd op ‘Europese competitiviteit’.

In deze crisistijden moet, volgens Europa, ‘Onderzoek en Ontwikkeling’ in dienst staan van het bedrijfsleven. Zo schrijft de Europese Commissie in de voorbereidende nota voor de Europese top van maart 2004 dat er efficiënter moet worden geïnvesteerd in kennisproductie. Dit wil zeggen dat “in onderwijs en opleiding moet worden geïnvesteerd daar waar het grootste rendement te verwachten valt”.[4] De jeugd moet zich meer voor natuurwetenschappen interesseren, zegt ook UNICE, de Unie van Industriële en Werkgevers Confederaties van Europa (vandaag omgedoopt tot Business Europe)[5],[6].Of nog duidelijker: “De levenslange opleiding moet gebaseerd zijn op de behoeften van de ondernemingen. De individuen moeten ter zake dienende kwalificaties en bekwaamheden ontwikkelen die beantwoorden aan de behoeften van de werkgevers en de arbeidsmarkt.”[7]

Diezelfde logica geldt ook voor het Vlaamse innovatiebeleid, dat in belangrijke mate werd uitgewerkt door prof. Luc Soete, innovatiespecialist, die mee de grondlegger was van het Europese beleid, in aanloop naar de Europese Top in Lissabon (2000).[8] Daar werd het Lissabon-proces goedgekeurd, dat als voorloper geldt van de hierboven vermelde Europa 2020-strategie. Dat Soete’s voorstellen voor Vlaanderen helemaal in de lijn liggen van het Europees beleid, valt dus niet te verwonderen.

Het labyrint van het wetenschapsbeleid in België

Daar waar in de Europese plannen voor wetenschap en innovatie veel nadruk wordt gelegd op internationale samenwerking en coördinatie, gebeurt in België het tegendeel. De verschillende Belgische overheden ontwikkelen elk hun eigen beleid voor Wetenschap en Technologische Innovatie (WTI).

Het Vlaamse Departement Economie Wetenschap en Innovatie (EWI) noemt het versnipperde beleid in België verbloemend “uniek in de Europese Unie”.[9] Vandaag dragen de gewesten en gemeenschappen de hoofdverantwoordelijkheid voor zowel het fundamenteel en toegepast onderzoek als voor de technologische innovatie. “Ze doen dit binnen hun eigen bevoegdheden en via eigen instellingen en rechtsregels, onafhankelijk van andere institutionele spelers in het domein. Zo hebben de federale regering en elke gemeenschapsregering elk een eigen minister of staatssecretaris bevoegd voor wetenschappelijk onderzoek. (…) Elke minister en regering stelt zelf de prioriteiten op voor het eigen WTI-beleid.” Met een budget dat in elk parlement afzonderlijk wordt bediscussieerd. Met telkens ook een apart adviesorgaan voor wetenschappelijk onderzoek. “Elke overheid heeft ook eigen wetenschappelijke en/of onderzoeksinstellingen, actief in al dan niet gelijkaardige werkdomeinen”.[10]

Daar bovenop is er dan een Commissie Federale Samenwerking, die probeert te komen tot gemeenschappelijke standpunten. Maar deze standpunten worden in de internationale samenwerking niet overkoepelend verdedigd. Elke overheid beslist afzonderlijk waaraan ze deelneemt. “Kortom, de samenhang, samenwerking of prioriteitsstelling tussen de verschillende institutionele entiteiten onderling is erg beperkt. (…) Indien er al samenwerking plaatsvindt, spruit ze voort uit de noodzaak om op overkoepelend Belgisch vlak een standpunt in te nemen of aan verslaggeving te doen. Ze is dus veeleer van formele en opgelegde aard, dan gedreven vanuit een inhoudelijke bekommernis, initiatief of knelpunt.”[11] Met de huidige zesde staatshervorming en het N-VA-opbod rond confederalisme, ziet het er niet naar uit dat hier gauw verandering in komt.

Vlaanderen wil voorloper zijn

“Een gezonde, competitieve en duurzame economie is een fundamenteel onderdeel van onze maatschappelijke uitdagingen. Maar oplossingen zullen op hun beurt ook moeten steunen op het economisch draagvlak om duurzaam te zijn”, stelt de conceptnota Innovatiecentrum Vlaanderen over de stroomlijning van het innovatiebeleid in Vlaanderen. Wat onderzoek en ontwikkeling betreft is er dus “geen tegenstelling tussen het streven naar economische meerwaarde en het streven naar maatschappelijke meerwaarde”, is het besluit.[12]

“De mondialisering verplicht ons om gericht en versneld het industrieel weefsel te vernieuwen om het welzijn te vrijwaren. Dit besef maakt onderdeel uit van economische en politieke discussies in Europa. Vlaanderen wil zich positioneren als voorloper, als trekker van die vernieuwing”, stelt Vlaams Minister-President Kris Peeters.[13] De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) schrijft: “Innovatie is een essentieel onderdeel van een Nieuwe Industriële Politiek die een lange termijn transformatie nastreeft van de Vlaamse industrie. Meer onderzoek moet leiden tot nieuwe producten die de competitiviteit van de Vlaamse economie versterkt. Een hoger aantal werkenden in kennisintensieve sectoren, een bredere verspreiding van innovatie in alle sectoren en een groeiend aantal patentaanvragen, dat is het doel. Speerpunt-domeinen zijn ICT (Information Communication Technologies), gezondheidszorg, logistiek en elektriciteitsnetwerken, en eco-innovatie.[14]

De innovatiestrategie is onderdeel van een totaalpakket, samen met de arbeidsflexibiliteit, lagere arbeidskosten, en de daarmee verbonden afbraak van de sociale zekerheid en toenemende armoede. Alles draait om de belangen van de bedrijfswereld, de multinationals en hun aandeelhouders. De ontwikkeling van de ‘kenniseconomie’ moet Vlaanderen positioneren in het koppeloton van een Europa dat de wereldwijde economische oorlog wil winnen tegen andere handelsblokken.[15]

De Vlaamse innovatiestrategie

In april 2012 verscheen het tweede Rapport Soete (na een eerste in 2007).[16] Minister van Innovatie (…én overheidsinvesteringen, én media, én armoedebestrijding) Ingrid Lieten benadrukte het belang van deze rapporten: “Het Vlaams innovatiebeleid sluit opnieuw beter aan bij het Europese innovatiebeleid. Dat maakt dat onze bedrijven en kennisinstellingen met de Europese topspelers in uitdagende projecten grensverleggend werk verrichten.”[17]

Kris Peeters wijst hierbij op de taak van de overheid om de innovatie van de industrie te steunen: “Vandaag wordt 50 % van Onderzoek & Ontwikkeling op wereldvlak uitgevoerd door ‘slechts’ 700 grote bedrijven. Het toont nog maar eens aan dat we onze grote bedrijven in Vlaanderen alle ondersteuning moeten bieden op een verdere groei en ontwikkeling. ”[18] Peeters breekt een lans om het innovatie-onderzoek van de industrie (KMO’s & multinationals) massaal te steunen met publieke fondsen.

Maar waarom worden de kosten gesocialiseerd en de winsten geprivatiseerd? Nieuwe uitvindingen en brevetten worden ten gelde gemaakt zonder volwaardige return op het geïnvesteerde overheidsgeld.[19] Is het niet logisch dat de resultaten van publiek gefinancierd onderzoek ook (mee) onder publieke controle zouden blijven? Bovendien wordt de rol van universiteiten vaak onderbelicht. Nochtans zijn veel innovaties gebaseerd op fundamenteel onderzoek aan de universiteiten, gefinancierd door de belastingbetaler. Ook hier blijkt het resultaat van publieke financiering niet de volwaardige publieke return te krijgen die daar logischerwijze uit voortvloeit.

We analyseren de Vlaamse innovatiestrategie op basis van de nota Innovatiecentrum Vlaanderen” die zich inschrijft in Vlaanderen in Actie 2020, dat ons naar de top vijf van de meest competitieve Europese regio’s moet leiden tegen 2020”.[20]

Wat Onderzoek en Ontwikkeling betreft maakt Innovatiecentrum Vlaanderen een expliciete koppeling van het wetenschappelijke onderzoek enerzijds, en de mogelijk daaruit voortvloeiende ontwikkeling van nieuwe toepassingen anderzijds.

Onderzoek en Ontwikkeling laat veronderstellen dat er een logische evolutie is van fundamenteel onderzoek (verborgen in de eerste term) naar toegepast onderzoek, en uiteindelijk de ontwikkeling van nieuwe toepassingen. Het lijkt alsof die noodzakelijk met elkaar verbonden zijn. Maar fundamenteel onderzoek (en eigenlijk ook toegepast onderzoek) gaat uit van de drang naar kennis. Indien daarbij echt breed op zoek gegaan wordt naar vernieuwende elementen, betekent dit onvermijdelijk dat het in vele, zo niet de meeste gevallen, niet tot een innoverende ontwikkeling zal komen. Dit is onvermijdelijk. Metaforisch moet men onderzoek zien als de drassige vijverbodem die soms de ontwikkeling van een lotusbloem toelaat. Wil men de lotusbloem laten bloeien zonder brede voedingsbodem, dan is de mislukking verzekerd. Door beide te koppelen wil men de illusie wekken dat elk onderzoek zal leiden tot een (liefst winstgevende) ontwikkeling.

Dit feit wordt in de vermelde nota ook erkend: “Wetenschappelijke doorbraken zijn per definitie moeilijk voorspelbaar, planbaar, stuurbaar,… Evenzeer weten we dat deze doorbraken best ontstaan en gedijen in omgevingen die een ruime mate van vrijheid garanderen aan creatieve en vaardige onderzoekers om hun ideeën en hypothesen te ontwikkelen, te materialiseren, en tot verdere en nieuwe inzichten te brengen”. Zelfs de noodzakelijke ‘vrijheid om te dwalen’ in het uitvoeren van niet gericht onderzoek wordt onderschreven. “Niet-gerichtheid houdt dus in dat de uitkomsten van het onderzoek niet kunnen voorzien worden, dat het onderzoek bijgevolg vaak niet a priori kan gericht worden op een welbepaalde, te verwachten maatschappelijk of economische uitkomst.”[21]

Maar hoewel de conceptnota lippendienst bewijst aan het belang van fundamenteel onderzoek, blijkt uit de cijfers dat de drang naar onmiddellijk resultaat zwaar doorweegt. Sinds 1999 wordt om de twee jaar een Indicatorenboek uitgegeven onder de coördinatie van het Interuniversitair Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM).[22] Dit brengt het Vlaams potentieel inzake wetenschap, technologie en innovatie in kaart doorheen een reeks indicatoren.

Daaruit kunnen prioriteiten opgevolgd worden, maar tegelijk toont de keuze van indicatoren aan wat wel en niet belangrijk wordt geacht. Zo worden de cijfers van Onderzoek en Ontwikkeling meestal samen vermeld. Daardoor verdwijnt de (scheve) verhouding van die financiering tussen Onderzoek en Ontwikkeling, en binnen het onderzoek, tussen het toegepast en het niet-gericht fundamenteel onderzoek.

Enig rekenwerk geeft aan dat ‘niet gericht onderzoek’ (waarvan het fundamenteel onderzoek deel uitmaakt) de voorbije jaren blijft hangen rond ongeveer 17 % van het totaal Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid, terwijl het Industrieel Onderzoek (voornamelijk ‘Ontwikkeling’, al zijn hier uitzonderingen op) boven de 30 % uitkomt.[23] Bekijkt men de cijfers voor de universiteiten (waar het fundamenteel onderzoek afzonderlijk wordt gehouden), dan ziet men dat van 2008 tot 2012 de bedragen geleidelijk dalen van 37,4 % in 2008 naar 35,1 % in 2012, terwijl het contractonderzoek met de privésector en de overheidsbijdragen voor toegepast wetenschappelijk onderzoek stijgen.[24]

De Vlaamse subsidiepolitiek spitst zich toe op toegepast onderzoek en ontwikkeling in dienst van de korte termijn, terwijl publieke fondsen daar bovenop massaal de privé-innovatie ondersteunen zonder ‘publieke’ return on investment (in het nadeel van het openbaar onderzoek aan de universiteiten en onderzoeksinstellingen van openbaar nut). Daardoor wordt een dubbele hypotheek gelegd op de toekomst: enerzijds wordt de wetenschap ingezet voor een uitzichtloze concurrentiestrijd. Anderzijds wordt breed, onafhankelijk en fundamenteel onderzoek naar sociale, economische en ecologische alternatieven benadeeld.

Tegen 2020 is 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) voorzien voor O&O, met een verhouding privé/publiek van 2/1. Dus slechts 1 % van het bbp zal aan publiek onderzoek gewijd worden. Het aandeel van de industrie in breed fundamenteel onderzoek is beperkt, aangezien het geen direct resultaat oplevert.

Van die 1 % van het bbp dat aan publiek onderzoek wordt besteed, is nu slechts een kleine helft (0,46 % van het bbp) aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek gewijd (als die 3 % norm bereikt wordt). Bovendien is wat als ‘fundamenteel’ geclassificeerd wordt, vaak ook zeer gericht. Deze financiering is grotendeels bestemd voor de ‘exacte of experimentele wetenschappen’. De ‘zachte’ wetenschappen worden blijkbaar als weinig nuttig beschouwd in functie van de huidige economische uitdagingen, en worden dus per definitie als weinig innoverend beschouwd. Dit blijkt uit het Indicatorenboek 2013: cultuur- en taalwetenschappen gaan er de laatste jaren relatief op achteruit, samen met gedrag- en maatschappijwetenschappen. Bovendien behoren ook de economische wetenschappen tot die maatschappijwetenschappen, en zij hebben minder te lijden van deze achteruitgang.[25] (Zie fig. 1.)

Figuur 1. Evolutie van de kredieten van onderzoeksprojecten , uitgesplitst per wetenschapsgebied 1998-2012.

Onderzoekskredieten per onderzoeksgebied

Daarbij valt op te merken – en we kunnen dat bezwaarlijk een toeval noemen – dat, na de faculteit geneeskunde (63), de faculteit economische wetenschappen (11) aan de KUL. de meeste privaat-gesubsidieerde leerstoelen telt.[26] Zo heeft VOKA bijvoorbeeld een leerstoel in de faculteit economische wetenschappen, en hebben alle big farma bedrijven één of meerdere leerstoelen in de faculteit geneeskunde. De faculteit wetenschappen telt er geen. Het is weinig waarschijnlijk dat een VOKA-gesubsidieerde leerstoel in de economische wetenschappen kritisch zal staan tegenover het algemeen geldende neoliberaal kapitalisme. En nog minder dat deze open zou staan voor onderzoek naar alternatieve economische modellen.

Het evaluatiesysteem is gebaseerd op een achterhaald model van ‘business management’

“Het publiceren gebeurt in functie van de meting, eerder dan in functie van de relevantie voor de wetenschap. De poging om via procedures, regels, wetten en evaluaties allerhande de nukkige realiteit (vooral van de tussenmenselijke relaties) in handen te krijgen, leidt tot steeds nieuwe regels en amendementen, tot overregulering die zelf weer door nieuwe maatregelen aan banden moet worden gelegd. Het fundamentele probleem is dat het afwegen of de regels zelf redelijk zijn, uiteindelijk niet via regels kan worden opgelost”, schrijft Herman De Dijn in Het Beheersingssyndroom.[27]

Voor het fundamenteel onderzoek gebruikt men indicatoren van het evaluatiesysteem ECOOM (expertisecentrum O&O monitoring) en ook van het ISI (Institute for Scientific Information) dat werd gesticht door Eugene Garfield en opgekocht door het mediaconcern Reuters-Thomson. Het bijna 300 pagina’s tellende Indicatorenboek 2013 van ECOOM baseert zich voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek op het cijfermateriaal en indicatoren van ISI, waarvan de waarde al lang door wetenschappers zelf wordt betwijfeld, maar dat vandaag ook in prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften, met een prestige dat op dit cijfermateriaal is gevestigd, wordt aangevochten.

Niet de inhoud van een wetenschappelijke publicatie wordt beoordeeld, maar het aantal, het tijdschrift waarin zij verschijnt en het aantal keren dat zijzelf en hun collega’s ernaar verwijzen. Publicatiedruk en belangenvermenging leiden vaak tot eenzijdige of selectieve beoordelingen en gebruik van resultaten, of tot publicatie van gegevens die niet herhaald kunnen worden (volgens sommige peilingen bedragen deze meer dan 50 % in de biomedische wetenschappen)[28], voor het oogluikend toezien op klinische gegevens dat leidt tot het op de markt brengen van gevaarlijke producten als medicijn, enz.

Ook de hele discussie over genetisch gemodificeerde landbouwproducten verdient geanalyseerd te worden vanuit deze invalshoek van belangenvermenging tussen de universiteit en de industrie. De actievorm tegen de GGO-plantage van BASF in Wetteren had haar voor- en tegenstanders, maar ze heeft ertoe geleid dat de aandacht werd gevestigd op de risico’s voor de gezondheid en de landbouw als de GGO’s in handen zijn van multinationals. De actie wees ook op de noodzaak van een grondig debat over de biodiversiteit, over het patenteren van levend materiaal en over het type van landbouw dat voor de toekomst nodig of wenselijk is.[29]

Doorstroom naar de industrie gaat boven alles

Het ‘Vlaanderen-In Actie’ rapport stelt: “Er moet werk worden gemaakt van een gunstiger klimaat dat mobiliteit van excellente wetenschappers aanmoedigt en een betere wisselwerking met de industrie bewerkstelligt.” Zo moet er nog meer “aandacht gaan naar stage-mogelijkheden voor onderzoekers om de doorstroom naar industrie te stimuleren”.[30] Bovendien wil Minister Lieten jonge onderzoekers beter begeleiden in hun loopbaan. “Dit moet ervoor zorgen dat die jonge bollebozen de juiste vaardigheden opdoen om in hun verdere carrière het beste uit zichzelf te halen. Dit zowel in bedrijven, in de overheid als in de kennisinstellingen. Ik wil die ondersteuning trouwens jaarlijks toekennen en zelfs decretaal verankeren.”[31]

Innovatie, en dus de wetenschap, en dus de wetenschappers moeten in dienst staan van het aanscherpen van de concurrentiepositie van de Vlaamse bedrijfswereld.

Deze rechtstreekse band tussen onderzoek en concurrentie, tussen innovatie en economisch resultaat kunnen we uitgebreid illustreren aan de hand van het tweede rapport-Soete.[32] Zo stelt aanbeveling 2 dat de bevoegdheden voor innovatie en economie best samenvallen “ met het oog op het realiseren van zoveel mogelijk synergie tussen innovatie enerzijds en economie anderzijds.” Zoals hoger vermeld, wordt met “economie” vooral de verdediging van de Vlaamse concurrentiepositie bedoeld. Aanbeveling 8 stelt dat het de expliciete bedoeling is dat de middelen voor het innovatiebeleid “efficiënter / beter worden ingezet voor meer vraaggerichtheid en dus relevantie naar industrie.” Aanbeveling 12 stelt dat de valorisatie “meer aandacht (dient) te krijgen in het onderzoeks- en innovatiebeleid.” Dit vereist mogelijk “een herziening (van de criteria) om te garanderen dat de O&O-bedrijfssteun voldoende aangepast is aan de economische realiteit.”

Deze doelgerichtheid gaat nog veel verder. Aanbeveling 13 trekt deze aanbevelingen door naar de onderzoekers: “Binnen alle instellingen van het hoger onderwijs dient mobiliteit op alle niveaus te worden voorzien. Zo dienen ook onderzoeksmandaten en -statuten in alle wetenschappelijke domeinen geflexibiliseerd te worden, dit met het oog op een inpassing van de betrokken onderzoekers in de brede velden van de arbeidsmarkt. Periodieke (gedeeltelijke) cumulatie met andere activiteiten of onderbrekingen van het mandaat in het kader van de tijdelijke inschakeling in andere sectoren is noodzakelijk.” Onderzoekers moeten ‘geflexibiliseerd’ worden, en gestimuleerd worden om hun onderzoek te combineren met participatie in het bedrijfsleven.

Wetenschap is als een ‘vuurtoren’

Maar er klinkt luid protest. In haar boek How economics shapes science [Hoe de economie de wetenschap modelleert] analyseert Paula Stephan de tegenstelling tussen wetenschap als een ‘openbaar goed’ en de winstlogica van de markt: “Kennis heeft kenmerken van wat economen een publiek goed noemen. Ze is niet exclusief en niet concurrerend. Het klassieke voorbeeld van een publiek goed in de economie, is de vuurtoren. Hij is niet exclusief: eenmaal gebouwd, kan iedereen het gebruiken. Hij is ook niet concurrerend: een extra gebruiker vermindert de hoeveelheid licht niet die beschikbaar is voor anderen. Parallellen kunnen worden getrokken met kennis: eenmaal onderzoeksresultaten openbaar worden gemaakt, is het moeilijk om anderen uit te sluiten van het gebruik van de kennis. En onderzoeksresultaten worden niet uitgeput als ze gedeeld worden. Economen hebben aanzienlijk werk verricht om aan te tonen dat de markt niet echt geschikt is voor de productie van goederen met dergelijke kenmerken. De prikkels zijn er gewoon niet. Als men de toegang niet kan beperken, is het moeilijk om winst te maken. Openbare goederen nodigen uit tot gratis gebruik. Consumenten kunnen de goederen gebruiken zonder ervoor te betalen.”[33]

De vuurtoren staat in brand…

David Weatherall klaagt de beïnvloeding aan van wetenschappelijk onderzoek en publicaties vanuit privébelangen: “De toenemende druk op universiteiten om in bed te duiken met de industrie, resulteert niet altijd in een goede nachtrust voor een van beide partners”, stelt Weatherall in The Lancet.[34] Hij geeft het voorbeeld van het gerespecteerde New England Journal of Medicine uit de Verenigde Staten. Na een beschuldiging in de pers dat twee gepubliceerde artikels geschreven waren door wetenschappers die door de geneesmiddelenindustrie waren betaald, lichtte het tijdschrift alle publicaties van de drie voorgaande jaren over effectiviteit van geneesmiddelen door. Men kwam tot de onthutsende vaststelling dat er in maar liefst 19 op 40 artikels duidelijke belangenvermenging was. In diezelfde periode stelde de Harvard Medical School voor om de richtlijnen rond belangenvermenging te versoepelen, zodat onderzoekers beter zouden kunnen samenwerken met de industrie. De verdediging was dat Harvard daarmee niet permissiever zou worden dan wat al gebeurde aan andere leidinggevende Amerikaanse universiteiten als Stanford en Johns Hopkins. Weatherall toont ook hoe academici aanvaardden om auteur te zijn voor artikels over de effectiviteit van geneesmiddelen geschreven door ghostwriters van de industrie, en waaraan ze niet of nauwelijks hadden meegewerkt. Een ander conflict betreft de afscherming van resultaten, bijvoorbeeld over studies van het menselijk genoom. De openbaarheid van die kennis – die vele academici voorstaan – botst op de industriële belangen die er een competitief voordeel in zien.

Bovendien klaagt Weatherall aan dat regeringen universiteiten onder druk zetten om samen te werken met de industrie (net zoals hierboven wordt voorgesteld voor het Vlaamse innovatiebeleid), om hun resultaten in winstgevende uitvindingen om te zetten.

De nadruk op het ‘ten gelde maken’ van technologische innovaties veranderen de praktijk en de relaties tussen onderzoekers. Als gevolg daarvan ontstaan tegenstellingen tussen wetenschappers met verschillende visies, en tussen de belangen van die wetenschappers en van de instellingen waar ze werken. Owen-Smith en Powell (2001) onderzochten dit fenomeen, en komen tot vier basisopstellingen bij de wetenschappers.[35]

Figuur 2. Typologie van standpunten in de academische wereld over de relaties tussen wetenschap en industrie[36]

Academische wereld over relatie wetenschap-industrie

Prof. A verdedigt een strikte scheiding van de academische en de commerciële wereld, en ziet de commercialisering als een bedreiging. Hij blijft de academische wereld beschouwen als een publiek goed dat iedereen ten goede moet komen, en dus ver weg moet blijven van commerciële belangen.

Prof. C is de wetenschapper-ondernemer die –  in overeenstemming met het huidige beleid – een toenemende convergentie ziet tussen de academische wereld en de industrie, en daar geen probleem mee heeft. Hij is ervan overtuigd dat commercialisering grote kansen biedt, ook voor zijn eigen carrière. Er zijn ook twee tussenposities.

Als ‘terughoudende ondernemer’ is prof. B ervan overtuigd dat de academische wereld en de industrie samen kunnen gaan, maar hij vindt dat commerciële activiteiten de unieke eigenschappen van wetenschappelijk onderzoek bedreigen. Hij ziet het patenteren van resultaten door de onderzoeksinstelling zélf, als een manier om de autonomie van het onderzoek af te schermen van commerciële bemoeienissen. De andere hybride positie, de ‘meewerkende traditionalist’ prof. D, is ervan overtuigd dat commerciële initiatieven de academische cultuur niet bedreigen. Hij werkt samen met de industrie, als raadgever en voor het afsluiten van patenten. Maar voor zichzelf maakt hij een scherp onderscheid tussen beide. En dus ziet hij geen probleem.

Een goed begrip van de inhoud en de tegenstellingen tussen die standpunten, helpt ons de invloed van het beleid op interne tegenstellingen die groeien binnen universiteiten en onderzoeksinstellingen beter te begrijpen. Deze standpunten staan uiteraard ook niet los van een bredere politieke en maatschappelijke visie en van de persoonlijke ethiek van de betrokken wetenschappers.

Waar de ene vinden dat er institutioneel een scherpe aflijning moet komen, ziet de andere het behoud van academische waarden als een individuele verantwoordelijkheid. Moet de academische wereld zichzelf regels opleggen? Is dit een persoonlijk dilemma van elke wetenschapper? Of is er in tegendeel geen enkel probleem en moet de wetenschap ten volle meestappen in die commercialisering? Anderen zien dan weer geen enkel probleem om beiden te mengen als instelling, of om beide als individu te combineren maar ‘strikt gescheiden’ te houden. Dat dit laatste onmogelijk is, blijkt bv. uit de resultaten van een analyse over 425 artikels die verschenen over de grieppaniek van 2009. Van de 60 auteurs gaven er 18 belangenvermenging aan. Deze waren zes maal meer alarmerend dan hun collega’s die geen belangenconflicten hadden.[37]

Het patent op het borstkankergen

Een typisch voorbeeld van het nadeel van de private toe-eigening van publiek onderzoek is de BRCA-saga: het patenteren van het BRCA-gen (breast cancer genes) door Myriad, die het monopolie had van alle prognoses voor borstkanker, gebaseerd op het gen-brevet. Dat duurde tot het hoogste gerechtshof van de Verenigde Staten in 2013 het patenteren van genen verbood. Ondertussen kunnen zij toch gebruik maken van alle DNA-stalen die hen werden opgezonden om nieuwe opsporingsmiddelen te ontwikkelen. De patiënten moeten niet alleen veel betalen voor de diagnose maar bovendien profiteert het vennootschap ervan om zich beter op de markt te positioneren. Indien het BRCA-gen van bij de ontdekking vrij ter beschikking zou zijn geweest voor alle onderzoekers, dan had de behandeling van borstkanker nu veel verder kunnen staan. Marktgericht onderzoek gebeurt hier in het nadeel van de patiënten.[38],[39]

De eerder geanalyseerde drang naar commerciële toepassingen die snelle winst verzekeren, dreigt te leiden tot verminderde aandacht voor fundamentele research. Een typevoorbeeld daarvan zijn de me-toos in de geneesmiddelenindustrie, geneesmiddelen waarvan de basisstructuur licht wordt gewijzigd, maar dezelfde effectiviteit hebben als het oorspronkelijke geneesmiddel. Maar het gaat om een ‘nieuw’ product… Dus kan door een nieuw patent (en een grootse reclamecampagne) de verkoopprijs hoog gehouden worden.

Een grondig en permanent debat over de rol van universiteiten en onderzoeksinstellingen, en van academici en onderzoekers, moet leiden tot een gedragscode die elke dubbelzinnige interpretatie vermijdt. Dit debat kan niet gevoerd worden buiten haar maatschappelijke context. De huidige crisis en het vasthouden aan het Europese concurrentiebeleid als “oplossing”, leidt tot een vlucht vooruit naar méér instrumentalisering van het wetenschappelijk onderzoek.

De universiteit als dienstmaagd van de industrie is één zaak, maar het doordringen van de commerciële logica in de universiteiten zelf is nog een stap verder. Steeds meer worden de universiteiten zélf ook als ‘industrie’ beschouwd, als entiteiten die een groeiend deel van hun financiering zelf moeten genereren. Horizon 2020 heeft de mond vol over samenwerking, maar scherpt een dodelijke concurrentie aan tussen de instellingen om zoveel mogelijk geld uit de steeds competitiever wordende Europese en nationale potten ‘binnen te halen’.

Daarbij wordt concurrentie en competitie ook binnen de wetenschap als zaligmakend beschouwd. Dit leidt ertoe dat steeds meer onderzoekfondsen competitief worden toegewezen. Deze trend ziet men ook binnen onderzoeksinstellingen, waarbij samenwerking tussen onderzoekers en onderzoeksgroepen wordt gedwarsboomd door het competitief toekennen van middelen en mensen. In een complexe wetenschappelijke wereld waar multidisciplinaire samenwerking een noodzaak is, werkt dit contraproductief.

“Bedrijfsbestuurders hebben Amerikaanse universiteiten overgenomen. Voor hen moeten deze instellingen voor hoger onderwijs niet langer fungeren als bakens van kennis”, stelt Benjamin Ginsberg. “Een recente studie toonde aan dat in de meeste scholen tussen 1997 en 2007, het aantal administratieve en ondersteunende personeelsleden per honderd studenten dramatisch was toegenomen – 103 % bij Williams College; 111 % bij Johns Hopkins; 325 % bij Wake Forest University; en 351 % bij Yeshiva University.”[40]

Zij zijn vooral bezorgd om het verzilveren van wetenschap in contracten en fondsen.

In het nieuwe universitaire model dat opgang maakt, zijn de strategische imperatieven van output-efficiëntie boven de waarden en normen van het inhoudelijke vakgebied komen te staan. Universiteiten, faculteiten, departementen en individuen worden steeds meer gedwongen elkaars concurrenten te zijn voor de beschikbare fondsen. De relaties tussen werkgever en werknemer, tussen collega’s en studenten zijn niet langer gebaseerd op vertrouwen maar op contract en competitie. Er moet daarom ook voortdurend gemeten worden – ook al is iedereen het erover eens dat we voor bepaalde zaken artificiële evaluatiecriteria hebben.[41]

Besluit: het denkkader over innovatie openbreken

De doelstelling van de Europese Unie – en dus ook die van de Vlaamse regering – om een kenniseconomie te ontwikkelen klinkt aantrekkelijk. Wie kan nu tegen een ‘slimme economie’ zijn? Een economie waarin zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van nieuwe technologieën kan het werk immers veel gemakkelijker maken, en het leven rustiger, duurzamer en veiliger voor iedereen.

Maar het kapitalistische productiemodel loopt zich te pletter tegen de muur van de overproductie, groeiende uitbuiting van mens en natuur, en toenemende ongelijkheid. De Europese kenniseconomie is niet inclusief, in tegendeel. Ze duwt steeds meer mensen opzij. De problemen blijven zich opstapelen. En wat is het antwoord van Europa en van Vlaanderen? Volle kracht vooruit!

In Le Monde van 6 november 2013 stelt CERN[42] fysicus Marco Zito zich de vraag of de markt de ‘nieuwe horizon’ is voor de wetenschappen, in het Horizon 2020-programma van de Europese Unie. Als we de wetenschap overlaten aan de privésector, schrijft hij, “zal die leiden tot een onderproductie en afremming, waar de maatschappij onder lijdt.” Hij verwijst daarvoor naar de farmaceutische industrie, waar veel winst wordt gemaakt, maar waar massaal meer geld wordt geïnvesteerd om snel nieuwe patenten te bekomen, dan om consequent op zoek te gaan naar nieuwe geneesmiddelen.” [43],[44] Zijn besluit: “Met hun droom van een ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek op basis van de markt, de winst en de korte termijn, hebben de beslissers in Brussel een achterstand van verscheidene decennia en een heuse crisis.” Een andere wetenschap is mogelijk, stelt hij. Ook voor hem moet de ontwikkeling van de wetenschappen door de openbare sector in handen genomen worden.[45]

Systeem-innovatie

Vlaanderen in Actie stelt: “Grote maatschappelijke uitdagingen, zoals passende antwoorden vinden op veroudering en gezondheidszorg, efficiënt omgaan met mobiliteit en logistiek, de ontwikkeling van duurzame stedengewesten… vereisen een systemische kijk op het innovatieproces. Er ontstaat daardoor een nieuw type innovatie waarbij gericht en niet-gericht onderzoek elkaar aanvullen en verweven worden doorheen de verschillende afzonderlijke maar complementaire bouwstenen van een geïntegreerd innovatiesysteem. Bij wijze van voorbeeld: een systemische kijk op innovatie voor een duurzaam groen stedengewest vereist een geïntegreerd samenspel van innovaties op energievlak, op vlak van duurzaam bouwen, op vlak van organisatie, op vlak van mobiliteit, op vlak van maatschappelijke integratie. Met andere woorden, het vereist systeeminnovatie.”[46]

De tegenstelling tussen het Vlaamse discours over ‘systeeminnovatie’ en de realiteit van het enge concurrentiepositie-denken voelt scherp aan. Hiermee wordt duidelijk hoe broodnodig het is om dit innovatie-denkkader zélf open te breken. Het huidige maatschappijmodel heeft haar limieten bereikt. Er is de economische crisis, de sociale crisis, de ecologische en klimaatcrisis, de energetische crisis, de migratiecrisis, de demografische crisis, (…) Niemand gelooft écht dat het nog verder kan zonder fundamentele koerswijziging.

Onderzoekers worden soms gezien als relatief geprivilegieerde groep. Dat ook hier enorme wantoestanden bestaan van tijdelijke contracten en onzekere toekomstperspectieven valt buiten de doelstellingen van deze bijdrage. Maar intellectuele arbeid staat vandaag evenzeer als handenarbeid in dienst van de kleine economische elite van BusinessEurope en haar aandeelhouders. Binnen de onderzoeksinstellingen groeit het ongenoegen over de vaak ‘utilitaristische’ visie op wetenschap vanuit het Europese en Vlaamse beleidsvoerders waarbij alles in dienst staat van die economische ratrace die vooral veel verliezers kent.

Rijmt ‘universiteit’ nog op ‘kwaliteit’? vragen Bruno De Wever (UGent), Nicolas Standaert (KULeuven), Guy Vanheeswijck (UAntwerpen) en Frank Willaert (UAntwerpen) zich af. “De overheersende verzuchting is: wanneer kunnen we nog bezig zijn met onze corebusiness: onderwijs, onderzoek en dienstverlening? (…) Sommige mechanismen zorgen er voor dat de universiteit nu minder dienstbaar is aan de brede gemeenschap, terwijl zij die dienstbaarheid niet alleen aan de maatschappij verschuldigd is, maar haar ook graag wil aanbieden.” Bovendien leidt de nadruk op onderzoek “tot een ontmoediging van universitair onderwijs, een ander gebied waarop men de band met de samenleving kan versterken”. Docenten geraken dubbel ontmoedigd: hun onderwijs weegt niet op tegen onderzoek terwijl ze tegelijk ondergesneeuwd worden door onderwijsbureaucratie. Zij besluiten: “In haar ambitie om de universiteiten tot uithangbord te maken van de kennismaatschappij dreigt de overheid zo precies het tegenovergestelde te bereiken van wat ze beoogt: een uitdieping van de kloof tussen universiteit en maatschappij. Terwijl zoveel academici niets liever willen dan van hun berg af te komen en hun wetenschap op straten en pleinen mee te delen.”[47]

Het wetenschappelijk onderzoek moet een voortdurende interactie met de maatschappij moet onderhouden en uitgaan van het algemeen openbaar belang. Dat veronderstelt dat men buiten een politiek en economisch kader treedt dat zich voor alles bekommert om winst. Een breed maatschappelijk debat hierover is noodzakelijk en de wetenschappers hebben hierin eveneens hun plaats naast andere bevolkingsgroepen. De wetenschappers, het onderzoek en de kennis moet worden bevrijd van de hierboven geanalyseerde limieten. Dan kunnen ze echt in dienst staan van iedereen en niet alleen van ondernemers. Dat kan worden gerealiseerd in een maatschappij waarin de belangrijkste productiemiddelen collectief bezit zijn. Collectief bestuur en duurzaam beheer van de natuurlijke rijkdommen zijn dan mogelijk.

Pol De Vos (poldevos at mail.com) is arts en dokter in de medische wetenschappen (Universiteit Gent), en werkt in het Departement Volksgezondheid van het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen. Hij is medewerker van de Studiedienst van de Partij van de Arbeid van België.

Johan Hoebeke (j.hoebeke at kynet.be) promoveerde als dokter in de wetenschappen (specialiteit biochemie) aan de KUL. Na vijf jaren les te hebben gegeven aan de Lovanium universiteit in de Democratische Republiek van Congo, werd hij vorser bij Janssen Pharmaceutica in Beerse. Om politieke redenen ontslagen, keerde hij terug naar fundamenteel onderzoek, eerst aan de VUB. en vervolgens aan het Centre National de Recherche Scientifique waar hij achtereenvolgens werkte in het Institut Jacques Monod (Parijs), het Wallenberglaboratorium aan de Universiteit van Göteborg (Zweden), de Universiteit van Tours en tenslotte het Institut de Biologie moléculaire et cellulaire (Straatsburg). Zijn domein beslaat moleculaire immunologie en farmacologie. Sinds 1 jaar geeft hij de Franstalige cursus over Marx en Darwin aan de Marxistische Universiteit (IMAST).


[1]     Pol De Vos, “Vlaanderen en het neoliberaal regionalisme”, Marxistische Studies, nr. 104, 2013.

[2]     Zie: ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm.

[3]     ViA 2020. Innovatiecentrum Vlaanderen Conceptnota over de stroomlijning van het gericht innovatiebeleid. (p. 17). Zie: http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2011-2012/g1394-1.pdf.

[4]     Europese Commissie, Lissabon waarmaken. Hervormingen voor de uitgebreide Unie, Verslag van de Commissie voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad, Brussel, 20 februari 2004, p. 12. Geciteerd in Henri Houben, “Het nieuwe hoofddoel van de Europese Unie: de Lissabon strategie”, Marxistische Studies, nr. 65, 2004.

[5]     UNICE, Lisbon Strategy. Status 2003, Time is running out, action needed now, december 2002, p. 7. Geciteerd in Henri Houben, Marxistische Studies, nr. 65, 2004.

[7]     UNICE, Prise de position de l’UNICE sur la coopération future de l’Union européenne dans le domaine de l’éducation et la formation, Brussel, 2000, p. 3. Geciteerd in Henri Houben, Marxistische Studies, nr. 65, 2004.

[8]     Luc Soete (Sint-Jans-Molenbeek, 1950), oprichter van het Maastricht Economic Research Institute on Innovation and Technology (MERIT), later samengevoegd met het Institute for New Technologies van de United Nations University. Hij kan beschouwd worden als één van de grondleggers van innovatiestudies, “een breed multidisciplinair gebied dat de aard, oorsprong, en de determinanten en sociaal maatschappelijke gevolgen van innovatie probeert bloot te leggen”.

[9]     EWI-Review, nr. 3, januari 2008.

[10]    Idem.

[11]    Idem.

[12]    ViA 2020. Innovatiecentrum Vlaanderen Conceptnota over de stroomlijning van het gericht innovatiebeleid. (p. 15)

[13]    Kris Peeters, Toespraak op de Staten-Generaal van de Industrie, 5 februari 2010.

[14]    Serv, Innovatie voor meer economsiche groei. Zie: www.serv.be/serv/innovatie, geraadpleegd op 9 november 2013.

[15]    Henri Houben, “Het nieuwe hoofddoel van de Europese Unie: de Lissabon strategie”, Marxistische Studies, nr. 65, 2004.

[16]    Rapport Expertgroep Soete 2012. Expertgroep voor de doorlichting van het Vlaams innovatieinstrumentarium. Zie: http://www.ewi-vlaanderen.be/ewi/nieuws/tweede-rapport-soete-over-innova....

[17]    Minister Ingrid Lieten, Persmededeling 2 mei 2012.

[18]    Toespraak Peeters op de Staten-Generaal van de Industrie, 5 februari 2010.

[19]    Gus Schaefer, The value of public-private partnerships in driving innovation, 27 augustus 2013. Zie: http://thehill.com/blogs/congress-blog/economy-a-budget/318805-the-value....

[20]    Vlaanderen in Actie. Innovatiecentrum Vlaanderen. Zie: ww.agentschapondernemen.be/sites/default/files/documenten/oo_fvt_conceptnota_innovatiecentrum_vlaanderen.pdf. Geraadpleegd op 24.01.2014.

[21]    Vlaanderen in Actie, Ibidem, p. 7. Geraadpleegd op 24/01/2014.

[23]    ECOOM, Indicatorenboek 2013, Tabel 8.2, p. 131. Zie: http://www.ecoom.be/sites/ecoom.be/files/downloads/indicatorenboek2013.pdf.

[24]    ECOOM, Indicatorenboek 2013, Tabel 8.2, p. 133 en Tabel 7.6, p. 113.

[25]    ECOOM, Indicatorenboek 2013, Figuur 8.5, p. 136.

[27]    Herman De Dijn, “Het beheersingssyndroom. Vragen bij de obsessie met evaluaties”. In: Patrick Develtere et al. (red) Werk en Wereld. Confronterende visie op onderzoek en samenleving, Leuven, Lannoo Campus, 2007, p. 40-48.

[28]    F. Prinz, T. Schlange, K. Asadullah, “Believe it or not : how much can we rely on published data on potential drug targets”, Nature Rev. Drug Discovery, 2011, Vol. 10, p. 712. C.G. Begley and L.M. Ellis, “Drug development: raise standards of preclinical cancer research”, Nature, 2012, Vol. 483, p. 531-533.

[29]    I. Stengers, Une autre science est possible, La Découverte, 2013 ; p. 86-90.

[30]    Tweede rapport Soete over innovatie Vlaanderen – 17 aanbevelingen. Zie: http://www.ewi-vlaanderen.be/ewi/nieuws/tweede-rapport-soete-over-innova.... Geraadpleegd op 24.01.2014.

[31]    Ibidem. Geraadpleegd op 24/01/2014.

[32]    Tweede rapport Soete, april 2012. Zie: www.innovatiecentrum.be/publicatie/23-jBQosgN2uf.pdf.

[33]    Paula Stephan, How Economics Shapes Science, Harvard College, 2012, p. 6.

[34]    David Weatherall, Academia and industry: increasingly uneasy bedfellows, The Lancet 355, 1574, 6 mei 2000.

[35]    Jason Owen-Smith, Walter W. Powell, Careers and contradictions: faculty responses to the transformation of knowledge and its uses in the life sciences. Research in the Sociology of Work, 2001, Vol. 10, The Transformation of Work. p. 109-140. [DOI: 10.1016/S0277-2833(01)80023-6]

[36]    Idem.

[37]    Mandeville et al., Academics and competing interests in H1N1 influenza media reporting. J. Epidemiol, Community Health. [DOI: 10.1136]

[38]    Science, 2013, Vol. 340, p. 1387-1388.

[39]    E.R. Gold and J. Carbone, Genet. Med., 2010, 12, S39-S70.

[40]    Benjamin Ginsberg, Faculty Fallout, Oxford University Press, augustus 2011.

[41]    Patrick Loobuyck, “De universiteit, een denkfabriekje”, De Standaard, 21 november 2013. p. 37.

[42]    CERN, Europese Organisatie voor Nucleaire Research. Zie: http://cern.ch.

[43]    John Cassidy, How Markets fail. Farrar, Straus and Giroux, 2010.

[44]    Dirk Van Duppen, De Cholesteroloorlog. Waarom geneesmiddelen zo duur zijn, EPO, 2004.

[45]    Marco Zito, “Le marché, nouvel horizon de la science? ”, Le Monde Le Monde des Sciences, 6 november 2013.

[46]    Vlaanderen in Actie. Pact 2020. (2013) ViA Doorbraak. Innovatiecentrum Vlaanderen, Conceptnota over de stroomlijning van het gericht innovatiebeleid. Inleiding, p.  2-3.

[47]    De Standaard, 21 augustus 2013.