Justitie, politie en democratische rechten: de situatie is kritiek

Auteur: 
Joke Callewaert

De nieuwe Belgische regering is er een voor de rijken. Dat druipt van elke zin van de regeringsverklaring, ook op het vlak van justitie en politie. Voor de gewone man is er meer controle, meer repressie en moeilijker toegang tot het gerecht, terwijl de rijken kunnen rekenen op begrip en zelfs laksheid.

     In deze regering Michel-De Wever krijgt de minister van Binnenlandse Zaken, N-VA’er Jambon een nooit geziene macht. Het is duidelijk dat de regering zich opmaakt voor een scherpe reactie tegen haar maatregelen die de economische en sociale rechten van brede lagen van de bevolking aantasten.

Justitie: continuïteit in de verkeerde richting

Het luik justitie in dit regeerakkoord ligt in het verlengde van dit van de vorige regeringen: versterking van het klassenkarakter van onze rechtspraak. Denk maar aan de minnelijke schikkingen in financiële criminaliteitsdossiers van gigantische fraudezaken, Omega Diamonds, Chodiev, Bois Sauvage ... allemaal afgesloten met vrijstelling van verdere vervolging.

     Het zet de antidemocratische trend van het beleid van de vorige regeringen verder: minnelijke schikkingen in belangrijke financiële fraudedossiers, inmenging van de rechtbanken in sociale conflicten via dwangsommen, verscherpte controle op magistraten, privatisering van het gerechtelijk apparaat, een ‘hervorming’ van het pro-deosysteem waardoor justitie minder toegankelijk en duurder wordt, invoering van btw op diensten van de advocaat, een onbegrijpelijk juridisch taaltje en rituelen die veraf staan van de gewone sterveling.

     De beweging rond de verdwenen kinderen zette deze problematiek op de agenda: de toegankelijkheid, de transparantie, de taal, de werking van justitie. Ze eiste een justitie die meer toegankelijk is, dicht bij het volk staat, participatief is en gericht op herstel. Maar we staan steeds verder af van deze wil tot democratisering. Deze regering gaat precies de andere kant op.

Toegang tot justitie: hogere drempels voor de gewone man

Justitie beroert vele burgers. Het rechtssysteem raakt aan de gevoelens van rechtvaardigheid en billijkheid. De regeringsverklaring[1] staat vol mooie woorden zoals “justitie is er voor iedereen” en “de sociale dimensie is cruciaal”. Maar na het lezen van de echte maatregelen komen we tot andere besluiten.

     Teveel mensen zouden naar de rechter stappen en dat ondermijnt ons rechtssysteem. Met argumenten als “de rechtspraak is een kostbaar goed” en de strijd tegen “overconsumptie” (p. 113) maakt men het gerecht voor de gewone burger nog ontoegankelijker dan het al is.

     Minderbedeelde mensen kunnen genieten van rechtsbijstand om zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen. Deze begrotingspost moet verminderen. (p. 114) Mensen met een laag inkomen (max. 944 euro voor een alleenstaande) kunnen voor een uitvoerig juridisch advies of rechtsbijstand beroep doen op een gratis of pro-Deoadvocaat. Op dit gebied wemelt het van de misbruiken volgens de regering. De oplossing: de voorwaarden strenger maken en die misbruiken aanpakken. De regering verheft een randverschijnsel tot hot item. Ze gaat helemaal voorbij aan de kern van het probleem: de al jaren aanslepende onderfinanciering van het pro-Deosysteem. In plaats van hier iets aan te doen, neemt ze de pro-Deoklanten en hun advocaten in het vizier. Ze gaat verder met de frontale aanval die minister Turtelboom onder de regering Di Rupo al ingezet had op dit systeem.

     Er komt ook een remgeld “waarbij een deel van de kost van de juridische tweedelijnsbijstand op de rechtzoekende zal verhaald worden” (p. 114). Het afschaffen van “het onweerlegbaar vermoeden van behoeftigheid” betekent dat alle inkomsten in aanmerking genomen worden om recht te hebben op rechtsbijstand (mensen zullen moeten bewijzen dat ze bijvoorbeeld geen spaargeld hebben).

     Rolrechten en griffierechten gaan omhoog (p. 115). Betaal je deze kosten niet, dan is de kans groot dat je zaak niet in behandeling wordt genomen. In 2012 onder de regering Di Rupo gingen deze kosten ook al omhoog.

     We zouden de rechtspraak toegankelijk kunnen maken door de oprichting van een soort mutualiteit naar analogie met de gezondheidszorg. De garanties voor gezondheidszorg zijn in ons land veel democratischer dan voor rechtspraak. De regering trekt liever de kaart van een rechtsbijstandsverzekering. (p. 115) In plaats van het grondwettelijk recht op juridische bijstand veilig te stellen, drijft deze regering de mensen naar privéverzekeringen en wil de financiële tussenkomst van de staat beperken tot een vastgelegde enveloppe.

     De eigen financiële inbreng van burgers die beroep willen doen op justitie, gaat dus fors omhoog. Maar het feit dat rechtspraak onbetaalbaar is voor mensen zonder geld, leidt er ook toe dat mensen steeds vaker worden opgelicht, bijvoorbeeld via Internet, en toch geen klacht indienen. Het geeft oplichters en zwendelaars vrij spel.

     De eisen die de beweging voor een betere rechtsbijstand gesteld heeft, worden volledig genegeerd. Het pro-Deosysteem moet een volwaardige financiering krijgen, met op de eerste plaats een drastische verhoging van het budget.

Strafbeleid: harde aanpak, maar niet voor financiële criminaliteit en grote fraude

Het hoofdstuk strafrechtelijk beleid heeft als uitgangspunt dat het “onaanvaardbaar is in een moderne democratische samenleving” dat er een “gevoel van straffeloosheid” is bij de daders en een “gevoel van onrechtvaardigheid en onveiligheid” bij de slachtoffers (p. 118). Dat is zo. Maar dat geldt duidelijk niet voor het rijk volk. De fel gecontesteerde afkoopwet waardoor vooral financiële criminelen en fraudeurs mits betaling hun vervolging kunnen afkopen, blijft gehandhaafd. Voor die categorie geldt geen hardere aanpak. De regering zal “de diensten betrokken bij de bestrijding van financiële en economische criminaliteit versterken” (p. 138). Maar daar verwacht ze blijkbaar niet zo veel van. Ze voorziet nu al dat de strijd tegen de fiscale fraude slechts een vijfde zal opleveren van het bedrag dat in 2014 werd opgehaald.

     De regering wil de verjaringstermijn voor misdaden waarop levenslange gevangenisstraf staat en die in bende zijn gepleegd, op 20 jaar brengen. Ze beroept zich op het argument van de mogelijke verjaring van het dossier van de Bende van Nijvel. Ook voor zware gewelddaden tegen minderjarigen wil ze de verjaringstermijn optrekken tot 20 jaar.

     Op zich is er niets tegen een lange verjaringstermijn voor zeer zware misdaden. Nog maar enkele jaren geleden werden de verjaringstermijnen voor die twee misdrijven al drastisch verhoogd. De belangrijkste verjaringen in zaken van de voorbije jaren deden zich echter voor in verband met financiële misdrijven, omdat het onderzoek bewust of onbewust veel te lang aansleepte. Over het verlengen van de verjaringstermijnen voor dit soort zaken rept de regering met geen woord.

     Ook de invoering van de ‘beveiligingsperiode’, waarbij de rechter die het vonnis uitspreekt een termijn kan opleggen vooraleer de veroordeelde vervroegd kan vrijkomen, is historisch een nieuwe stap in een strengere repressie.

     Deze ‘beveiligingsperiode’ maakt voor bepaalde misdrijven een einde aan een 125 jaar oude regel die zijn nut onmiskenbaar bewezen heeft. Voortaan kan de rechter de mogelijkheid op vervroegde vrijlating voor een vaste periode blokkeren. In landen waar een gelijkaardig systeem (niet samendrukbare straffen) bestaat, in de VS bijvoorbeeld, heeft dit niet geleid tot minder criminaliteit. De vraag is ook of de invoering van deze maatregel het probleem van de overbevolking en spanningen in de gevangenissen niet zal verhogen, om nog te zwijgen over de kostprijs. Vooraleer dergelijke maatregel door te voeren, zou best advies worden ingewonnen van experts op gebied van criminologie.

     We stellen vast dat veroordeelden vandaag veel vaker een gevangenisstraf krijgen. Een duidelijke tendens tot het uitspreken van strengere straffen. Dit heeft overigens veel meer te maken met de crisis van vandaag en het ‘straffen van de armen’ (die steeds met meer zijn), dan met het feit dat er echt veel meer criminaliteit zou zijn.

     Tussen 1980 en 2004 nam de gevangenisbevolking toe met 63 %.[2] In 2000 telden we 8.688 gedetineerden. In 2012 waren dat er 11.107.[3] Dat betekent een verhoging van het aantal gedetineerden met ongeveer 30 %. Maar die stijging weerspiegelt op geen enkele manier een overeenkomstige stijging van de criminaliteitscijfers. Voor de periode 2000-2012 stijgen deze cijfers maar met 10 %.[4]

     De toename van de gevangenisbevolking is het gevolg van het feit dat daders van kleine delicten in tijden van crisis strengere straffen oplopen. Omgekeerd zien we in periodes van economische groei meer alternatieve straffen en ook veel meer vervroegde vrijlatingen. Een onderzoek, dat zich uitstrekte over 165 jaar, toont het bestaan van deze tendens aan. Door meer te focussen op criminaliteit als reden van onveiligheid, wordt de aandacht afgeleid van de echte redenen van onveiligheid, de economische onzekerheid als gevolg van de financiële en economische crisis waarop de staat antwoordt met een sanerings- en inleveringsbeleid.

     Guy Houchon formuleert het als volgt: “Hoe meer de staat zich terugtrekt door de deregulering van het sociale en economische leven om de marktwetten te laten spelen, hoe groter hij de ruimte maakt die effectief door het strafrecht wordt ingenomen in de sociale controle, in de klassieke gevallen van bescherming van eigendom en tegen geweld; hij vindt hierin een middel tot legitimatie van zichzelf.”[5] Bruno Aubusson de Cavarlay omschrijft in zijn studie van 1985 het doelpubliek van het strafrecht en meer in het bijzonder van gevangenisstraffen als “jonge mannen, dikwijls van vreemde afkomst, arbeiders in een zeer onstabiele werksituatie of werkloos”. Hij stelt: “De boete is burgerlijk en kleinburgerlijk, voorwaardelijke straffen zijn voor het volk, de effectieve gevangenisstraf is voor het subproletariaat.”[6]

     Ook Loïc Wacquant verdedigt deze stelling. De rechtbanken gaan werkloosheid en professionele onzekerheid op individueel niveau zeer streng bestraffen. Individuen die geen deel uitmaken van de arbeidsmarkt, worden voor eenzelfde misdrijf ‘over-bestraft’ met effectieve gevangenisstraffen.

     Loïc Wacquant wijst er bovendien op dat het racisme, gevoed door bepaalde media en (extreem) rechtse politieke partijen, nog een extra criminaliserend effect heeft. Migranten zijn des te meer ‘doelpubliek’ en slachtoffer van zwaardere straffen. Hij heeft het in dit verband over het ‘criminaliseren van de migrant’. In 1997 lag het aantal opgesloten migranten zes keer hoger dan het aantal opgesloten Belgen: 2.840 tegen 510, per 100.000 inwoners.[7]

     Verder wil deze regering ook nieuwe straffen invoeren. Zo onder meer het verbod voor wie niet over de Belgische nationaliteit beschikt om tijdelijk of definitief op het grondgebied te verblijven (p. 117). Dit betekent een herinvoering van de dubbele straf voor vreemdelingen. Het is een vorm van geïnstitutionaliseerde discriminatie. Deze straf kan immers alleen op vreemdelingen toegepast worden.

     Er bestaat wel degelijk een verband tussen het stijgen van de gevangenispopulatie en het toenemen van de crisis en de economische onzekerheid. Gerechtelijk apparaat en wetgevende macht spelen hierin beide een rol. De wetgever via het al dan niet strafbaar stellen van bepaalde feiten. In het verleden wist de overheid de gevangenisbevolking te verminderen door landloperij als misdrijf uit het strafrecht te halen. Daarnaast speelt het gerechtelijk apparaat ook een rol door de manier waarop het strafrecht wordt toegepast.

     Verschillende spelers (politie, parket, rechters) nemen vandaag in crisisperiode allerlei beslissingen die van invloed zijn op de werking van het strafrechtelijk systeem. Stuk voor stuk beslissingen die in een algemeen klimaat van onzekerheid blijkbaar de voorkeur geven aan oplossingen die zwaardere straffen inhouden. Rechters horen dagelijks de kritiek – vaak onterecht – dat ze veel te laks zijn. Dit kan hen natuurlijk beïnvloeden. Het kan een invloed hebben op hun besluit om iemand in voorlopige hechtenis te houden en te straffen, of vrij te laten.

We lezen in de motivering van een rechter die een zware straf uitspreekt, dikwijls een zinnetje in termen van “hebben bijgedragen tot het versterken van het gevoel van onzekerheid”.

     Het gerecht zou meer op herstel moeten gericht zijn: minder straffen en meer herstellen. Justitie zou moeten mikken op het herstel van de maatschappelijke cohesie in plaats van mee te gaan in die eindeloze spiraal van almaar zwaardere straffen waarvan de doeltreffendheid verre van bewezen is.

De rechten van de verdediging in het gedrang

De regering Michel-De Wever wil ook ingrijpen in de strafprocedure “om maximaal procedurefouten te vermijden” (p. 118). We kunnen ons verwachten aan maatregelen die het voor de verdediging nog moeilijker maken om fouten in de strafprocedure op te werpen. Toch zijn procedureregels belangrijk. Ze bieden de noodzakelijke garanties dat politie, parket en onderzoeksrechter tijdens het strafonderzoek de fundamentele mensenrechten respecteren, zoals privacy en recht op verdediging. Dit is cruciaal in een rechtsstaat. De zittende magistratuur (de rechters) moeten volledige controle kunnen uitoefenen op het onderzoek door parket, onderzoeksrechter en politie. Advocaten moeten dit in het kader van de verdediging kunnen aankaarten.

     In dezelfde lijn ligt het voornemen van de regering om de Salduz-procedure te evalueren. Door deze procedure mag een advocaat de verdachte bijstaan bij het politieverhoor en het verhoor bij de onderzoeksrechter. Doel van haar evaluatie: “een beter evenwicht tussen de rechten van de verdediging en de bijkomende werklast voor justitie en de politiediensten” (p. 119). De regering heeft zich nochtans te houden aan de Salduz-rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het gaat niet op de bijstand van een advocaat af te wegen aan de werklast van de politie. Het is geen kwestie van evenwicht, maar van respect voor de rechten van verdediging. Het is een taak van de regering te zorgen dat de politie voldoende mensen en middelen heeft om dit recht te doen naleven.

     Daarnaast is deze regering ook van plan specifieke kamers in te richten voor snelrechtprocedures (p. 119). Het risico van snelrechtprocedures is dat er geen tijd meer is voor ernstig onderzoek en dat advocaten hun verdediging niet grondig kunnen voorbereiden. Dat zet het recht op een eerlijk proces op de helling. De PVDA is er niet tegen dat er snel recht wordt gesproken, maar met respect voor de rechten van verdediging.

     Er komt een procedure voor “schuldig pleiten” (plea bargening) (p. 119). Het maakt van Justitie nog meer een koehandel. Ook dit brengt het recht op een eerlijk proces in het gedrang. Het zou mensen die onschuldig zijn, kunnen aanzetten iets te bekennen dat ze niet hebben gedaan, om erger te voorkomen. Met het gevaar dat de aanklacht geen grondig onderzoek krijgt: de (on-)schuldige heeft toch al bekend. Ook dit is een breuk met de Belgische strafrechttraditie die altijd geopteerd heeft voor de regels van een strafproces met aanklacht en verdediging.

     De regering wil dat de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling in de gevangenissen zelf zetelen en dat de correctionele zittingszalen in de nieuwe gevangenissen worden gebruikt (p. 124). Ze gaat een proefproject “proces per videoconferentie” opzetten. (p. 124) Voor Françoise Tulkens, emeritus rechter bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, komt hierdoor het fundamenteel principe van een openbaar proces in het gedrang.[8]

Gerechtelijke organisatie

Efficiëntie en management als breekijzer tegen de democratie

Democratische rechtspraak vereist tijd en middelen en is een noodzakelijke kost voor de maatschappij. De traagheid van justitie moet aangepakt worden. Dit kan door justitie te decentraliseren tot op het niveau dat het dichtst bij de burger is gelegen en door burgers actief te betrekken in het juridische proces. Nu ‘ondergaan’ de burgers het hele rechtsgebeuren.

     België is al meermaals veroordeeld voor zijn gerechtelijke achterstand. De regering wil die nu wegwerken. Maar deze regeringsverklaring ligt in dezelfde lijn als die van de vorige regeringen. Allemaal beloofden ze een betere, snellere en efficiëntere justitie. Ook nu weer vertaalt de regering deze belofte in een ‘manager’-benadering. De concentratie van middelen verwijdert de juridische gesprekspartners en gewone burgers nog verder van elkaar. Centraal staat de grondige herziening van het beheer van de rechterlijke orde door grotere management- en budgettaire bevoegdheden te geven aan de korpschefs (p. 108). De korpschefs worden beoordeeld op basis van managementcapaciteiten (p. 111). Er worden beheerscontracten opgelegd met nauwkeurige en becijferde doelstellingen (p. 109). Er komt een zo groot mogelijke rationalisering en vereenvoudiging van het werk van de magistraten (p. 110).

     Maar het lijkt toch vooral te gaan om werkingsbesparingen bij het beheer van de rechterlijke orde en rationalisering van de middelen.

     Voortaan zal de overheid de rechtspraak als een marktproduct benaderen en afmeten op rendement, net zoals een privébedrijf. Dat justitie efficiënter en moderner kan en moet, is niet te betwisten. Maar justitie is geen privébedrijf en economisch rendement kan niet het uitgangspunt zijn. De managementaanpak werd al toegepast in Nederland, wat leidde tot een merkbare uitholling van de kwaliteit van de besluiten. In de plaats komt de dictatuur van kwantitatieve quota. Het valt te vrezen dat evaluatie van de rechtspraak meer zal gebeuren op basis van het aantal vonnissen en de snelheid van handelen, dan van de democratische kwaliteit van de vonnissen. Die is niet terug te brengen tot statistische cijfers.

     We kunnen de crisis in de Belgische justitie alleen oplossen door maatregelen voor een democratisch, participatief en efficiënt rechtssysteem in dienst van de burgers.

Invoering van eenheidsrechtbank breekt democratische participatie af

Een rechtspraak die dichter bij het volk staat, houdt in dat ze wordt gedecentraliseerd tot op het niveau van de wijken en dit voor alle burgerlijke en strafrechtelijke bevoegdheden die te maken hebben met het dagelijks leven van de burgers. De rechter wordt omringd door diensten voor bemiddeling en sociale bevraging. Er wordt bij voorkeur mondeling recht gesproken en de procedure zou vereenvoudigd worden. In veel gevallen hebben de beklaagden geen advocaat nodig. Alleen meer complexe zaken worden nog door de centrale rechtbanken behandeld. Een dergelijke rechtspraak kan samengaan met een grotere deelname van de burgers, zoals nu bijvoorbeeld gebeurt op de arbeidsrechtbank of de handelsrechtbank. De beroepsrechter wordt bijgestaan door lekenrechters uit het gewone burgerleven. Hun deelname heeft de verdienste dat de bevolking meer inspraak krijgt in de manier waarop recht wordt gesproken. Het maakt justitie toegankelijker.

     Maar de regering gaat de andere kant op. Ze wil een eenheidsrechtbank invoeren die de rechtbank van koophandel, arbeidsrechtbank en rechtbank van eerste aanleg tot één rechtbank samenvoegt (p. 108). Deze maatregel bevestigt de tendens om de rechtbanken te centraliseren in grotere eenheden. Het gaat hier net om twee rechtbanken waarin lekenrechters zetelen die de rechtspraak juist dichter bij de burgers brengen. De invoering van een eenheidsrechtbank veegt onder de vlag van efficiëntie elke intentie van tafel om justitie dichter bij de bevolking te brengen.

Meer controle van de regering op justitie

De regering zal ‘nadenken’ over het versterken van de controle op de werking van justitie hetzij via een versterkte controle binnen de werking van de Federale Overheidsdienst Justitie (de regering), hetzij via een bijzondere parlementaire commissie (p. 111). Ze wil ook de invoering van een statuut voor magistraten en meer controle op andere actoren van justitie (p. 112). “De Hoge Raad voor de Justitie zal onderzocht en desgevallend hervormd worden wat betreft haar audit-, controle- en monitoring-functie.”

     Deze maatregelen gaan veel verder dan loutere managementingrepen. De Hoge Raad voor Justitie werd op 1 maart 1999 opgericht in een poging om het vertrouwen van de burger in de Belgische justitie te verbeteren na de affaire Dutroux. Hij speelt een beslissende rol in de selectie en benoeming van magistraten, voert externe controle uit via audits, doet bijzondere onderzoeken, behandelt klachten en brengt adviezen uit. Ondanks de kritieken speelt de Hoge Raad een objectiverende en depolitiserende rol bij benoemingen die vroeger door de politieke partijen werden geregeld. De Raad dreigt opnieuw meer onder controle van de uitvoerende macht (FOD Justitie) of van het parlement te komen. Het zet de autonomie van justitie en de scheiding der machten op de helling.

     Ook de invoering van een statuut voor magistraten dreigt hun sterker afhankelijk te maken van de uitvoerende macht. Komt daarbij dat de regering wil onderzoeken hoe ze andere externen (welke?) bij de tuchtrechtbanken voor magistraten kan betrekken.

     Een democratische controle op justitie is nodig. Dit houdt op de eerste plaats in dat we de bevolking zelf meer bij de rechtspraak betrekken, onder andere door verkozen of gedelegeerde lekenrechters. We hebben niets tegen controle door het parlement, maar die moet slaan op het algemeen justitiebeleid. Verder kunnen in de tuchtorganen voor magistraten afgevaardigden van de bevolking worden opgenomen. Maar cruciaal blijft de autonomie van justitie tegenover de regering. Onafhankelijke rechtspraak is essentieel. De voorstellen van het regeerakkoord dreigen die autonomie in het gedrang te brengen.

Administratie en sociale sector ingelijfd bij politie en gerecht

De regering Michel-De Wever wil werk maken van “optimale en succesvolle samenwerkingsverbanden tussen politie, hulpverlening, justitie, OCMW en bestuur in het kader van complexe dossiers” (p. 120). Zo worden bestuur en dienstverlening mee ingeschakeld in het strafbeleid. Dit is een gevaarlijke maatschappelijke tendens die van deze diensten een verlengstuk van politie en parket maakt. Zij hebben een bestuursfunctie en een hulpfunctie, geen repressieve functie.

     Nu al worden in bepaalde Brusselse gemeenten straathoekwerkers ertoe aangezet feiten aan de politie te melden. Dit ontneemt hen elke mogelijkheid om een vertrouwensband op te bouwen met jongeren in die wijken. Wat op zijn beurt de kans op criminaliteit verhoogt. Hulpverleners inschakelen in repressie brengt een neerwaartse spiraal op gang.

     De regeringsverklaring wil in de gevangenissen aangepaste inrichtingen waarin ze gedetineerden met een gevaarlijk profiel in een aangepast veiligheidsregime kan onderbrengen (p. 123). Het gaat dan om afdelingen met zeer zware detentievoorwaarden, met isolatie en permanente afzondering als essentieel onderdeel. Dit lost de gevaarlijkheid niet op. Te vrezen valt dat dergelijke regimes de re-integratie van deze gevangenen in de maatschappij nog problematischer zal maken.

Joke Callewaert (joke.callewaert at progresslaw.net) is lid van Progress Lawyers Network en advocate aan de Brusselse balie. Tijdens haar studies heeft ze meerdere jaren gewerkt als animatrice in een jeugdhuis in Molenbeek.


[1]          Regeerakkoord, 9 oktober 2014. Zie: www.premier.be/sites/default/files/articles/Accord_de_Gouvernement_-_Reg.... De paginanummers in de tekst verwijzen naar de pagina in deze versie van het regeerakkoord.

[2]    E. Maes, “Evoluties in punitiviteit: lessen uit de justitiële statistieken” in Hoe punitief is België, Panopticon Libri 2, 2010, Maklu, Antwerpen, p. 49.

[3]    FOD Economie, Gevangenisbevolking. Zie: http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/bevolking/andere/gevangenen/.

[4]    Federale politie, De politionele criminaliteitsstatistieken: een broodnodig instrument in het veiligheidsbeleid, Persbericht, 20 december 2012. Zie: http://www.polfed-fedpol.be/presse/presse_detail_nl.php?recordID=2575.

[5]    G. Houchon, “Propos optimistes d’un abolitionnisme morose”, in Françoise Tulkens en Henri Bosly, La justice pénale et l’Europe, E. Bryulant, Brussel, 1996, p. 82.

[6]    Geciteerd in L.Wacquant, Les prisons de la misère, Raisons d'agir, Parijs, 1999, p. 101.

[7]    Fabienne Brion, Anabelle Rihoux en François de Coninck, “La surpopulation et l'inflation carcérale”, Revue Nouvelle, 109-4, april 1999, p. 48-66.

[8]    La Libre Belgique, 20 november 2014.