Kan geld de Europese economie redden?

Auteur: 
Henri Houben

Zou Europa zijn heil kunnen zoeken in de geldpers? Dat is alvast wat de Europese leiders denken en hopen. Op 22 januari 2015 kondigt Mario Draghi[1] aan dat de Europese Centrale Bank (ECB)[2] waarvan hij voorzitter is, voornemens is vooral de schulden van de regeringen bij de banken en andere monetaire instellingen over te kopen.

     De Europese beurzen lopen onmiddellijk warm: de beurs van Milaan noteert een stijging met 2,44 %, gevolgd door die van Parijs met 1,52 %, Frankfurt met 1,32 % en Londen met 1,02 %.[3]

     Die ingreep was geen verrassing. Al in september 2014 had de ECB haar referentierentevoet naar het laagste peil in zijn korte geschiedenis teruggebracht: 0,05 %. Het is deze rentevoet die invloed uitoefent op het geheel van de rentevoeten voor krediet, dus hoe lager de referentierentevoet, hoe goedkoper de leningen.

     Maar nu overtreft de omvang van het terugkoopprogramma alle verwachtingen van de financiers. De ECB stelt voor de overheidsactiva in handen van de banken over te kopen voor een bedrag van 60 miljard euro per maand en dit van maart 2015 tot september 2016. Volgens ons rekenmachientje is dat 19 maanden. Als het plan volledig uitgevoerd wordt, gaat het dus over 1.140 miljard euro. In zakenkringen had men veeleer een bedrag tussen 500 en 600 miljard euro in gedachten.[4]

De vraag is enkel of Europa op die manier eindelijk uit de crisis zal geraken en een meerderheid werklozen aan een baan zal helpen.

De kronkels van quantitative easing

Zo’n terugkoop wordt quantitative easing (QE) genoemd, in het Nederlands kwantitatieve versoepeling of kwantitatieve geldverruiming. Het betekent dat de centrale bank de als weinig liquide beschouwde activa overneemt[5], dat wil zeggen de activa die niet gemakkelijk verhandeld kunnen worden en die de banken kunnen ruilen tegen gebruiksklaar ‘geld’. De monetaire overheid hoopt met dit beleid de kredietinstellingen een duwtje in de rug te geven om de vrijgekomen middelen in te zetten en tegemoet te komen aan de financieringsbehoeften van de

     In werkelijkheid is dit gewoonlijk het laatste redmiddel. De centrale bank gebruikt doorgaans zijn referentierentevoet om het krediet aan te zwengelen of in te perken. Maar de ECB heeft die rentevoet al verschillende keren doen dalen: op 9 november 2011 naar 1,25 %, daarna op 14 december 2011 naar 1 %, op 11 juli 2012 naar 0,75 %, op 8 mei 2013 naar 0,5 %, op 13 november 2013 naar 0,25 %, op 11 juni 2014 naar 0,15 % en tot slot op 10 september 2014 naar 0,05 %. Nog lager kan haast niet meer.

     Het verwachte effect is evenwel uitgebleven. Het investeringsniveau blijft laag en de leningen aan ondernemingen en particulieren stijgen niet spectaculair. Na jaren van kwistig uitgeven spelen de banken op veilig en verstrekken enkel leningen als ze zeker zijn hun geld terug te zien. In financiële middens wordt overigens als volgt met die strategie de spot gedreven: een bank is een instelling die u bij goed weer een paraplu leent om die bij slecht weer terug af te pakken. Kortom, de banken geven niet thuis.

Commerciële en centrale banken

Voor wie niet goed thuis is in de financiële markten en de instellingen die er optreden, is het vaak moeilijk om uit te maken wat wat is. We maken hier het verschil duidelijk tussen een commerciële bank en een centrale bank. Die laatste is immers het onderwerp van ons artikel.

     De centrale bank is geleidelijk gegroeid en niet vanaf het ontstaan van de banken, in elk geval niet in al zijn bijzonderheden. De eerste centrale bank of wat als dusdanig kon beschouwd worden, was de Bank van Amsterdam, opgericht in 1609. Daarna volgden in 1668 de Bank van Zweden[6] en in 1694 de belangrijkste, de Bank van Engeland. Deze laatste zal geleidelijk de bijzondere kenmerken van een centrale bank vastleggen.

     Een centrale bank heeft meerdere functies:

  • de uitgifte van fiduciair geld (biljetten en muntstukken);
  • de vastlegging van de referentierentevoet die de andere rentevoeten voor leningen zal beïnvloeden;
  • de vastlegging van de verplichte coëfficiënt voor de reserves die de banken moeten aanleggen om te kunnen functioneren als kredietinstellingen (die reserves dienen doorgaans als garantie voor de uitoefening van geldschieter);
  • de tussenkomst op de wisselmarkt om eventueel de muntkoers te bepalen;
  • het bijhouden van de wisselreserves van het land;
  • de supervisie over de depositobanken;
  • de tussenkomst als kredietverstrekker in laatste instantie ingeval van een grote crisis van het financiële systeem.

     Een andere bank, in het bijzonder een commerciële bank of een depositobank, mag al die verschillende opdrachten niet uitvoeren. Hun belangrijkste doelstelling is het vergaren van deposito’s en het uitschrijven van leningen aan gezinnen, ondernemingen en de overheid. In principe mag de centrale bank dan weer deze functies niet uitoefenen. De exclusieve klanten van de centrale bank zijn commerciële banken of andere kredietinstellingen.

     Tot slot is een centrale bank niet noodzakelijk openbaar. Dat is het geval voor Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië maar niet voor België. Sinds zijn ontstaan in 1850 is onze centrale bank gemengd: 50 % privé, 50 % openbaar. Hetzelfde geldt voor de VS: de Federal Reserve is een ingewikkeld netwerk van dertien geografische organismen die de totaliteit van het land vertegenwoordigen, maar ook privéaandeelhouders kunnen hebben. Zo vertegenwoordigt de Federal Reserve van New York, waar we ook de beroemde Amerikaanse beurs van Wall Street terugvinden, vaak de belangen van de grote commerciële banken die hebben meegewerkt aan haar oprichting.

     Oorspronkelijk was de oprichting van centrale banken vaak een privé-initiatief. Er was immers nood aan een instelling die zich bezighoudt met het bestuur van de muntcirculatie, een zicht heeft op de wisselrentevoet, en liquide middelen verzekert wanneer geen enkele andere bank dat nog wil doen. Maar geleidelijk zijn de centrale banken ook prioritair geworden voor de overheid. Vandaar dat ze geleidelijk zijn overgegaan in overheidshanden. De Bank van Engeland werd in 1946 genationaliseerd.

De centrale bank ziet zich dan ook verplicht een beroep te doen op niet-conventionele beleidslijnen, zo genoemd wegens hun ongewoon en controversieel karakter.

     In een poging om de sinds de jaren negentig sputterende nationale economie er weer bovenop te helpen, deed de Bank van Japan al een beroep op die methode tussen 2001 en 2006. Succes bleef uit. De VS doet hetzelfde vanaf november 2010, nadat de Federal Reserve in december 2008 de referentierentevoet had teruggebracht tot 0 %. Hier waren de gevolgen iets gunstiger: de economische situatie verbeterde enigszins en het land geraakte min of meer uit de crisis, terwijl Europa er nog tot over de oren in zit. De Bank of England (het Verenigd Koninkrijk is geen lid van de eurozone) paste vanaf maart 2009 hetzelfde recept toe, ook met een zeker resultaat.

     De ECB hoopt een plaatsje te veroveren bij die goede leerlingen. Al in mei 2010 wordt dit programma opgestart. Normaal gezien is het niet de taak van de ECB om overheidsschulden of andere twijfelachtige activa over te kopen.[7] Haar statutaire missie is de strijd tegen de inflatie zodat die in de eurozone juist onder de 2 % per jaar blijft. Maar de economische realiteit gooit roet in het eten. De landen in het zuiden van Europa en Ierland kunnen niet meer lenen op de financiële markten doordat de rentevoeten veel te hoog zijn geworden.[8] Vaak zijn hun banken op sterven na dood. Jean-Claude Trichet, de toenmalige voorzitter van de ECB, geeft dan de nationale banken die samen de ECB vormen, de toestemming om waardepapieren te kopen in ruil voor liquide middelen.

     In december 2011 is de toestand niet bedaard en valt er nog geen groei te bespeuren. De ECB biedt de banken dan de mogelijkheid om zich drie jaar lang bij haar te bevoorraden in ruil voor overheidspapieren, leningen op lange termijn dus. Dat is een nieuwigheid want gewoonlijk leent de centrale bank aan privé-instellingen op korte termijn. In februari 2012 herhaalt ze haar aanbod. Met deze twee operaties krijgen de banken ongeveer 1.000 miljard euro ter beschikking. Dat is ongetwijfeld voor veel van hen een serieuze hap zuurstof en toch merken we nergens een gevoelige verbetering van de economie. Vandaar dat de ECB opnieuw intervenieert met een bedrag in dezelfde grootteorde.

     Het initiatief wordt in de eurozone niet overal met open armen ontvangen. De belangrijkste tegenstanders zijn de Duitse leiders. De Bundesbank en haar vertegenwoordiger in de raad van bestuur zijn heel erg gekant tegen deze oriëntatie. Zij vrezen vooral dat zo’n geldschepping of aanvoer van liquide middelen de inflatie zal aanwakkeren, dat wil zeggen de prijzen de hoogte zal injagen.

     Daarom benadrukt Mario Draghi dat de maatregelen zijn genomen om de deflatie te bestrijden, dat wil zeggen de prijsdaling, die de daling van de economische activiteit heeft in de hand gewerkt: “Al onze monetaire beleidsmaatregelen hebben als doel het herstel van de eurozone en de stijging van de inflatie tot juist onder 2 %.”[9] Zoals blijkt uit grafiek 1 is er nog enige inflatie tot begin 2013. Maar sindsdien stagneren de prijzen ernstig en sinds december 2014 zijn ze zelfs in vrije val.

Grafiek 1.  Inflatie in de eurozone 2012-2015 (2005=100)

Inflatie in de eurozone 2012-2015

Bron :Eurostat.

Die daling wordt gevoed door de keldering van de prijs voor een vat ruwe olie. Op 30 juni 2014 moest nog 111 dollar neergeteld worden, op 19 januari 2015 amper 50 dollar. Maar dat is niet het enige product dat daalt in prijs. Ook de prijzen voor voeding (met uitzondering van dranken) en telecommunicatie gaan naar beneden.

     En dat verontrust de ECB. Peter Praet, directielid van de ECB en haar belangrijkste economist, geeft volgende verklaring: “Wij lopen het risico verstrikt te raken in een 1 %/1 %-economie, dat wil zeggen 1 % inflatie,1 % groei. Dat zou een vicieuze cirkel creëren: als iedereen zijn verwachtingen voor de inflatie en de groei naar beneden herziet, zal er minder geïnvesteerd worden en zullen de schulden stijgen.”[10] Met andere woorden: de deflatie doet vrezen dat de ondernemingen een gelijktijdige daling van de prijzen en de vraag verwachten en in die omstandigheden dus niet gaan investeren.

Op de rand van de afgrond

De beleidskeuze van de ECB wijst – in tegenstelling tot wat de Europese leiders verkondigen – erop dat de economische situatie moeilijk is. De werkloosheid in de EU ligt nog altijd gemiddeld rond de 10 %, dat zijn 24 miljoen mensen zonder baan, met als uitschieters Griekenland (26 %) en Spanje (23,4 %).[11] Er is een zekere daling merkbaar, maar die is zeer zwak.

     De productie heeft zich nog niet echt hersteld. Het huidige niveau ligt onder dat van voor de crisis. De EU is de enige grote regio in de wereld die zich in het moeras heeft vast gereden. Dat kunnen we afleiden uit het niveau van het reële bruto binnenlands product (bbp) op grafiek 2.[12]

Grafiek 2. Reëel bbp van Europa en de VS 2006-2014 (1e trimester 2008=100)

Reëel bbp van Europa en de VS 2006-2014

Bron: Eurostat, Quaterly National Accounts, Main GDP Components. Zie: http://ec.europa.eu/eurostat/data/database.

Noot: De vijftien landen van de Europese Unie (EU) zijn die van West-Europa: België, Duitsland, Denemarken, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden. We gebruiken de basis 100 voor beide economieën om de vergelijking te vergemakkelijken, anders krijgen we twee curven met verschillende niveaus.

 Het reële bbp is het niveau waarin de invloed van de prijsstijging (de inflatie) is uitgeschakeld.

De crisis in de VS en Europa slaat toe in 2008 en 2009. Vanaf eind 2009 tot 2011 vertonen beide landen enig herstel. Daarna duikt het oude continent opnieuw naar beneden en in de laatste periode is er nauwelijks sprake van vooruitgang. Eind 2014 staan de VS weer 10 % hoger, Zwitserland 9 % en Japan heeft net die drempel overschreden. Ondertussen blijft de EU nog altijd 2 % onder het niveau van 2008 steken.

     Daarbij komt nog de deflatie, wat erop wijst dat de ondernemingen de prijzen laag houden om toch maar te kunnen verkopen, anders kunnen ze hun capaciteit niet ten volle benutten, wat natuurlijk geld kost. Zonder succes evenwel, want de gezinnen en ondernemingen verwachten nieuwe prijsdalingen en stellen dus hun aankopen en investeringen uit.

     Een aantal sectoren fleuren wel op. De automobielindustrie bijvoorbeeld heeft in 2014 meer wagens verkocht dan het jaar ervoor, maar dat was wel na zes opeenvolgende jaren van daling. De markt is met 5,4 % gegroeid, maar na een val van meer dan 23 %. De automobielinstructeurs gaan voorlopig geen nieuwe fabrieken optrekken, behalve misschien in de Europese periferie.

De investeringsvlag hangt halfstok

Wat vooral blijft sputteren zijn de investeringen. In vergelijking met het niveau van vóór de crisis zijn zij de grootste verliezer. De consumptie van de huishoudens (C) is in die periode stabiel gebleven. De overheidsuitgaven (G) zijn gestegen, vooral in 2009, om daarna op het huidige niveau te blijven steken. De uitvoer (X) ging omhoog dankzij het concurrentiebeleid dat in zijn kielzog de import (M) meesleurde maar aan een trager tempo. De investeringen (I) daarentegen zijn ingestort en van enig herstel is voorlopig niets te merken. Dit wordt voorgesteld op grafiek 3.

Grafiek 3. Evolutie van de samenstellende posten van het reële bbp van de eurozone per trimester (1e trimester 2008=100)

Evolutie van de samenstellende posten van het reële bbp van de eurozone per trimester

Bron :Eurostat.

Noot: C staat voor de consumptie van de gezinnen, I voor de investeringen, G voor de overheidsuitgaven, X voor de export en M voor de import. Het verband tussen deze samenstellende delen ligt hierin dat het bbp gelijk is aan de som van de privéconsumptie, de investeringen, de overheidsuitgaven en de handelsbalans (export min import). Of bbp = C + I + G + (X - M). Vóór de crisis (2008) maakte(n) de consumptie gemiddeld 55,4 % van het bbp uit, de investeringen 23,5 %, de overheidsuitgaven 20 %, de export 38 % en de import 37 %.

Op één jaar tijd, van eind 2008 tot eind 2009, hebben de investeringen 20 % verloren. Daarna herstelden ze zich enigszins, maar tot begin 2011 bleef het herstel relatief zwak. Vervolgens zien we een nieuwe daling tot aan het tweede trimester van 2013. Op dat ogenblik liggen de investeringen 25 % onder het niveau van vóór de crisis en van enig herstel is er niets te merken.

     Opmerkelijk (of teleurstellend) is dat bijna alle landen getroffen worden, sommige in verschillende mate. Grafiek 4 stelt de evolutie voor van de investeringen in enkele symptomatische economieën, namelijk de Duitse, de Griekse, de Spaanse en de Italiaanse.

Grafiek 4. Evolutie van de reële trimestriële investeringen in Europa (1e trimester 2008=100)

Evolutie van de reële trimestriële investeringen in Europa

Bron: Eurostat.

We hebben gekozen voor het Europa van de 15, dat wil zeggen het West-Europese deel, want vooral die regio interesseert ons. Dat Europa bevindt zich gemiddeld 17 % onder het niveau van begin 2008. Dat geldt voor alle landen, ook voor Duitsland dat het in het tweede trimester van 2011 weer het niveau van 2008 had bereikt, maar opnieuw een daling kent. Momenteel staat de Duitse economie op 10 % van haar beste score (net als Frankrijk, dat we niet hebben opgenomen in deze grafiek). Tot eind 2013 glijdt Spanje bijna gestaag naar beneden. Sindsdien blijft het land stabiel op 33 % onder zijn resultaat van 2008. Italië haalt 34 % (net als Portugal).[13]

     En Griekenland dan, het land dat regelrecht in de hel is afgedaald? In het derde trimester van 2014 had het land 69 % van zijn niveau van 2008 verloren (en zelfs 72 % in vergelijking met zijn hoogste niveau, namelijk in het derde trimester van 2007). Het is een triest record. Met zo’n cijfers (naast de weinig schitterende prestatie van de werkloosheidsgraad van 26-27 %) is het begrijpelijk dat de Griekse economie helemaal in het slop is geraakt.

     Aan de hand van de grafiek kunnen we ook de ronkende verklaringen over economisch herstel in het discours van de Europese leiders − van de Commissie of van de lidstaten − relativeren. Om te beginnen ligt het vertrekpunt laag, soms zelfs op duizelingwekkende diepte. Bovendien werden sinds 2008 al enkele keren  met veel bombarie plannen gelanceerd, die telkens met een sisser zijn afgelopen. We kunnen de toestand in de EU vergelijken met die van een bestuurder die probeert zijn wagen aan de praat te krijgen na een vriesnachtje. Wanneer hij op die ijskoude morgen zijn contactsleuteltje omdraait, vroemt de motor even, om daarna opnieuw de geest te geven. Het is dan ook moeilijk te voorspellen of het door de ECB gelanceerde probeersel goed zal uitpakken.

De bevriezing van het krediet

Het probleem voor de Europese economie is het gebrek aan leningen die de investeringen een nieuwe boost zouden kunnen geven. Maar de banken, de kern van dit systeem, hebben koudwatervrees. Niet alleen moeten ze hun eigen fondsen (het geaccumuleerde eigen kapitaal, afkomstig van henzelf of van hun aandeelhouders) terug opkrikken om op de internationale markten krediet te blijven verstrekken. Ze moeten beschikken over 8 % eigen fondsen in vergelijking met de rest van de balans. Op die manier hebben ze een belangrijker ‘persoonlijke’ buffer ingeval de conjunctuur bruusk omslaat. Anderzijds hebben ze zich gebrand aan de subprime-crisis[14] en hanteren ze nu striktere voorwaarden voor de toekenning van leningen.

     De monetaire overheden proberen dus de situatie te deblokkeren. Ze injecteren geld dat eerst zal belanden in de schoot van de commerciële banken, in de hoop dat die uiteindelijk leningen zullen verstrekken aan ondernemingen en particulieren. Die strategie heeft gewerkt in de VS en gedeeltelijk ook in het Verenigd Koninkrijk, waar het investeringsniveau opnieuw gestegen is tot dat van begin 2008 (juist onder dat van begin 2007, tot op vandaag het hoogste in dat land). Waarom dus niet in Europa?

Geld, wat is dat nu eigenlijk?

Voor velen van ons is geld dat wat in onze portemonnee steekt: bankbiljetten en muntstukken waarmee we goederen en diensten kunnen kopen. Dat wordt fiduciair geld genoemd (van het Latijnse fides en fiducia, wat vertrouwen betekent). In de economie vertegenwoordigt dit fiduciaire geld ongeveer 10 % van de geldmassa (zelfs minder).

     Maar we weten ook dat geld uitgeven via cheques, overschrijvingen, domiciliëringen en kredietkaarten gevolgen hebben voor onze lopende rekening of zichtrekening en zelfs voor onze spaarrekening. Dit wordt giraal geld genoemd. De zichtrekeningen vertegenwoordigen zo’n 50 % van de geldmassa.

     In de economie spreekt men over aggregaten en die worden eenvoudigweg M1, M2 en M3 genoemd. Elk van deze symbolen vertegenwoordigt een almaar ruimere definitie van geld. De geldmassa meet immers de hoeveelheid geld in een land, een regio of een economische zone (zoals de eurozone), dat wil zeggen alles wat kan dienen als referentie voor een commerciële uitwisseling. Maar dat kan een bankbiljet zijn, een zichtrekening, een spaarrekening of nog een ander instrument. Zo maakt M1 deel uit van M2 en M2 van M3.

     Het aggregaat M1 groepeert de muntstukken en biljetten die in circulatie zijn, het fiduciaire geld dus, en het geld dat beschikbaar is op de zichtrekeningen. Op dit ogenblik bedraagt dit in de eurozone 6.000 miljard euro.

     Het aggregaat M2 voegt bij M1 de termijndeposito’s van minder of gelijk aan twee jaar en die met een kennisgeving van terugbetaling kleiner of gelijk aan drie maanden. Hiertoe behoren de meeste rekeningen en spaarboekjes alsook de leningen op korte termijn. In de eurozone komt dit neer op ongeveer 3.700 miljard euro. (M2 zonder M1).

     Tot slot is er het aggregaat M3. Dat is gelijk aan M2 plus verscheidene geldplaatsingen. Het gaat in essentie om deposito’s met een duur van meer dan twee jaar en andere die snel kunnen worden verhandeld en uitgegeven worden door banken of andere instellingen (spaarkassen …). Het gaat hier om zo’n 700 miljard euro (M3 zonder M2).

     De Europese Centrale Bank richt zich vooral op het aggregaat M3, voor de eurozone dus zo’n 10.400 miljard euro. De Amerikaanse Federal Reserve daarentegen mikt veeleer op het aggregaat M2 (ongeveer 12.000 miljard dollar). Nieuw geld uitgeven of de geldpersen doen draaien en omgekeerd de geldmassa doen krimpen, worden op elk niveau toegepast.

Meer informatie hierover vind je bij Henri Houben, “L’argent”, Gresea Echos, nr. 75, 3e trimester 2013. Zie: http://www.gresea.be/spip.php?article1203.

Op grafiek 5 vinden we de trimestriële toename (of afname) van de hoeveelheid geld sinds 2006 in vergelijking met die van het reële bbp.

Grafiek 5. Trimestriële evolutie van het geld en het reële bbp in de eurozone 2006-2014 (in %)

Trimestriële evolutie van het geld en het reële bbp in de eurozone 2006-2014

Bron: ECB en Eurostat.

Noot: We gebruiken het monetaire aggregaat M3 (zie kader over monetaire aggregaten). We vergelijken de stijging of daling (in %)

Al in 2006 en 2007 is er een belangrijke injectie van bijkomend geld ter ondersteuning van het economisch dynamisme. Maar door toedoen van de subprime-crisis volstaat dat niet. Het bbp duikt in zijn grootste recessie sinds de krach van 1929. De hoeveelheid geld daalt in verhouding. Daarna herstelt de productie enigszins om vervolgens opnieuw te zakken onder de 0 %-drempel. Vanaf mei 2010 zien we dat de ECB probeert de economie te stimuleren met geld. Tevergeefs.

     Sinds begin 2014 wordt met nog meer verbetenheid volhard in dit beleid zonder dat het reële bbp volgt. In januari 2015 beslissen Mario Draghi en de ECB-directie dan een nieuwe grote slag te slaan. Vermits de maatregel maar in maart van start is gegaan, is het nu nog te vroeg om te weten of hun nieuwe stunt een positieve invloed zal hebben op de groei.

     Grafiek 6 toont de evolutie van het krediet aan particulieren en ondernemingen sinds 2006, in vergelijking met die van de hoeveelheid geld.

Grafiek 6. Vergelijking tussen de evolutie van het monetaire aggregaat en het krediet aan huishoudens en ondernemingen in de eurozone 2006-2014 (4e trimester 2008=100)

Monetair aggregaat en het krediet aan de huishoudens en ondernemingen in de eurozone 2006-2014

Bron: ECB en Eurostat.

Noot: Het gehanteerde monetaire aggregaat is M3 (zie kader over geld

Juist na de crisis, te wijten aan het bankroet van Lehman Brothers in september 2008[15], gaan de drie curven de hoogte in. De curve van leningen aan ondernemingen stijgt sneller dan die van leningen aan gezinnen. Dan vallen ze alle drie bruusk stil. Het krediet aan particulieren herneemt tot in het tweede trimester van 2011, waarna het stabiliseert. Het krediet aan ondernemingen daarentegen blijft maar dalen, ondanks de continue geldinjectie van de ECB vanaf mei 2010. Dat ziet er niet veelbelovend uit.

     In werkelijkheid is het meest positieve effect in termen van economisch herstel de daling van de koers van de euro ten opzichte van de dollar. Om ons niet te beperken tot de korte termijn geven wij hieronder de evolutie sinds 2006 (grafiek 7).

Grafiek 7. Maandelijkse koers van de dollar in euro 2006-2015 (dollar per euro)

Maandelijkse koers van de dollar in euro 2006-2015

Bron: Federal Reserve, Foreign Exchange Rates, Country Data, EMU member countries. Zie: http://www.federalreserve.gov/releases/h10/hist/dat00_eu.htm

Noot: De curve geeft de koers weer op het einde van elke maand.

De euro wordt duurder tot in maart 2008, toen de crisis nog uitsluitend in de VS woedde, wat erop wijst dat de investeerders ongerust zijn over dat land. In juli begint de euro aan zijn neergang. Op dat moment is het duidelijk dat de recessie niet tot de VS zal beperkt blijven en dat ook het oude continent de storm zal moeten trotseren. Van dan af schommelt de euro tussen 1,25 en 1,5 dollar, in functie van de conjuncturele golven. Sinds april 2014 daarentegen is de euro in vrije val: hij daalt van 1,387 dollar per euro naar 1,12 in februari 2015[16]. Dat is een verlies van ongeveer 20 %.

     Die daling is goed nieuws voor de exportsituatie van de eurozone: de import wordt duurder, en zal bijgevolg krimpen, maar ook de daling van de prijs voor een vat ruwe olie − een grondstof die de regio sowieso moet aanschaffen − is een duwtje in de rug. Het betekent enige verlichting voor de landen van Zuid-Europa, vooral voor Spanje, dat meer en meer wil gaan verkopen aan Latijns-Amerika, vooral Brazilië.

     Het is ook een meevaller voor Duitsland, dat in 2014 al alle records inzake handelsoverschot heeft gebroken: 217 miljard euro.[17] Balsem op de ziel van al wie tegen dit geldbeleid gekant was. Experts van het Duitse ministerie van Financiën berekenden dat de combinatie van een zwakke euro met lage olieprijzen het handelsoverschot met 0,5 % zou doen stijgen.[18]

     De relaties binnen de EU daarentegen zullen er niet op vooruitgaan, want Berlijn zal het bijkomende kapitaal niet investeren in de lidstaten die het meeste nood eraan hebben. Anderzijds is de daling van de euro niet gunstig voor beleggingen buiten de muntzone doordat de gespendeerde euro’s moeten omgezet worden in een kleinere hoeveelheid vreemde deviezen. En op een zeker ogenblik is het interessanter uit te voeren dan te investeren in het buitenland. Het is dan ook lang niet zeker dat die situatie zal blijven duren. Duitsland en de andere landen die zich ontdoen van hun handelsoverschotten, zullen ongetwijfeld snel willen terugkeren naar een sterke euro.

     Op dit ogenblik kritiseert de regering van Angela Merkel binnenskamers de oriëntaties van de ECB en de vertegenwoordiger van de Bundesbank, die aanwezig was op de discussies over het monetaire beleid, lijkt systematisch tegen te stemmen. Maar ze kiezen voor een laag profiel, want zowat overal steekt de kritiek tegen de Duitse dominantie de kop op. Zelfs de oud-voorzitter van de Commissie, Romano Prodi, houdt zich niet in: “In Duitsland wordt het terrein van populisme en nationalisme afgedekt door Merkel. Maar de voorbije jaren is er maar één land geweest dat in Brussel de oriëntatie heeft vastgelegd; Duitsland vond het zelfs nodig de anderen onaanvaardbare morele lesjes te leren.”[19]

     Tot slot wakkert zo’n daling van de euro de concurrentie tussen de verschillende munten weer aan, terwijl alle deelnemers aan de recente topontmoetingen van de G20, dat wil zeggen de 20 belangrijkste landen of entiteiten ter wereld[20], erop aandrongen dat niemand zijn toevlucht zou nemen tot dit middel. Wat gaan de andere landen doen? Gaan ze zonder verpinken toekijken hoe Duitsland alle records inzake handelsoverschot breekt? Als elk land probeert zijn munt te devalueren om zijn uitvoer concurrentiëler te maken, komen we terecht in een spiraal zonder einde, die terzelfder tijd het internationale muntsysteem en de wereldeconomie aan het wankelen brengt. Dat is al eens gebeurd, namelijk in de jaren dertig, met de bekende slechte afloop.

Een plan van 300 miljard

De ECB is er zich van bewust dat dit haar laatste kaart is. Nadat de bank haar referentierentevoet tot nul heeft herleid en meerdere sommen geld in het systeem heeft gepompt om de Europese economie op te krikken, blijft er niet veel meer over. En, zoals hierboven aangetoond, de uitkomst is lang niet zeker. Zullen de banken dat geld gebruiken om krediet te verstrekken aan ondernemingen en gezinnen? Zullen de ondernemingen daadwerkelijk investeren? Er spelen diverse parameters en de monetaire overheid heeft ze niet allemaal in de hand.

     Op de voorstelling van zijn terugkoopprogramma zei Mario Draghi: “Wat het monetaire beleid kan doen is de basis leggen voor groei, maar om die groei te bevestigen moet er geïnvesteerd worden. […] De regeringen moeten actie ondernemen en ook de Commissie moet dat doen en tegelijkertijd het begrotingsbeleid van de lidstaten superviseren en het door de commissievoorzitter gelanceerde investeringsplan uitvoeren. Het was destijds welkom. Nu moet het zo snel mogelijk in werking gesteld worden.”[21]

     Dit initiatief, het plan-Juncker genoemd, zou 315 miljard euro aan investeringen moeten opbrengen. Daarvoor moet een nieuwe instelling opgericht worden, namelijk het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), dat afhangt van de Europese Investeringsbank (EIB).[22] Die bank zou bij de overheid en de privésector kapitaal moeten ophalen als initiële booster voor een vernieuwend project. De achterliggende gedachte is dat de selectie van projecten door de overheid andere partners ertoe zal aanzetten fondsen in te brengen, wat een vermenigvuldigend effect zou moeten teweegbrengen.

     Het EFSI gaat van start met 16 miljard euro van de EU en 5 miljard van de EIB. Duitsland, Frankrijk en Italië hebben al besloten elk 8 miljard in te brengen en Spanje 1,5 miljard via hun nationale ontwikkelings- of investeringsbanken. Een comité van onafhankelijke deskundigen moet een keuze maken uit de meer dan duizend al ingediende projecten die financiële ondersteuning waard zijn. De Commissie hoopt zo 315 miljard te verzamelen op basis van een oorspronkelijke inbreng van 21 miljard euro (van de EU en de EIB), een vermenigvuldiging met 15.

     Op dit ogenblik is dit plan nog gedeeltelijk onafgewerkt en zijn sommige elementen nog niet in werking gesteld. De bedoeling is af te ronden tegen juni 2015 en het programma volledig te laten goedkeuren op de Europese top van die maand.

     Veel problematischer echter is het financieringsplan, nodig voor de uitvoering van het programma. Dat berust op bovenvermelde twee hypothesen. Maar gezien de toestand van de overheidsfinanciën in de lidstaten en het beperkte budget waarover de Unie beschikt, is het quasi onmogelijk de overheden te vragen de totale inbreng van kapitaal te verzekeren.[23] Ten tweede is de vermenigvuldigingscoëfficiënt van 15 gebaseerd op de huidige ervaring van de EIB.[24] Dat is echter een theoretische berekening, waarvan de Commissie hoopt dat ze ook in de toekomst hetzelfde resultaat zal opleveren, wat geenszins zeker is.

     Tot slot is er ook nog een wedloop op gang gekomen tussen de lidstaten: ze willen allemaal dat hun eigen projecten prioriteit krijgen zodat ze de fondsen kunnen binnenrijven. Parijs bijvoorbeeld heeft al meerdere projecten ingediend. Elke lidstaat verwacht de vruchten te plukken van zijn inbreng. Het spreekt voor zich dat zo’n oriëntatie de best uitgeruste landen bevoordeelt, terwijl de zwakkere, die er het meest nood aan hebben, zich met peanuts zullen moeten tevredenstellen. De kloof tussen de rijke en de armere lidstaten dreigt nog toe te nemen, terwijl die juist aan de oorsprong ligt van de verscheurdheid binnen de Unie en de eurozone.

     Net als in het geval van de geldinjectie is het op dit ogenblik onmogelijk te voorspellen of dit plan zal werken of de zoveelste slag in het water zal zijn. Het optimisme is op zijn minst voorbarig.

De absurditeit van de besparingsmaatregelen

De onzekerheid van de Europese initiatieven steekt schril af tegen de dagelijkse werkelijkheid van de burgers, de werkers, de zelfstandigen, de werklozen, de gepensioneerden … Het beleid van de Europese overheid en de regeringen van de lidstaten leunt dicht aan bij dat van de eerste crisisjaren na de krach van 1929: bezuinigingsplannen om de bevolking te doen opdraaien voor het verlies aan winst van de ondernemingen tijdens de recessie. De Belgische bevolking heeft ook nog recht op een bijkomende prik: de onnodige, absurde en onbillijke indexsprong.

     De reden waarom de EU de laatste regio ter wereld is om opnieuw het niveau van vóór de crisis te bereiken, heeft met deze strenge maar ook blinde maatregelen te maken. Tijdens deze crisis heeft geen enkele overheid haar bevolking zo in de armoede gedreven als de EU. De vraag is: waarom?

     Als het probleem ligt bij de investeringen, zoals de Europese leiders beweren en de verschillende grafieken aantonen, dan moet uitgezocht worden wat juist de uitvoering van nieuwe projecten tegenhoudt. Men zou zich toch moeten realiseren dat drastische besparingsmaatregelen de koopkracht doen dalen en dus de vraag doen krimpen en de motor voor het herstel van de investeringen doen sputteren.

     Als de ondernemingen geen initiatieven nemen die de economie doen heropleven, waarom doet men dan geen beroep op de overheden, in plaats van hun domweg regels op te leggen die door het merendeel van de economisten afgekeurd worden? Waarom niet die plannen laten steunen door diegenen die over de middelen beschikken, die al dertig jaar lang rijkdom hebben vergaard aan een steeds sneller tempo of door mee deze crisis uit te lokken?

     Als de banken koudwatervrees hebben om de nodige leningen uit te schrijven die het herstel van de economie mogelijk maken, omdat ze vooral hun winstmarges willen herstellen, waarom zijn ze dan nog niet genationaliseerd? Waarom neemt men ze dan de controle niet uit handen en draagt men ze niet over aan de collectiviteit? Waarom zijn ze dan nog niet hervormd en teruggebracht tot hun aanvankelijke opdracht, namelijk het verlenen van eenvoudig krediet aan ondernemingen en huishoudens? Toen ze in 2008 en 2009 inderhaast moesten gered worden, waren ze maar al te blij met de bijkomende fondsen van de overheid. Maar die overheid heeft slechts weinig of niets in ruil gevraagd. En vandaag zijn het de burgers die moeten bloeden terwijl de banken gewoonweg de draad uit het verleden hebben opgepakt en weer floreren als tevoren.

     In feite kiezen de Europese leiders voor zulke onzekere en vaak riskante plannen omdat ze weigeren veel eenvoudiger en doeltreffender maatregelen te treffen (althans op korte termijn): de koopkracht van de werkers verhogen, het overheidsinitiatief stimuleren, belastingen heffen op diegenen die over de nodige middelen beschikken, de controle nemen over strategische sectoren zoals financiën … Het totale verbod op dat soort keynesiaanse[25] maatregelen is symptomatisch in de Unie.

     De manier waarop de Europese overheid probeert de meer democratische oplossing van de Grieken in de kiem te smoren zegt genoeg. Hier hebben we nu net een land dat meer dan heel wat andere de lasten van de crisis heeft ondergaan: het bbp daalde met een kwart, de officiële werkloosheidsgraad wordt geschat op 26-27 %, de investeringen zijn met twee derde gedaald, de openbare diensten zijn gesloopt, gezondheidszorg wordt niet langer als een recht beschouwd, het percentage mensen dat in armoede of op de armoedegrens leeft, bedroeg 35,7 % in 2013 (tegen 27,6 % in 2009)[26], duizenden jongeren trekken weg.

     De opeenvolgende bezuinigingsplannen hebben het land en zijn bevolking telkens een beetje verder in de ellende en de chaos geduwd. In die mate dat de kiezers een andere coalitie aan de macht hebben gebracht: op 26 januari 2015 werd Alexis Tsipras, de leider van Syriza, eerste minister, met de wil om een nieuw, meer keynesiaans, beleid te voeren.

     Tijdens de voorstelling van zijn regeringsprogramma aan het Griekse parlement belooft hij het minimumsalaris tegen 2016 weer op te trekken tot het vroegere niveau van 751 euro per maand.[27] Hij wil een progressieve belastinghervorming, geen verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd, het onaantastbare behoud van de sociale zekerheid. Hij wil in zijn land een zekere controle op de banken invoeren, vooral als ze met overheidsgeld werden gered. Hij stelt een programma van overheidsinvesteringen voor waarvan de kosten niet zijn opgenomen in de overheidsbegroting, zoals Frankrijk en Italië aanklagen. Hij wil een einde maken aan de privatiseringen en verkoop aan het buitenland die het nationaal patrimonium verkwanselen. Hij wil de openbare omroep ERT, die door de vorige regering werd gesloten, weer in ere herstellen. Hij wil de strijd aanbinden met de corruptie en komaf maken met de voordelen voor hooggeplaatste ambtenaren.[28]

     Niets hiervan kan als superradicaal bestempeld worden. Hij eist niet de nationalisering van hele sectoren van de economie. Hij wil niet het hele systeem waarin de bevolking zich moet uitsloven, op de helling zetten. Integendeel, het is een voorzichtig discours dat rekening houdt met de Europese regels[29] en de sociale realiteit van het land, de realiteit van de armen die verstoken zijn van gezondheidszorg en zelfs van elektriciteit. Maar voor de Europese overheid is het een brug te ver.

     Op staande voet sluit de ECB haar deuren voor de Griekse banken die zich willen herfinancieren en ontzegt hun haar monetaire faciliteiten. Duitsland en andere landen van Noord-Europa staan erop dat de schulden terugbetaald worden en dat de ondertekende contracten worden nageleefd. Ze verplichten Syriza terug te komen op haar centrale verkiezingsbeloften (zoals de verhoging van het minimumloon) in ruil voor een verlenging van de afgelopen leningen. De nieuwe Griekse regering moet maatregelen voorleggen die in overeenstemming zijn met de besparingen die werden opgelegd bij de toekenning van de Europese leningen, zo niet worden ze weer opgeschort en gaat Griekenland officieel bankroet met alle en wellicht nog veel ergere gevolgen vandien.

     De Europese verantwoordelijken behandelen deze lidstaat op dezelfde manier als het Internationaal Muntfonds (IMF) doet met een derdewereldland waarvan de betalingsbalans een belangrijk onevenwicht vertoont. Het zijn dictaten en er is geen alternatief!

     Vanwaar die onverzettelijke houding? Uiteindelijk zou de verbetering van de economische situatie van Griekenland toch voordelig zijn voor heel Europa? Zoals de nieuwe Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis zegt: “Een herschikking van de schuld zou de Griekse economie doen heropleven. En dat zou in het belang zijn van Duitsland en van de rest van Europa.”[30]

     Voor hem is Berlijn de echte schuldige. Hij schrijft: “Als de eurocrisis snel en pijnloos zou opgelost worden, zou Duitsland samen met de andere landen van de eurozone waarvan de betalingsbalans een overschot vertoont, de ongelooflijk sterke machtspositie verliezen die deze aanslepende crisis de regering biedt ten opzichte van Frankrijk en de andere deficitaire landen.”[31]

     Op dat punt verschillen wij van mening met onze metgezel van Syriza.[32] Wij zijn van mening dat de inspiratie voor dit beleid veeleer te zoeken valt bij het Europese grootkapitaal in zijn geheel, dat de belangrijkste multinationals leidt en controleert, ook al zijn bepaalde fracties zoals de Duitse machtiger dan andere. Dat grootkapitaal legt met zijn lobbygroepen zoals de Ronde Tafel van Europese Industriëlen[33] of BusinessEurope de agenda op die niet ter discussie mag worden gesteld: de agenda van de concurrentiepositie.

     BusinessEurope bijvoorbeeld, de officiële vertegenwoordiger van de Europese ondernemingsleiders, heeft tien prioriteiten opgesteld voor de nieuwe Commissie die in november 2014 aan het werk moest gaan. In die publicatie lezen we: “De Europese ondernemingen rekenen op de nieuwe Europese leiders voor de snelle goedkeuring en uitvoering van de nodige maatregelen ter verbetering van de concurrentiepositie. De focus op de concurrentiepositie is de enige manier om de investeringen, de groei en de werkgelegenheid in Europa aan te zwengelen en beantwoordt aan de verzuchtingen van de burgers voor een beter Europa.”[34] Interessante terminologie: “de enige manier”. Met andere woorden: er is geen alternatief.

     Dit document zegt, als alle vorige trouwens: de lasten voor de werkgevers moeten omlaag en de arbeid moet flexibeler worden. Want als de export naar het buitenland de prioriteit is, dan zijn het loon en vooral de socialezekerheidsbijdragen de belangrijkste handicap voor de werkgevers. Als men die zou kunnen verlagen, dan zou dat voor de werkgevers, en uiteraard ook voor hun aandeelhouders, een echte buitenkans zijn. Maar de bezuinigingsplannen oefenen een enorme druk uit op de werknemers. Zij durven niet alleen geen looneisen meer stellen maar worden ook nog het slachtoffer van afdankingen, herstructureringen en chantage inzake tewerkstelling.

     Zo is de gemiddelde verloning per werknemer in Griekenland gedaald met 17,8 % tussen eind 2009 en eind 2014 en in Portugal met 4,8 %.[35] Dat weegt op het geheel van de werknemers in Europa. Het is voor dezelfde reden dat de Belgische regering absoluut die indexsprong wil.

     Ook de Spaanse leiders hebben geprofiteerd van de crisis om de arbeidswetgeving inzake afdankingen te wijzigen. Een werknemer uit het bedrijf verwijderen was op het schiereiland behoorlijk duur. Dat is trouwens de reden waarom de ondernemingen bijna uitsluitend met tijdelijke contracten werkten. Zij eisten de afschaffing van die te dure afdankingsprocedure. De ploeg van Mariano Rajoy gaf ze hun zin.

     Opmerkelijk is dat het patronaat, dat mee de economische crisis heeft veroorzaakt, ervan profiteert om nieuwe voordelen te eisen en ook te krijgen, eisen waartegen de syndicale organisaties zich in betere tijden hevig zouden verzet hebben. Maar dit paradoxale resultaat is te wijten aan de krachtsverhoudingen en niet aan een beoordeling of beredeneerde analyse. Het is duidelijk dat het Europese patronaat in de aanval is en komaf wil maken met de toegevingen die het na de Tweede Wereldoorlog heeft moeten doen.

Conclusies

De monetaire versoepelingsmaatregelen en ook het plan Juncker wijzen erop dat de Europese leiders het moeilijk hebben. Ze vinden geen echte uitweg uit de recessie en leggen hun laatste kaarten op tafel. En dat is heel wat anders dan wat ze in de media komen vertellen.

     Er valt enig economisch herstel te bespeuren. Maar het is allemaal zeer aarzelend. Ook in het verleden hebben sommige Europese leiders het einde van de crisis voorspeld. In zijn nieuwjaarstoespraak van 2013 zei de Franse president François Hollande dat de crisis achter ons lag. Dat was niet weinig voorbarig.

     Wat wel bleek was dat de bezuinigingsplannen desastreus waren, niet alleen voor het dagelijks leven van de bevolking maar ook voor de economie. Maar liever dan toe te geven dat ze een fout hebben gemaakt en vooral om het Europese patronaat ter wille te blijven, weigeren zowel de Europese leiders als de lidstaten een ander beleid te voeren. De regering die dat wel doet, zoals die van Athene, loopt het risico uit de Europese Unie gesloten te worden.

     Ook de risicovolle plannen die ons worden voorgeschoteld als recepten die niet kunnen mislukken, gaan in die richting. Alles behalve een economisch en sociaal herstel ten bate van de Europese burgers. De crisis, daarentegen, is verre van voorbij.

Henri Houben (henri.houben7 at telenet.be) is doctor in de economie en werkt als onderzoeker bij GRESEA en publiceert regelmatig in Marxistische Studies. Hij is de auteur van De veertigjarige crisis van het kapitalisme, (EPO, 2015) Deze Nederlandstalige editie is een ge-update versie de eerste uitgave van 2008 die alleen in het Frans beschikbaar was.


[1]     Mario Draghi was tussen 1991en 2001 belast met de privatisering van de banken voor de Italiaanse schatkist. In die hoedanigheid was hij lid van de beheerraad van kredietinstellingen die uit handen van de overheid werden genomen. In 2002 werd hij vicevoorzitter van de Europese tak van de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs. Begin 2006 werd hij gouverneur van de Banca d’Italia. In november 2011 volgde hij Jean-Claude Trichet op aan het hoofd van de ECB.

[2]     De ECB is zowel de centrale bank van de Europese Unie (van de 28 lidstaten dus) als van de eurozone (19 landen: België, Cyprus, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovakije, Spanje en Slovenië). De ECB heeft de supervisie over de kredietinstellingen in heel de Unie, maar bestuurt het monetaire systeem van de euro (zie kader over de centrale en commerciële banken).

[3]     Les Echos, 22 januari 2015.

[4]     Les Echos, 11 december 2014.

[5]     Liquiditeit betekent het gemakkelijk verhandelbare karakter van financiële activa. Een beursaandeel met een bruusk dalende koers is weinig liquide omdat niemand het wil (behalve een speculant die probeert een bijzonder gedurfde zet te doen). De meest liquide middelen zijn fiduciair (op vertrouwen berustend, bv. papieren biljetten) geld en zichtrekeningen vanwege hun onmiddellijke beschikbaarheid.

[6]     Naar aanleiding van haar driehonderdjarig bestaan reikt de Bank van Zweden de Nobelprijs economie sinds 1968 uit in de plaats van het (Noorse) Nobelcomité.

[7]     Een financieel activum wordt twijfelachtig of zelfs toxisch genoemd als er een grote waarschijnlijkheid bestaat dat de waarde ervan niet of niet meer overeenstemt met de vermelde waarde of, in het geval van een lening, wanneer die niet wordt terugbetaald.

[8]     In functie van het veronderstelde risico van niet-terugbetaling.

[9]     Mario Draghi, Introductory statement to the press conference, Frankfurt, 22 januari 2015: https://www.ecb.europa.eu/press/pressconf/2015/html/is150122.en.html.

[10]    Il Sole 24 Ore, 25 maart 2015, gepubliceerd op de website van de ECB: https://www.ecb.europa.eu/press/inter/date/2015/html/sp150325.en.html.

[11]    Eurostat, Unemployment rate by sex and age groups - monthly average: http://ec.europa.eu/eurostat/data/database. Het begrip werkloosheid slaat hier niet op al wie een uitkering trekt maar op al wie actief op zoek is naar een baan en onmiddellijk inzetbaar is.

[12]    Het bbp is de goederen- en geldproductie van een land of regio tijdens een bepaalde periode (een jaar, een trimester ...) We gebruiken het reële bbp zodat we maar met één indicator (volume of hoeveelheid) moeten werken, zonder invloed van de prijzen.

[13]    Eurostat geeft geen gegevens voor de investeringen voor België. Op basis van Belgostat kunnen we zeggen dat ons land er veeleer goed uitkomt in vergelijking met onze buren: het verliest ‘maar’ 4 % in vergelijking met zijn hoogste niveau, namelijk van het vierde trimester van 2007. (Berekeningen op basis van Belgostat: http://stat.nbb.be/Index.aspx).

[14]    De subprime-crisis barstte begin 2007 los in de VS. De vastgoedmarkt stortte in door het verstrekken van krediet aan gezinnen die onvoldoende bezit of inkomen hadden om de leningen terug te betalen. De crisis trof eerst de banken, daarna heel de economie (zie Henri Houben, De veertigjarige crisis, Het einde van het kapitalisme, EPO, 2015).

[15]    De crisis mag dan al uitgebroken zijn in de VS met het failliet van de subprime-leningen vanaf 2006, in Europa slaat de crisis echt toe met het failliet van de zakenbank Lehman Brothers.

[16]    En zelfs 1,09 dollar per euro op 28 april 2015, de laatste koers vóór de publicatie van dit artikel.

[17]    Les Echos, 10 februari 2014.

[18]    Der Spiegel International, 28 januari 2015.

[19]    Der Spiegel International, 23 maart 2015.

[20]    Het gaat om Zuid-Afrika, Canada, de VS, Mexico, Argentinië, Brazilië, China, Korea, India, Indonesië, Japan, Saoedi-Arabië, Turkije, Australië, Rusland, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en de EU. Sinds de oprichting in 1999 komt de G20 minstens één keer per jaar bijeen.

[21]    Mario Draghi, op. cit.

[22]    De EIB is in de Unie belast met de investeringsprojecten op lange termijn.

[23]    Dit vertegenwoordigt maar 1 % van het Europese bbp voor de betaling van de ambtenaren, het gemeenschappelijke landbouwbeleid en andere eventuele hulp.

[24]    In het algemeen krijgt de EIB bij de financiering van een project bijkomende fondsen van andere partners vermenigvuldigd met vijftien, of zelfs hoger.

[25]    John Maynard Keynes was een Britse economist die furore maakte tussen de twee wereldoorlogen. Hij stelde dat de overheid in geval van crisis de economie moest herlanceren. Voor een beoordeling van die voorstellen, zie Henri Houben, “Keynes en de crisis”, Marxistische Studies, nr. 93, januari-maart 2011. Zie: http://www.marx.be/nl/content/archief?action=get_doc&id=87&doc_id=520.

[26]    Eurostat, Database, People at risk of poverty or social exclusion by age and sex.

[27]    De voormalige ploeg van Antonio Samaras had onder druk van de schuldeisers het minimumloon verlaagd tot 580 euro. Griekenland is het enige Europese land waar het minimumloon werd verlaagd tijdens de economische crisis. (Le Monde, 26 februari 2015).

[28]    L’Humanité, 10 februari 2015. Zie: http://www.humanite.fr/presentation-du-projet-gouvernemental-au-nouveau-....

[29]    Behalve de regel, vastgelegd in het Europees Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur die het structurele begrotingstekort van de lidstaten beperkt tot maximum 0,5 % van het bbp. In dit tekort zijn zowel de investeringsonkosten als de andere onkosten begrepen.

[30]    Der Spiegel International, 16 februari 2015.

[31]    Yanis Varoufakis, Le Minotaure planétaire, éditions du Cercle, 2014, p. 299.

[32]    Hij is evenwel geen lid van Syriza maar kwam wel voor die partij op tijdens de verkiezingen.

[33]    De ERT (European Round Table of Industrialists) groepeert zo’n vijfenveertig hooggeplaatste leiders van de grootste Europese niet-financiële multinationals en speelde een centrale rol in de totstandkoming van de eenheidsmarkt en de euro.

[34]    BusinessEurope, “Dix priorités pour stimuler les investissements, la croissance et l’emploi”,28 oktober 2014, p. 24.

[35]    Berekening op basis van OESO-gevens, Base de données, Rémunération de la main-d’œuvre par salarié. Zie: http://stats.oecd.org/index.aspx?lang=fr.