Is kritiek op Foucault geoorloofd?

Auteur: 
Daniel Zamora Vargas

Een interview met Daniel Zamora

Voor de Franstalige intellectuele wereld en ook in radicaal linkse kringen is Michel Foucault zoiets als een heilige. Kritiek op hem formuleren komt in de buurt van godslastering. Toch verscheen onlangs bij uitgeverij Aden een gezamenlijk essay van meerdere auteurs met als titel Critiquer Foucault. Les années1980 et la tentation néolibérale.[1] Socioloog Daniel Zamora, de initiatiefnemer van het essay: “Michel Foucault voert helemaal geen vastberaden intellectuele strijd tegen de dogma’s van de vrije markt. Het lijkt er eerder op dat hij heel wat punten onderschrijft [2].”

Het belangrijkste thema van de Franse filosoof Michel Foucault, die in 1984 in Parijs overleed, is de relatie tussen kennis en macht. Zijn oeuvre is een kritiek op de sociale normen en de machtsmechanismen die worden uitgeoefend via schijnbaar neutrale instituten, zoals de geneeskunde, justitie, familierelaties of seksuele verhoudingen.

     Mede onder invloed van Louis Althusser wordt hij in 1950 lid van de communistische partij, de PCF. Hij is echter niet bijzonder actief en gaat al vrij snel weer uit de partij, in 1953. Hij doctoreert in 1961 op een proefschrift over de geschiedenis van de waanzin.

     In 1966 publiceert hij zijn geruchtmakende boek Les Mots et les Choses. In die tijd maakt het ‘structuralisme’ veel opgang in de filosofie. Foucault voelt zich aangetrokken door structuralistische wetenschappers en filosofen als Jacques Derrida, Claude Lévi-Strauss en Roland Barthes. Sociale processen komen volgens deze stroming voort uit veelal onbewuste fundamentele structuren. De organisatiewijze van de maatschappij genereert bepaalde praktijken en overtuigingen bij mensen die hiervan afhankelijk zijn. Het structuralisme tracht een verschijnsel te verklaren aan de hand van de plaats die het inneemt in een systeem, op basis van naar men aanneemt onveranderlijke wetten van ‘associatie’ en ‘dissociatie’ (overeenkomst of verschil).

     In de jaren zeventig is Foucault opnieuw meer politiek geëngageerd. Hij neemt het op voor gevangen genomen maoïstische militanten en migranten. Eind jaren zeventig neemt een aantal voormalig linkse filosofen een ideologische bocht van 180 graden. Ze verenigen zich in de Nouveaux Philosophes en noemen meermaals Foucault als een van de filosofen die hen sterk beïnvloed hebben.

     Naast zijn kritiek op sociale instituten, krijgt Foucault in de tweede helft van de jaren zeventig ook belangstelling voor wat in zijn ogen een nieuwe vorm van machtsuitoefening (over het leven) is. Hij noemt dit ‘biomacht’ (een begrip dat Antonio Negri later van hem overneemt). In de plaats van de macht die beslist wie sterft en wie blijft leven, komt er een biomacht die doet leven (het leven reguleert) en laat sterven (de welvaartstaat: sociale zekerheid, verzekeringen enzovoort).

U formuleert kritiek op Foucault, maar u erkent wel dat hij altijd een lengte voorsprong heeft gehad op zijn tijdgenoten: wat bedoelt u daarmee?

Daniel Zamora. Foucault bracht een aantal problemen onder de aandacht die werden genegeerd en zelfs weggewuifd door de heersende intellectuele klasse uit zijn tijd. Hij was niet de enige die dit soort kwesties behandelde, of dat nu ging over de psychiatrie, de gevangenis of seksualiteit. In Italië bijvoorbeeld heeft de antipsychiatriebeweging van Franco Basaglia niet gewacht op Foucault om gestichten ter discussie te stellen en een aantal interessante politieke voorstellen te formuleren om deze instellingen te vervangen. Maar Foucault heeft de weg gebaand voor tal van geschiedschrijvers en wetenschappers die nieuwe problemen onderzochten op nieuwe, nauwelijks ontgonnen terreinen. Hij leerde ons om altijd politieke vragen te stellen bij zaken die op het eerste zicht boven elke verdenking verheven lijken. De echte politieke taak was in zijn ogen de “ogenschijnlijk neutrale en onafhankelijke” instituten voortdurend kritisch te onderzoeken. We moeten die instituten volgens hem zodanig bekritiseren dat we “het politieke geweld dat er heimelijk plaatsvindt ontmaskeren.”[3]

De vergelijking van Foucault met het neoliberalisme in uw boek zal veel tanden doen knarsen!

Daniel Zamora. Dat is ook min of meer de bedoeling van het boek. Ik wilde komaf maken met het te algemeen aangenomen beeld van een Foucault die zich op het einde van zijn leven volledig zou afzetten tegen het neoliberalisme. Binnen een bepaalde kring van extreemlinks is hij vandaag onaantastbaar geworden, een verblinding die mij toch verwondert. Toen ik me ging verdiepen in zijn teksten, was ik zelf verrast dat Foucault zo veel begrip weet op te brengen voor het neoliberalisme. Niet alleen zijn lezingenreeks aan het Collège de France (met als titel ‘Geboorte van de biopolitiek’) doet vragen rijzen. Dat geldt ook voor tal van artikels en interviews, die voor iedereen toegankelijk zijn. Foucault voelde zich sterk aangetrokken tot het economisch liberalisme: hij zag daarin mogelijkheden voor een veel minder normatieve en autoritaire vorm van ‘gouvernementaliteit’[4] dan binnen socialistisch en communistisch links, dat hij voorbijgestreefd vond. Hij zag in het neoliberalisme een veel minder bureaucratisch en veel minder disciplinerend beleid dan het beleid van de naoorlogse welvaartstaat. Foucault lijkt zich eind jaren zeventig intellectueel dan ook eerder aan te sluiten bij dat ‘tweede links’, een minderheidsstroming binnen het Franse socialisme die intellectueel echter redelijk veel invloed had. Het streven om de Franse maatschappij van haar privileges als staat te ontdoen trekt hem wel aan.

     De meeste boeken over de conservatieve bocht in de jaren tachtig maakten tot dan toe vooral gewag van verraad. In wezen waren die Nieuwe Filosofen wel links, maar ze hebben uit puur opportunisme hun kar gekeerd. Dat is volgens mij een foute voorstelling van zaken. Als je de analyses van Foucault – en heel wat anderen – van begin jaren tachtig grondig bestudeert, begrijp je al snel dat hun ‘gauchisme’ of kritiek sloeg op alles waarvoor naoorlogs links kon staan. De welvaartstaat, de partijen, de vakbonden, de georganiseerde arbeidersbeweging, het rationalisme, de strijd tegen maatschappelijke ongelijkheid… Ik denk niet dat al die intellectuelen hun kar gekeerd hebben. Door hun kritiek op en hun afkeer van traditioneel links zat het er meteen al in dat zij de neoliberale dogma’s op een dag zouden omarmen. Op die manier wekt het al veel minder verbazing dat iemand als François Ewald, assistent van Foucault aan het Collège de France, adviseur wordt van de Franse werkgeversorganisatie MEDEF en zich nog steeds beroept op zijn nalatenschap.

Toch is uw boek geen schotschrift, geen inquisitieproces. U erkent wel degelijk de kwaliteiten van zijn werk.

Daniel Zamora. Natuurlijk, ik ben gefascineerd door de figuur en zijn werk. Dat is volgens mij bijzonder waardevol. Foucault is een van de eersten die de neoliberale teksten echt ernstig hebben genomen en uiterst nauwkeurig hebben gelezen. Daarvoor werd de intellectuele productie van deze auteurs gemakkelijk in diskrediet gebracht en afgedaan als pure propaganda. Foucault sloeg de symbolische barrière aan diggelen die intellectueel links had opgetrokken tegen de neoliberale traditie van Hayek, Becker of Friedman. Foucault onderzocht het theoretische corpus van zeer uiteenlopende denkers en stelde ook zijn eigen opvattingen constant ter discussie. Intellectueel links slaagt er jammer genoeg niet altijd in dat ook te doen. Maar al te dikwijls blijven ze steken in een intellectueel onderonsje en zijn ze helemaal niet in staat om de discussie aan te gaan met diegenen die hun uitgangspunten niet delen. Feitelijk heb je te maken met mensen die zelden of nooit de moeite nemen om zich te verdiepen in de teksten en argumenten van de geestelijke vaders van de politieke ideologie die zij willen bestrijden!

U hebt in uw tekst kritiek op zijn visie op de sociale zekerheid en de herverdeling van de rijkdom. Kunt u daar iets meer over vertellen?

Daniel Zamora. Dat is een problematiek waarvoor de volgelingen van Foucault nauwelijks aandacht hebben. Mijn belangstelling voor de sociale zekerheid houdt verband met mijn wetenschappelijk onderzoek naar hoe het denken over de sociale zekerheid de afgelopen veertig jaar is geëvolueerd: van een beleid gericht op het bestrijden van ongelijkheid, naar een politiek die veeleer mikt op het uitschakelen van armoede en dat liefst met afgebakende budgetten voor specifieke doelgroepen. De opvatting van sociale rechtvaardigheid verschilt binnen het ene of het andere perspectief. Het is iets heel anders om ongelijkheid te bestrijden (en de absolute verschillen te willen terugdringen) of om armoede te bekampen (en de minstbedeelden een levensminimum te willen geven). Niet minder dan een kleine revolutie in ons denken, waarvoor een lange delegitimatie van de sociale zekerheid en het loonstelsel nodig was.

     Toen ik aandachtig de ‘laatste’ Foucault (die van eind jaren zeventig, begin tachtig) las, werd het mij duidelijk dat hij zelf voor het volle pond deel had aan dit proces. Hij stelt niet alleen de sociale zekerheid ter discussie, maar is bovendien enthousiast voor dat alternatief van de negatieve inkomstenbelasting dat Milton Friedman in die tijd voorstelde. In zijn ogen zijn uitkeringen en verzekeringen – die hij op dezelfde manier behandelt als gevangenissen, kazernes of scholen –onontbeerlijke instituten ‘voor de machtsuitoefening in de moderne maatschappij’. En omdat er allerlei hiaten zitten in het traditionele systeem van de sociale zekerheid, ziet Foucault wel iets in een vervanging door een systeem van negatieve inkomstenbelasting. Dat idee is relatief eenvoudig: de staat geeft een uitkering aan iedereen die onder een bepaald inkomensniveau zit. De bedoeling is ervoor te zorgen dat niemand onder een bepaald minimumniveau terechtkomt, zonder al te veel administratieve rompslomp. In Frankrijk komt vanaf 1974 het debat hierover op gang naar aanleiding van het werk van Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches. Een belangrijk argument trok onmiddellijk de aandacht van Foucault: in dezelfde geest als Friedman maakt hij een verschil tussen een beleid dat streeft naar gelijkheid (socialisme) en een beleid dat gewoon de armoede wil bannen zonder iets te doen aan de inkomensverschillen (liberalisme). Volgens Stoléru, en ik citeer, “kunnen de dogma’s […] aanzetten om te kiezen voor ofwel een beleid dat armoede uitschakelt, ofwel een beleid dat tracht een maximumverschil tussen rijken en armen te bepalen”.[5] Het eerste verwijst naar een willekeurig vastgelegd niveau (waar de negatieve inkomstenbelasting zich op richt) en het tweede naar de algemene verschillen tussen individuen (waar de sociale zekerheid en de welvaartstaat zich op richten). In de ogen van Stoléru “is de markteconomie wel in staat om acties tegen absolute armoede te integreren”, maar niet “om te sterke remedies tegen relatieve armoede te verteren”.[6]

In dit opzicht maakt het nauwelijks verholen enthousiasme waarmee Foucault verslag uitbrengt over het voorstel van Stoléru deel uit van een bredere beweging. Die gaat gepaard met de achteruitgang van het egalitaire denken over de sociale zekerheid om plaats te ruimen voor een zeer liberale strijd tegen armoede. De strijd tegen armoede heeft echter, hoe verwonderlijk het ook lijkt, de gevolgen van het neoliberale beleid hoegenaamd niet verlicht, maar integendeel bijgedragen tot zijn politieke hegemonie. Het verbaast niemand meer dat de allergrootste vermogens ter wereld, zoals Bill Gates of Georges Soros, zich inzetten voor de strijd tegen armoede en tegelijkertijd, zonder dat hier ook maar enige tegenstrijdigheid in lijkt te zitten, opkomen voor de liberalisering van de openbare diensten in deze landen, de afbraak van alle systemen voor de herverdeling van rijkdom en de ‘deugden’ van het neoliberalisme! Armoede bestrijden maakt het voortaan mogelijk sociale vraagstukken op de politieke agenda te zetten zonder de strijd aan te gaan tegen ongelijkheid en tegen de structurele mechanismen die deze veroorzaken. Deze evolutie ging hand in hand met het neoliberalisme en met mijn boek wil ik aantonen dat Foucault mee verantwoordelijk is voor deze ontsporing.

Het vraagstuk van de staat is alomtegenwoordig in uw boek. Wie de bestaansreden van de staat bekritiseert, is een liberaal. En Bakoenin, en Lenin dan? De anarchistische en marxistische tradities staan ook kritisch tegenover de staat. Laat u dit aspect hier bewust terzijde?

Daniel Zamora. De marxistische of anarchistische kritiek is van een totaal andere orde dan die van Foucault. Om te beginnen hadden deze vroegere anarchistische en marxistische auteurs nog geen kennis van de sociale zekerheid en van de vorm die de staat zal aannemen na 1945. De staat waar Lenin het over heeft, is een staat waarin de arbeiders geen enkel reëel recht hebben. Om een voorbeeld te geven, het stemrecht is in feite maar echt algemeen geworden – voor mannen – tijdens het interbellum. Ik heb mij altijd sterk geërgerd aan het idee, dat relatief populair is binnen radicaal links, dat de sociale zekerheid in feite enkel een instrument is voor sociale controle door het grootkapitaal. Die opvatting getuigt van een gebrek aan kennis van de geschiedenis en de oorsprong van onze stelsels van sociale bescherming. Die zijn helemaal niet ingevoerd door de burgerij om de kleine man te controleren: ze stonden daar totaal vijandig tegenover. Het is de arbeidersbeweging zelf die deze instellingen heeft uitgedacht. Ze waren het resultaat van de gunstige positie van de arbeidersbeweging onmiddellijk na de bevrijding. Al in de negentiende eeuw werkten arbeiders en vakbonden bijvoorbeeld een systeem uit van kassen voor onderlinge bijstand, voor het geven van uitkeringen aan wie niet kon werken. De marktlogica en de enorme onzekerheden daarvan voor de arbeiders zetten hen ertoe aan om systemen te ontwikkelen voor de gedeeltelijke socialisering van hun inkomen. We kunnen het zo stellen: terwijl in de eerste fase van de industriële revolutie alleen de bezitters volwaardige burgers waren, zorgt de sociale zekerheid – zoals de socioloog Robert Castel opmerkt – pas echt voor de “sociale rehabilitatie van de niet-bezitters”. Het is de sociale zekerheid die naast het privébezit een sociale eigendom invoert, waardoor ook de volksklassen echt een volwaardig burgerschap verwerven. Iemand die deze opvatting ook verdedigde, is Karl Polanyi in La grande transformation. Elk principe van sociale bescherming bevorderde in zijn ogen de bevrijding van het individu van de wetten van de markt en droeg bij tot de gewijzigde krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid.

     Natuurlijk kunnen we het beheer van die sociale zekerheid door de staat betreuren en bijvoorbeeld stellen dat ze moet beheerd worden door de gemeenschap, hoewel ik daar niet echt in geloof. Maar kritiek op het instrument is iets heel anders dan kritiek op de ideologische fundamenten als dusdanig. Foucault beweert zelfs dat het duidelijk is dat het hoegenaamd geen zin heeft om te spreken over het ‘recht op gezondheid’. En hij vraagt zich af: “Moet een maatschappij met collectieve middelen voorzien in de gezondheidsbehoeften van individuen? En bestaat er een legitieme basis om de vervulling van die behoeften te eisen?” Dan zitten we niet echt meer in het anarchistische denkkader. Ik vind – in tegenstelling tot Foucault – dat we onze huidige verworvenheden verder moeten uitdiepen, dat we moeten vertrekken van “wat er al is”, zoals Friot zegt. De sociale zekerheid is een fantastisch instrument, dat we moeten verdedigen én verder uitdiepen.

Is het geen verdienste van Foucault dat hij door zijn aandacht toe te spitsen op de ’marginalen‘ (op mensen die worden uitgesloten, gevangenen, gekken, op al wie ’abnormaal‘ is, minderheden met een andere seksuele geaardheid enzovoort) de problematiek van al die mensen onder de aandacht wist te brengen? Die werden tot dan toe toch genegeerd door het orthodoxe marxisme, dat enkel oog had voor de economische verhoudingen?

Daniel Zamora. U hebt gelijk. Zijn bijdrage op dit gebied is heel belangrijk. Het is duidelijk dat hij een hele reeks vormen van onderdrukking aan het licht heeft gebracht die tot dan toe onzichtbaar waren. Maar de bedoeling van zijn benadering was niet zuiver die problemen onder de aandacht brengen: hij wilde ze ook politiek centraal stellen en daar stel ik me vragen bij. Hij vindt, en veel auteurs uit die tijd met hem, dat de arbeidersklasse vandaag is “verburgerlijkt”. Ze zou perfect geïntegreerd zijn in het systeem. Door de “privileges” uit de naoorlogse periode zou de arbeidersklasse niet langer een kracht voor sociale verandering zijn, maar integendeel juist een rem op de revolutie. Dat was toen een wijdverbreid idee, dat we terugvinden bij de meest uiteenlopende auteurs, zoals Herbert Marcuse of André Gorz. Gorz gaat zelfs zover dat hij die arbeidersklasse een “geprivilegieerde minderheid” noemt.

     Het einde van deze centrale rol voor de arbeidersklasse – tevens het einde van de centrale rol van de arbeid – mondt uit in de “strijd tegen de marginalisering”, bij etnische of sociale minderheden. Het lompenproletariaat (of het “nieuwe plebs”, zoals Foucault zegt) wordt voortaan aanzien als een authentiek revolutionaire medespeler. Voor deze auteurs is het probleem niet zozeer meer de uitbuiting maar de macht en de moderne vormen van overheersing. Foucault schrijft: “De negentiende eeuw maakte zich vooral zorgen over de relaties tussen de grote economische structuren en het staatsapparaat. Nu zijn de problemen van de kleine gezagsorganen en van diffuse systemen van dominantie fundamenteel geworden.”[7]

     Het probleem van “te veel macht”, van de controle op het gedrag, kwam in de plaats van het probleem van uitbuiting en rijkdom. Het is voor Foucault duidelijk dat het begin jaren tachtig niet meer zozeer gaat om het herverdelen van rijkdom. Hij aarzelt niet om te schrijven: “We zouden kunnen stellen dat we behoefte hebben aan een economie die niet meer draait rond productie en herverdeling van rijkdom, maar aan een economie die gaat over de machtsrelaties.”[8] Het gaat dus niet meer zozeer over strijd tegen de macht in termen van economische uitbuiting, maar veeleer om de strijd tegen dagelijkse vormen van machtsuitoefening, belichaamd door bewegingen als het feminisme, de studentenbeweging, gevangenen of mensen zonder papieren. Het is natuurlijk geen probleem dat Foucault allerlei vormen van overheersing op de agenda heeft gezet waar tot dan toe niet over werd gesproken. Maar het is wel een probleem dat de theoretische fundering van die overheersingsvormen steeds meer los van het vraagstuk van de uitbuiting wordt gezocht. In plaats van een theoretisch perspectief te schetsen dat het verband tussen beide problemen legt, worden ze steeds meer tegen elkaar afgezet en zelfs gezien als tegengesteld!

     Deze diskwalificatie van de arbeidersbeweging had een aantal nogal opmerkelijke gevolgen. Het plaatst de sociale uitsluiting van werklozen, jongeren in de voorsteden en migranten in het maatschappelijk debat op de voorgrond als belangrijkste politiek probleem. Deze evolutie is het vertrekpunt voor de centrale positie – zowel links als rechts – van uitgesloten mensen en de opvatting dat de postindustriële samenleving is opgedeeld tussen wie wel toegang heeft tot de arbeidsmarkt en wie er in meer of mindere mate van wordt uitgesloten. Op die manier verschuift de focus van arbeid naar uitsluiting, armen of werklozen. Die verschuiving plaatst de arbeiders indirect in het kamp van de mensen die “erbij horen, die werk hebben” (het kamp van de privileges en de sociale verworvenheden).[9]

     Een dergelijke redenering herdefinieert het sociale vraagstuk als een conflict tussen twee vleugels van het proletariaat in plaats van tussen arbeid en kapitaal. Rechts is deze herdefinitie erop gericht de sociale rechten van ‘de overtolligen’ te beperken door ‘de actieven’ tegen hen op te zetten.[10] Links mobiliseert de ‘overtolligen’ tegen de verburgerlijking van de ‘actieven’. Beide aanvaarden de centrale rol voor wie is uitgesloten van vast werk, ten nadele van de arbeiders. Als Margaret Thatcher de underclass, die bescherming en sociale bijstand krijgt, opzet tegen de Britten die werken, onderschrijft zij dan niet de stelling van Foucault of André Gorz, maar dan in omgekeerde vorm?

     Uiteraard verschilt de politieke inhoud van deze rechtse verklaringen radicaal van de uitspraken van die auteurs eind jaren zeventig. Maar op een of andere manier staan voor alle twee ‘de overtolligen’ centraal in de politieke discussie en niet langer de arbeidersklasse. Zowel voor Gorz als voor de neoliberale beweging is het probleem niet meer de uitbuiting, maar de relatie tot werk. Gorz ziet in de levensstijl van de overtolligen een verlossing van de arbeid en Thatcher een afkeurenswaardige lediggang die bestreden moet worden. De ene verheft het recht op luiheid tot een deugd; de ander vindt die een onrechtvaardigheid die uit de weg geruimd moet worden. Of zoals de marxistische filosofe Isabelle Garo zo treffend schreef: deze overgang zal ertoe leiden dat “de uitbuiting en de kritiek op de uitbuiting worden vervangen door een centrale aandacht op het slachtoffer van de onrechtvaardigheid, de gevangene, dissident, homoseksueel, vluchteling enzovoort.”[11]

Hoe verklaart u dat Foucault nog zo veel mensen weet te verleiden in die radicale kringen die nochtans met grote stelligheid beweren een einde te willen maken aan het neoliberale tijdperk?

Daniel Zamora. Dat is een vraag waarop ik geen bevredigend antwoord heb. Het ligt waarschijnlijk voor een groot stuk aan de structuur van de academische arena zelf. Wanneer je je aansluit bij een theoretische ‘school’ of bij een bepaald theoretisch perspectief, dan behoor je ook tot een bepaald intellectueel kamp, waar voortdurend een hevige strijd woedt om toegang te hebben tot de dominante posities. Jezelf marxist noemen in het Frankrijk van de jaren zestig, toen de academische wereld voor een deel beheerst werd door auteurs die zich op het marxisme beriepen, betekende niet hetzelfde als vandaag marxist zijn. De krachtsverhoudingen binnen de academische wereld zijn aanzienlijk gewijzigd sinds eind jaren zeventig: als gevolg van de teruggang van het marxisme neemt Foucault daar tegenwoordig een centrale plaats in. Hij schotelt een comfortabele visie voor die het mogelijk maakt om een bepaalde mate van subversie te verenigen met de academische codes, zonder iets te verliezen. Foucault te berde brengen staat goed. Zijn aanhangers worden dikwijls gepubliceerd in prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften, vinden aansluiting bij brede kringen van intellectuelen, kunnen boeken publiceren enzovoort. Zeer ruime geledingen binnen de intellectuele wereld verwijzen in hun publicaties naar Foucault en leggen hem van alles en nog wat in de mond. Je kunt adviseur zijn van de patroonsorganisatie en hun cursussen uitgeven. De man opent deuren... En dat kan je vandaag nu niet meteen zeggen over Marx!

     Er bestaat natuurlijk ook ‘behoudsgezinde’ kritiek op Foucault – en ruimer, op wat mei 68 heeft betekend voor de Franse sociale geschiedenis. Die kritiek is helemaal niet meer zo marginaal: je vindt die terug in kringen van rechtse conservatieve denkers zoals Eric Zemmour of bij het Front National. Rechts geeft openlijk kritiek op de feministische, antiracistische en culturele erfenis van mei 68, maar maakt beduidend minder woorden vuil aan de economische puinhoop van het neoliberalisme. Een beetje alsof het probleem zit in het politieke liberalisme van de jaren tachtig en alsof alleen het terugdraaien van deze maatschappelijke ontwikkelingen de basis kan bieden om een samenleving op te bouwen. Je hoort dikwijls van die opvattingen als zou de opkomst van het neoliberalisme te maken hebben met de teloorgang van familiewaarden of van meer op de gemeenschap gerichte vormen van sociaal contact. Ook al zit er zeker een deel waarheid in deze analyses, de voorstellen die eruit voortvloeien voor een terugkeer naar meer ‘traditionele’ levenswijzen slaan nergens op. We gaan misschien in de richting van een veel meer autoritair soort liberalisme, met een terugkeer naar traditionele familiewaarden, naar een nationale cultuur die niet bestaat en naar het goede oude kapitalisme van voor de globalisering...

     En wat de erfenis van mei 68 betreft, links mag niet de ogen sluiten omdat extreemrechts, Soral of Zemmour die aanvalt. Integendeel, links moet zijn eigen evaluatie maken, zijn eigen kritiek formuleren om de ideologische strijd niet volledig te verliezen. Aan die opdracht moeten wij ons wijden met het oog op de heropbouw van een links gedachtegoed dat tegelijk volks en radicaal is.


[1] Critiquer Foucault. Les années1980 et la tentation néolibérale, Jean-Loup Amselle, Michael C. Behrent, Michael Scott Christofferson, Jan Rehmann, Loïc Wacquant, Daniel Zamora, Éditions Aden, 2014, p. 468, ISNB 9782805920677.

[2] Dit interview met Daniel Zamora is eerder verschenen op de website van Ballast onder de titel “Peut-on critiquer Foucault?”, 3 december 2014. Zie: http://www.revue-ballast.fr/peut-on-critiquer-foucault/.

[3] Noam Chomsky, Michel Foucault, Sur la nature humaine : comprendre le pouvoir, Aden, Bruxelles, 2006, p. 53.

[4] Gouvernementaliteit betreft allerhande sturingspraktijken en hun verandering en beperkt zich niet tot overheden of organisaties en instellingen.

[5] Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches, Flammarion, Paris, 1974, p. 237.

[6] Ibid., p. 286-287.

[7] Michel Foucault, “Michel Foucault. Les réponses du philosophe’’, november 1975, in: Dits et Ecrits I. 1954-1975, tekst nr. 163, Gallimard, Parijs, 2001, p. 1674.

[8] Michel Foucault, “La philosophie analytique de la politique’’, in : Dits et Ecrits III, tekst nr. 232 p. 536.

[9] Stéphane Beaud, Michel Pialoux, Retour sur la condition ouvrière, 10/18, Parijs, 2004, p. 424.

[10] Met ‘overtolligen’ duidt men werklozen en zieken aan en ‘actieven’ zijn personen die aan het werk zijn.

[11] Isabelle Garo, Foucault, Deleuze, Althusser en Marx, Demopolis, Parijs, 2011, p. 70.