Loon en concurrentie

Auteur: 
Henri Houben

Zoals Réginald Savage en Michel Husson in hun werk Salaire et compétitivité. Pour un vrai débat[1] aangeven, vormt het aandeel van het loon in de toegevoegde waarde (of bbp[2]) inderdaad een belangrijke inzet op economisch en sociaal vlak. Het is een essentiële aanwijzer voor de verdeling van de geproduceerde rijkdom. Wat niet wordt uitbetaald als loon, neemt noodzakelijkerwijze de vorm aan van winst.

Het gaat hier uiteraard over de brutowaarden. Het loon verwijst naar wat wordt verstaan onder de onjuiste term[3] ‘loonkost’, dat wil zeggen het bedrag dat de werknemers effectief ontvangen, maar ook de bijdragen aan de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing. De winst vertegenwoordigt het bedrag dat zal uitbetaald worden aan de aandeelhouders, de bedrijfsleiders, de banken[4], de vennootschapsbelasting en het saldo dient om het eigen kapitaal van de onderneming te voeden, vaak met het oog op investeringen in de onderneming zelf.

Dit onderscheid is helemaal niet marxistisch, maar wordt gemaakt door de nationale boekhouding. In sommige landen wordt er nog een derde categorie aan toegevoegd: de gemengde inkomsten van de vrije beroepen, de zelfstandigen. In andere wordt dan weer forfaitair een gemiddeld basisloon berekend en dient de rest om de algemene winsten van de nationale economie te spijzen.

De evolutie van het aandeel van het loon is bijgevolg representatief voor de rechtvaardige verdeling van de rijkdom, zelfs voor de uitbuiting van de arbeid in marxistische zin. Zoals Michel Husson schrijft: “Als het aandeel van de lonen constant blijft, kan dat beschouwd worden als een rechtvaardige verdelingsnorm van de productiviteitswinsten” (p.52). Daalt het loon daarentegen, dan wijst dat meer dan waarschijnlijk op verhoogde loonuitbuiting.

Dit percentage gaat in dalende lijn, voor sommige landen sinds het einde van de jaren zeventig van vorige eeuw, voor andere sinds het begin van de jaren tachtig. Voor de 15 landen van West-Europa daalt het van meer dan 55 % in 1980 tot minder dan 50 % in 2011.[5] In sommige landen is die daling nog forser. Dat wijst op een verslechtering van de situatie van de werknemers. De aandeelhouders, de bedrijfsleiders en de renteniers doen er voordeel mee.

Wanneer de overheid, al dan niet onder druk van Europa, bijkomende besparingen oplegt om een einde te maken aan de begrotingstekorten, mogen we niet vergeten dat de loontrekkers al dertig jaar lang hun koopkracht zien dalen. Het is dan ook de verdienste van dit boek en van de Conférence des Econosphères[6] van 12 november 2012 (waaruit deze twee bijdragen zijn voortgekomen) dat daarop de nadruk wordt gelegd.

Het is jammer dat het werk op pedagogisch vlak wat tekortschiet. Je moet al goed vertrouwd zijn met bepaalde begrippen in het debat om comfortabel de door de auteurs ontwikkelde argumenten en stellingen te kunnen volgen, in het bijzonder in het artikel van Réginald Savage.

Anderzijds wordt eenzijdig de nadruk gelegd op het aspect van herverdeling, meer bepaald in de analyse van de crisis. Michel Husson geeft zelfs toe dat dat ook de bedoeling is.[7] Ongetwijfeld heeft hij gelijk. De dalende tendens van het inkomen van de werknemers is een fundamenteel onderdeel van de huidige recessie. En ze verklaart in elk geval waarom het kapitalisme niet echt uit de depressie geraakt maar integendeel nog dieper wegzinkt.

Maar herverdeling is niet het enige aspect en ook niet het doorslaggevende. In de jaren zeventig kenden de reële lonen een relatieve stijging en de winsten bijgevolg een gelijklopende daling. Het neoliberalisme, ingezet door Margaret Thatcher en Ronald Reagan (en dat vaak al werd voorafgegaan door maatregelen in die zin) was een reactie daarop; het beoogde het herstel van de rentabiliteit van de ondernemingen en de beloning van de aandeelhouders. Maar dat betekent ook dat het in die tijd niet de lonen waren die de problemen hebben veroorzaakt.

Integendeel, er werd in die jaren heel wat geïnvesteerd, ook al daalden de investeringen in de loop van de tijd. Zo bouwden de ondernemingen bijkomende productiecapaciteit op tegen een sneller ritme dan de vraag, ook al werd die vraag gevoed door de stijgende lonen van de werkers. Dit leidde tot overproductie, die dan tijdelijk werd opgelost onder andere door de ontwikkeling van het krediet. De recessie is dus gedeeltelijk een gevolg van de anarchie in de productie en niet van een te grote ongelijkheid in de inkomens van de verschillende sociale klassen. 

Marx ontmaskerde in zijn tijd al diegenen die zeiden dat de crisis enkel te wijten was aan de onrechtvaardige verdeling van het inkomen: “… men zegt dat de arbeidersklasse een te klein deel van haar eigen product krijgt, en het ongemak meteen zal worden verholpen, van zodra ze een grotere aandeel daarvan ontvangt en haar arbeidsloon bijgevolg toeneemt, dan valt slechts op te merken, dat de crises telkens net voorbereid wordt door een periode, waarin het arbeidsloon algemeen stijgt en de arbeidersklasse in werkelijkheid een groter aandeel in het voor consumptie bestemde deel van het jaarlijks product ontvangt.” Die periode moest – vanuit het gezichtspunt van deze ridder van het gezond en ‘eenvoudig’  mensenverstand – omgekeerd de crisis doen verdwijnen. Het blijkt dus, dat de kapitalistische productie, voorwaarden insluit die onafhankelijk zijn van goede of kwade wil, voorwaarden die slechts tijdelijke relatieve voorspoed voor de arbeidersklasse toelaten, en wel altijd slechts als stormvogel van een crisis.”[8]

Dit is een belangrijke kwestie want zij bepaalt het beleid en de oplossingen om uit de recessie te geraken. Ofwel focust men op de kwestie van de verdeling en pleit men voor aanpassingen – die overigens volledig kunnen gerechtvaardigd zijn. Maar op die manier beperkt men zich tot een betere herverdeling binnen het kapitalistisch systeem met hogere lonen en een verbeterde koopkracht voor de meerderheid van de bevolking. Ofwel is men van mening dat het kapitalistisch systeem in zijn geheel de crisis heeft veroorzaakt, dat wil zeggen enerzijds door een ongelijke verdeling te bevorderen en anderzijds door de anarchie in de productie te organiseren. In dit geval is een verhoging van de lonen een lovend voorstel dat onze steun verdient. Maar dat op zich zal ons niet uit de recessie helpen. Er moeten alternatieven gevonden worden voor het kapitalisme zelf.


[1]     Réginald Savage en Michel Husson, Salaire et compétitivité. Pour un vrai débat, éditions Couleur livres, Brussel, 2013.

[2]     Het bruto binnenlands product (bbp) is de productie van rijkdom onder de vorm van goederen en geld in een land (of regio) in een bepaald tijdsbestek (vaak een jaar).

[3]     Onjuist, omdat het alleen gezien wordt vanuit patronaal oogpunt.  Voor de werker is deze fameuze ‘loonkost’ zijn inkomen. 

[4]     Maar ook daar zal er een verdeling zijn tussen de aandeelhouders, bedrijfsleiders, de overheid en dat wat in de bank zelf blijft.

[5]     Berekeningen op basis van AMECO, de gegevensbank van het Directoraat-Generaal Economie en Financiën van de Europese Commissie. 

[6]     Econosphères is een groep van een honderdtal economisten (of economische onderzoekers), opgericht door de Waalse vakbonden FGTB en CSC, Attac (Association pour la taxation des transactions financières et l’aide aux citoyens) en Gresea (Groupe de recherche pour une stratégie économique alternative). Zij willen een kritisch debat openen over het huidige neoliberale beleid.

[7]     De titel van zijn artikel spreekt voor zich: « La baisse de la part salariale à la source de la crise » (de daling van het aandeel van het loon ligt aan de oorsprong van de crisis).

[8]        Karl Marx, Enkelvoudige reproductie, in Het Kapitaal, deel 2, zie: http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1885/kapitaal-2/20.htm.