Mannen tegen de oorlog

Auteur: 
Maxime Tondeur

Minderheidssocialisten – pacifisten, flaminganten en revolutionairen – tegen de oorlog1 

Eind juli 1914 roept de Brusselse afdeling van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) de bevolking op voor een manifestatie op 3 augustus, onder het motto ‘Weg met de oorlog’. De oproep is in het bijzonder gericht aan “… de vrouwen, die samen met hun kinderen de kop van de optocht zullen vormen”.2Amper enkele uren na deze laatste antioorlogsoproep zal het ganse land samentroepen ‘ter verdediging van het vaderland’, en het stampen van de laarzen, de gruwel van de slachtingen en de donkere nacht van de oorlog zullen alles overweldigen, als een tsunami die elke kritische antimilitaristische opvatting en elk internationalisme verzwelgt.3

Nochtans had vóór 4 augustus 1914 de antimilitaristische ideologie een belangrijk deel uitgemaakt van de socialistische strijd in België4, net als in andere Europese staten, zoals Frankrijk, Duitsland, Nederland of Italië. De veroordeling van het militarisme was een fundamenteel onderdeel van het programma van de Tweede Internationale. Daarbij ging het niet alleen om de rol van het leger in de binnenlandse repressie bij klassenconflicten, maar zeker ook bij de oorlogsvoorbereiding om buitenlandse markten te veroveren.

In België is deze stroming vooral te vinden onder de Socialistische Jonge Wacht, de jongerenorganisatie van de Belgische Werkliedenpartij, die bij de oprichting in 1890 als bijzondere opdracht de bestrijding van het militarisme meekrijgt. Twee tijdschriften zijn speciaal gericht op de jonge dienstplichtigen: De Loteling en De Kazerne. Met beide uitgaven protesteren zij tegen de het hatelijke systeem van de lottrekking van soldaten (de lotelingen). Dat systeem maakte het de rijken immers mogelijk om voor wat geld van enkele arme sloebers de vrijstelling af te kopen. In artikelen roepen zij herhaaldelijk het leger op niet te schieten op strijdende arbeiders; het komt verschillende jonge socialisten op assisenprocessen en gevangenisstraffen te staan. In september 1911, op een moment dat Frankrijk en Duitsland in Agadir de strijd aangaan om de controle over Marokko, roept de SJW op voor een meeting tegen de dreigende oorlog om de rijkdommen van Marokko.

Het blad L’Exploité, opgericht in 1911, neemt de fakkel over. Het wordt verzorgd door een groep vooral Brusselse revolutionaire syndicalisten, Joseph Jacquemotte (de leider van de bediendenvakbond), zijn kameraad Georges Rens en Émile Chapelier, een libertaire communist. Ideologisch gezien wordt deze stroming binnen de BWP gekenmerkt door het anarchosyndicalisme en beïnvloed door de Franse anarchist Gustave Hervé5.

Op het BWP-congres van 1913 dient revolutionair links de motie (Jacquemotte-Chapelier) in, maar die wordt door de meerderheid verworpen. Toch zal zij in de geschiedenis bewaard blijven als een getuigenis van de antimilitaristische stroming binnen het Belgische socialisme.

Het congres,

Overwegend dat het kapitalisme de organisatie van staande legers inhoudt, uitsluitend belast met de verdediging van de belangen van burgerlijke klasse;
Overwegend dat de arbeidersklasse op haar internationale congressen de wil heeft uitgedrukt om zich onwrikbaar te verzetten tegen de bewapeningswaanzin;
Overwegend dat het principe van nationale verdediging logischerwijze en onvermijdelijk het militarisme meebrengt met al zijn rampzalige gevolgen;
Overwegend dat het dogma van het “vaderland” alleen maar kan leiden tot haat onder de volkeren,

Verklaart:

De arbeiders hebben in het kapitalistische systeem geen vaderland;
Zij hebben als plicht om geen enkel offer te brengen voor het militarisme et zij zullen zich verzetten tegen de oorlog met alle middelen, met inbegrip van algemene staking en opstand.6

Bij het uitbreken van de oorlog treedt Emile Vandervelde, de patron van de BWP, toe tot de regering als minister van Staat. De SJW schaarde zich achter de leiding van de partij. De revolutionaire syndicale oppositie van L’Exploité werd aan handen en voeten gebonden door de gecombineerde golf van anti-Duits patriottisme, de algemene opstelling van de BWP achter de regering, en de bezetting en de instelling van de censuur.

Over de socialistische beweging schreef Lenin:

De strijd tussen twee essentiële stromingen in de arbeidersbeweging, het revolutionaire socialisme en het opportunistische socialisme, vulde de hele periode van 1889 tot 1914. Op dezelfde manier bestaan er vandaag twee hoofdstromingen voor wat betreft de houding tegenover de oorlog. […] Neem tien Europese landen: Duitsland, Engeland, Rusland, Italië, Nederland, Zweden, Bulgarije, Zwitserland, Frankrijk en België. In de acht eerstgenoemde landen stemt de indeling in een opportunistische en revolutionaire strekking overeen met de indeling tussen sociaal-chauvinisten en internationalisten. […] Slechts twee landen vormen een uitzondering: Frankrijk en België. Het internationalisme is er ook aanwezig, maar is er erg zwak.7

Charles Massart gaf tijdens de oorlog les aan de Centrale voor Arbeidersvorming van de BWP, en was in 1921 een van de oprichters van de Communistische Partij. Hij bevestigt: “… we kunnen zeggen dat in België, met uitzondering van een minieme minderheid, de socialisten allemaal het slachtoffer waren van de oorlogspsychose.” Over de BWP noteert hij verder: “Het algemeen bestuur was unaniem chauvinistisch en nationalistisch, wat ons helemaal niet moet verbazen, want het nationalisme was een van de onvermijdelijke gevolgen van het reformisme.” “Tot aan het eind van de oorlog ijverden Vandervelde en De Brouckère inderdaad voor het meest ongebreidelde jusqu’au-boutisme; tijdens de hele oorlog hebben ze alle pogingen tot toenadering met de ‘vijandelijke’ socialisten bestreden.”8

Dit artikel is gewijd aan deze ‘minderheid’, die vaak vergeten wordt in de herdenkingen van De Groote Oorlog, en van wie het engagement aangevochten werd en nog steeds wordt.

De Socialistische Jonge Wacht van Gent en de Vredesgroep: vrede en steun aan de Russische revolutie

Het jaar 1916 vormt een keerpunt in de oorlog, niet militair, maar ideologisch. Het patriottisme en het chauvinisme beginnen af te nemen. De slachtpartijen aan het front, de honger en de ellende achter de linies brengen de mensen weer tot bewustzijn. In de meeste landen nemen de stakingen en de soldatenacties toe. Binnen de sociaaldemocratische organisaties beginnen zich langzamerhand stemmen te verheffen, militanten komen in actie tegen de oorlog, internationale banden worden weer aangehaald.

De Socialistische Jonge Wacht van Gent komt in januari 1916 weer tot leven na achttien maanden lethargie. Ze worden door een Nederlandse kameraad, die de rubriek ‘Uit Holland’ verzorgt in hun tijdschrift, en door een Duitse soldaat bijgepraat over de beweging van Zimmerwald en Kienthal9. Ze richten nieuwe afdelingen op en organiseren marxistische conferenties. Daar komen de theorieën aan bod van Nederlandse marxisten als Henriëtte Roland Holst en Herman Gorter, die beiden dissidenten zijn binnen de officiële sociaaldemocratie. Al snel stijgt hun ledenaantal van tachtig naar driehonderdvijftig.

Vanaf mei 1916 oefenen ze kritiek uit op de regeringsdeelname van de BWP. (Emile Vandervelde, die al minister van Staat was sinds augustus 1914, is officieel lid van de regering geworden in januari 1916.) Al die activiteit van een jong radicaal links dat zich ontwikkelt, roept de weerstand op van de lokale partijleiding en vooral dan van Edward Anseele, de bovenbaas van de Gentse federatie.10

Op 14 januari 1917 wordt de Vredesmotie gepubliceerd; ze zal de politieke breuk van de SJW met de BWP voltrekken.

De Socialistische Jonge Wacht van Gent, in algemene vergadering van 14 januari 1917, onder voorzitterschap van Jozef Cantré, stemt met eenheid de volgende Motie, en drukt de wens uit dat ze zo spoedig mogelijk openbaar wordt gemaakt.

Op haar verschillende congressen verklaarde de Internationale Sociaaldemocratie zich herhaaldelijk tegen de oorlog, alle oorlogen slechts het onvermijdelijke gevolg zijn van de zich immer uitbreidende kapitalistische productie. De arbeidersklasse heeft niet alleen de zwaarste mensenoffers te brengen op de slagvelden, ook in de neutrale landen lijdt zij het sterkst onder de economische crisis die haar dreigt, zowel lichamelijk als zedelijk, ten onder te brengen. Daarom besloot de Internationale, zodra een oorlog ondanks het proletarische verzet uitbreekt, terstond de internationale banden heraan te knopen en al het mogelijke aan te wenden om de oorlog ten spoedigste te doen eindigen. In al de geteisterde landen klimt van dag tot dag het getal socialistische stemmen dat de regeringen toeroept vrede te sluiten en zo spoedig mogelijk het moorden te staken. De Internationale Socialistische Jeugdorganisatie, al de besluiten van Internationale Sociaaldemocratie volmondig bijtredend, zo stemt voor haar deel de Socialistische Jonge Wacht van Gent, bijeengekomen in algemene vergadering van 14 januari 1917, met de vredesbeweging in alle landen ten volste in, en drukt de wens uit dat zo spoedig mogelijk de wapens worden neergelegd.11

Let even op de data. De internationalistische kern van Gent komt tot stand in het kielzog van de conferenties van Zimmerwald en Kienthal. De Vredesmotie, de politieke breuk met de socialistische regeringsdeelname, komt tot stand vóór het uitbreken van de Russische revolutie (maart 1917), en ook vóór elke sociaaldemocratische conferentie voor de vrede. De motie is duidelijk het resultaat van hun eigen ideologische ontwikkeling.

Voor Anseele moet de SJW tot de orde geroepen worden, in naam van de partijdiscipline. Hun manifest roept nochtans niet op om de oorlog om te zetten in een proletarische revolutie. Natuurlijk klagen zij het imperialistische karakter van de oorlog aan, en eisen zij een onmiddellijke vrede zonder annexaties en zonder schadevergoedingen, maar zij willen wel blijven werken binnen het kader van de socialistische beweging. Dat wordt hen niet toegestaan. Op 24 januari wordt hen de toegang geweigerd tot een zitting van het Middencomiteit (een federaal bestuursorgaan). De toegang tot de lokalen van de socialisten is hen voortaan eveneens verboden. Anseele verklaart SJW voor ontbonden en geeft opdracht om een nieuwe ‘loyale’ groep op te richten. Uiteraard maken deze autoritaire maatregelen SJW alleen maar radicaler.

Vanaf augustus 1917 verschijnt het maandblad Roode Jeugd, dat duidelijk de breuk met Gentse BWP-leiding aangeeft.

… de SJW bestonden “uit 350 leden […] ondanks de banvloek over ons uitgesproken door een klein kliekje dat zich het Partijbestuur noemt, alles in ’t geheim schotelt en lepelt, niet eens een partijvergadering durft samenroepen om over de vrede te spreken […] Dan wisten wij wat wij te verwachten hadden: Gezel Anseele wilde niet voor de vrede spreken, duidelijk en onbewimpeld althans.12

De leiding van de socialisten probeert de minderheidsgroep te ‘compromitteren’ door ze te beschuldigen van activisme. Maar voor SJW is de Raad van Vlaanderen13 een groepje Vlaamse intellectuelen zonder mandaat.

In januari 1918, twee jaar na de heroprichting van de Gentse afdeling van SJW, ontstaat de Vredesgroep der Socialistische Partij. Die breidt de minderheidsbeweging weer uit met de oude socialistische kameraden.

Gezien aan vele partijgenoten die een directe vrede gunstig zijn geweigerd wordt in de partijorganismes, partijbladen en partijlokalen hun mening te laten kennen, hebben tal van ouderen en jongeren, meestal beproefde propagandisten voor de socialistische zaak, geen andere uitweg ziende, besloten zelf een vredesgroep te stichten, die zich noemen zal “Vredesgroep der Socialistische Partij.14

Zij publiceren een manifest, Ons Standpunt. De groep bevestigt haar resolute breuk met de partijleiding.

… in de uren van de nijpendste nood, waar het ging om woorden in daden om te zetten, waar het ging om het leven van duizenden klassegenoten, werd het proletariaat door hen in de steek gelaten. Het Belgisch regeringssocialisme is geworden doof, stom en blind.15

De groep bevestigt opnieuw haar geloof in een onmiddellijke vrede, en verkondigt zonder voorbehoud haar steun aan de Oktoberrevolutie in Rusland …

Haar krachtige steun aan de moedige bolsjewistische kameraden en hun hoog niveau in het socialisme. Zij hebben het bloeddorstige regime van de tsaristische autocratie veranderd in een echte socialistische, communistische republiek van de werkende mensen, met gelijkheid van mannen en vrouwen, vrijheid van vereniging, de achturendag en het collectieve bezit van de productiemiddelen, wat het eindelijk doel van onze socialistische strijd is. En dat ondanks alle moeilijkheden die ze hebben moeten overwinnen, verlaten en zelfs weggehoond door bijna de hele Arbeidersinternationale en ondanks de wurggreep van het internationaal kapitalisme.16

De groep pleit ook voor de oprichting van de Derde Internationale: “De Tweede Internationale kon deze oorlog niet voorkomen, omdat haar historische rol slechts het bijeenbrengen was van arbeidersorganisaties uit verschillende landen. De Derde (Internationale) zal de hele wereld moeten omvatten. Deze brochure draagt daar haar bescheiden steentje toe bij.”17

Onder de militanten van Roode Jeugd en van de Vredesgroep bevonden zich de textielarbeider Oscar Van den Sompel, die mee de Comunistische Partij oprichtte, de dichter Richard Minne, de secretaris van de bediendenbond Karel Hutse en de beeldhouwer Jozef Cantré. Onder de socialistische minderheid in België was de groep van Gent ongetwijfeld degene die “het meest vooruitstrevend was als men kijkt naar de verkondiging van revolutionaire ideeën”.18

De Socialistische Jonge Wacht van Antwerpen en Jef van Extergem

In Antwerpen is de SJW blijven bestaand als een kleine socialistische groep onder leiding van hun zeer jonge secretaris, Jef Van Extergem – hij was 14 jaar. Als vurig socialist en antimilitarist liet hij zich op school al opmerken als een rebel:

Vóór de oorlog reeds weigerde V.E. deel te nemen aan de vaderlandse schooloptocht van 21 juli. V.E. was zeer revolutionair. […] In december 1914, gaf hij een voordracht over internationalisme in de klas. Hij was zeer revolutionair. De andere leerlingen spraken allemaal over “Notre Roi”, “Notre Patrie”, “La Belgique”, enz. […] V.E. sprak in pacifistische en antimilitaristische zin.19

In januari 1916 publiceert hij in Vooruit, het dagblad van de BWP dat in Gent verschijnt onder de bezetting en de Duitse censuur, het artikel “Hoog de harten”. Hij roept erin op tot “internationale verbroedering van de arbeiders” en kritiseert de duistere combines van een bende diplomaten van alle nationaliteiten in dienst van Koning Geld. Hij roept op tot vrede: “Het volk wil de vrede! Hoog de harten, sociaaldemocraten, de strijd zal hevig zijn! Doch ‘strijd is leven!’”20

Tijdens een conferentie te Antwerpen in november 1916 roept hij de socialisten op de armen niet te kruisen onder de Duitse bezetting en de strijd te richten op de ontvoogding van Vlaanderen. Zo ontstaat het ‘socialistische activisme’. De Antwerpse SJW richt, in de marge van de BWP, VSDAG op, de Vlaams Sociaal-Democratische Arbeidersgemeenschap. Ze komt op voor een “actief flamingantisme dat de socialistische grondbeginselen niet uit het oog verloor”. Alle middelen worden daarbij ingezet: kranten, pamfletten, manifestaties en meetings in het hele land. “We willen een kern van bewuste Vlaamse socialisten vormen zodat later, in de socialistische partij, het actieve Vlaamse element niet overvleugeld wordt.”21

Vanaf januari verschijnt hun tijdschrift De Socialistische Vlaming onder vorm van pamfletten. Daardoor vermijdt men de Duitse persberichten te moeten opnemen. De oplage bedraagt 1500 exemplaren. De politieke actie spitst zich vooral toe op het thema van de bevrijding van Vlaanderen en sluit aan bij het activisme in de Vlaamse beweging. Zij keert zich ook tegen de oorlog en ijvert voor onmiddellijke vrede.

Zij kritiseren de ouderen, de leiders van de BWP: “Dat socialistische voormannen waarin we geloofden en vertrouwden, die ons hielpen maken wat we zijn, zo opeens ‘Belgische’ patriotten geworden zijn dat kunnen we niet verklaren.”22 In een manifest van 1 mei 1917 trekken ze van leer “tegen de schandelijke sociale situatie in Vlaanderen die van onze arbeiders echte koelies heeft gemaakt en eisen ze een federaal België.”

In de loop van het jaar 1917 worden in heel Vlaanderen meetings georganiseerd rond het thema “Socialisme en activisme”. Ze trokken vaak veel volk in Gent, Antwerpen, Mechelen, Lier enz. Onmiddellijke vrede en zelfbestuur voor Vlaanderen vormen het leidmotief. In Gent spreekt Van Extergem voor 2000 mensen gedurende twee en een half uur.

Naast van Van Extergem is Walter Schevenels actief. Hij wordt later secretaris van de de Internationale Sociaaldemocratische Vakbondsfederatie. Verder is er ook Paul (Saül) De Groote, een Hollandse militant van de diamantvakbond; hij wordt in 1921 lid van de Kommunistische Partij. Na zijn uitsluiting in 1923 zal hij in de jaren dertig voorzitter worden van de Communistische Partij van Nederland.

Sommige afdelingen van de SJW, zoals de Leuvense, omarmen deze oriëntatie. In 1920 wordt Van Extergem veroordeeld tot twintig jaar opsluiting en verliest hij levenslang zijn burgerrechten. De substituut van de procureur des Konings beschuldigt hem ervan de “revolutie aan te stoken”. Dat alles gebeurt in het kader van de grootschalige repressie tegen de activistische beweging. Camille Huysmans zal dat later bestempelen als de ‘franskiljonse furia’.

Tijdens het proces ontkent hij dat hij voor de Duitsers zou hebben gewerkt. Hij distantieert zich ook politiek van het burgerlijk activisme van de leiders die in meerderheid tot de katholieke rechterzijde behoorden en de Duitse politiek hadden gevolgd. Hij verklaart zijn gedragslijn:

Heel de oorlog door ben ik trouw gebleven aan mijn socialistische principes van haat tegen het onmenselijke volkeren slachten, – nooit heb ik er naar gezien of het ijveren voor die principes vandaag te pas kwam in het kraam van de Centralen en morgen in het kraam van de Entente! Mijn grote betrachting was dat de soldaten, aan alle fronten, hun wapens zouden omgekeerd hebben, om ze te richten op de borsten van de uitbuiters, van de kapitalisten.

Tot in juni 1918 zijn wij voorstanders geweest van een federatief België. Toen waren wij – de Socialistische Jonge Wachters – er vast van overtuigd dat een verzoeningsvrede zou tot stand komen. Zo de Duitsers wonnen was het verduitsing, zo de Entente won, dit is nu klaar bewezen, zou de verfransing meer dan ooit hoogtij vieren. De middenweg was dus een vrede door vergelijk, de vrede zoals hij gewenst werd door de stockholmisten. Dan zouden de Duitsers België ontruimd hebben, maar onder voorwaarde dat België werkelijk onzijdig werd, wat alleen mogelijk was, zo het Germaans en Latijns element zich in evenwicht hielden, door een vrij Vlaanderen en een vrij Wallonië in een vrij België.

Langzamerhand begon het zich echter klaarder en klaarder af te tekenen dat er van een verzoeningsvrede geen sprake meer kon zijn. Het grote lenteoffensief van de Centralen was mislukt en het was onze overtuiging dat het grootscheepse tegenoffensief van de Entente ook zou mislukken.

Wij voorzagen dat, indien dit het geval mocht zijn, de proletariërs eindelijk genoeg zouden krijgen van het zich onderling vermoorden, en dat het uitbreken van de wereldrevolutie dan onvermijdelijk was. Als natuurlijk gevolg daarvan was de Wereld-Sovjet uitgeroepen. Nu stelden wij, Socialistische Jonge Wachters, ons de vraag: “Hoe moeten Wallonië en Vlaanderen zich aansluiten bij die Wereld-Sovjet? – Als een unitoristisch-centraliserend België, ofwel elk afzonderlijk als een Sovjet-Vlaanderen en een Sovjet-Wallonië? Wij achten de laatste oplossing de beste en daarom namen wij een motie aan, ten voordele der “Republiek Vlaanderen”. Nu schijnt dit alles belachelijk, omdat de wereldrevolutie niet uitgebroken is.23

Jef Van Extergem komt vrij in 1921. In ruil moet hij een verklaring ondertekenen waarin hij afziet van zijn politieke activiteiten. Hij ondertekent dit engagement maar hij wordt opnieuw opgesloten van 1925 tot 1928 (hij heeft zijn politiek engagement voortgezet). Na zijn vrijlating in 1928 sluit hij aan bij de Kommunistische Partij.

In de schoot van de Belgische Kommunistische Partij richt hij in 1937 de Vlaamse Kommunistische Partij op die hij vanaf 1940 leidt vanuit de clandestiniteit. In april 1943 arresteert de Gestapo hem en hij wordt vastgehouden en gefolterd in Breendonk. In december 1943 wordt hij gedeporteerd naar Duitsland waar hij sterft van de honger in het kamp van Ellrich in maart 1945.

De Nieuwe Tijd – De minderheidssocialisten in Antwerpen

Buiten de radicale kring van de SJW die het socialistische activisme aanhing, groeide het ongenoegen in de socialistische federatie van Antwerpen: men had genoeg van de BWP-leiding en haar verdediging van de oorlog en haar verzet tegen elk vredesproces. In april 1917 vormt zich een socialistische minderheidsgroep. De kleine organisatie van Van Extergem, de VSDAG, sluit aan bij deze groep maar behoudt de SJW-structuren. De groep geeft ook het weekblad De Nieuwe Tijd uit. Het eerste nummer verschijnt in juni 1917. Hoofdredacteur is Walter Schevenels, een vroegere redacteur van De Socialistische Vlaming (deze verdwijnt en fusioneert met het nieuwe blad). Edward Joris24 staat regelmatig in voor het editoriaal.

Wij willen, in tegenstelling met alle andere bladen, bekend maken, niet waar gemoord of moord beraamd wordt, maar waar vrede wordt bewerkt, wat ervoor gedaan wordt, wie vrede betracht en hoe vrede tot stand zal komen. Ons doel zal zijn te kijken waar pogingen gedaan worden om het mensdom te redden, het moorden te doen ophouden; strijden voor de vrede en tegen alle kapitalistische factoren die de oorlog bestendigen.

Want ook dit maakt een deel uit van ons streven: het Vlaamse volk heeft evenals de Ieren, de Polen, de Finnen, de Oekraïners e. a. recht op vrije ontwikkeling; ook voor het Vlaamse volk moet dat recht met de komende vrede gewaarborgd worden.

Langs een anderen kant willen we voorzien in wat tot nog toe in onze partij gemist werd: het beschouwen van feiten en gebeurtenissen van uit het marxistisch standpunt […] Het geheel opgaan in de praktische strijd heeft namelijk het wetenschappelijk socialisme en zijn opvoedkundige waarde uit het oog doen verliezen. Het begrip en het inzicht van onze arbeiders heeft erdoor aan helderheid verloren.25

Vrede, Vlaamse beweging en verdediging van het marxisme: dat zijn de drie assen van de minderheidssocialisten in Antwerpen. Hun eerste doel bestaat erin om als vertegenwoordiger van de Vlaamse socialistische activisten deel te nemen aan de Conferentie van Stockholm. Ze willen bekomen dat de internationale socialistische gemeenschap de rechten van Vlaanderen erkent. Van Extergem is hiervan de belangrijkste initiatiefnemer.

De Antwerpse minderheid verwerpt dus de Union sacrée (Godsvrede) die de klassenstrijd opschort en wijst elke vorm van “passiviteit” af. Zij willen de socialisten betrekken bij de Vlaamse activistische beweging en beroepen zich hiervoor op het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren. Ze willen deze kwestie internationaliseren en grijpen daarvoor de situatie aan die door de oorlog en het uitzicht op vredesonderhandelingen is ontstaan. Ze hopen op deze manier een politieke oplossing te forceren die de vooroorlogse regeringen en de sociaaldemocratische oppositie van de BWP – diep verdeeld hierover – koppig hebben geweigerd.

Eind mei 1917 beschikt hun leider Edward Joris over een officieel mandaat om deel te nemen aan de voorbereidende raadplegingen van de conferentie en wordt hij gehoord door het organisatiecomité.

Het ‘activisme’: een Vlaanderen zonder zijn volk?

De Vlaamse beweging heeft zich in de 19e eeuw ontwikkeld als een culturele beweging voor de verdediging van de Vlaamse taal tegen de eentalige francofone Belgische staat en grootburgerij. Beetje bij beetje heeft ze zich omgevormd in een sociaal-politieke beweging van de intellectuele kleinburgerij. Studenten, onderwijzers, schrijvers en kunstenaars waren in aantal toegenomen door de toenemende kapitalistische ontwikkeling en de scholing van de stedelijke middenklassen. Hun eisen waren gericht op de vernederlandsing van het onderwijs, de omvorming van de Gentse universiteit tot een Nederlandstalige universiteit en zelfbestuur voor Vlaanderen.

De francofone burgerij – met inbegrip van de franskiljons in Vlaanderen – verdedigde haar voorrechten, ook haar taalgebonden privileges. Deze sociale en culturele discriminatie scheidde de ‘geëvolueerden’ die het Frans leerden en machtig waren van de ‘lagere klassen’ die hun Vlaams dialect spraken. De eersten hadden hun scholen en konden verder studeren aan de universiteit. De andere gingen werken als ongeschoolde arbeiders in de fabrieken in Gent en Antwerpen of als migranten in eigen land in de mijnen en hoogovens in Wallonië (of het noorden van Frankrijk).

Over dit probleem waren de politieke partijen zo sterk verdeeld dat ze niet in staat waren een politieke oplossing te bieden. Het parlement lukte er niet in hierover wetten te stemmen in het parlement. Daardoor nam de Vlaamse beweging steeds meer politieke eisen aan en groeide vooral bij de schoolgaande jeugd een stroming tegen het Belgische establishment en de burgerij.

De Antwerps dichter Paul Van Ostaijen, flamingant en communist, vatte dat na de oorlog samen in een miskende politieke tekst:

In Vlaanderen (niet in België) valt het verschil van klasse samen met het taalverschil. De hogere kaste is verfranst. Het proletariaat, de boeren en kleinburgers zijn Vlaams. Twee procent verfransten die een grote macht vormen in kiesverenigingen, bij middel van het clergé, de boeren, bij middel van de sociaaldemocratische leiders het proletariaat in schaak houden. […] Natuurlijk wordt de Waalse arbeider ook geëxploiteerd. Niemand beweerd het tegendeel. Maar de Vlaamse arbeider wordt over-geëxploiteerd. Ten eerste als arbeider, ten tweede als Vlaams arbeider met onvoldoende kennis: als handwerker. […] Slechts wanneer de Vlaming zich de Franse cultuur in België assimileert kan hij daarheen waar de Walen en verfransten van huis uit heen kunnen. En het is wel klaar dat de minste Vlamingen zich kunnen assimileren, daar overigens deze assimilatie ook geld kost.

De sociaaldemocraten hebben in Vlaanderen het Vlaams probleem niet willen zien. […] Zij hebben van de oplossing van het Vlaamse probleem nooit een principekwestie gemaakt.26

Voor Paul van Ostaijen moeten de communisten beseffen dat de Vlaamse beweging een revolutionaire draagwijdte heeft en ze moeten de nationale kwestie niet veronachtzamen zoals de sociaaldemocraten dat in Vlaanderen hebben gedaan.

In 1914 maakte de Union sacrée in de schoot van de politieke partijen (katholieken, liberalen en socialisten) een einde aan de eisen voor culturele autonomie zoals ze voor de oorlog werden geformuleerd. Men noemde dat het ‘passivisme’ of het passieve flamingantisme. Daartegenover stonden dat de ‘activisten’ of de actieve flaminganten.

Dit passivisme werd in ons land hoog in het vaandel gedragen. Maar in de allereerste plaats betrof dat natuurlijk – en dat geldt voor alle oorlogvoerende landen – elke sociale en politieke eis van de werkende klasse. De oorlog bood een onverhoopte kans om, zoals Rosa Luxemburg het zei, de “klassenstrijd op te schorten”. Wie in Europa opstond tegen de eigen burgerij noemde men, van Sint-Petersburg tot Berlijn, in Dublin en in Turijn, ‘activisten’. De ‘activist’ Karl Liebknecht zei: “De belangrijkste vijand staat in eigen land”. De ‘activist’ Lenin riep op “de imperialistische oorlog om te vormen in een revolutionaire burgeroorlog”. De Ierse onafhankelijkheidsstrijders – ook de socialisten – waren activisten; ze wilden de nieuwe situatie ontstaan door de oorlog en het conflict tussen concurrerende imperialisten benutten om hun nationale ontvoogdingsstrijd te internationaliseren en een onafhankelijk Ierland uit te roepen.

Maar in België werd de term ‘activist’ gedurende tientallen jaren uitsluitend voorbehouden voor Vlaamse militanten die weigerden in oorlogstijd hun eisen op te bergen. Het maakte niet uit of ze behoorden tot de katholieke rechterzijde die de politiek van de Duitse bezetter volgde, of socialisten, humanisten of revolutionairen waren.

Het probleem was niet dat ze actief waren. Het politiek doel van hun ‘activisme’ en de plaats die het volk innam in hun visie, hinderden. Het beleid van de activistische politieke leiders uit de intellectuele elite, professoren, schrijvers en ambtenaren, meestal katholiek en Duitsgezind, focust op de verovering van de macht in Vlaanderen en onderschrijft de oorlogsdoelen van keizerlijk Duisland. Voor het leed, de ellende en de revolte van de Vlaamse arbeiders hebben ze geen aandacht. Zonder enige legitimiteit beweren ze het volk te vertegenwoordigen. Doordat er geen links alternatief voor handen is, kunnen ze de leiding van de Vlaamse beweging kapen, een Raad van Vlaanderen installeren en uiteindelijke de onafhankelijkheid van Vlaanderen uitroepen en ministeries in het leven roepen! Ondertussen sterft in Gent en Antwerpen, net zoals in Luik en Henegouwen, het volk van de honger! De socialistische activisten hebben van hun kant nooit tot de Raad van Vlaanderen willen toetreden en ze hebben steeds vastgehouden aan het sociaal karakter van de Vlaamse beweging met een federalistisch programma.

De uitbouw van de Gentse universiteit als een Nederlandstalige universiteit is zeker een volkomen gewettigde eis van de Vlaamse beweging. De Duitse administratie – Von Bissing – heeft de tactische intelligentie (vanuit haar standpunt) om deze vernederlandsing door te voeren. Ze ziet de kans om de tegenstellingen in het vijandelijke kamp aan te scherpen en het Belgisch establishment diep politiek te vernederen. Jonge linkse flaminganten die revolteren tegen de franskiljonse burgerij schrijven zich trouwens in aan de universiteit. Na de wapenstilstand zullen ze worden vervolgd en veroordeeld en het is hen verboden zich in te schrijven aan andere Belgische universiteiten.

Na 1919 krijgen de activisten strenge straffen. 33 personen worden ter dood veroordeeld en 15 krijgen levenslange opsluiting; 5 moeten vijftig jaar de gevangenis in en 20 worden opgesloten voor een periode van twintig jaar. Bovendien worden 233 personen veroordeeld tot straffen gaande van acht maanden tot achttien jaar.

Vrede en brood!

Door de imperialistische oorlog worden in 1914 zowel in Vlaanderen als Wallonië de werkende mensen getroffen door de bommenregen en nadien door werkloosheid, honger en ellende, en ook de verplichte arbeid in Duitsland.

Honger en ellende, dat lot delen alle volkeren van Europa, in Duitsland, in Frankrijk en in Rusland. “Vrede en brood – dat zijn de hoofdverzuchtingen van de arbeiders en de uitgebuitenen. De oorlog heeft deze verzuchtingen ten top gedreven. De oorlog veroordeelt de beschaafdste, de meest ontwikkelde landen tot honger. […] Vrede en brood, de omverwerping van de burgerij om de wonden van de oorlog te genezen, de volledige overwinning van het socialisme – dat zijn de doelen van de strijd.” 27

In bezet België, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, groeit het verzet tegen honger en ellende; de koopkracht is met 50 indexpunten gedaald. In Gent zijn drie vierde van de arbeiders werkloos. In juni 1916 organiseren de vrouwen er zich op eigen initiatief in wijken en rond openbare wasplaatsen. Ondanks de aanwezigheid van bewapende Duitse soldaten stappen ze met duizenden op naar de Lakenhal om meer brood te eisen. Ze stoppen eerst aan het bureau van de Nationaal Comité om te protesteren tegen de te kleine broodrantsoenen en tegen barema’s van de werkloosheidsuitkeringen.28 Hier en daar worden er hongermarsen georganiseerd in het land. In september 1916 manifesteren in Antwerpen 500 tot 600 huisvrouwen met de kinderen voorop voor het stadhuis: “Wij willen meer om te eten”. In 1915 stappen in het Centrum (La Louvière) duizenden mijnwerkersvrouwen op achter een zwarte vlag. Ze trekken naar het kasteel van Mariemont, de zetel van de Kommandatur, met een petitie voor de Duitse generaal-gouverneur Von Bissing: “Wij hebben honger!” Het volk voert ook acties in de steden en op de markten en weigert te hoge prijzen te betalen. In het Luikse verplichten deze groepen in juni 1916 de handelaars en de boeren om de prijzen toe te passen die zij hebben vastgelegd: 3 frank voor een kilo boter, 10 centiem voor een liter melk. In Beyne-Heusay gooien betogers een melktransport omver op 2 juli 1916. Op La Batte, de markt in Luik, worden op dezelfde dag stands omvergeworpen en in de Maas gekieperd. Er worden ook versperringen opgeworpen om te beletten dat de bezetter de opgevorderde levensmiddelen naar Duitsland kan vervoeren: in het Luikse worden tonnen boter op straat gestort en worden vrachtwagens met varkens aangevallen.

Ook stakingen zijn een verzetswapen: tijdens de ‘broodstaking’ in Sainte-Marguerite (een wijk in Luik) leggen de mijnwerkers het werk neer en de beweging breidt zich uit naar alle mijnen van de streek. In de hongermars naar het stadhuis staat de prijs van het brood centraal. De bezettende overheid legt een nieuwe maximum prijs vast maar maakt tegelijk manu militari een einde aan de vliegende piketten. De lokale afdeling van de BWP roept op de rust te herstellen en het werk te hervatten.29

Deze moedige spontane acties van de arbeiders en hun vrouwen richtten zich zowel tegen de bezettende overheid als tegen de gemeentelijke bestuurders. Ook het Nationaal Comité moet het ontgelden omdat het meer weg heeft van paternalistische bijstand dan van solidariteit. Deze heren van het Comité hadden zelf zeker geen honger!

Brood en vrede zijn de diepe verlangens van het volk, zowel van de arbeiders in Wallonië als in Vlaanderen. Geen enkele socialistische minderheidsorganisatie is toen in staat gebleken om zich met deze bewegingen te versmelten en hen een socialistisch en revolutionair perspectief te geven.

Stockholm: de Internationale nieuw leven inblazen?

De Conferentie van Stockholm staat centraal in de activiteiten van de minderheden in 1917-1918. In de lente van 1917 ontstaat in de schoot van sociaaldemocratische partijen van de Tweede Internationale (de Hollanders en de Scandinaviërs – neutrale landen – en de Belg Camille Huysmans) de idee van een vredesconferentie samen te roepen. De socialistische partijen van alle landen, van de oorlogvoerende landen van beide kampen en van de neutrale landen, zouden samenkomen. Camille Huysmans, de vroegere secretaris van de Internationale wordt er de belangrijkste organisator van. Het gaat ongetwijfeld om een antwoord op de anti-oorlogsconferenties van Zimmerwald en Kienthal waar werd opgeroepen onmiddellijk vrede te sluiten. De centristische pacifisten uit de Tweede Internationale proberen evenzeer voordeel te halen uit de nieuwe situatie die is ontstaan door de Russische revolutie van februari 1917. De conferentie is een stevige duw in de rug voor de kortstondige regering van Kerenski in Rusland en de socialistische mensjewieken. Ze proberen de Internationale die in augustus 1914 werd vermoord, nieuw leven in te blazen. Maar in de eerste plaats is ze het resultaat van de sterke vredeswil die in heel Europa krachtig toeneemt, vooral in Rusland, in de loopgraven, de fabrieken en de voorsteden. Die vredeswil dwingt en verplicht de organisatoren tot het samenroepen van deze conferentie.

De vredesconferentie gaat van start met een voorafgaandelijke raadpleging in de zomer van 1917. Deze conferentie is een soort sociaaldemocratische voorloper van de conferentie Versailles. Alles wat Europa aan socialistische organisaties telt: alle organisaties van nationale minderheden uit de stervende keizerrijken, de pacifistische minderheden uit verschillende landen en ook de aanhangers van de oorlog tot elke prijs. Uiteindelijk mislukt dit project.

Lenin en de Russische bolsjewieken bepleiten sinds 1914 een radicale en definitieve breuk met de sociaal-patriotten van de Tweede Internationale in alle internationale bijeenkomsten. Zij boycotten de conferentie hoewel hierover intern debat is. Kamenev, een bolsjewistische leider in Sint-Petersburg roept op om wel deel te nemen.

De nationalistische en chauvinistische oorlogsgekken weigeren hardnekkig aan dezelfde tafel te zitten als hun vijanden (de Duitse en Oostenrijkse sociaaldemocraten, zelfs als ze tegen de oorlog zouden zijn) als ze deelnemen aan de raadplegingen in de zomer van 1917.

Bovendien willen de imperialistische leiders van de Franse en Engelse regering zoals Lloyd George¸ Clemenceau ou Wilson de sociaaldemocraten niet laten beslissen over oorlog of vrede. De Italiaanse, Engelse, Franse en Amerikaanse regeringen weigeren eensgezind visa uit te reiken van de congresgangers. Enkele miljoenen doden later zullen zij zelf de beledigende vrede van Versailles opleggen wanneer het hen past.

België kent een nationalistisch chauvinistisch klimaat. De hele samenleving is doordrongen van haat tegen alles wat Duits is. Zowel de Belgische regering in Le Havre als de leiding van BWP voeden die stemming. Maar dat verhindert niet dat de wil om onmiddellijk vrede sluiten steeds sterker leeft onder het volk. In de linkerzijde kristalliseert hij zich rond het al of niet samenroepen van de sociaaldemocratische conferentie van Stockholm.

Het standpunt van de leiding is duidelijk:

De BWP weigert dus op het huidige ogenblik mee te ijveren voor een onmiddellijke vrede. […] De BWP aanziet alle beroering ten voordele van een voorbarige vrede als gevaarlijk. […] De BWP weigert vlakaf op het huidige ogenblik deze bedrieglijke en gevaarlijke weg in te slaan. […] Het is met de oorlog voort te zetten dat uitwendige of inwendige invloeden deze laatste weerstand zullen breken, die nog geboden wordt aan de zege van democratie en recht.”30

Emile Vandervelde zetelt in de Belgische regering in Le Havre. Het tweetalige weekblad Le Socialiste belge, uitgegeven door Belgische socialisten die in Nederland verblijven en dat dicht bij Huysmans stond, vat het standpunt van de regering goed samen:

De Belgische regering beschouwt Stockholm als een werk van verraad dat zal leiden naar een Duitse vrede. De Belgische regering weigert paspoorten voor Stockholm te verstrekken. De Belgische regering meent dat ‘de vrede een zaak van de regeringen’ is en dat de arbeiders in de loopgraven en in de munitiefabrieken horen.31

De twee minderheidsgroepen die zich in Gent en Antwerpen hebben georganiseerd zijn lang niet de enigen die een conferentie wensen. Charles Massart schrijft: “Uiteindelijk kwam Stockholm en dat maakte het onderscheid tussen de voorstanders van ‘oorlog tot elke prijs’ en de pacifisten, tussen ‘meerderheid’ en de ‘minderheid’ heel scherp. […] De bijeenkomsten van Kienthal en Zimmerwald waren betrekkelijk weinig gekend in België, en de daarom spreek ik er niet over. De minderheid had niet de gelegenheid om daarover standpunt in te nemen.32

Joseph Jacquemotte, de internationalistische leider van de bediendenvakbond, komt in de Algemene Raad van de BWP tussen met een motie voor de conferentie van Stockholm. Ze wordt op 22 augustus 1917 verworpen met 70 stemmen tegen 5! De Centrale voor Arbeidersopvoeding houdt onder leiding van Charles Massart de internationalistische vlam brandend binnen de structuren van de BWP: “Zij vormde de rode draad die de geïsoleerde kameraden in de provincie verbond met het centrum”.33 Eind december 1917, begin december 1918 verspreidt de pro-Stockholm revolte zich in de Brusselse federatie van de BWP: motie van Brusselse Arbeidersliga, dagorde van de Ukkelse Liga, vergadering van het nationaal comité van de Syndicale Commisie, dagorde van de Lakense Liga. In de Nationale Raad van de partij op 30 januari 1918 was “Jacquemotte de belangrijkste woordvoerder van de strekkingen die meenden dan men naar Stockholm diende te gaan om te gepaste tijde de Internationale te herstellen. Op het juiste moment kon ze dan tussenkomen en ervoor te zorgen dat het herstel van de vrede samenvalt met de overwinning van de democratie in de wereld en de meest dynamische actie van het internationale proletariaat.34

In een nieuwe stemming wordt de minderheid opnieuw verslagen met 26 stemmen tegen 16.

De weg vooruit van de ‘uiterst kleine minderheid’

Joseph Jacquemotte aanvaardt in augustus 1914 het eensgezinde BWP-standpunt over “de verdediging van het vaderland”. De uitgave van L’Exploité wordt stopgezet. De oorlog remt zijn agitatiewerk af. Hij volgt de lessen van Charles Massart die hem op de Centrale voor Arbeidersopvoeding inwijdt in het marxisme. Als syndicalist werkt hij mee met het Nationaal Hulp- en Voedselcomité, neemt hij het op voor gemeenteambtenaren die zich verzetten de vervlaamsing van de Brusselse administratie die de Raad van Vlaanderen eist. Hij neemt deel aan hun betoging op de Grote Markt. De vakbondsactie steekt nog voor de wapenstilstand terug de kop op: in 1918, in volle bezetting, staken 450 bedienden van de Grand Bazar te Brussel. Jacquemotte leidt de staking.35

Onder invloed van de Oktoberrevolutie ontwikkelen zich nog andere internationalistische groepen zoals de Internationalistische Groep – Belgische Afdeling. Félix Coenen, leider van de SJW en toekomstig stichter van de Communistische Partij maakt ervan deel uit. Hij verklaart dat het “misdadig en tegen de socialistische principes is van te willen bijdragen aan het in stand houden van de oorlogstoestand”. In Hoei vormt zich de groep L’ère nouvelle met Joseph Thonet een militant van de BWP en een vroeger lid van de SJW. In Brussel is animeert kunstschilder Van Overstraeten, secretaris van de SJW, een groep die zich achter de Oktoberrevoluotie schaart.

De antimilitaristische propaganda van de anarchistische groepen neemt uit uitbreiding en ze verdedigen ook enige tijd de Oktoberrevolutie. In een boodschap aan de Sovjet van Sint-Petersburg feliciteert een Comité voor sociale verdediging – waarvan Théo Counet, een van de stichters van de Communistische Partij, deel uitmaakt – “met het werk verricht door uw regering […] Geen mens ter wereld heeft er een eerlijk belang bij de oorlog te willen voortzetten. Wij staan dus aan uw zijde voor de komende overwinning van de eerbare vrede.”36

De Belgische socialistische minderheid – Charles Massart spreekt over een ‘uiterst kleine minderheid’ – vertoont een wel erg tegenstrijd beeld. Aan de ene kant Jef Van Extergem die de actie van de VSDAG inschrijft in het kader van de Raad van Vlaanderen en opkomt voor de stichting van een Vlaamse universiteit. Aan de andere kant Joseph Jacquemotte die oproept te staken tegen de vervlaamsing van de Brusselse administratie. Aan de ene kant de Vredesgroep, uit de BWP gezet, die in 1918 oproept om een Derde Internationale te stichten en aan de andere kant de Antwerpse minderheid die hoe dan ook in de schoot van de partij wil blijven. Hun grootste gemene deler is de onmiddellijke vrede door onderhandelingen op de Conferentie van Stockholm. Na de mislukking van de conferentie is de Oktoberrevolutie de katalysator en is de Vlaamse kwestie hun Achilleshiel. Een tegenstrijdig beeld van jonge maar moedige groepen jongeren die zich nog onervaren in de uiterst ingewikkelde Belgische maatschappij storten.

En toch ontstaat uit deze tegenstrijdigheid, uit delen van deze radicale linkse minderheid, de Communistische Partij in 1921. In oktober 1919 vormen de Gentenaren en een deel van de Antwerpenaren als eerste een communistische organisatie in België: de Kommunistische Bond of KP-Vlaamse Federatie. De Internationale was hun blad. Later, na een ingewikkeld proces van fusie-splitsing-fusie en doorheen heel wat ideologische tegenstellingen (al dan niet deelnemen aan vakbonden, al dan niet deelnemen aan verkiezingen, al dan niet de Vlaamse beweging steunen), komt “een uiterst kleine minderheid” samen om in september 1921 de Belgische Communistische Partij op te richten.

Maxime Tondeur (maxime.tondeur at gmail.com) is vandaag een ingenieur met pensioen. Hij publiceert een blog met politieke en historische inslag: ROUGEs FLAMMEs. Zie: www.rouges-flammes.blogspot.be.


1 Mannen tegen de oorlog. Uomini Contro (Mannen tegen) is de titel van een Italiaanse oorlogsfilm over een episode uit de Eerste Wereldoorlog. Zie https://it.wikipedia.org/wiki/Uomini_contro. In Marxistische Studies nr. 110 verscheen een eerste deel van dit artikel van Maxime Tondeur.

2 Jan Godderis, Oorlog aan de oorlog !? De houding van de Belgische Werkliedenpartij ten aanzien van het leger 1885-1914, 2004, Gent. Zie: http://www.ethesis.net/werkliedenpartij/werkliedenpartij_inhoud.htm.

3 Over de BWP en de oorlog, zie Herwig Lerouge, “De socialistische beweging en de Eerste Wereldoorlog”, Marxistische Studies, nr. 106. Zie: http://www.marx.be/nl/content/de-socialistische-beweging-en-de-eerste-we....

4 Over de periode voor 1914, zie Maxime Steinberg, “À l'origine du communisme belge : L’extrême gauche révolutionnaire d'avant 1914”, Cahiers marxistes, nr. 8, december 1970-februari 1971, p. 27-30.

5 Gustave Hervé: anarchistisch militant in de Franse socialistische partij, die antiparlementarisme en een opstandig antimilitarisme voorstaat.

6 Geciteerd in Jan Godderis, op. cit. (Eigen vertaling)

7 V.I. Lenin, “L’opportunisme et la faillite de la IIe Internationale”, Vorbote, nr. 1, januari 1916. Œuvres, Deel 22, p. 120.

8 Charles Massart, La Belgique socialiste et communiste. Librairie de l’Humanité, 1972, p. 120-128.

9 Internationale conferenties in september 1915 en april 1916 met, zowel vanuit neutrale als oorlogvoerende landen, socialistische partijen die gekant waren tegen het sociaal-chauvinisme.

10 Over de Gentse SJW: Willem Dedobbeleer, De Groote Oorlog bekeken door een pince-nez: Edward Anseele, het socialisme en de bezetting van Gent. Licentiaatsverhandeling Geschiedenis, Universiteit Gent, 2006-2007, p. 130-139. Zie: https://www.google.be/search?q=De+Groote+Oorlog+bekeken+door+een+pince-n....

11 Vredesmotie, Nieuwe Gazet van Gent, 20 januari 1917. Overgenomen uit Willem Dedobbeleer, op. cit.

12 Willem Dedobbeleer, op. cit., p. 134.

13 Over de Raad van Vlaanderen, zie verder: “Het activisme: een Vlaanderen zonder haar volk?”

14 Willem Dedobbeleer, op. cit., p. 131.

15 Willem Dedobbeleer, op. cit., p. 131.

16 Idem.

17 Claude Renard, Octobre 1917 et le mouvement socialiste belge. Fondation Joseph Jacquemotte, Brussel, 1967, p. 72-73.

18 Claude Renard, idem, p. 73.

19 Proces Van Extergem, stenografisch verslag, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 10e jaar (1976), nr. 1, 1976. Zie : https://www.marxists.org/nederlands/documenten/1920/1920proces_extergem.htm.

20 Vooruit, “Hoog de harten”, 5 januari 2016. Zie: digital.amsab.be/pubs_serials/Vooruit_1884-1918/vooruit_1916/vooruit_191601/.

21 “Stichting van een VSDAG, Het Vlaamsche Nieuws, januari 1917.

22 Zie in Jan Willem Stutje : “Paul de Groot in Antwerpen: De jeugdjaren van een oproepkraaier 1900-1923”, BEG-CHTP, nr. 1, 1996, p. 118. Zie: http://www.cegesoma.be/docs/media/chtp_beg/chtp_01/005_Stutje_chtp01.pdf.

23 Proces Van Extergem, stenografisch verslag, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 10e jaar (1976), nr. 1, 1976. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/documenten/1920/1920proces_extergem.htm.

24 Edward Joris is een anarchistisch militant, secretaris van de BWP-afdeling in Borgerhout. Hij is beroemd omdat hij in 1906 een (mislukte) aanslag tegen de sultan heeft georganiseerd in Turkije. Hij werd ter dood veroordeeld maar kwam vrij na een internationale campagne.

25 “Naar vrede”, De Nieuwe Tijd, 23 juin 1917, p. 1.

26 Paul van Ostaijen, “Rond het Vlaamse Probleem –  enige kanttekeningen’, september 1920, De Nieuwe Tijd, 26e jaar, 1921. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/ostaijen/1920/1920vlaams.htm.

27 V. I. Lenin, “Pour le pain et la paix”, 14 (27) december 1917. Œuvres, Deel 26, p. 404-405.

28 Giselle Nath, “Stad in de storm: Arbeidersvrouwen en het hongerjaar 1916”, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, LXV (2011), Universiteit Gent. Zie: http://ojs.ugent.be/hmgog/article/view/1063/1069.

29 Antoon Vrints, “Sociaal protest in een bezet land: Voedseloproer in België tijdens de Eerste Wereldoorlog”, Tijdschrift voor Geschiedenis, 124e jaar, nr. 1, p. 30-47.

30 Memorandum van de Belgische Werkmans-Partijjuli 1917, Londen 1918. Beschikbaar op: http://adore.ugent.be/OpenURL/app?id=archive.ugent.be:C070933E-0285-11E2....

31 “Stockholm-Le Havre”, Le Socialiste Belge, tweetalig weekblad van de socialistische arbeiders die in Nederland verblijven, 1 september 1917.

32 Charles Massart, op. cit.

33 Claude Renard, op. cit., p. 43.

34 M. A. Pierson, Histoire du socialisme en Belgique, Instituut Emile Vandervelde, 1953, p. 134.

35 Jules Pirlot en Milou (Émile) Rikir, Joseph Jacquemotte (1886-1936), Brussel, CarCoB, 2011. Zie: http://www.carcob.eu/IMG/pdf/biographie_joseph_jacquemotte.pdf.

36 Claude Renard, op. cit., p. 74-75.