Marshallplan: het neoliberaal recept voor Wallonië

Auteur: 
Michaël Verbauwhede

“De ambitie van Wallonië is van karakter aan het veranderen, er groeit een nieuwe Waalse geestesgesteldheid, creatief en sereen”, aldus PS-voorzitter Paul Magnette in de marge van de Waalse feesten, les Fêtes de Wallonie.[1] Jean-Claude Marcourt, de Waalse minister van Economie, schept er dan van zijn kant weer genoegen in om waar mogelijk uitgebreid te wijzen op de successen van ‘zijn’ Marshallplan met zijn 46.388 (nog te scheppen…) nieuwe banen.[2]  “Herstel in Wallonië volop aan de gang” kopt dan weer de Franstalige krant La Libre Belgique in juli 2013.

Dus Wallonië is zich na 30 jaar economische woestijn aan het herstellen? Wat moeten we daarvan denken, van die uitspraken? Speelt het Marshallplan echt zo’n grote rol in de Waalse economie? Welke economische strategie gaat er eigenlijk schuil achter dat Marshallplan?

De Waalse economie in een Belgische context

Een Wallonië dat Vlaanderen voorbijsteekt?

Laten we beginnen met de Waalse economische toestand terug in een Belgische context te plaatsen.

Als we de lovende commentaren van de regering of van de Waalse werkgeversfederatie, de UWE[3], op het Marshallplan en op haar globale economische beleid mogen geloven, dan zouden we uit de economische statistieken over Wallonië een sterke economische groei moeten aflezen en vooral een groei die sterker is dan in Vlaanderen (want dat is het eerste, ook openlijk toegegeven objectief).

Volgens een financieel rapport van de KBC[4] loopt de toename van het Waalse bbp  (bruto bonnenlands product) voor 2000-2012 helemaal gelijk met de toename voor de periode 1990-1999 (ongeveer 1,5 procent per jaar, gemiddeld gesproken, want binnen deze twee decennia zien we sterke schommelingen).

Wat de Waalse politici zo doet juichen, is het feit dat de groei in Wallonië de groei in Vlaanderen voorbijsteekt. Niet dat de Waalse groei toeneemt, maar de Vlaamse groei loopt gewoon terug. Dat zien we in Grafiek 1. De gemiddelde groei in Wallonië blijft sinds de crisis van 1973 in feite stabiel (gemiddeld tussen 1 en 2 procent per jaar), terwijl de groei in Vlaanderen de neiging heeft te dalen, om op het niveau te komen van Wallonië. In tegenstelling tot wat bijvoorbeeld de UWE zegt, is het vooral zo dat, als “Wallonië beter doet dan Vlaanderen”, dat betekent dat de groei in Vlaanderen - op lange termijn - op het niveau van de komt van de Waalse economische groei.

Grafiek 1. De reële stijging van het gewestelijke bbp (in % per jaar, gemiddelden per periode)

De reële stijging van het gewestelijke bbp (in % per jaar, gemiddelden per periode)

Bron: CBC, KBC, Une Wallonie en pleine relance?, juli 2013. Zie: https://www.kbceconomics.be/2013/07/bulletin-economique-une-wallonie-en-....  

Als we een analyse maken van de meer recente periode, lijkt het alsof elk Belgisch gewest “wil aantonen dat het eigen grondgebied competitiever is dan of zich gemakkelijker herstelt dan het andere. Een aantal gegevens wijzen op verschillen. Toch ziet het ernaar uit dat de verhoudingen over de lange termijn (hier de voorbije 15 jaar) relatief stabiel zijn.”[5] Of het nu gaat over de handelsbalans, de geografische (gewestelijke) verdeling van de Belgische toegevoegde waarde, de jaarlijkse groei van het Belgische, Waalse, Brusselse of Vlaamse bbp, de gewestelijke economische structuur blijft indrukwekkend stabiel.

Alles bij elkaar genomen zou het verkeerd zijn om te stellen dat het Marshallplan tijdens de bijna 10 jaar dat het nu wordt uitgevoerd, erg veel groei met zich heeft meegebracht, wat de Waalse regering in al haar jeugdige overmoed ook moge beweren.

Heeft het Marshallplan 46.388 banen geschapen?

Als er dan geen sprake is van groei, moeten we het misschien toch hebben over het scheppen van werkgelegenheid? Volgens Marcourt die hiervoor de cijfers overneemt van het officiële rapport dat midden 2013 aan de regering werd overgemaakt, zouden er dankzij het Marshallplan 46.388 banen gecreëerd zijn (tussen 2006 en 2012). En de Waalse regering neemt op haar beurt deze cijfers vol trots over. Wat moeten we daarvan denken?

Vooreerst is er in het rapport heel duidelijk sprake van werk of “vooruitzichten op werk”. En over die vooruitzichten zijn verder weinig details gekend. Er wordt bovendien op geen enkele manier aangegeven hoe men aan dat cijfer komt en hoe men het causaal verband met het Marshallplan analyseert.

Een paar bijkomende aanwijzingen nuanceren die in het verleden al gecreëerde werkgelegenheid. Volgens Philippe Defeyt zijn “in 2010 bijna alle nieuwe banen die er in Wallonië netto (jaarlijks gemiddeld) zijn bijgekomen, banen die weinig opbrengen of zelfs extra kosten aan de sociale zekerheid.”[6] Hoezo nog extra kosten? Het gaat vooral over gesubsidieerde banen: “De bron van het herstel [in 2010] op het vlak van tewerkstelling lijkt voor een zeer groot gedeelte te liggen in de gesubsidieerde tewerkstelling (dienstencheques, win-winplan enz.”[7]

Philippe Defeyt is ook van mening (als hij het heeft over de periode 2008-2012 en dan voor heel België) dat “het uitsluitend te danken is aan activiteitsdomeinen die rijkelijk en zelfs volledig door de overheid worden gefinancierd (dienstencheques, sociale sector, gezondheidssector…), dat de werkgelegenheid globaal stijgt.”[8] Bovendien “zouden de cijfers slechter zijn geweest als de RVA niet een aantal maatregelen met betrekking tot de tijdelijke werkloosheid (in het begin van de crisis uitgebreid tot bedienden) en de herschikking van de arbeidstijd financierde.”[9]

De werkloosheid blijft trouwens ook in Wallonië hoog en volgt bovendien dezelfde trend als de werkloosheid in Vlaanderen. Volgens het rapport van de KBC is de werkloosheid tussen 2008 en 2013 zelfs met 0,2 procent gestegen in Wallonië.

Verder zou volgens de voorspellingen van het federaal planbureau in alle drie de gewesten het werkloosheidcijfer blijven dalen tot in 2018.[10]

Grafiek 2. Evolutie van de werkloosheid (ontwerp Federaal Planbureau)

Evolutie van de werkloosheid (ontwerp Federaal Planbureau)Bron: Federaal planbureau, IWEPS, BISA, SVR, Regionale economische vooruitzichten 2013-2018, p. 27.

Al loopt de werkloosheidscurve zowel van de voorbije als van de komende jaren (de projecties) voor Wallonië niet volledig parallel met die voor Vlaanderen, toch zien we dat ze al bij al een zelfde trend volgen.

Het is enerzijds gewaagd om honderd procent geloof te hechten aan de beweringen van de regering die het Marshallplan de verdienste toedicht van de creatie van 46.388 banen. Anderzijds zien we, zoals voor de groei van het bbp, dat Wallonië fundamenteel geen andere weg volgt dan die van het gewest waar het zich zo graag mee vergelijkt (Vlaanderen).

Conclusie, er zijn heel wat vraagtekens te plaatsen bij het Waalse economisch beleid, vermits dit klaarblijkelijk helemaal geen vruchten afwerpt.

Het economische beleid in Wallonië

De economische toestand begin 2000

Volgens de politici en de biografen van het Marshallplan vindt dit plan (in zijn verschillende versies) zijn oorsprong in de economische achterstand van Wallonië tegenover Vlaanderen. De economische studies wijzen op een Wallonië, dat (in verhouding tot zijn bevolking) een kleiner aandeel heeft in het Belgische bbp dan Vlaanderen. De tewerkstellingsgraad en de inkomens liggen lager dan het Belgische gemiddelde. Dat deed in de Waalse politieke wereld een alarmbelletje rinkelen. Opvallend is de vergelijking die ze maken van Wallonië met Vlaanderen. Niet zozeer het feit dat er in Wallonië onvoldoende werkgelegenheid is om in de eigen behoeften te voorzien verontrust hen, maar wel de lagere tewerkstellingsgraad.[11]

Het Toekomstcontract voor Wallonië en de Marshallplannen

Sinds 1999 wijdt de Waalse regering[12] zich aan het economisch herstel van Wallonië. Eerst met het Toekomstcontract voor Wallonië in 1999 (Contrat d’avenir pour la Wallonie, afgekort CAW), daarna via het Marshallplan en het Marshallplan 2.Groen. In het CAW is Elio di Rupo in 1999 aan zet.

Ook het CAW streefde er al naar de groeicijfers voor het bbp en de tewerkstellingsgraad in Wallonië dichter in de buurt te brengen van het Belgische en Europese gemiddelde. In 2004 doen anderen het en beginnen ze opnieuw: de cdH komt in de regering en die lanceert in 2005 het eerste Marshallplan.

Het doel is Wallonië economisch te doen herleven. De Waalse regering richt hiervoor haar financiële inspanningen op een aantal strategische ‘toekomstsectoren’. Doel is ook een “mentaliteitsverandering” bij de Walen. “Het Marshallplan zet de Waalse begrotingsmiddelen in en doet beroep op bijna alle instrumenten waar de Waalse politieke actoren over beschikken: verlagen van de gewestelijke, provinciale en gemeentelijke belastingdruk, investeringshulp, steun aan onderzoek, steun voor opleiding, steun aan de export, aantrekken van buitenlandse investeerders, sanering van oude industriële sites, creëren van nieuwe industriezones… Het mobiliseert ook alle actoren van het Waalse economische leven: sociale partners, bedrijven, universiteiten, onderzoekscentra, gemeentebesturen… Wat primeert is de indruk van algemene mobilisatie: alle troepen en alle wapens moeten naar het front.”[13]

Zonder het met zoveel woorden te zeggen, zet de Waalse regering zich in voor de neoliberale agenda van de Europese Commissie, van de Lissabonstrategie en later van Europa 2020: tegen 2020 de meest competitieve en meest dynamische kenniseconomie van de wereld worden. Een tewerkstellingsgraad van 75 procent wil men bereiken met investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) en in opleidingen.

Volledig gefinancierd door Wallonië, worden aanzienlijke middelen ingezet voor de verschillende Marshallplannen: 1,054 miljard euro voor het eerste en 1,6 miljard euro voor MP 2.Groen. Deze middelen zijn onder meer afkomstig van de verkoop van een deel van de aandelen in Arcelor (180 miljoen). Bij die 2,7 miljard moeten we nog de ‘alternatieve financiering’ voegen, een mooi woord om in werkelijkheid de schuldenlast aan te duiden, geld dat het gewest vroeg of laat zal moeten terugbetalen: 500 miljoen euro voor het eerste plan en 1,15 miljard voor het MP 2.Groen.

Het Waalse industriële beleid

De competitiviteitspolen van het Marshallplan

Volgens velen vallen de Marshallplannen samen met competitiviteitspolen en met de politiek van clustering. Het gaat inderdaad om een belangrijk plan voor het Waalse economische en industriële beleid van de afgelopen tien jaar. Maar het is niet het enige. Bovendien is er een opmerkelijk verschil met Vlaanderen: de Waalse regering besliste immers zich volledig te concentreren op enkele sectoren.[14]

Een ‘competitiviteitpool’ houdt een netwerk van ondernemingen in met instellingen voor vorming en opleiding en (openbare of privé) research & development centra die de krachten bundelen rondom gemeenschappelijke, innoverende projecten. Dergelijke partnerships komen tot stand rond een markt (sector) en een welbepaald technologisch of wetenschappelijk domein. Men streeft naar het bereiken van een kritische massa, voldoende om competitief te zijn, internationaal gekend en erkend, de export te stimuleren en buitenlandse investeerders aan te trekken.[15]

Dergelijk beleid is niet typisch voor Wallonië. Ook in andere Europese staten (Duitsland, Frankrijk) vinden we immers competitiviteitspolen (met andere namen) en zelfs in Marokko. De idee is niet nieuw en komt van een economist uit de 19e eeuw met de naam … Alfred Marshall![16] In werkelijkheid gaat het om een innoverende (toegegeven, dat wel) toepassing van de Lissabonstrategie die van de Europese Unie tegen 2020 de meest competitieve economie ter wereld wil maken.[17]

De Waalse regering koos voor vijf competitiviteitspolen: BioWin (biowetenschappen), MecaTach (mechanische engineering), Logistics in Wallonia (transport en logistiek), SkyWin (lucht- en ruimtevaart) en WagrAlim (agro-industrie) in het eerste MP. In 2010 kwam er een zesde bij: GreenWin (duurzaam gebruik van materialen en groene chemie).

Gebaseerd op een werk van Henri Capron (ULB), zitten in de criteria die de keuze voor de competitiviteitspolen bepalen, de resultaten van een sector (aantal bedrijven, aantal werknemers, researchcentra, brevetten enz.), maar ook de investeringen en de perspectieven voor de economische, technologische, wetenschappelijke ontwikkelingen. Men baseert zich niet op de economische structuur van Wallonië, noch op de behoeften van de bevolking.[18] De inzet is die strategische sectoren te subsidiëren die potentieel inhouden voor ontwikkeling op internationaal niveau: bestaat er een Waalse wereldleider in dit domein? Wat is het groeipotentieel? Welke exportbehoeften? Dat zijn de vragen die de regering zich stelt. Daarom heeft ze beslist de staalnijverheid te laten vallen, alhoewel deze sector in de eerste selectieronde wel was weerhouden.

De competitiviteitspolen functioneren concreet met oproepen tot het indienen van onderzoeksprojecten. De verschillende actoren kunnen beroep doen op publieke fondsen voor de cofinanciering van innoverend onderzoek. Maar ook als de (gewestelijke) overheid het onderzoek meefinanciert, houdt dit geen garantie in voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid of voor het eigendom van een eventueel brevet. Het zijn uiteindelijk de ondernemingen die een brevet krijgen, waar ze dus naar eigen goeddunken gebruik van kunnen maken. Dat kan uitlopen op economische activiteiten, maar niets verplicht de ondernemingen om die economische activiteit in Wallonië te ontwikkelen. De onderneming kan even goed beslissen bedrijven op te zetten in andere landen.

De pool Logistics in Wallonia is gericht op transport en logistiek. Sommigen menen dat de ontwikkeling van de logistiek de werkgelegenheid kan bevorderen, vooral in de regio’s waar men banenverlies verwacht. Zo is “een van de ideeën die men naar voren schuift ter vervanging van de banen die verloren gaan in de Luikse industrie, de ontwikkeling van de logistieke sector. Luik is immers opmerkelijk goed gelegen, op het kruispunt van rivieren, autowegen en Europese spoorwegen.”[19] De ontwikkeling van ‘Trilogiport’ in Luik, een drieledig vervoersplatform te land, per spoor en te water, gaat hiervan uit. Verdedigers van dit project geloven dat het tot 2000 banen kan opleveren.[20]

Damien Robert heeft al aangetoond dat de helft van de tonnage van de autonome haven van Luik verbonden is met de staalnijverheid: “Een reconversie [concreet naar transport en logistiek, n.v.d.r.] zonder behoud van de staalnijverheid zou onzin zijn. De staalindustrie vormt de ruggengraat van de Luikse economie (…). 50 procent van de toegevoegde waarde, van de tonnage en van directe werkgelegenheid in de haven zijn rechtstreeks verbonden met metaalverwerking en staal. Het is dan ook ondenkbaar om het te hebben over reconversie zonder het te hebben over het behoud van de staalnijverheid.”[21]

De ontwikkeling van transport en logistiek houdt ook de ontwikkeling in van een ongebreidelde concurrentie tussen Europese regio’s, tussen de gewesten in België en tussen Waalse subregio’s. De Europese Commissie schuift zelf de idee naar voor om overal in Europa de logistiek te ontwikkelen. Vlaanderen ontwikkelt bijvoorbeeld in zijn plan ‘Vlaanderen in actie’ ook een pool “Logistiek”. Er woedt op dat vlak een felle strijd tussen de twee gewesten. Beide gewesten hebben bij hetzelfde (!) studiebureau een ‘wetenschappelijke’ studie besteld om te bewijzen dat hun gewest de Europese kampioen is op het gebied van transport en logistiek. Volgens de studie, overhandigd aan de Vlaamse regering, oordeelt het studiebureau dat Vlaanderen de kampioen is van de logistiek op Europees niveau en in de studie die het overhandigde aan de Waalse regering, blijkt Wallonië de logistieke kampioen in Europa. Om het resultaat te sturen in de richting van de verwachtingen van het opdrachtgevende gewest, hoefde het adviesbureau volgens Mathieu Strale, onderzoeker aan de ULB, maar een criterium te wijzigen.[22]

Het Marshallplan maakt de industriële keuze om de beslissingen in handen te leggen van de multinationals (zoals we zien met Mittal) en te proberen de innovatie te ondersteunen (via de competitiviteitspolen) met het oog op het creëren van werkgelegenheid. Maar zoals we zien gebeuren met het opgeven van de siderurgie, is deze politiek gedoemd te mislukken. Gevolg van deze keuze: het behoud van de Waalse traditionele industrie zal afhangen van de winst die de aandeelhouders er nog kunnen uit halen.

Investeerders aantrekken

Het Marshallplan beoogt ook het aantrekken van buitenlandse investeerders. De onderliggende logica van het Waalse economische beleid is het onaantastbare geloof in de macht van de ondernemingen om economische activiteit te creëren. Zo hoopt men werkgelegenheid te scheppen. En vervolgens zou die rijkdom, geproduceerd dankzij de economische activiteiten die de ondermeningen creëerden, ‘doorsijpelen’ naar de gehele Waalse bevolking. Dit brengt de regering ertoe om internationale bedrijven (multinationals) zoveel mogelijk naar Waals grondgebied te halen. In plaats van zelf voor nieuwe economische activiteit te zorgen, tracht de regering een multinational te overhalen eerder naar plaats A (Wallonië) dan naar plaats B (Vlaanderen of een andere Europese regio) te komen. Het lijkt wel een monsterplan voor concurrentie met andere regio’s en met Vlaanderen in de eerste plaats.

Een treffend voorbeeld is Colruyt, in oorsprong een Vlaamse groep: het bedrijf bouwde zeer onlangs magazijnen en een logistiek centrum in Wallonië (in Ghislenghien, op een paar honderd meter van de taalgrens) in plaats van in Vlaanderen (waar de groep al over heel wat vestigingen beschikt, onder meer in Halle). Colruyt heeft gewoon beslist te profiteren van een economisch klimaat, dat momenteel in Wallonië gunstiger is dan in Vlaanderen (terreinen, fiscaliteit).

Waalse bedrijven die hun activiteiten uitbreiden in het buitenland, zoals de onderneming Magotteaux (waarvan het Waalse gewest trouwens de 10 procent die het in 2011 nog in handen had, heeft verkocht aan een Chileense maatschappij[23]), krijgen ook een opwaardering en worden naar voren geschoven als het symbool voor het succes van Wallonië.

Maar hoe gaat de regering te werk om buitenlandse investeerders aan te trekken? Wat is het recept van de regering voor de economische ontwikkeling van Wallonië?

Maak de terreinen schoon, breng ze in orde en geef ze weg

Allereerst door terreinen klaar voor gebruik ter beschikking te stellen.

In het kader van het eerste Marshallplan moest de regering al 74 miljoen euro uitgeven aan de sanering van bedrijfsterreinen (sites die eerder door andere bedrijven vervuild werden) en de voorbereiding van het terrein voor de economische activiteiten. 243 miljoen euro werd besteed aan de sanering van vervuilde industriële sites, 100 miljoen euro voor niet vervuilde verlaten bedrijfsterreinen en 231 miljoen euro voor de uitrusting van nieuwe activiteitenzones. Het Marshallplan 2.Groen besteedt dan weer 225 miljoen euro voor het saneren en opnieuw gebruiksklaar maken van vervuilde sites en 182,5 miljoen euro om vervolgens te voorzien in de nodige uitrusting in deze zones voor het ontvangen van economische activiteiten.

Bijna een miljard euro is dus besteed aan dit doel via Marshallplan 1 en 2.Groen. Het Marshallplan 2022 gaat enthousiast op ditzelfde elan door. Er zijn ook nog andere fondsen met dezelfde doelstellingen voorzien, onder meer Europese fondsen (FEDER) en andere Waalse investeringen. De bedrijven komen dus terecht in zones die volledig klaar zijn voor gebruik.

De reiniging van oude fabrieken is een merkwaardig voorbeeld van deze politiek van bodemsanering (en opruimen van gronden). “Op naar Houdeng (La Louvière), voor (een bezoek aan) Safea. (…) De mooie overblijfsels van de Société anonyme de fabrication des engrais azotés (meststoffenfabriek die met stikstof werkte) strekken zich uit over 17 hectare (…). Zware vreemde werktuigen en vaten die er gevaarlijk uitzien en een alomtegenwoordig logo: de doodskop. Het is waar, deze chemische fabriek produceerde nu niet bepaald suikerspin. De insignes, aangebracht door de firma die begonnen is met het saneren van deze site, zijn duidelijk: hier asbest, daar ijzercyanide, een zone waar u de raad krijgt om een masker te dragen... De website walsols.be wijst eveneens op de aanwezigheid van koolwaterstof, aardolie, teer, zwavelzuur, ammonium...”[24]

Safea is een bedrijf dat werd opgericht in 1929 door Usines Gustave Boël en Union Chimique Belge (UCB) en sloot in 1978 zijn deuren. Na een aantal omwegen koopt Duferco de site die vervolgens wordt overgenomen door een Waalse openbare maatschappij ter bestrijding van milieuverontreiniging, de SPAQUE (Société publique d’aide à la qualité de l’environnement) om volledig schoongemaakt te worden; niet op kosten van de eigenaars (die nochtans reusachtige winsten uit deze fabriek hebben gehaald), maar met het geld van het Marshallplan (10 miljoen euro voor deze site).

De schoongemaakte sites of de verlaten industrieterreinen worden vervolgens klaargemaakt voor nieuwe bedrijven. Herinner u de beelden van Elio Di Rupo die triomfantelijk een bezoek brengt aan de (reële) site van Google in Bergen. Na 250 miljoen euro in de site te hebben geïnvesteerd in 2010[25] en zogezegd 120 banen te hebben gecreëerd, maakt Google bekend dat het nog eens 300 miljoen extra wil investeren en om haar bedrijfsoppervlakte te verdubbelen. Zou dit het symbool zijn van het succes van deze plannen voor de uitrusting van de activiteitenzones?

Dit behoeft wel enig commentaar: de 120 banen die Google belooft, blijken in werkelijkheid maximum 40 rechtstreekse banen te zijn (in 2011) en de rest is indirecte werkgelegenheid (bijvoorbeeld bij bewakingsfirma’s). “Idea beheert 3400 hectare industriezones die eind 2011 werk verschaften aan 21.469 mensen. Dat is een gemiddelde van 6,3 banen per ha. Zelfs als we 120 werknemers tellen, haalt het datacenter van Google nauwelijks 1,5 fulltime baan per ha. Vier keer minder dan het gemiddelde.”[26] Nog steeds volgens het weekblad Le Vif zou het investeringsproject van Google (in 2009) voor een slordige 12,5 miljoen euro overheidssubsidies hebben gekregen.

Google profiteert daarnaast ook van de notionele intrestaftrek via het speciaal hiervoor opgerichte dochterbedrijf (Crystal Computing). Nog iets: “Het terrein van 85 hectare dat ze gekocht hebben voor iets minder dan 13 euro per vierkante meter is een juweeltje. Uitgerust met glasvezelkabels, gelegen langs het kanaal Nimy-Blaton, beschikt het over een koelsysteem via verdamping. Dat is uniek; het datacenter kan daardoor werken zonder koeltoren (…)”.[27]

En “er is verder in Wallonië geen enkel bedrijfsterrein meer van die omvang. (…) Met andere woorden, een andere grote investeerder die vandaag zou aankloppen bij de intercommunale van Mons-Borinage-Centre [of bij om het even welke andere intercommunale] zou geduld moeten oefenen.”[28]

Dit illustreert goed het Waalse economische beleid op dit vlak: bedrijven vestigen zich, maken winst door de bodem te verontreinigen. Eenmaal hun business afgelopen (of om een andere reden), verlaten de bedrijven het Waalse grondgebied en laten de verontreinigde bodem achter. Aan het gewest om de bodem te reinigen en ze voor een klein prijsje klaar te maken voor nieuwe bedrijven. Altijd meegenomen als die bedrijven banen scheppen en anders zullen ze wel dienen om bij te dragen aan de ‘internationale uitstraling van Wallonië’. Dat is wat we het principe van de profiteur-vervuiler zouden kunnen noemen.

Besproei met fiscale cadeaus

Eenmaal de terreinen zijn klaargemaakt, moeten ze, om voldoende vruchten voort te brengen, op de juiste manier besproeid worden met fiscale cadeaus. Talrijke maatregelen die de regering heeft genomen om bedrijven aan te trekken, betreffen de opheffing van taksen. Zo zaten er in het eerste Marshallplan verschillende maatregelen ‘ter verlichting van de anti-economische fiscaliteit’. Een deel van de gemeentelijke en provinciale belastingen werden bijvoorbeeld afgeschaft: de gemeentelijke en provinciale belasting op de drijfkracht en de compenserende industriële belasting van de provincie en ook nog de belasting (in de provincie Henegouwen) op de oppervlakte. Het Waalse gewest heeft compensaties toegekend voor de inkomsten die de plaatselijke besturen hierdoor misliepen. De gemeenten beschikken dan ook niet langer over deze hefboom om hun inkomsten eventueel te verhogen. Een gegeven dat niet zonder gevolgen is, gezien de rampzalige toestand van de gemeentefinancies.[29]

Maar het Waalse gewest heeft ook beslist om nog andere fiscale maatregelen af te schaffen: vrijstelling van roerende voorheffing op alle investeringen in nieuw materieel en uitrusting of bij vervanging van bestaande uitrusting, afschaffing van navigatierechten, afschaffing van de taks op de drankomzet, tariefvermindering voor de successierechten voor familiale gebouwen of woningcomplexen en afschaffing van successierechten en schenkingsrechten voor overdrachten van ondernemingen.

De kostprijs van deze maatregelen bedroeg in het eerste Marshallplan 70 miljoen euro. In het Marshallplan 2.Groen beloopt de factuur 60 miljoen euro.

Meer dan 130 miljoen euro kortingen werden op die manier verleend op bedrijfsbelastingen sinds 2006. De bedrijven hebben niet geaarzeld om de overheid te chanteren om toch maar te kunnen genieten van belastingverminderingen. Een klein laboratorium bijvoorbeeld (Eli Lilly) trekt in 2006 weg uit België. De grote baas van GSK Biologicals en toenmalig voorzitter van BioWin (competitiviteitpool, specifiek voor de gezondheidssector) vindt het vertrek van dit laboratorium “een nieuw signaal voor België. Men heeft al meermaals gehamerd op het feit dat de farmaceutische industrie niet goed werd behandeld. Al heeft de regering wel een paar initiatieven genomen, toch moet het verdere fiscale maatregelen treffen ten gunste van de bedrijven die zich bezighouden met O&O (onderzoek en ontwikkeling), want België moet het opnemen tegen andere Europese landen die allemaal in die richting handelen.”[30] GSK Biologicals heeft 1,3 miljoen euro gerecupereerd (niet verschuldigde belastingen[31]). Twee jaar eerder vielen in Wallonië bij GSK Pharma (dezelfde farmaceutische groep) verschillende ontslagen.[32]

We moeten aan die afschaffing van belastingen ook nog de oprichting toevoegen van ‘vrije zones’, dat zijn zones waar de belastingdruk voor ondernemingen nog lichter is gemaakt en waar er nog meer steun verleend wordt aan de oprichting van bedrijven en het scheppen van nieuwe economische activiteit.

Voor het eerste Marshallplan werd de kostprijs van deze vrije zones voor het Waalse gewest geschat op 70 miljoen euro en op 55 miljoen euro voor het tweede Marshallplan.

Geef ze gewillige arbeidskrachten, klaar voor gebruik

Om die bedrijven te doen functioneren als ze zich op Waals grondgebied vestigen, zijn er geschikte werknemers  nodig met de juiste competenties.

De regering ziet in het gebrek aan opleiding[33] van de arbeidskrachten een van de oorzaken van de economische achterstand van het gewest. Ze wil dan ook uitdrukkelijk de samenwerking tussen de actoren van opleiding en onderwijs verhogen om van levenslang leren een realiteit te maken die ten goede komt aan de Waalse economische ontwikkeling.

Voor de Waalse regering is onderwijs dus een opleidingstraject voor toekomstige werknemers. Het programma moet dan wel beantwoorden aan de behoeften van de ondernemingen (die in ruil zelf ook meer betrokken moeten zijn bij die schoolopleiding).

Zo kwam er in 2012 een decreet op ‘alternerend leren’ in het hoger niet-universitair onderwijs en minister Marcourt (die trouwens minister van Hoger onderwijs is) zou dit ook graag in het universitair onderwijs toepassen. Dit soort opleiding bestaat nu al in het secundair onderwijs, in de Centra Deeltijds Onderwijs of CDO (langs Franstalige kant de opleidingscentra voor alternerend leren of CEFA, Centre d’éducation et de formation en alternance). In dit systeem krijgt de leerling een opleiding met de helft van de lessen in schoolverband en de andere helft in een bedrijf. De lessen op school zijn inhoudelijk afgestemd op de bedrijfsopleiding. De leerling wordt dus opgeleid voor een vak, voor een bedrijf en met het oog op de behoeften van het bedrijf.

Tegelijk nam de Waalse minister van Verplicht Onderwijs nog een aantal beleidsmaatregelen die niet expliciet werden opgenomen in het Marshallplan: hervorming van het deeltijds onderwijs (in het secundair), Certification par unité (CPU)[34], de ontwikkeling van ‘levensbekkens’ (en van synergiepolen voor opleiding en onderwijs in de schoot van deze levensbekkens). Deze bekkens moeten vorm geven aan samenwerkingsverbanden tussen plaatselijke actoren (onderwijs, opleiding, bedrijven). Het Marshallplan betrekt ook de ondernemingen bij de opleiding van ‘toekomstige werknemers’ (stageplaatsen aanbieden, technische beroepen promoten enz.).

De kennis van vreemde talen is een andere belangrijke nood. Als de Waalse bedrijven willen exporteren, moeten ze daarvoor ook degelijk geschoold personeel hebben. De verschillende Marshallplannen voorzien dus dat men ‘taalcheques’ betaalt en/of beurzen geeft om in het buitenland een taal te gaan leren. Minister Marcourt ging op een bepaald moment zelfs zo ver dat hij eraan dacht om Erasmus verplicht te stellen voor studenten uit het hoger onderwijs.

Het is interessant om vast te stellen, zonder in detail te gaan, dat de visie op opleidingen voor werkzoekenden dezelfde richting uitgaat.

Om de versteviging van deze band tussen onderwijs en bedrijfswereld te bereiken, wil minister Marcourt het onderwijs regionaliseren.[35] Dat maakt het voor hem een stuk gemakkelijker om binnen het Waalse gewest zijn plannen uit te voeren voor een economisch beleid en een onderwijsbeleid in dienst van de bedrijfswereld.

Het nieuwe Marshallplan 2022 hecht dan ook duidelijk groot belang aan het onderwijs: “Onderwijs en opleiding van goede kwaliteit, gericht op tewerkstelling, persoonlijke ontwikkeling en gemeenschapsontwikkeling”. Achter een ronkende titel gaan hervormingen schuil waarmee men vandaag al volop is begonnen (hervorming van het beroepsonderwijs, ‘adequationisme’, levenslang leren, CPU, bevorderen van de talenkennis enz.)

Terwijl het beleid vroeger gericht was op het geven van een algemene vorming aan jongeren, waarbij het aan de onderneming was om hen daarna een vak te leren, wordt nu het financieel gewicht hierbij verplaatst. In plaats van de opleiding door de onderneming te laten betalen, kiest de Waalse regering (of de Franse Gemeenschap) ervoor te betalen voor de opleiding van de toekomstige werknemer, opdat die rechtstreeks inzetbaar zou worden. De onderliggende logica is er eentje van socialiseren van de kosten en privatiseren van de winsten: aan de staat de kosten voor de opleiding, aan de ondernemingen de winst van de opleiding. En wanneer de werknemer die voor een bepaald vak is opgeleid, zijn ontslag krijgt, dan moet hij terug naar school om opnieuw een vak te leren om te kunnen werken in een nieuw bedrijf. En ook hier krijgen bedrijven volledige vrijheid. Zij dicteren hun behoeften aan opleiding en scholing in functie van hun eigen belangen en het is verder aan het gewest om geschoold en onmiddellijk inzetbaar personeel te leveren.

Verpak het geheel in een flinke dosis marketing

De Waalse economische maatregelen gaan gepaard met een marketingbeleid om Wallonië zo aantrekkelijk mogelijk voor te stellen.

De verandering van het logo van Wallonië is daar een mooi voorbeeld van. Het is de bedoeling te investeren in een ander beeld van Wallonië. Daarom gaf de Waalse regering bijna 2 miljoen euro uit om het logo van Wallonië te veranderen en “de internationale bekendheid van Wallonië te verbeteren bij de doelgroepen ‘business’ en particulieren.”[36] Rudi Demotte: “Het is de bedoeling tot een herschikking te komen van het internationale imago van Wallonië en een beeld te creëren dat veraf staat van een vergaan verleden met industrieën die niet meer van deze tijd zijn.”[37]

Andere voorbeelden van het marketingbeleid van de regering: uitsluitend positieve woorden (op welke grond?) over het succes van het Marshallplan, uitdrukkelijke wil om het ‘stoffige imago’ van Wallonië teniet te doen, sociale conflicten verdoezelen[38], steun aan uitvoer[39] enz.

Besprenkel met Waals nationalisme

Eenmaal dit liberale recept klaar, zal een vleugje Waals nationalisme voor instemming zorgen van de hele Waalse bevolking.

Zo moeten we de verklaringen van Rudi Demotte begrijpen over het “positief nationalisme van Wallonië”. Via dit vreemde concept wil hij het beeld oproepen van een verenigd volk, vol zelfvertrouwen.[40] Jean-Claude Marcourt neemt dan weer een beetje afstand van de Waalse minister-president, en haalt een ‘afgezwakte versie’ voor de geest: die van het “Waalse economisch patriottisme”… al is het niet meteen duidelijk waarin dit verschilt van het positief nationalisme van Demotte. Magnette van zijn kant heeft het liever over de noodzaak van de opkomst van een klasse van “patriottistische Waalse ondernemers”.

Toevallige, op zichzelf staande uitspraken? Zeker niet.[41] Naast deze opzienbarende verklaringen, handelt de regering net zoals met het waarschuwingscomité dat de (Waalse) regering Di Rupo oprichtte in 2004. Die regering kwam tussen in sociale conflicten zoals bij AGC Automotive (ex-Splintex). Een conflict dat aan de toenmalige voorzitter van het Waalse Verbond van werkgevers, de UWE, in 2004 het commentaar ontlokte dat “dit het beeld geeft van het Waalse gewest, dat te lijden heeft van dit soort incidenten en dat is niet goed als men investeerders wil aantrekken”. In het Marshallplan 2.Groen is 5 miljoen euro voorzien voor de versterking van het Waalse bewustzijn, “een bron voor mobilisatie”.[42] Het Marshallplan 2022 gaat zelfs nog verder: hierin staan plannen voor de oprichting van een Waalse “groep van 10”.[43]

Beroep doen op het economisch patriottisme van de werknemers en van de werkgevers (hoe je het ook wilt noemen), komt neer op het wegvegen van de tegenstellingen tussen de sociale klassen. Het is proberen werknemers en werkgevers te overhalen om samen te werken met het oog op het aangaan van de ‘uitdaging van de competitiviteit’, vervat in het neoliberale recept van het Marshallplan. Het is ook een andere manier om de Socialistische Partij te verkopen als de partij die in staat is de sociale vrede te bewaren in Wallonië.[44] Het betekent de werknemers doen geloven: ‘Waalse patroons en arbeiders, verenigt u en uw lot zal verbeteren.’ Terwijl het vooral de economische situatie van de patroons is die verbetert, zoals we hebben gezien. Temeer daar de economische uitdagingen het Waalse kader ruim overstijgen.[45]

Niets aan te doen?

Zou het werkelijk de enige oplossing zijn voor het herstel van de economie, investeerders aantrekken door voor hen in het stof te kruipen en hun de sleutels te overhandigen van de economie van een heel gewest? Zeker niet. Dit is een politieke keuze die de partijen, aan de macht in Wallonië (zoals elders in België), bewust hebben gemaakt.

Er bestaat een alternatief[46], maar dat veronderstelt een radicale breuk met het beleid dat momenteel wordt gevoerd. In plaats van alleen competitiviteit voor ogen te houden, heeft die andere logica centraal aandacht voor de behoeften van de bevolking en houdt rekening met de economische en industriële traditie in Wallonië (of liever van België) en met de ontwikkeling van de gemeenschap. Dat zou aanleiding geven tot het ontwikkelen (op Belgische schaal) van vier industriële sectoren: bouw, transport, gezondheidsdiensten en de staalnijverheid. En deze vier sectoren zouden beheerd moeten worden door de overheid, met inspraak van de bevolking.

Met een dergelijke industriële en economische keuze zouden we aan de meest dringende behoeften van de Belgische (en Waalse) bevolking tegemoet kunnen komen: de bouw van woningen, van scholen en van andere publieke infrastructuur; de uitbreiding van het aanbod openbaar vervoer; de verbetering van de toegang tot gezondheidszorg (en tot bejaardenzorg). En als kers op de taart zou dit duizenden arbeidsplaatsen scheppen.

Een dergelijk beleid staat lijnrecht tegenover het beleid dat de Waalse regering vandaag voert. Voor dit alternatief moeten we ook de cijfers in vraag durven stellen die de Waalse regering nu naar voren schuift om haar eigen hypocrisie te verdoezelen.

Het alternatief zal opborrelen uit de opbouw van krachtsverhoudingen die zich verzetten tegen de ‘Waalse patriottistische samenwerking’ tussen patroons en arbeiders. Het alternatief zal uiteindelijk vorm krijgen als we de neerwaartse spiraal van verbeten competitie verwerpen, waar de Belgische (en Europese) regio’s zich nu aan overgeven.

Wallonië was ziek en is nog steeds ziek. De werkloosheid daalt niet, de ongelijkheid neemt toe, bedrijven sluiten en gooien duizenden werknemers op straat.

Het recept van de Waalse regering is de Europese strategie toepassen voor meer competitiviteit (Lissabonstrategie tot Europa 2020). Dit neoliberale recept wil de holdings en grote multinationale bedrijven over de Waalse toekomst en over de sociaaleconomische situatie van de Waalse werknemers laten beslissen.

In tegenstelling tot het Vlaamse beleid, concentreerde het Marshallplan de middelen op een aantal specifieke domeinen (de competitiviteitspolen). Het tracht ook de ondernemingen aan te moedigen om zich goedkoop te vestigen op gereinigde terreinen, waarbij ze de beschikking krijgen over geschoold personeel en kunnen profiteren van investeringshulp, allemaal op kosten van de Waalse belastingbetaler. En dan ook nog zo weinig mogelijk belasting betalen.

Er bestaat nochtans een alternatief: vertrekken van de Waalse industriële traditie en van de behoeften van de bevolking. Maar om dit alternatief waar te maken, moeten we de tendens omkeren en het welzijn van de werkende mensen laten primeren op het welzijn van de winst van de patroons (Waalse of niet).

Michaël Verbauwhede (michael.verbauwhede at gmail.com) is jurist en historicus. Hij werkt mee met de Studiedienst van de Partij van de Arbeid van België.


[1] Belga, 13 september 2013.

[2] Le Soir, 30 augustus 2013.

[3] De UWE - Union Wallonne des Entreprises – stelt dat de Waalse economie de weg van het herstel opgaat en bemoedigende tekenen geeft, in vergelijking met Vlaanderen. RTBF Info, 21 maart 2013.

[4] CBC, KBC, Une Wallonie en pleine relance?, juli 2013.

[5] Henri Houben, “De Belgische economische strategie: zich vasthaken aan de Duitse locomotief”, Marxistische Studies, nr. 104, 2013.

[6] P. Defeyt, “Marché du travail wallon: ne pas se réjouir trop vite. Actualisation”, www.iddweb.be, januari 2011 (geraadpleegd in juli 2013).

[7] Ibid.

[8] P. Defeyt, “2008-2012  un marché du travail prévisible et étonnant à la fois”, www.iddeweb.be, juli 2013 (geraadpleegd in juli 2013).

[9] Ibid.

[10] Federaal Planbureau, IWEPS, BISA, SVR, Regionale economische vooruitzichten 2013-2018, juli 2013.

[11] Accaputo, Bayenet, Pagano, Le Plan Marshall pour la Wallonie, CH CRISP 1919, 2006.

[12] Waar alle partijen op het ene of het andere moment in hebben gezeten: PS, PSC/cdH, PRL/MR, Écolo.

[13] Accaputo, Bayenet, Pagano, Idem, p. 71.

[14] Zie Pol De Vos, “Vlaanderen en het neoliberaal regionalisme”, Marxistische Studies, nr. 104, 2013.

[15] Portail des pôles de compétitivité et réseaux d'entreprises wallons, “De competitiviteitcentra. Algemene filosofie”, www.clusters.wallonia.be (geraadpleegd in augustus 2013).

[16] Michael Porter, een Amerikaanse economist die nog steeds in leven is, nam zijn theorie over.

[17] Henri Houben, “Een letterlijke toepassing van de Lissabonstrategie”, Politique, nr. 69, Brussel, 2011, p. 40.

[18] Henri Houben, “De-industrialisering, wat doe je ertegen?”, Marxistische Studies, nr. 102, 2013, p. 3.

[19] RTBF Info, 27 maart 2013.

[20] Zie de website van Trilogiport, http://www.portdeliege.be/fr/trilogiport (geraadpleegd in juli 2013)

[21] Damien Robert, “Tewerkstelling, staalindustrie en reconversie in de Luikse regio”. Supplement Marxistische Studies, nr. 96, oktober. 2011, p. 34.

[22] RTBF Info, “Wallonië, kampioen van transport en logistiek? Een rapport zaait twijfel.”, 19 december 2012.

[23] B. Bauraind, “Magotteaux est… chilienne!”. Zie: www.gresea.be (geraadpleegd in juli 2013).

[24] Marco Van Hees, “Moeten wij betalen voor vervuilende miljardairs?” Zie: www.frerealbert.be (geraadpleegd in oktober 2013).

[25] La Libre Belgique, 4 oktober 2010.

[26] Le Vif - L’express, 27 april 2013.

[27] Idem.

[28] Idem.

[29] Koen Hostyn en Kris Merckx, “Crisis bedreigt ook gemeentekas, Marxistische Studies, nr. 97, januari 2012, p. 9-34.

[30] La Libre Belgique, 30 juni 2006.

[31] L’Echo, 29 april 2011.

[32] La DH, 12 februari 2009.

[33] En het feit dat opleiding en bedrijfsbehoeften niet voldoende op elkaar afgestemd zijn.

[34] “Een certificaat per eenheid”. Dit houdt in dat men de klassieke logica van schooljaren doorbreekt en leerlingen voortaan slagen in ‘modules’ of ‘eenheden’. Een eenheid is een geheel van competenties en vaardigheden die de leerling moet verwerven, die in een aantal werkdoelen en einddoelstellingen worden aangegeven. Achter een lovenswaardig doel om zoveel mogelijk te vermijden dat leerlingen hun jaar moeten overdoen, schuilt in werkelijkheid de bedoeling het algemeen vormend onderwijs terzijde te schuiven en alles te concentreren op het verwerven van competenties die rechtstreeks gebruikt kunnen worden in een onderneming. “La plateforme de lutte contre l’échec scolaire et la CPU”, zie: www.skolo.org (geraadpleegd in oktober 2013).

[35] La Libre Belgique, 14 januari 2012.

[36] Le Soir, 9 juli 2013.

[37] La Libre Belgique, 27 juni 2013.

[38] Zo raakte bekend dat de Waalse regering in 2004 een waarschuwingscomité oprichtte, een soort task force, met politici en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers die als opdracht hadden tussen te komen in een onderneming van zodra zich daar een sociaal conflict voordeed. Doelstelling was te vermijden ‘een verkeerd beeld’ van Wallonië te geven. Een sociaal conflict hoort niet thuis in de plannen om buitenlandse investeerders aan te trekken. La Libre Belgique, 24 juni 2004.

[39] Het doel van de oprichting van het Waalse exportagentschap is enerzijds de Waalse bedrijven helpen bij het vinden van afzetgebieden in het buitenland en anderzijds investeerders aan te trekken naar Wallonië.

[40] La Libre Belgique, 21 augustus 2013.

[41] Charlie Le Paige, “Wanneer Magnette het spelletje speelt van nationalisten en patroons…”, 15 januari 2013, zie: www.pvda.be (geraadpleegd in oktober 2013).

[42] Wij zouden het eerder een bron van demobilisatie noemen.

[43] Zie in dit verband ook de verklaringen van Marcourt over het ‘sociaal pact’ om het Waalse economische leven te stimuleren. La Libre Belgique, 14 september 2013.

[44] Raoul Hedebouw, De blauwe plekken van de Parti Socialiste (nawoord van Voorrang van links. Rode pistes om uit de crisis te raken), Brussel, 2009, p. 266.

[45] Henri Houben, “De Belgische economische strategie: zich vasthaken aan de Duitse locomotief”, op. cit.

[46] Henri Houben, “De-industrialisering, wat doe je ertegen?”, op. cit.