N-VA voert haar politie op

Auteur: 
Herwig Lerouge

Privatisering, centralisering en militarisering

De plannen voor een ingrijpende politiehervorming bestaan in België al sinds lang voor de aanslagen van 13 november 2015. Maar de omstandigheden zijn gunstig om ze vandaag voor te stellen als een antwoord op de terreur. Eén pijler betreft de grotere centralisatie van de lokale politie door het samenvoegen of meer doen samenwerken van lokale politiezones. Een andere versterkt de militarisering van de politie: meer leger op straat, zwaardere bewapening voor de politie. Een derde hervorming komt eraan, waarbij massaal politietaken worden afgeschaft of uitbesteed aan bewakingsfirma’s en privébedrijven.

Het zogenaamde kerstakkoord van eind 2015 zet een aantal maatregelen van deze hervorming om. Er komt een nieuw ‘veiligheidskorps’ met 1.600 man, voornamelijk overplaatsingen uit Justitie en Landsverdediging. Dit nieuwe korps, dat onder de federale politie valt, staat in voor de bewaking en bescherming van gebouwen. Er komen ook 450 man bij bij de lokale politie en 400 bij de federale politie. Maar vooral worden ook een heel aantal taken uitbesteed aan de privébewakingssector. Volgens specialisten zullen we door deze hervormingen morgen met een heel andere politie opgezadeld zitten en dat is niet noodzakelijk een goede zaak voor onze veiligheid en voor de democratie. We bespreken hier vooral het aspect van de privatisering en de militarisering van het politieapparaat.

G4S: de nieuwe N-VA politie?

Het privatiseringsplan van Minister Jambon lekte uit als ‘takenplan voor een gestroomlijnde politie’ in de krant De Tijd van dinsdag 20 oktober 2015. Onder het motto ‘meer blauw op straat’ dankzij het afstoten van alles wat niet tot de (niet nader omschreven) kerntaken van de politie behoort. Logistiek, personeelszaken en geneeskunde wil de minister uitbesteden. Net als de selectie van agenten. Alleen de echte beslissingen en de screening van kandidaten moeten nog in politiehanden blijven.

De minister wil ook een aantal taken volledig afschaffen. Het gaat daarbij om de begeleiding van afgewezen asielzoekers, van waardetransporten waarbij geen dreiging te verwachten is. Gerechtsdeurwaarders (en notarissen) begeleiden mag enkel nog als echt ‘een sterke arm’ nodig is. Ook het laten betekenen van opvorderingsbevelen bij stakingen moet de politie niet meer doen. Het inzetten van politie bij stakingen in de gevangenissen moet worden opgevangen door minimale dienstverlening op te leggen aan de cipiers. Politie te paard wordt afgeschaft en door fietspatrouilles vervangen. De politie moet zich ook niet meer bezighouden met verkeerseducatie of verkeersparken.

Taken zullen worden uitbesteed aan bewakingsfirma’s. Het gaat daarbij om het bewaken van drukke plaatsen zoals winkelstraten in de eindejaarsperiode of joodse instellingen of bewakingstaken in rechtbanken. Het bekijken van bewakingscamerabeelden op publieke plaatsen zouden opgeleide bewakingsagenten, onder toezicht van een politieman, kunnen overnemen. De bewaking voor en na evenementen mag nu al door bewakingsfirma’s gebeuren. Ook de bewaking van industriezones en uitgaansbuurten, zelfs als er geen ‘fysieke omheining’ is, moet door de privé kunnen. En op luchthavens zouden bewakingsfirma’s het verkeer kunnen regelen in plaats van de politie.

Jambon wil bpost inzetten om spullen te laten terugbezorgen en boetes te innen, het beheer van de flitspalen overnemen, net als de verwerking en opstelling van de processen-verbaal voor snelheidsovertredingen en de inning van boetes.

Verder wil hij besparen op gebouwen, zowel bij de aankoop, huur, beveiliging, bewaking en zeker bij het onderhoud.

Een deel van het uitbestedingsplan van Jambon zal leiden tot militarisering van de ordehandhaving. Het statisch bewaken van gebouwen zal nu volgens het plan terechtkomen bij een nieuw veiligheidskorps dat vooral uit ex-militairen zal bestaan. In een eerste plan wilde hij dat overlaten aan het leger. “Bij terreurdreiging is sowieso sprake van een dreiging met oorlogsgeweld waarvoor de politie sinds haar eenmaking in 2000 niet meer het materiaal en de knowhow bezit”, zei Jambon toen. Ook de luchtsteun aan de politie is geen politietaak.

Een dijkbreuk

In België zijn in verhouding tot veel andere Europese landen meer publieke politieambtenaren werkzaam. 72,5 % van al het veiligheidspersoneel (publiek en privé samen) werkt voor de overheid tegen 27,5 % voor de private veiligheidssector. In het Verenigd Koninkrijk is dat 30,8 % voor de overheid en 69,2 % voor de privésector. In Zweden en Nederland is het ongeveer fiftyfifty en in Duitsland 60 % voor de overheid. Gemiddeld heeft in heel Europa de private sector een overwicht (52 %).

België telt één veiligheidspersoneelslid (publiek en privé samen) per 193 inwoners. Het Europees gemiddelde is één per 150 inwoners en België bevindt zich dus in de Europese middenmoot. Het Europees gemiddelde wat overheidsagenten betreft ligt op één agent per 356 inwoners. In België is er één per 266 inwoners. Het Europees gemiddelde voor de private sector ligt op één veiligheidsagent per 290 inwoners. Voor België komen we op 703 inwoners per privébewakingsagent.

In 2010 waren er in ons land 220 erkende bewakingsbedrijven met een vergunning, waarvan 187 actief. De 4 hoofdrolspelers zijn Securitas, Group4-Securicor (ook bekend voor de bewaking van de illegale muur op Palestijns gebied en Israëlische gevangenissen), Seris Security en Cobelguard.[1] De omzet van deze firma’s laat een gestage groei zien, 410 miljoen euro in 2000 en 591 in 2009. Als hoofdactiviteit omschrijven deze firma’s het toezicht op de bescherming van (on)roerende goederen (74 %), het beheer van alarmcentrales (15 %), en winkelinspectie (4,5 %). Eerder te verwaarlozen activiteiten zijn het waardetransport (0,13 %) en het beveiligen van evenementen (0,43 %). Hun klantenbestand bestaat voornamelijk uit bedrijven (81,6 %), met daarnaast privépersonen (16,7 %) en eerder marginaal de overheid (1,6 %). De private bewakingsdiensten stelden 15.411 bewakingsagenten tewerk. Dat is ongeveer een derde van het totale politiepersoneelsbestand.

Een geleidelijke opmars tot 2014

Tijdens de regeringen Martens VII tot IX (1987-1992) kwam de wet op private bewakingsdiensten, ook de Wet Tobback genoemd, tot stand (1990). Nadien volgde in 1998, na de zaak Dutroux, de politiehervorming. De rijkswacht werd ontbonden, de federale politie kwam tot stand en de lokale politie werd naar een hoger niveau getild (de zone). Het werd een goed betaalde politie. Als gevolg van de besparingen op de overheidsuitgaven werd een kerntakendebat opgestart met als doel een aantal taken af te stoten en goedkoper te laten verrichten, onder meer door het inschakelen van de preventiewerkers en de stadswachten die de politie zouden kunnen ontlasten van een aantal basistaken

Het toezicht op de bewakings- en beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten gaat in de wet van 1990 uit van verschillende doelstellingen. De belangrijkste ervan zijn: een effectief controle- en sanctiemechanisme, het bestraffen van machtsoverschrijding, het beperken van de mogelijkheden voor publiek-private samenwerking en het waarborgen van de kwaliteit in de private bewaking.

Taken zoals toezicht in shoppingcentra en het bewaken van bedrijfsterreinen en goederen werden ook meer en meer uitbesteed aan privébewakingsdiensten. De rol van de private diensten op het openbaar domein werd echter beperkt gehouden. Ze zijn niet gemachtigd om een identiteitskaart op te vragen, en zeker niet om bestuurlijke aanhoudingen te verrichten. Persoonscontroles werden beperkt gehouden tot toegangscontrole ‘indoors’, en mochten niet worden uitgeoefend op de openbare weg. VIP-bewaking − het beschermen van personen tegen mogelijke gevaren door de bewaakte persoon af te schermen – kan wel gewapend uitgevoerd worden. Buiten dat hadden private bewakingsdiensten niet meer of minder bevoegdheden dan iedere andere burger.

Er werd ook een beperking ingevoerd op de overstapmogelijkheden van de reguliere politie naar de private veiligheidsbedrijven. Dat kan pas na een periode van vijf jaar.

Tijdens de regering Verhofstadt I (1999-2003) kwam een Veiligheids- en Detentieplan (2000) tot stand. Daarin werd uitdrukkelijk gesproken over de private uitbesteding van een aantal politietaken (zoals het gevangenenvervoer).

Een ommezwaai kwam er in 2004, onder Verhofstadt II,waar publiek-private samenwerking niet alleen mogelijk werd gemaakt, maar zelfs gepromoot. De bevoegdheid van de private bewaking in de publieke ruimte werd aanzienlijk uitgebreid. Ze werd niet langer beperkt tot de toegangscontrole. Ook andere vormen van controle vielen onder de wettelijke regeling, bijvoorbeeld het toezicht op het gedrag van mensen in een shoppingcenter, evenementenbeveiliging en winkelinspectie, toegangscontrole en bewakingsfuncties aan bioscoopcomplexen of in winkelgalerijen, pretparken, security-activiteiten bij concerten of fuiven en bals. Het blijft wel verboden om bij het uitvoeren van de opdrachten van persoonscontrole een wapen te dragen.

Sinds de wet van 2004 kunnen gemeentelijke overheden een beroep doen op private bewakingsdiensten. Met toestemming van de minister van Binnenlandse Zaken kunnen privédiensten – op voor het publiek toegankelijke plaatsen – ten behoeve van gemeentes roerende en onroerende goederen bewaken en personen beschermen. Private bewakingsagenten aangesteld door de gemeenteraad kunnen sindsdien ook aangifte doen bij de politieambtenaar of hulpagent van politie voor overlast. De aangiften zijn beperkt tot ‘vaststellingen, die uitsluitend betrekking hebben op de onmiddellijk waarneembare toestand van goederen op het openbaar domein, in opdracht van de bevoegde overheid’. Patrouilles op de openbare weg werden toegelaten, doch enkel wanneer ze betrekking hebben op de bewaking van goederen. Bewakingsagenten kunnen geen inbreuken vaststellen op eigen kracht, ze kunnen geen geweld of dwang gebruiken, ook niet tegen wie zich verzet bij toegangscontroles. Een proces-verbaal opstellen blijft voorbehouden aan de publieke politie. De door de bewakingsagenten gemaakte vaststellingen hebben (alleen) de waarde van een vermoeden. Hun aangifte heeft geen specifieke bewijswaarde en is evenveel waard als die van om het even welke burger. Sommigen zien hierin toch een belangrijke verruiming van de bevoegdheden van de private bewaking ten nadele van de publieke politie.

De regering Di Rupo (2011-2014) kwam met een nieuw Wetsontwerp tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (2014). De wet trad in februari 2015 in voege. De wet voorziet een uitbreiding van het toepassingsgebied: de mogelijkheid om gelimiteerde bewakingsopdrachten uit te oefenen op de openbare weg. De agenten hebben hierbij wel nog geen vaststellingsbevoegdheid.

Nu gaat de regering Michel dus een hele stap verder. Sommigen spreken van een dijkbreuk. In zijn beleidsverklaring verzekerde Jambon wel dat de filosofie van gemeenschapsgerichte politie zal behouden blijven, waarbij onder meer de rol van de wijkpolitie zal worden versterkt.

Veiligheid te koop en rechteloosheid

In tegenstelling tot Nederland en Groot Brittannië, is de evolutie naar privatisering in België zeer geleidelijk verlopen. Daar houden private beveiligingsbedrijven zich al lang bezig met waardentransport, parkeerbeheer, leveren ze toezichthouders en straatcoaches, trainen en leveren ze buitengewone opsporingsambtenaren. Ze houden er elektronisch toezicht op personen met een enkelband. Ze doen aan risicomanagement en geven veiligheidsadvies voor de overheid, doen huisbezoeken bij thuisgestraften, bewaken de tunnels op snelwegen, leveren bewakingscamera’s en technologische tools. Sinds 1999 geeft de overheid de mogelijkheid voor gemeenten om private beveiligingsfirma’s in te huren om te surveilleren in de publieke ruimte. In 2010 stelde onderzoek vast dat veertien procent van de gemeenten een privaat beveiligingsbedrijf inhuurt om toezicht te houden in het publieke domein. In Nederland patrouilleren, naast een groot korps van Bijzonder Opsporingsambtenaren (BOA[2]), al veel langer private bewakingsdiensten op de openbare weg.

Een artikel van een paar jaar geleden[3] beschrijft de onrustwekkende evolutie van de privatiseringsdrang bij onze Noorderburen. Veiligheid is allang niet meer een taak van politie en justitie alleen; het is big business geworden. Wie geld heeft, koopt veiligheid bij bedrijven met de nieuwste technologie en de beste speurders.

Zoals in de Rotterdamse wijken met woningen van twee à drie miljoen euro. Daar patrouilleert een surveillant van bewakingsbedrijf Randon. Zijn diensten kosten de deelnemende wijkbewoners tweehonderd euro per maand. De Amerikaanse staat Florida geldt als voorbeeld. Daar zie je grote, ommuurde en door bedrijven beveiligde ressorts waar een politieauto niet eens mag komen. De rijken hebben zich daar verschanst en met hoge muren en particuliere bewakers, met vuurwapens en honden beschermen ze zich tegen buitenstaanders. Buiten die wijken is de criminaliteit gigantisch. Arm steelt er van arm en er is nauwelijks nog politiebescherming. De Haagse burgemeester wordt er cynisch bij. “Als je gaat privatiseren en je de politie uitkleedt, moet je niet verbaasd zijn tot in lengte van dagen geconfronteerd te worden met georganiseerde misdaad en geweld. Wie beschermt de niet-betalende burger?” Minder bedeelden zijn aangewezen op een uitgeklede politie die – met geweld – de rotklussen mag opknappen.

Medewerkers van een uitzendbureau voor opsporingsambtenaren hebben bij de Tilburgse politie als buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) inzage in het geheime computersysteem BPS. Zo kunnen ze processen-verbaal, dagrapporten, namen van verdachten en verhoren opvragen.

Winkelcentra, recreatieterreinen en industriecomplexen regelen hun veiligheid steeds meer zelf. En als criminelen dan toch toeslaan, hebben ze hun eigen opsporingsdiensten.

Specialistische opsporingstechnieken gaan steeds meer naar particuliere onderzoeksbureaus. Accountantskantoren als Deloitte  en KPMG investeren veel in de bestrijding van computercriminaliteit. Straks zitten alle knowhow en vakmanschap bij de commerciëlen. Net als allerlei nieuwe technologie op het gebied van opsporing, zoals afluisterapparatuur en computers.

Nederlandse specialisten waarschuwen ook voor de opkomst van private justice. Werkgevers laten werknemers schaduwen om ze te betrappen op diefstal of fraude. Voor dit soort interne aangelegenheden stapt amper nog een bedrijf naar de politie. “Maar wie garandeert de rechtsbescherming van een verdachte werknemer als zijn baas hem via een bedrijf in de gaten laat houden en vervolgens geruisloos de laan uitstuurt?” vraagt de korpschef van de politieregio Gelderland-Zuid.

Zelfs op het gebied van sporenonderzoek is de privésector al heel ver. Er zijn particuliere bedrijven waar je een contra-expertise kunt aanvragen als je twijfelt aan de uitslag van een DNA-onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut. Als je er het geld voor hebt natuurlijk.

Agenten en speurders verlaten de politie in ruil voor betere voorwaarden bij de privé. Door hun vertrek zijn vooral de complexe onderzoeken moeilijker uit te voeren. En dus is de verleiding steeds groter om de hulp in te roepen van de kapitaalkrachtige commerciële collega’s, die beter zijn toegerust.

Misbruik van gevoelige informatie is een groot gevaar bij steeds meer voorkomende samenwerking tussen politie en privéfirma’s. Hoe voorkom je dat die politiechef te veel vertelt aan zijn commerciële partner? Informatie die voor een andere opdrachtgever veel geld waard is. En partijdigheid is ingebakken. Komt er een eerlijk onderzoek als particuliere bedrijven kunnen vermoeden wat de opdrachtgever wil horen?

Voor de Nederlandse Politie Bond (NPB) kunnen particuliere parkeerwachten en privébewakers op bedrijfsterreinen. Maar de opmars naar het publieke terrein moet gestuit worden. De oplossing: meer geld voor de politie, dat tempert de wildgroei in de particuliere sector automatisch. “Wie controleert de particuliere beveiligingsbedrijven nog als de politie voor de uitvoering van haar wettelijke taken wel gebruik moet maken van de diensten van diezelfde bedrijven?” vraagt NPB.

De vrees is dat de particuliere sector alle lucratieve en publieksvriendelijke diensten naar zich toetrekt en de politie met de ondankbare rotklussen blijft zitten. “We verliezen onze oren en ogen op straat, omdat alle surveillance door particuliere bewakers gebeurt. En omdat wij het monopolie op het gebruik van wapens en dus geweld hebben, zijn we wel goed om repressief op te treden.”

Maar wie zegt dat de politie de enige blijft die mag slaan en schieten? “Iedereen doet maar wat en achteraf wordt dat vaak ook nog met regelgeving gladgestreken. Wij willen geen bewapende bewakers, maar door de wildgroei komt die situatie wel dichterbij”, aldus de Politie Bond.

Big Brother G4S in Groot-Brittannië

In het kader van een radicaal besparingsprogramma heeft de regering in Groot-Brittannië volledige politiebureaus aan beveiliger G4S uitbesteed.[4] De politie in het Graafschap Lincolnshire kreeg in april 2012 de primeur. G4S, ’s werelds grootste beveiligingsbedrijf, zal er een nieuw politiekantoor met 30 cellen bouwen en meer dan de helft van de 980 niet-geüniformeerde medewerkers leveren. De wettelijke omkadering blijft het terrein van getrainde politiemensen, G4S doet de rest: het nemen van foto’s, vingerafdrukken en het beheer van de gevangenen. Het project levert G4S geen windeieren op. Met het contract dat 10 jaar loopt is een totale waarde van 200 miljoen pond gemoeid. In dit bedrag is de werking van een centrale meldkamer, een afdeling verkeersboetes, een rechtbank,  een beveiligingsdienst, een registratieafdeling voor vergunningen van vuurwapens en het algemeen beheer van het politiebureau inbegrepen.

De organisatie Open Democracy vermeldt in maart 2012 een artikel van The Guardian. Volgens de krant heeft G4S “een ruime waaier aan diensten overgenomen die totnogtoe door de politie werden verzorgd. Het gaat over “misdaadonderzoek, vasthouden van verdachten, ontwikkelen van gevallen, reageren op en onderzoeken van incidenten, ondersteunen van slachtoffers en getuigen, toezicht op hoog-risico individuen, wijkpatrouilles, informatiebeheer, publieke betrokkenheid, en verder meer traditionele administratietaken zoals forensisch onderzoek, juridische dienstverlening, beheer van de wagenpark, financiën en personeelsbeleid. (…) Naast politiewerk, gevangenentransport naar rechtbanken en magistratentraining, biedt G4S ook gerechtelijk onderzoek. Het bedrijf beheert vier gevangenissen in Engeland. Reclasseringsdiensten zullen worden aanbesteed. (…) G4S krijgt ook een flink deel van het nieuwe sociaal programma in handen waarvan de regering stelt dat het zal helpen een eind te maken aan de ‘sombere cyclus van recidive criminaliteit’.”[5] G4S is een grote speler op de markt van de automatische kentekenherkenning. Haar indrukwekkende positie in de ‘asiel markt’ wordt almaar sterker. Een erg groot deel van ons leven komt onder invloed van een bedrijf te staan.

Deze privatiseringsgolf is het gevolg van een meer dan radicaal bezuinigingsprogramma van de Britse regering die de begroting voor de politie tegen 2015 met 20 procent wil verlagen.

Prof. Paul Ponsaers: Een grote doorbraak voor de privésector

We[6] vroegen professor emeritus Paul Ponsaers naar zijn mening over wat vandaag van de nieuwe privatiseringsplannen bekend is. Tot 2012 was hij gewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent. Hij heeft gewerkt bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij meewerkte aan het op orde krijgen van het Belgische politieapparaat na de periode van de Bende van Nijvel. Hij publiceerde talrijke bijdragen over politiestudies, financieel-economische criminaliteit, .

Paul Ponsaers. Het rapport over de evaluatie van de wet op de private veiligheid is nog niet beschikbaar. Ik heb nog geen documenten over de hervorming gezien. Maar wat uitgelekt is mag je gerust een dijkbreuk noemen.

Het is een grote doorbraak voor de privésector. In veel landen is er al veel in handen van de privé. In Londen is bijvoorbeeld de camerabewaking in de stad in handen van een privéfirma. De politie moet de beelden kopen indien ze ze wil bekijken. In Almere in Nederland huurt de burgemeester een privébedrijf in om tijdens controles in de uitgangsbuurt mensen weg te brengen naar het politiekantoor, zodat de politie ter plaatse kan blijven. Ze dragen hetzelfde uniform dus je ziet niet wie wie is.

Deze privébedrijven zijn internationaal georganiseerd, zien dat er in andere landen veel mogelijkheden zijn en willen ook in België graag een groter deel van de markt in handen krijgen. Nu zijn er ook bij ons uitzonderlijk al wel politietaken geprivatiseerd. In Sint-Martens-Latem en Knokke worden private firma’s door rijke burgers of door het gemeentebestuur betaald voor bewaking van wijken en de dijk. In Knokke is dat seizoensgebonden als er veel volk is. De NMBS Securail – die is semi-privé – beheert de camera’s in de stations, maar de politie heeft een akkoord dat ze de beelden kan inzien. Maar dat kan dus veranderen.

Minister Jambon zegt dat de filosofie van gemeenschapsgerichte politie zal behouden blijven

Paul Ponsaers. Bij de Octopushervorming in 1998, na het debacle in de zaak van de vermoorde kinderen, was er een consensus bij alle partijen van meerderheid en oppositie rond een ‘gemeenschapsgerichte politie’. Hier kan men moeilijk op terugkomen. De N-VA bestond in 1998 nog niet maar heeft zich, bij mijn weten, niet uitgesproken tegen een gemeenschapsgerichte politie. Volgens mij moeten de kerntaken, de essentiële gemeenschapsgerichte politietaken in ieder geval bij de publieke politie blijven. Privatisering wordt vaak doorgevoerd onder het mom van ‘meer blauw op straat’. Maar dan moet de privépolitie om te beginnen niet de wijkagent vervangen. Het is essentieel dat de wijkagent het domicilieadres controleert. Hij/zij moet zijn kaartje achterlaten, hij/zij moet weten hoe zijn/haar wijk eruit ziet. Zo komt hij/zij bijvoorbeeld te weten waar gevaar voor huiselijk geweld bestaat. De lokale politie heeft ook een onthaalfunctie. Kantoren moeten bereikbaar zijn, ook af en toe buiten de werkuren. Mensen moeten er terecht kunnen en de politie moet er met kennis van zaken advies geven en doorverwijzen. We hebben nood aan een competente politie die slachtoffers kan begeleiden en kan doorverwijzen. Dit principe van ‘gemeenschapsgerichte politie’ is een argument voor de vakbonden om jobs te verdedigen.

Politie moet ondersteunend, signalerend en informerend werken naar de gemeente toe, bijvoorbeeld over het verkeer. Ze heeft naast een verbaliserende rol ook de taak om bijvoorbeeld gevaarlijke kruispunten te signaleren aan de gemeente.

Wat betreft de openbare ordehandhaving ben ik voor een onderhandeld beheer van de openbare ruimte, zolang dat natuurlijk geen inbreuken op de vrije meningsuiting met zich meebrengt. Openbare politie moet in elk geval het monopolie behouden van legaal geweld.

Het principe moet blijven dat de publieke ruimte moet beheerd worden door de overheid, de politie dus en niet door privébewakingsdiensten. Banken, discotheken, grootwarenhuizen bewaken met privébewakingsdienten, camera’s OK. Je hebt de vrije keuze er binnen te gaan of niet. Maar de publieke ruimte, de straten en de pleinen, mogen niet in hun handen komen. Er is al een erosie van de publieke ruimte. Steeds minder ruimte is voor publiek toegankelijk. Uiteindelijk is bewegingsvrijheid een essentiële voorwaarde voor de uitoefening van de fundamentele vrijheden van burgers.

Met de op til staande hervorming wordt hiervan veel afgebouwd.

De politievakbonden van ACV en ACOD  noemen de maatregelen ‘een regelrechte aanval op de openbare sector’. Het gaat over 10.000 jobs. De geprivatiseerde politietaken zullen uiteindelijk niet goedkoper of performanter gebeuren. Er zal netto amper meer blauw op straat overblijven, zegt hij.

De privatisering gebeurt natuurlijk ook en wellicht in de eerste plaats, om te besparen. De lonen en premies bij de reguliere politie zijn hoger dan in de privésector. De hervorming van de politie in 1998 heeft geleid tot een nivellering van de lonen naar boven. Ik ben er niet tegen dat sommige taken naar de privé gaan, zolang de politie haar essentiële gemeenschapsgerichte taken behoudt. Dat gebeurt nu ook al tot op beperkte hoogte. Zo laat de voetbalwet stewards toe in het stadion. Buiten het stadion is de publieke politie aanwezig. Op die manier wordt de veiligheidszorg deels ten laste gelegd van de organisatoren. In een lucratieve sector als het voetbal vind ik dat inderdaad de organisatoren een belangrijk deel van deze zorg moeten betalen. Bij het begeleiden van geldtransporten lijkt de inschakeling van de privé relatief zinvol. De banken moeten een deel van de kosten betalen.

Ik geef deze voorbeelden omdat de discussie best niet in algemene termen gevoerd wordt, maar in relatie tot specifieke taken. De Europese tendens is heel duidelijk naar privatisering. We moeten de discussie ernstig nemen en vooral bekijken waar en welke taken eventueel door anderen kunnen worden ingevuld. Maar die anderen hoeven niet noodzakelijk private commerciële diensten te zijn. De backoffice, het papierwerk van de politie, moet niet per se door personeel met politiebevoegdheden gebeuren, maar ook niet noodzakelijk door de privé. Dat werk kan bijvoorbeeld ook ingevuld worden, al naar gelang het geval, door gemeentepersoneel of burgerpersoneel van de politie. Ook door samen te werken met verschillende korpsen kan er efficiënter gewerkt worden. Dat gebeurt nu al tussen zones. Ik ben voor een gepluraliseerd systeem van politie. Beter dit, dan al te veel uit te besteden aan de privé. We moeten ook kijken naar wat er al bestaat bij de overheid. Waarom kan bijvoorbeeld Selor, de rekruteringsdienst voor de overheid, niet instaan voor de selectie van aspiranten? Er is toch geen noodzaak om deze opdracht te privatiseren.

Als je in het commercieel denken meegaat en omwille van financiële redenen taken uitbesteedt aan de privé kom je snel op een hellend vlak terecht en wordt alles al snel afgetoetst aan ‘productiviteit’ en ‘performantie’. In politie- en gerechtszaken, bijvoorbeeld het beoordelen van een proces-verbaal, telt vooral de competentie en de kwaliteit, en niet hoeveel je er per dag afhandelt.

Bovendien geldt voor de privé enkel het contract en wat daarin staat. De politie handelt of hoort te handelen in naam van het algemeen belang, moet handelen in overeenstemming met specifieke politiewetten, en kan een belangenafweging maken. De politie zal onderhandelen in bepaalde conflictsituaties (alleszins bepaalde korpsen). De privé zal dit niet doen. Zij zullen uitvoeren wat in het contract staat.

Is de privatisering van politietaken geen groot probleem voor de democratie? Is het geen manier om een democratisch gecontroleerde politie (althans in principe) te vervangen door een privépolitie?

Paul Ponsaers. De politie is sinds de wet van 1998 in theorie een van de meest gecontroleerde organen in België. Er is een Dienst intern toezicht, het Comité P van het Parlement en de Algemene inspectie. De privé heeft dit niet. De sector is zelf voorstander van meer controle. Zo kunnen de groten veel kleine bedrijven uitschakelen die niet aan de voorwaarden kunnen voldoen. De strategie van de privésector is: eerst de markt innemen, daarna pas het instrumentarium verruimen. De privé mag vandaag geen geweld gebruiken. Als ze dit wel willen dan zal de wet in de toekomst moeten worden aangepast. Eens de markt veroverd kunnen ze meer bevoegdheden/wapens vragen. Deze discussie zal nu nog niet worden gevoerd maar wel in de toekomst.

De Liga voor de Mensenrechten geeft aan dat de controle op de politie niet voldoet.

Paul Ponsaers. Het grootste probleem is de politisering binnen comité P. Best zou zijn dat er ook ongebonden NGO’s in het Comité P zitten. Er is ook een groot probleem met het feit dat de meerderheid (zowat 85 %) van de klachten bij Comité P onontvankelijk worden verklaard. Ik vind wel dat er dikwijls goede rapporten worden geschreven door Comité P maar er gebeurt vaak niets mee op het niveau van de opvolgingscommissie in het Parlement. Tot op zekere hoogte is het niet zozeer een probleem van gebrek aan controle, maar een gebrek aan politieke daadkracht.

Een reëel gevaar bij outsourcing naar de privé is het risico op fichering en het privaat bijhouden van gegevens. De privésector is niet gebonden door de wet op de geïntegreerde politiedienst. De Wet Tobback van 1990 heeft zonder enige twijfel de grootste mistoestanden in de bewakingssector aangepakt, maar we zitten intussen in een andere, nieuwe fase en wellicht vraagt dat om een nieuw wettelijk kader.

De roep naar de law en order

In België patrouilleren, voor het eerst sinds dertig jaar, opnieuw militairen en staan er legervoertuigen op talrijke straathoeken. Dit beeld zal waarschijnlijk niet zo snel verdwijnen. De tendens bestaat overigens al veel langer dan sinds de aanslagen op Charlie Hebdo vorig jaar. Op deze tendens spelen de N-VA-ministers in de regering Michel ook gretig in.

De taken en functies van leger en politie lijken elkaar steeds meer te overlappen.[7] De politie militariseert en het leger krijgt meer en meer de rol van ordehandhaver binnen de nationale grenzen. Tot het einde van de 19e eeuw kwam het leger tussen bij ordeverstoring, dikwijls met dodelijke slachtoffers als gevolg. Met de opkomst van de arbeidersbeweging werd de moderne politie ontwikkeld en de rol van het leger in interne aangelegenheden nam af. Het leger werd verantwoordelijk voor de bescherming tegen externe vijanden, terwijl de politie verantwoordelijk werd voor de interne publieke orde.

Natuurlijk blijft de taak van de politie in essentie de handhaving van de bestaande orde tegen de arbeidersbeweging, tegen de bewegingen voor sociale verandering. Maar er is een verschil tussen de taken, de structuur en de procedures van beide instellingen. De traditionele militaire kernelementen zijn gehoorzaamheid, beschikbaarheid, fysieke sterkte, de beperkingen van het recht op vrijheid van vereniging, staking en vrije meningsuiting. Daarbij komt de bekwaamheid tot gewelduitoefening en de gerichtheid hierop qua training, motivering en indoctrinatie.

Een politiekorps kan natuurlijk ook sterk beïnvloed zijn door het militaire model. Ze kan ook gezien worden als enkel maar uitvoerder van de wet, met procedures waarbij dwang en geweld overheersen. Deze visie leidt tot het gebruiken van militaire principes in het uitoefenen van politietaken, tot het gebruik van geweld en wapens om problemen op te lossen, tot denken in termen van vijanden en tot een aanpak die zich tot de symptomen beperkt: sociale problemen oplossen door de verstoring van de openbare orde aan te pakken. Deze visie op politie is een bedreiging voor de democratie en kan leiden tot een parallelle macht die zich zelfs boven de politieke macht stelt en die kan manipuleren. Dat was het geval met de rijkswacht tot haar opheffing eind van de jaren negentig.

Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is die visie onder druk van de democratische beweging in vraag gesteld. In de plaats kwam de zogenaamde community policing (COP). In een opinie voor De Redactie omschrijft professor Paul Ponsaers de filosofie van de gemeenschapsgerichte politie die ten grondslag lag aan het Belgische politiebestel dat in 2001 werd ingevoerd door de politiehervorming.[8] “In essentie is de rode draad doorheen deze COP-visie dat politie een breed maatschappelijk mandaat dient op te nemen, en dat zij haar legitimiteit ontleent aan de instemming van de bevolking. COP is wezenlijk een instemmingsmodel, een ‘consent’-model. In deze zienswijze werkt de politie in en ten dienste van de gemeenschap, is ze maatschappelijk betrokken en is ze gericht op de bevordering van de veiligheid en het welzijn van de bevolking. Het centrum van dit denken is het voorkomen van misdrijven en het bewaren van de vrede door een constante en zichtbare aanwezigheid op straat van geüniformeerde, in principe ongewapende politiemensen. De politie wordt in een dergelijke zienswijze één van de partners in het brede maatschappelijke middenveld die de oorzaken van criminaliteit, onrust en sociale wanorde trachten te beheersen. COP houdt dan ook een essentiële preventieve opdracht in: het voorkomen dat problemen verdichten in bepaalde groepen of op specifieke plaatsen, en de ambitie om bij te dragen aan het terugdringen van de oorzaken ervan. Dat betekent dat, daar waar het gaat om radicalisering van jongeren, de voedingsbodem van die radicalisering wordt tegengegaan. Heel concreet komt dat neer op het verschaffen van tewerkstelling, van degelijk onderwijs en sociale huisvesting, van bijstand en zorg. Uiteraard is dat niet de uitsluitende opdracht van de politie, maar is dat een gemeenschappelijke opdracht van de publieke overheid en tot op grote hoogte van het lokaal gemeentelijk beleid. Buurthuizen, straathoekwerkers, opvoeders, inburgerings- en hulpverleningscentra en vele anderen dragen daartoe bij, samen met allerhande gemeentelijke diensten. De politie moet er dan op toekijken dat er geen breuken ontstaan in de maatschappelijke textuur, dat ieders rechten worden gewaarborgd, dat er  geen spanningen of kortsluitingen ontstaan, enzovoort.” Ze moest dienstverlenend werken, in partnerschap, probleemoplossend, verantwoording afleggen. Natuurlijk is deze visie als geheel praktisch nergens gerealiseerd. Want, ondanks de goede bedoelingen en de inzet van veel democratische krachten blijft de politie het apparaat dat de wetten moet doen toepassen die meestal door en voor de heersende elite en in hun belang worden vastgelegd.

Vooral onder invloed van de conservatieve revolutie sinds Reagan en Thatcher is de weg naar de gemilitariseerde politie terug aangevat. De veiligheidsissues kwam steeds hoger op de politieke agenda te staan en tegen de reële of overroepen dreigingen (georganiseerde mensensmokkel, de handel in wapens en drugs, terrorisme) werd het gebruik van speciale methoden en meer geweld aangemoedigd. Er werd ook steeds meer gesproken in termen van oorlog tegen drugs, tegen terrorisme enzovoort. Deze oorlogen brachten de noodzakelijke argumenten aan voor het herstel van politiewerk als symptoombestrijding, denken in termen van ‘wij en zij!’ en het gebruik van geweld. Antiterreureenheden, zoals het Amerikaanse SWAT (Special Weapons And Tactics), de Franse GIGN (Groupe d’intervention de la Gendarmerie Nationale) werden versterkt. Er gingen meer en meer stemmen op om het leger in te zetten om de politie te ondersteunen in deze oorlog tegen het terrorisme.

In de VS heeft deze gemilitariseerde politie al geleid tot veel onschuldige slachtoffers, maar werd nog geen enkele terroristische aanval met zware wapens verijdeld en de drugshandel floreert als nooit tevoren. Het machtsvertoon in de straten van het Amerikaanse stadje Ferguson, na de moord op een zwarte jongen, is het resultaat van deze jarenlange militarisering van de politie. Eliteagenten in camouflagepakken vielen er ongewapende burgers aan. Deze verharding van de repressie van de sociale bewegingen door de politie is een gevolg van een programma van transfers van militair materiaal naar de politie dat dateert van 1997. Sinds 2006 beschikt de politie in de VS over 435 geblindeerde voertuigen, 533 vliegtuigen en helikopters en 93.763 machinegeweren. Materiaal dat wordt gebruikt om simpele politietaken uit te voeren. MRAP’s zijn voertuigen bestand tegen mijnen, hinderlagen en bommen. Ze zijn niet gemaakt om een menigte onder controle te houden. In de jaren zestig opgerichte SWAT-eenheden. (Special Weapons and Tactics) gebruiken militaire technieken. In 1975 waren er 500 SWAT teams in de VS. Vandaag een duizendtal. Ze worden tegenwoordig voor het minste ingezet. In 80 % van de gevallen gewoon om huiszoekingen te doen. Daarbij gebeuren er ook vaak ongevallen en vallen er onschuldige slachtoffers; wat leidt tot meer geweld in de gekleurde gemeenschappen. Er worden ook steeds meer militaire tactieken toegepast bij de repressie van sociale bewegingen als Occupy.

Het leger als politiekorps

Deze evolutie loopt evenwijdig met de veranderde opdrachten van de westerse legers. Naast de gewone oorlogen, krijgen die steeds meer zogenaamde vredesopdrachten, zoals in Kosovo, in Libanon, het Oosten van Congo... Het worden troepen die een mix zijn van politie en militairen en die kunnen opereren in omstandigheden die gaan van oorlog tot ordehandhaving en zelfs hulpverlening. Deze omvorming baseert zich op de principes die in Maleisië door de Britse officier Kitson zijn ontwikkeld tegen de onafhankelijkheidsstrijd: het leger moest bijdragen aan het ‘winnen van de geesten en de harten’ van de bevolking, via economische, politieke en humanitaire initiatieven, met het doel hen af te scheuren van de guerrilla die voor onafhankelijkheid vocht. In dezelfde zin, maar met weinig succes, zijn de westerse legers ook na de oorlog in Irak en Afghanistan te werk gegaan. In Afghanistan patrouilleren de Nederlandse militairen, indien mogelijk lopend of zelfs op de fiets. Ze bouwen kleien hutten waarin zij Afghaanse gasten uitnodigen en hen bedienen met thee, noten en gedroogd fruit. Je moet onder het volk zijn als je hen wil beïnvloeden, luidt het motto. Maar het volk is weerspannig en de Nederlanders werden gedwongen hun tactiek aan te passen.

Militairen worden ook in politieoperaties getraind. Ze krijgen zogenaamde crowd and riot control-trainingen die noodzakelijk zijn voor het omgaan met opstandelingen en betogers. De website Apache publiceerde eind 2014 een foto van Belgische special forces die trainden in Amman (Jordanië) – om zich te bekwamen in advanced urban combat, speciale gevechtstechnieken in stedelijk gebied. “De kans is erg klein dat ze die ooit in België nodig zullen hebben. Of toch?”, vroeg hoofdredacteur Karl Van den Broeck zich af.[9]

Ja dus. De inzet van militairen voor activiteiten van interne veiligheid staat vandaag ook in West-Europa op de dagorde. Het is nog niet duidelijk welke permanente vorm dat zal aannemen. Samenwerking met de bestaande politie, binnen welke grenzen? Wordt de politie zelf meer omgebouwd tot een apparaat voor harde, militaire vormen van politiewerk binnen de landsgrenzen?

N-VA op de bres voor een nieuwe rijkswacht?

In ons land loopt – wie zal het verrassen – het Antwerpen van burgemeester De Wever voorop in de militarisering van de ordehandhaving. Het stadsbestuur keurde de aankoop goed van militaire wapens met .300 kaliber kogels voor het politiekorps. Wapens die kogels van .300 kaliber kunnen afvuren zijn altijd dodelijk. In de VS en Canada zijn ze zeer populair bij jagers op groot wild. Eén schot met een dergelijk telescoopgeweer doodt een mannelijke eland van 475 kilogram tot op een afstand van bijna een kilometer.

Ook bij de inzet van het leger voor ordehandhaving is Antwerpen de drijvende kracht. De eerste keer gebeurde dat bijna in maart 2014 toen foorkramers de Antwerpse invalswegen bezet hielden omdat de Sinksenfoor moest verhuizen. De Wever betreurde toen dat hij het leger niet kon laten aanrukken met zwaar takelmateriaal. Hij kwam er opnieuw mee aanzetten na de aanslag in het Joods Museum te Brussel.

Hij zweert daarbij dat het hem niet te doen is om een nieuwe rijkswacht die militair kan optreden tegen stakingen en sociale bewegingen. Dat klinkt niet echt geloofwaardig als zijn partijgenoot Jambon na de grote betoging van oktober 2014 en tijdens de provinciale beurtstakingen, overleg pleegt met nog een partijgenoot, Vandeput over de inzet van militairen in het binnenland.

Nog voor de aanslagen tegen Charlie Hebdo stelde N-VA minister van Binnenlandse Zaken Jambon al voor om de inzet van het leger voor taken van binnenlandse veiligheid te vergemakkelijken. Toen legde de wet daartoe grote beperkingen op. Tot 2014 kon het leger pas ingeschakeld worden wanneer dreigingsniveau vier werd afgekondigd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.

De minister van Binnenlandse Zaken kon wel aan zijn collega van Defensie verzoeken om soldaten in te zetten voor het bewaken van strategische sites ‘in het belang van de nationale veiligheid’. Maar een dergelijk mandaat moest door de regering worden goedgekeurd en beperkt zijn in inhoud en tijd. Deze mandaten worden niet automatisch verlengd, op het einde van een mandaat moet opnieuw een regeringsbeslissing worden genomen. Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, interpelleerde Bart De Wever begin 2015 over het respecteren van de voorwaarden die wettelijk gesteld worden. Het was duidelijk dat de aanwezigheid van militairen in de straten voor de uitvoering van politietaken toen illegaal beslist werd.

Jambon wilde dus eind 2014 al dat de hulp van het leger kon worden ingeroepen vanaf dreigingsniveau 3, op basis van een beslissing van de Nationale Veiligheidsraad (dus niet meer de hele regering), zonder een specifieke regeringsbeslissing voor elke operatie, zonder beperkend mandaat en onbeperkt in de tijd, of op vraag van een burgemeester of de federale politie.[10]

Toen was zijn partijgenoot Vandeput, minister van Defensie, nog niet enthousiast omdat “de mensen niet klaar zijn voor gewapende militairen in het straatbeeld”. Sindsdien dus wel.

Naast wettelijke bezwaren zijn er ook heel wat technische bezwaren tegen de inzet van soldaten voor interne veiligheid. Soldaten krijgen een zeer specifieke opleiding, zij moeten voorbereid zijn op de confrontatie met andere gewapende partijen (legers, opstandelingen, guerrilla). Het materiaal waarmee ze hun taken vervullen, is bovendien niet geschikt voor inzet tussen de burgerbevolking van het eigen land. Het leger kan de proportionaliteit van een gewapende reactie niet garanderen, het is de spreekwoordelijke hamer om een vlieg op het raam mee dood te slaan. Vincent Gilles, de voorzitter van de politievakbond VSOA, zei dat politieagenten en militairen niet dezelfde taken hebben, en dat het beter zou zijn de politie de nodige middelen te geven om haar taak van binnenlandse veiligheid te kunnen waarborgen.

Breed maatschappelijk en politiek debat nodig

Deze evolutie gebeurt zonder noemenswaardig politiek debat. Nochtans zou een discussie over de efficiëntie van de militarisering in de strijd tegen het zware terrorisme en de criminaliteit op zijn plaats zijn. Zie naar de VS, maar ook naar Frankrijk. Daar werd 25 jaar geleden het systeem Vigipirate ingevoerd met als doel terroristische daden te voorkomen en – indien nodig – te bestrijden. De kostprijs werd toen geschat op meer dan 25.000 euro per dag. In Frankrijk patrouilleren dus, in dat kader, al 25 jaar lang zwaar bewapende politieagenten en militairen in de steden. Charlie Hebdo werd al jaren bedreigd en de meeste journalisten van de redactie hadden persoonlijke lijfwachten. Geen van beide maatregelen heeft de aanslag kunnen verijdelen.

Paul Ponsaers vraagt zich af: “Reeds lang voor de Parijse hel van 13 november 2015 was duidelijk dat de besparingspolitiek van de Belgische overheid gestaag invrat op de filosofie die ten grondslag lag aan het Belgische politiebestel dat in 2001 werd ingevoerd ter gelegenheid van de politiehervorming, met name de gemeenschapsgerichte politie of Community Policing (COP). [...] Vandaag sluipt het ‘control’ model (beheersing) de politieke besluitvorming binnen, met nadruk op misdaadbestrijding en handhaving van de openbare orde (Law and Order Police) en een politie die op grotere afstand komt te staan van het publiek. [...] Vandaag zien we dat de overheid [...] blind allerhande maatregelen ontwikkelt, die vooral gericht zijn op de ontwikkeling van het repressieve luik van de terreurbestrijding en het preventieve luik ongemoeid wordt gelaten. Zo is er sprake van de ontwikkeling van een database voor terugkeerders uit Syrië, terwijl we hadden moeten voorkomen dat jongeren naar Syrië vertrokken dankzij de alertheid en ondersteuning van leerkrachten en ouders. We zetten militairen in bij bewakingsopdrachten in de publieke ruimte om de politie te ontlasten, terwijl we de politie hadden moeten versterken in haar preventieve opdracht vóórdat het kwaad was geschied. We breiden de lijst van terroristische misdrijven uit, voeren bijzondere opsporings- en informatietechnieken in bij anti-terreuroperaties, verruimen het inzetten van afluisterapparatuur, en dergelijke meer. Allemaal maatregelen die gesteund zijn op het blinde geloof in de afschrikkende kracht van opsporing en sanctie tegen reeds geradicaliseerde jongeren die zonder angst hun bomgordel tot ontploffing brengen. Wat zouden ze vrezen voor sancties? Zowat alle experts zijn het er in deze materie over eens dat enkel preventie werkzaam kan zijn en de regering kijkt zonder enige schroom de andere richting uit.” “We weten dat de invloed van politie op criminaliteit zeer beperkt is, aldus Ponsaers. Omdat de oorzaken van criminaliteit zich buiten de invloedssfeer van de politie bevinden. Een gemeenschapsgerichte politie vervult erg veel taken, zoals het handhaven van de vrede of sociale taken, die meestal niets van doen hebben met misdaad. Het brengt de politie veelvuldig in contact met kwetsbare personen in de samenleving. Een overdadig accent op de misdaadbestrijding vervreemdt de politie van de bevolking.”[11]

Dat daarenboven ook nog eens de centralisatie van de politie door de regering wordt aangemoedigd in naam van de besparingen stemt tot nadenken. Ponsaers: “In Nederland is de korpschef Gerard Bouman van de ondertussen nationaal georganiseerde politie, afgetreden na het publiek failliet van het nieuwe nationaal bestel. De nationalisering werd gepresenteerd als de mirakeloplossing voor alle problemen van de Nederlandse politie, terwijl meteen het ’consent‘ model in de verdediging werd geduwd, ten voordele van een oprukkend ‘control’ model.”

Neem daarbij dat door schaalvergroting ook de democratische controle op de politie wordt afgebouwd. De politieke controle op de politie via de politiezones wordt daardoor verzwakt.

Maar, aldus Ponsaers, “het grootste probleem ligt in het feit dat de overheid in toenemende mate besparingen doorvoert binnen het ruime veld van sociale voorzieningen. Hierdoor komt de gemeenschapsgerichte politie in grote mate onder druk te staan. Partnerships met scholen, jeugdwerkers, buurthuizen enzovoort worden herleid tot pure symbolische retoriek als dat maatschappelijk middenveld geen financiële ademruimte meer heeft. Of, hoe de politietaak in toenemende wordt versmald tot het bestrijden van symptomen bij gebrek aan voldoende middelen om haar medewerking te verlenen aan een reëel stedelijk project. […] Het resultaat is dat vele jaren lang in sommige buurten in het Brusselse de kanker van de radicalisering kon voortwoekeren, zonder dat werd doorgepakt naar de wortels van het kwaad.”

De regering heeft de mond vol over een betere en efficiëntere politie. Maar het voorliggende plan komt vooral neer op besparingen en zal leiden tot een situatie waarbij alleen degenen die het kunnen betalen zullen beschermd worden.

De rechtse regeringen willen minder overheidsuitgaven omdat er minder inkomsten zijn, want er moeten opnieuw lastenverlagingen komen voor de multinationals.

Minder overheidsuitgaven en afslanken van de overheid betekent ook minder dienstverlening. De afbouw van de sociale zekerheid en de openbare dienstverlening leidt tot sociale onzekerheid en angst. Noch de ouders, die het steeds moeilijker hebben gezin en werk te combineren, noch de ondergefinancierde scholen, noch de maatschappelijk werkers (in steeds minder aantal) kunnen de problemen blijven opvangen van een economisch systeem dat steeds meer mensen in de marginaliteit achter laat.

De groeiende schaarste op de arbeidsmarkt en het taboe van een belasting op de grote fortuinen maken dat de concurrentie zich voornamelijk afspeelt tussen arm en iets minder arm. Werknemers moeten hun baan en hun inkomen afstaan omdat de aandeelhouders 15 procent rendement willen op hun kapitaal. Tegelijkertijd zijn ze in hun wijk het slachtoffer van nog armere autodieven die niet uitgerust zijn om in de goed beveiligde en bewaakte rijke buurten hun slag te slaan.

De huidige samenleving wordt steeds harder door groeiende ongelijkheid, toenemend egoïsme, en minder normbesef.

Deze regering gaat uit van de neoliberale visie dat een democratische openbare politie te duur is. Politie wordt afgemeten op rendement zoals een privébedrijf. Maar politie is geen privébedrijf en het economisch rendement kan niet het uitgangspunt zijn.

Het is essentieel dat de nadruk wordt gelegd op het aspect ‘gemeenschapsgerichte politie’. Hier kan men niet op terugkomen. Competente politie die slachtoffers kan begeleiden en kan doorverwijzen. Politie die ondersteunend en informerend werkt naar de gemeente toe als het gaat over het verkeer. Politie heeft een naast verbaliserende rol ook de taak om bijvoorbeeld gevaarlijke kruispunten te signaleren aan de gemeente. De kantoren moeten  bereikbaar zijn, ook af en toe buiten de werkuren. Mensen moeten er terecht kunnen en politie moet er met kennis van zaken advies geven en doorverwijzen. Dit wordt afgebouwd met de op til staande hervorming.

In teveel buurten gaat het niet goed, de bevolking voelt zich wel eens onveilig. Criminaliteit en overlast verzieken het leven van veel mensen en moeten daarom worden bestreden. De politie weet slechts bij een klein deel van de wetsovertredingen een verdachte te vinden. Van dat kleine percentage wordt een nog veel kleiner gedeelte voor de rechter gebracht. Vanwege capaciteitsgebrek stelt de politie nu prioriteiten en blijven er zaken liggen. Buurtagenten moeten voldoende tijd in de buurt op straat kunnen zijn. Een buurtagent die de mensen in de wijk kent en gekend wordt door de mensen kan problemen voorkomen. Er moeten meer buurtagenten en kleinschalige politieposten bijkomen. De capaciteit bij politie en justitie moet worden uitgebreid en alle aangiften moeten in behandeling worden genomen.

Tegen de grote criminaliteit in georganiseerd verband, moet de slagkracht en de expertise worden vergroot. Er moet meer werk worden gemaakt van het bestrijden van internetcriminaliteit, witwaspraktijken en de vermenging van de onderwereld met de normale business.

Een groot aantal misdrijven wordt van achter een bureau gepleegd zoals bouwfraude, faillissementsfraude, vastgoedfraude. Met deze en andere vormen van witteboordencriminaliteit gaan jaarlijks miljarden euro’s verloren. De aanpak ervan moet meer prioriteit krijgen. Het aantal deskundigen bij de politie, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht moet worden uitgebreid en niet afgestaan aan de privé.

Democratie heeft ook een kost. Democratie en het overheidsapparaat moeten niet begrepen worden vanuit een bedrijfslogica. De staat moet efficiënt werken. Maar die efficiëntie mag niet tegenover de democratie komen te staan. Indien dat de redenering wordt, en dat is al zo bij organisaties als VOKA, dan zetten we de democratie maar on hold. Geen lange inhoudelijke debatten meer, geen zorgvuldigheid meer bij politiewerk, maar snelle beslissingen in naam van de besparingen. Vooral het voor de democratie noodzakelijke recht op verzet kost te veel tijd en geld.

Commercieel denken en omwille van financiële redenen essentiële politietaken uitbesteden aan de privé leidt ertoe dat alles wordt afgetoetst aan de concurrentiepositie. Bovendien geldt voor de privé enkel het contract en wat daarin staat. En wie betaalt krijgt zijn zin.

De politie moet de nodige middelen krijgen maar ze heeft ook buitengewone macht. Die laat haar toe om inbreuken te plegen op de basisrechten van de burgers, om geweld te gebruiken, om hen van hun vrijheid te beroven, hun identiteit te controleren. Daarom is het nodig dat er democratische controle is op de politie. Als de rol van de politie toch zou bestaan uit het beschermen van mensen tegen diefstal en fysiek geweld, welk mogelijk bezwaar kan er dan zijn tegen controle door diegenen die zij geacht worden te beschermen? Met deze regering wordt de mogelijkheid tot wettelijk verweer van de burger tegenover mogelijke misbruiken afgebouwd.

De rol van de burgemeester in het tuchtrecht van de politie moet niet worden beperkt. De tuchtcontrole door de burgemeester (en de gemeenteraad) op de politie is een belangrijk aspect van democratische controle.

Privatisering van politietaken is een groot probleem voor de democratie. De privatisering is een manier om een democratisch gecontroleerde politie (althans in principe) te vervangen door een privépolitie. Privé is niet gebonden door de wet op de geïntegreerde politiedienst. Een extra gevaar bij outsourcing naar de privé is het risico op fichering en het privaat bijhouden van gegevens. Politie wordt gecontroleerd in België ook al voldoet die controle niet. Best zou zijn dat er ook NGO’s zoals de Liga voor de Rechten van de Mens in het controlecomité op de politie zouden zetelen.

Er moet een spreekplicht komen voor ambtenaren die weet hebben van fraude of corruptie; voorwaarde is dat zij hiervan geen negatieve consequenties ondervinden.

Jobs, jobs, jobs ???

In plaats van sommige taken naar de privé te laten gaan, zou de minister ook een interne reorganisatie met behoud van openbaar statuut kunnen doorvoeren. De backoffice van de politie moet niet per se door politieagenten gebeuren. Moet ook niet noodzakelijk door de commerciële sector. Die jobs kunnen bijvoorbeeld ook ingevuld worden door, al naar gelang het geval, stadswachten, gemeentepersoneel, burgerpersoneel van de politie,... Hij zou ook kunnen kijken naar wat er al bestaat bv. Selor voor de selectie.

De politievakbonden kanten zich vierkant tegen de hervormingsplannen van Jambon. De privatisering zal voor talrijke collega’s een grote stap terug betekenen voor wat betreft loon en werkomstandigheden. Het ACV spreekt van 10.000 arbeidsplaatsen die dreigen verloren te gaan. De ACOD stelt dat de zogenaamde 2.500 nieuwe arbeidsplaatsen enkel een verplaatsing van het ene korps naar het andere betekenen. Ook de 450 nieuwe manschappen voor de lokale en de 400 voor de federale politie liggen ver onder het cijfer van 1600 die voor 2015 voorzien waren. 2.500 politiemannen hebben recht op pensioen dit jaar en nog eens 3.500 tussen vandaag en 2019. De vakbonden klagen ook het gebrek aan investeringen in wetenschappelijke uitrusting aan waardoor, net als in andere landen, de politie dreigt achter te lopen op de privéveiligheidsdiensten.

Herwig Lerouge (herwiglerouge at gmail.com) is lid van de Studiedienst van de Partij van de Arbeid van België.


[1]     Jens De Koker, Marktanalyse van de private veiligheidszorg in België, Masterproef bedrijfseconomie, UGent, 2008. Zie: http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/315/621/RUG01-001315621_2010_0001_....

[2]         Buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) sporen bepaalde strafbare feiten op en vullen de politie aan bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid. BOA’s hebben officiële opsporingsbevoegdheden die beperkt zijn tot één bepaald werkterrein zoals bijvoorbeeld jachtopziener, milieu-inspecteur, sociaal rechercheur of parkeerwachter.

[3]     Ferdi Schrooten, “Veiligheid te koop”, Wegener Dagbladen, 24 februari 2000. Zie: http://www.tegenwicht.org/10_amerikanisering/veiligheid.htm

[4]     Beveiliging Nieuws, 22 juni 2012. Zie: https://beveiligingnieuws.nl/.

[5]     Matthew Taylor, “How G4S is 'securing your world”, The Guardian, 20 juni 2012. Zie:  http://www.theguardian.com/uk/2012/jun/20/g4s-securing-your-world-policing.

[6]     Interview afgenomen samen met Lies Michielse, advocate bij Progress Lawyers Network, Antwerpen.

[7]     De bron voor deze beschrijving van de algemene evolutie is de tekst: Marleen Easton & René Moelkers, Constabularisering en militarisering: groeien politie en krijgsmacht naar elkaar toe? Zie: http://expertise.hogent.be/files/5987734/Constabularisering_en_Militaris....

[8]     Paul Ponsaers, “De politie nog altijd je vriend?”, De Redactie, 7 december 2015. Zie: http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/1.2517293.

[9]     Karl Van den Broeck, “Het leger waakt over de binnenstad”, Apache. Zie: http://www.apache.be/2014/12/08/het-leger-waakt-over-binnenstad-en-begro...

[10]    De Kamer, Wetsontwerp houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2015, 12 december 2014. Zie: https://www.dekamer.be/flwb/pdf/54/0496/54K0496036.pdf.

[11]    Paul Ponsaers, “De politie nog altijd je vriend?”, De Redactie, 7 december 2015.