Na Griekenland, welke strategie voor Europese verandering?

Auteur: 
Johan Somers

De tegenstellingen tussen de Europese instellingen en de nieuwe Griekse regering waren niet van de poes na de Griekse verkiezingen van 25 januari 2015. Voor het eerst werd een niet-traditionele linkse partij met een radicaal discours de dominante partij in een Europese regering. Het was evenzeer de eerste keer dat er binnen de Europese Unie en de muntunie zo hard werd ingegaan tegen de neoliberale consensus. Donald Tusk, president van de Europese Raad, gaf later toe dat het Europese establishment vreesde voor een verspreiding van “die illusie van radicaal links dat je zomaar een alternatief kan vinden voor de traditionele Europese visie op de economie”. Daarom moest die regering doodgeknepen worden. Hoe dat op totaal ondemocratische wijze gebeurde werd in nummer 111 van Marxistische Studies bekeken.[1]

Na het dictaat van Brussel op 13 juli 2015, koos Alexis Tsipras ervoor om, na nieuwe verkiezingen, de regering te blijven leiden. Hij beweerde dat de traditionele partijen minder correcties zouden aanbrengen aan het moordende programma. Hoewel Syriza in de peilingen zonder rivaal bleef, verlieten heel wat mensen ondertussen de partij, terwijl vroegere leden en militanten van de PASOK, de oude sociaaldemocratische partij, lid werden van Syriza. Er kwam ook opnieuw toenadering met DIMAR, een partij die in 2010 ontstond uit een rechtse afsplitsing van Syriza. Tsipras begon ook deel te nemen aan de vergaderingen van de Europese sociaaldemocratie, naast François Hollande en Martin Schulz, beide voorstanders van een hard besparingsbeleid.

Dit artikel bekijkt hoe Syriza en de Griekse regering evolueerden sinds het dictaat van Brussel. Vervolgens vragen we ons af welke conclusies we uit de confrontatie tussen de Griekse regering en de Europese instellingen kunnen trekken voor Europese strijdbewegingen en politieke verandering.

Een nieuwe regering, een nieuw programma

In Athene zijn de zaken sinds het dictaat van Brussel sterk veranderd. Syriza, waarvan 43 van de 149 parlementsleden tegen het dictaat stemden, verloor (of ontdeed zich van) zijn meest linkse vleugel. Ook voormalig minister van Financiën Yannis Varoufakis verliet de regering. Ex-parlementsvoorzitster Zoé Kostantopoulou verliet Syriza, terwijl 25 vroegere Syriza parlements- of regeringsleden de nieuwe partij Volkse Eenheid vormden (Laïkí Enótita, LAE). In de parlementsverkiezingen van september 2015 bleef Syriza de grootste partij, maar ze verloor ook ongeveer 320.000 stemmen, vooral omdat de kiezers teleurgesteld thuisbleven. LAE, dat ook leden van radicaal antikapitalistische en trotskistische groepen binnenhaalde, haalde met slechts 93.000 stemmen de kiesdrempel niet. De Griekse communistische partij (KKE) bevestigde haar traditionele resultaat van januari 2015.

Met de nieuwe verkiezingen in september 2015 veranderde ook het programma van Syriza en van de regering. De verkiezingsoverwinning van Syriza op 25 januari 2015 was gebaseerd op de belofte komaf te maken met het besparingsbeleid. In september was het voornaamste argument anders: Syriza zou het nieuwe memorandum zo voordelig mogelijk uitvoeren. Volgens eerste minister Alexis Tsipras liet het ‘akkoord’ toch nog wat manoeuvreerruimte en die zou zo sociaal mogelijk ingevuld worden. Zonder Syriza zou het slechter worden. Het is inderdaad niet zo dat de spanningen tussen bijvoorbeeld het IMF en de Griekse regering geheel van de baan zijn. Een recent uitgelekt telefoongesprek tussen Poul Thomsen, hoofd van het Departement Europa en Delia Velculescu, missiehoofd in Griekenland voor het Fonds, suggereert dat ze nog steeds niet onverdeeld blij zijn met de koers die de Griekse regering vaart. Het IMF zou hopen op een ‘evenement’ (bankroet of regeringswissel?) om de gang van zake te vergemakkelijken.[2] Ondanks de capitulatie van Tsipras op 13 juli vertrouwt ook de Europese Unie de Griekse regering niet. Athene zou te schoorvoetend ‘hervormen’. Brussel wil nog sneller en meer privatiseren en sneller meer sociale rechten schrappen, maar het wil vooral vermijden dat ‘iets links’ opnieuw de kop opsteekt.

Om de zoveel tijd krijgt Griekenland een ‘rapport’. Heeft het niet precies gedaan wat de Europese Unie wil, dan wordt de geldtoevoer afgesloten. De privatiseringen van de Haven van Piraeus, de elektriciteitsvoorziening, de luchthavens of nog de spoorwegmaatschappij Trainose worden daarom allemaal nauwgezet doorgevoerd door de Griekse regering. Spanningen tussen de EU en de Griekse regering of tussen bijvoorbeeld TAIPED, het orgaan bevoegd voor de uitverkoop van Griekse staatsbezittingen, en de minister van Infrastructuur veranderen daar weinig aan.

Daarnaast kwam Syriza ook met een parallel programma, dat naast het memorandum zou worden doorgevoerd. Het gaat om een aantal maatregelen tegen onder meer armoede en corruptie, voor een betere werking van de Griekse staat. In het Grieks parlement hield de regering onlangs een bijzonder heftig debat over corruptiedossiers waarbij ook de voorzitter van de conservatieve Nea Demokratia betrokken zou zijn. Dat blijft natuurlijk wel een fundamenteel ander debat dan proberen besparingen te stoppen.

Het parallelle programma moet onder meer voor wat soelaas zorgen voor de allerarmsten door een gezondheidsverzekering te garanderen voor 2,5 miljoen Grieken die dergelijke verzekering niet hebben, gratis elektriciteit en water voor bepaalde gezinnen, net als gratis transport voor werklozen en warme maaltijden voor 200.000 leerlingen. Eind maart werd er in het parlement ook druk gedebatteerd over hoe de corruptie aanpakken in Griekenland, onder meer de banden tussen de media, de banken en het staatsapparaat. De regering hoopt ook de economie weer aan te zwengelen en wat meer personeel aan te kunnen nemen in het onderwijs en de gezondheidssector. Romaric Godin van de Franse financiële krant La Tribune ziet er ook een reactie in tegen de grote betogingen die het programma van de Griekse regering betwisten. Tsipras zou zijn parallel programma vooral gebruiken om te tonen dat hij toch een ander beleid voert dan zijn voorgangers.[3] Maar het ligt allemaal ver van een breuk met het besparingsbeleid. Integendeel, naast de 50 miljard privatiseringen die aan Griekenland worden opgelegd, zal dat besparingsbeleid sowieso nog veel vernietigender zijn dan tevoren.

Naast de privatisering van alles wat los of vast zit, eilanden inbegrepen, zijn ook de pensioenen een voorbeeld van het nieuwe programma van de regering. Hoewel Tsipras de pensioenen lang als een ‘rode lijn’ identificeerde, verhoogde de regering toch de wettelijke pensioenleeftijd van 65 naar 67, ontmoedigde de Syriza-ANEL-coalitie vervroegd pensioen en gingen pensioensbijdragen de hoogte in. In haar pensioenhervorming die midden januari 2016 werd voorgesteld, sneed de regering ook in de toekomstige en bijkomende pensioenen. Hoewel de regering-Tsipras aanvankelijk beweerde pensioenen onder de 1500 euro te willen beschermen, bevestigde deze hervorming dat het niet uitgesloten is dat ook op pensioenen boven de 1000 euro bespaard kan worden. Toch waren de Europese instellingen en het Internationaal Monetair Fonds nog niet tevreden. Zo wilde Tsipras hogere werkgeversbijdragen en weigerde de regering de nettobedragen van de huidige basispensioenen naar beneden te halen. Onaanvaardbaar vindt sociaaldemocratisch EU-commissaris Pierre Moscivici. Het IMF wil een onmiddellijke verlaging van de pensioenen boven de 1000 euro met 30 %. Dat ongeveer een kwart van de Griekse gepensioneerden een pensioen tussen de 1000 en 1500 euro per maand krijgt, en dat 60 % van de Griekse gepensioneerden het moet doen met minder dan 1000 euro per maand, kan hen niet schelen.

Een kwestie van strategie

Hoe rechtvaardigt de Griekse regering dat ze nu zo'n besparingsbeleid toepast? Waarom besliste Tsipras in juli 2015, amper een week na het referendum, dit overduidelijke anti-besparingssignaal van de Grieken naast zich neer te leggen? Waarom riep de Griekse regering de schitterende mobilisatie van de Griekse ‘nee-campagne’ een halt toe? Waarom koos de regering voor respect voor de Europese Unie, in plaats van in de maanden van lange, en uiteindelijk vruchteloze, onderhandelingen het bewustzijn over de verschrikkelijke chantage vanuit de Europese Unie te verdiepen? Of waarom nam Tsipras niet gewoon ontslag?

In de eerste commentaren na de aanvaarding van het Dictaat van Brussel door Alexis Tsipras waren ideeën als verraad nooit ver weg. Drie andere types verklaringen werden naar voren geschoven. Een eerste type verklaringen beweert dat er geen alternatief was voor de capitulatie in juli 2015. De Griekse regeringskoffers waren leeg, de banken dicht, en de economie stond stil. Dat klopt, maar de vraag blijft dan natuurlijk: waarom heeft de Griekse regering het zover laten komen? Waarom heeft ze gedurende de hele onderhandelingsperiode niet op een beter alternatief gewerkt, een zogenaamd ‘Plan B’? Waarom is ze trouw alles blijven terugbetalen terwijl ze geen euro meer kreeg van de Europese Unie, die ook alternatieve financieringsvoorstellen afblokte? Waarom legde Athene zichzelf zo langzaamaan de strop om de nek? Waarom beloofde de Griekse regering in februari 2015 geen ‘unilaterale maatregelen’ te nemen waardoor ze ieder drukkingsmiddel uit handen gaf? Dat zijn relevante vragen die ook al een aanzet geven voor mogelijke alternatieve strategieën.

Een tweede type antwoorden beweert dat Syriza nooit verandering heeft gewild, dat het altijd uit was op business-as-usual. Dit type antwoorden veronderstelt in feite dat er nooit tegenstellingen waren tussen de Griekse regering en de Europese instellingen. Dit is te kort door de bocht. Doen alsof alles op voorhand bepaald was en alsof het sluiten van de Griekse banken door de Europese instellingen puur theater was, is de werkelijkheid niet onder ogen willen zien. Hoewel Syriza’s voorloper, Synaspismos, zelfs het Verdrag van Maastricht aanvaardde waren er toch, zoals eerder opgemerkt, ook reële verschillen met de oude sociaaldemocratie. Eén van de meest opmerkelijke uitingen van deze verschillen was zonder twijfel de rol van die oude sociaaldemocratie, van Jeroen Dijsselbloem tot François Hollande en Martin Schulz, in de wurging van de Griekse regering tussen januari en juli 2015.

Dit tweede type antwoord houdt het risico in dat men blind blijft voor een aantal werkelijke verschuivingen in het programma van de partij. In 2012 beloofde Syriza een einde te maken aan het besparingsbeleid als eerste stap richting (uiteindelijk) van een democratisch socialisme, een systeemverandering dus. In 2014 verschoof de nadruk naar een onmiddellijk einde aan het besparingsbeleid. Hoewel Tsipras op het Centraal Comité van Syriza in juli 2015 nog wel sprak over sociale transformatie als strategisch doel, gaat het vandaag in de praktijk vooral om het zo goed en sociaal mogelijk implementeren van het Brussels Besparingsdictaat en het opbouwen van allianties met allerlei groepen in Europa, als manier om (uiteindelijk) een eind te maken aan het besparingsbeleid.

Concreet sprak Syriza in haar 40-punten programma uit 2012 nog over de nationalisering van de banken en een openbaar banksysteem onder controle van arbeiders en bedienden.[4] Dat verschoof in hun programma van Thessaliniki, een verkiezingsprogramma van 2014, naar het oprichten van een openbare ontwikkelingsbank. In 2012 wou Syriza, weliswaar geen vermogensbelasting, maar wel een hoge inkomensbelasting op hogere inkomens (75 % op inkomens boven de 500.000 euro), in 2014 ging het opeens vooral over het correct innen van bestaande belastingen. De partij sprak in 2012 ook over de hernationalisatie van vroegere overheidsbedrijven in bijvoorbeeld de dienstensector, de spoorwegen, de post, net als de nationalisatie van privéziekenhuizen en het afschaffen van privébijdragen. Twee jaar later, sprak men dan weer veel minder ambitieus, om elektriciteit te garanderen voor de armsten, net als de garantie van toegang tot gezondheidszorg, maar zonder die voor iedereen gratis te maken. Dit zijn geen details natuurlijk. Het is iets heel anders tegen ongelijkheid te strijden of enkel een levensminimum aan de allerarmsten te willen geven.[5]

In 2012 klonk het nog dat Syriza uit de NAVO wilde stappen en militaire samenwerking met Israël wou stopzetten. Vandaag gedraagt de regering zich als een trouwe bondgenoot van de NAVO en sloot ze het meest verregaande militaire samenwerkingsakkoord met Israël af van alle Europese landen. Tsipras zou zelfs gesproken hebben over Jeruzalem als de ‘historische hoofdstad’ van Israël, iets wat hij later ontkende. Israël, dat Oost-Jeruzalem illegaal bezet en langzaam poogt te zuiveren van alle Palestijnen, was wel in zijn nopjes met het bezoek. Sinds september 2014 waren er om evidente redenen nog nauwelijks formele wijzigingen in het Syriza-programma. De retoriek werd wel stapsgewijs afgezwakt. George Stathakis, die later minister van Economie zou worden, stelde zo net voor de verkiezingen de rijke reders nog gerust: Syriza zou hun belastingvrijstellingen niet aanpakken.[6]

Een derde type verklaringen komt van al dan niet voormalige Syriza-insiders en beweert dat 2012 het keerpunt was. Tijdens de verkiezingen van juni 2012 werd Syriza net niet de grootste partij. Volgens Stathis Kouvelakis, ex-lid van het Centraal Comité van Syriza, veranderde “vanaf de zomer van 2012 de stellingname inzake de euro in een constant toonbeeld van loyauteit”, terwijl voorheen de slogan “Geen enkel offer voor de euro” de leidraad was. Daarenboven vermeldt Kouvelakis, ging sinds midden 2012 “het type politieke praktijk dat Tsipras’ leiderschap verkoos, niet verder dan parlementarisme. Het was duidelijk dat Syriza de coalitie van [conservatief eerste minister] Samaras wou doen springen, maar enkel via parlementaire tactieken.”[7] Dimitris Belantis, ook een vroeger lid van het Central Comité gaat in dezelfde richting als hij zegt dat vanaf 2012 Syriza versneld vervelde tot een “sociaal-liberale” partij.[8] Een ander stichtend lid, Michalis Spourdalakis, ziet de oorsprong van deze evolutie dan weer in 2004.[9] De Britse analyst Kevin Ovenden, zelf auteur van een boek over Syriza, merkt op Facebook op dat dit soort theorieën meer vragen oproept dan ze antwoorden geven.[10] Zo kan men zich inderdaad afvragen, als Kouvelakis en Belantis gelijk hebben, waarom ze dan in die periode bij Syriza kwamen, of als linkse mensen al die jaren binnen de partij bleven?

Vanuit regeringsmiddens bestaan twee hoofdverklaringen voor de keuzes die Tsipras maakte. Een bepaalde vleugel van Syriza gelooft echt in de hervormingen die de partij aan het doorvoeren is. Tsipras’ partijgenoot Dimitrious Papadimoulis, vice-voorzitter van het Europees Parlement, is enthousiast over het beleid van de Griekse regering. Hij publiceerde in maart 2016 een lofzang op onder meer het pensioenbeleid van de Griekse regering onder de veelzeggende titel: “Het succes van de Griekse structurele hervormingen.”[11]

Anderen, zoals Tsipras zelf, bekijken de keuze als een strategische. In de Griekse krant Efimerìda ton syndaktòn vertelt Tsipras eind 2015 wat voor hem het doel is van een linkse regering: “Links beleid wil zeggen strijden om de pensioenen te beschermen, de zwaksten te verdedigen, voor het recht op arbeid, om rechtvaardigheid en democratie te herstellen.”[12] Het ultieme doel is een einde stellen aan het blinde besparingsbeleid. Hoe dat bereikt moet worden? Voor hem is het duidelijk dat “noch een blinde botsing, noch een terugkeer naar de oppositie, noch zich vrijwillig terugtrekken uit de regering(sverantwoordelijkheden), een linkse strategie is. Integendeel, een linkse strategie is diegene die op ieder punt en ieder specifiek aspect de sociale samenhang verdedigt.” Die sociale samenhang wordt dan best verdedigd door herverdeling en progressieve allianties met regeringen en bewegingen in Europa. Daarom zou het dus vooral belangrijk zijn dat Syriza in de regering, tegenwoordig misschien wel het voornaamste machtsbastion van de partij, blijft.

Prioriteit aan de verkiezingsoverwinning

Opmerkelijk is niet enkel de snelheid van Syriza’s evolutie inzake doelstellingen, maar ook vooral haar ijzeren wil om de strijd binnen de, zij het de Europese, zij het de Griekse, staatsinstellingen te voeren. Die strategie heeft onderscheiden dimensies, maar ze begint met het geven van prioriteit aan de strijd om de verkiezingen te winnen. Naarmate Syriza dichter bij de macht kwam, paste de partij haar programma aan. Dit maakte het programma verteerbaarder voor velen die nooit links stemden. Bedoeling was de verkiezingen te winnen, en zo de strijd van ‘de zijlijn’ naar het terrein van de staat, begrepen als de verkozen instellingen, te verschuiven. De staatsinstellingen ten goede gebruiken, daar gaat het om. De organisationele uitbouw van de partij komt op de tweede plaats. Op haar hoogtepunt bereikt de partij grofweg 35.000 leden, nog geen tiende van het ledenaantal van Nea Demokratia. Noch de organisatie, noch de capaciteit van de partij om het volk te mobiliseren, volgen haar electorale opgang.

Het klopt echter, zo merkt Syriza al snel, dat regeren niet betekent aan de macht zijn. Tegenover Syriza’s verkiezingsoverwinning was de continuïteit en relatieve eenheid binnen de Griekse staat opmerkelijk. Toenmalig minister van Financiën Yannis Varoufakis stelde vast dat de software op zijn ministerie niet gecontroleerd werd door hem, maar door de Europese instellingen in Brussel. Daarenboven werkten vele ambtenaren tegen, door bijvoorbeeld cruciale informatie te lekken aan de Europese onderhandelaars of beleidsbeslissingen tegen te houden. Ook de anti-oproerpolitie is geïnfiltreerd door extreem-rechts en de militaire inlichtingendiensten lijken weinig trouw aan de regering. De Britse journalist Paul Mason interpreteert de obstructie binnen het staatsapparaat als volgt: “Eens aan de macht, is Syriza achter het onvoorstelbare geheim van de Griekse staat gekomen. Zonder oligarchen is ze gewoon niet efficiënt. De oude partijen waren zo diep in het cliëntelisme geworteld dat ze nauwelijks behoefte hadden aan een burgerlijk bestuur.”[13] Met andere woorden, ook de Griekse staat dient heel specifieke belangen en functioneert ook enkel voor die belangen.

Naast de officiële staatsstructuren beschikt het Griekse establishment ook over the deep state, een soort van parallel politiek netwerk dat de verantwoordelijken van bijvoorbeeld traditionele politieke partijen, veiligheidsdiensten, grote bedrijven, het leger, universiteiten, de media of overheidsinstellingen verenigt. De uitdrukking diepe staat heeft in Griekenland en Turkije iets samenzweerderigs. Dat heeft te maken met de specifieke politieke geschiedenis van die landen. In Italië heeft de loge Propaganda Due (P2) decennialang die rol gespeeld. Zowel Berlusconi als Italiaanse socialisten, maar ook krantenredacteurs, mediapersoonlijkheden, hoge legerofficieren, de verantwoordelijken van de inlichtingendiensten waren ervan lid. Maar men moet niet noodzakelijkerwijs aan grote complottheorieën denken. Sociologen als Charles Wright Mills, Ralph Miliband of Pierre Bourdieu wezen al op de onderlinge cohesie van de elite die naar dezelfde scholen gaat, dezelfde salons bezoekt en dezelfde belangen verdedigt. Hoewel ze soms een bijzondere institutionele uitdrukking krijgt, is hun dominantie altijd aanwezig. Die dominantie is geen gevolg van de samenzwering, die slechts in heel specifieke gevallen opduikt en vooral dient om coördinatie te vergemakkelijken. De diepe staat moet verhinderen dat fundamenteel aan de belangen van de elite geraakt wordt in situaties van ‘grote nood’. Hoe formeel of informeel zo’n type diepe staat georganiseerd is en hoe discreet (of niet) ze handelt, hangt af in grote mate af van de historische ontwikkeling van het land, en bijvoorbeeld de sterkte van de eigen bourgeoisie en haar staatssysteem.

Waren er alternatieven?

De zwakte van de partij en de beperkte controle over het staatsapparaat betekenen niet dat de Griekse regering geen middelen had tegenover de Europese chantage. Ten eerste is het, binnen de onderhandelingen met de Europese Unie, vanzelfsprekend om, zoals Varoufakis dat voorstelde, een zogenaamd Plan B uit te werken als je gaat onderhandelen. Dat wil zeggen dat je een hefboom hebt, indien je tegenpartij niet over de brug komt. Dat de Griekse regering zo’n plan niet uitwerkte is bijzonder verbazingwekkend. Terwijl de economist Costas Lapavitsas pleit voor een snelle eenzijdige uitstap uit de euro, kan zo’n Plan B volgens Michel Husson, twee dimensies hebben. Enerzijds, weigeren nog langer de Europese regels te respecteren, door bijvoorbeeld het opschorten van de terugbetaling van de schulden, het invoeren van kapitaalcontroles. Men kan ook denken aan het nationaliseren van de banken of, inderdaad, een uitstap uit de euro. Anderzijds, kan men natuurlijk niet anders dan de link maken met fundamentele verandering op het Europese continent, ook om de solidariteit van andere bevolkingen en strijdbewegingen te stimuleren.[14] Makkelijk zou dat niet geweest zijn, en een rechtstreekse harde interventie van de Europese Unie kon in zo’n geval evenmin uitgesloten worden. Maar het is duidelijk dat dat de hele dynamiek in juli 2015 zou veranderd hebben. In juli zou Tsipras ook ontslag hebben kunnen nemen, om van buitenaf het verzet tegen het besparingsbeleid te leiden.

Syriza overweegt echter nooit zo’n Plan B, zo’n breuk, noch met de Europese Unie, noch met de NAVO. Eén van de veel gehoorde argumenten om niet naar zo’n breuk toe te werken, is dat de bevolking er niet klaar voor is. De bevolking, wordt steeds herhaald, wil geen breuk met de Europese Unie of met de euro. Volgens opiniepeilingen klopt dat, maar de bevolking wil ook geen besparingsbeleid. Een dergelijke situatie geeft de mogelijkheid om naar een groter radicalisme te streven, schreef de marxistische socioloog Miliband al eind jaren zestig: “Er is, ten slotte, veel dat een echt radicale regering, beginselvast en met een substantiële steun van de bevolking, mag hopen te doen net na een verkiezingsoverwinning, niet ondanks de crisissituatie, maar omwille ervan. En door zo te handelen, krijgt ze waarschijnlijk ook de steun van velen die tot dan toe ongeëngageerd of half-geëngageerd waren, maar een resolute leiding willen accepteren.”[15]

Intern valt het ook op dat Syriza niet frontaal tegen de Griekse diepe staat in gaat. Ook dat zou immers een mogelijke breuk hebben kunnen veroorzaken. Cruciale ministeries van Defensie en Politie gaan in januari 2015 naar de rechts-chauvinistische ANEL-partij. Dit kan te maken gehad hebben met toegevingen tijdens de coalitiegesprekken met ANEL, maar stelde de repressieve staatsinstellingen onmiddellijk gerust. Ze hadden weinig te vrezen, welke diepgaande hervorming er ook zou komen, deze ministeries leken er onmiddellijk van vrijgesteld.[16] Die tendens tot geruststellen van het establishment was iets wat Miliband ook opmerkte bij sociaaldemocratische partijen, die als het ware hun salonfähigkeit tegenover het establishment wilden bewijzen.[17] Ook de benoeming van de gematigde Nikos Koutzias op Buitenlandse Zaken stuurde een signaal naar het NAVO-apparaat: er zou geen breuk komen. Kouvelakis beweert die tendens reeds vanaf 2013 te zien: “De (partij)leiding met Tsipras begon ook bruggen te bouwen met mensen in kerninstellingen van de staat – militaire en diplomatieke kringen – en hun loyauteit aan de basisprincipes van de Griekse staat te duiden.”[18] Meer dan een persoonlijke agenda van een ‘foute’ leider, zoals Kouvelakis ook dit lijkt uit te leggen, lijken de bezoekjes van Tsipras aan allerlei instituten en internationale meetings een uitdrukking van een diepere tendens binnen Syriza zelf te zijn geweest.

Naar een breuk met welke machtsbasis?

Dat Syriza niet op zo’n breuk aanstuurt heeft veel te maken met hun strategische visie, waarin de idee van graduele vooruitgang binnen de instellingen zelf een doorslaggevende rol speelt. Minstens even belangrijk lijkt de prioriteit die werd gegeven aan verkiezingswinst tegenover de opbouw van een georganiseerde partij die zelf mobiliseert. Zo legt men al zijn eieren in dezelfde (staats-)mand en wordt in de regering blijven zeer belangrijk.

Zonder volksmobilisatie had Syriza, buiten de beperkte invloed op bestaande staatsinstellingen, weinig machtsbasis om tegen de georganiseerde instellingen in te gaan. Medewerkers van de pro-Syriza krant To Avgi klaagden in mei 2015 dat ze de meerderheid van de kiezers van Syriza niet eens konden bereiken, buiten het staatsapparaat om. Dat was voor de bourgeoisie, die banken, media en hele overheidsdiensten in handen had, wel wat anders.

Niet alleen wordt er niet gewerkt aan een Plan B, er wordt ook nauwelijks gewerkt aan volksmobilisatie. Terwijl enerzijds de partij te zwak bleef om dat echt te doen, werd anderzijds ook de staatsinvloed weinig gebruikt – behalve tijdens de korte periode rond het referendum – om dergelijke mobilisatie echt op te zetten. De Griekse regering lekt relatief weinig documenten van de Europese onderhandelaars. Dat soort documenten, dat vaak verschrikkelijk asociale voorstellen op papier zet, zou nochtans de woede van de bevolking tegen de Unie kunnen stimuleren. Maar de Griekse regering respecteert, meer dan de Europese instellingen zelf, de geplogenheden van de instellingen. Wie weet ziet de leiding van Syriza het ook niet als haar taak om die mobilisatie te stimuleren? Toen in februari 2015 spontane steunmanifestaties plaats hadden, waren Syriza-militanten heel trots. Ze legden wel uit dat deze betogingen via sociale media georganiseerd werden, zonder een centrale rol voor de partij. Nochtans waren Syriza-militanten al jaren actief in basismobilisaties van de Griekse indignados.

Door volksmobilisatie te verwaarlozen en braaf alle regels van de instellingen te respecteren, legt de regering zich zo tegenover de Europese Unie zelf de strop om de nek, tegenover de NAVO breidt het de Griekse militaire engagementen uit. Nochtans was volksmobilisatie geen onmogelijke opdracht, zoals het referendum toonde. Eén van de redenen van het verkiezingssucces van de partij was net haar band met deze pleinbezettende indignados, die zich op een gegeven moment als bondgenoten begonnen te zien van het vakbondsverzet, toonde trouwens de kracht van de beweging aan.[19] De strijdvaardigheid onder de Griekse bevolking was en blijft groot. Minder dan zes maanden na het Dictaat van Brussel laaide de sociale strijd weer volop op in heel Griekenland. Dat is geen detail. Vanaf het tweede memorandum, dat in 2012 getekend werd, had de sociale strijd langzaam snelheid verloren, nadat er sinds 2010 meer dan 30 algemene stakingen waren geweest. Op 4 februari 2016 legden de twee grote Griekse vakbondsfederaties ADEDY en GSEE het land echter weer plat. Ook het linkse vakbondsfront PAME, dat een sterke band heeft met de KKE, mobiliseerde mee. De vakbonden protesteerden daarmee tegen de privatiseringen en besparingen die de Griekse regering uitvoert en tegen de onaanvaardbare pensioenhervorming. Het weekend erop gingen de matrozen in staking. En nadat de boeren snelwegen en grensposten blokkeerden tegen de pensioenhervorming, legden ook de journalisten op woensdag 3 februari het werk neer. De week erna kwam er dan een traktormars op Athene.

De heropleving van het sociaal verzet is op zich geen verrassing. Ze bevestigt wat de campagne in de aanloop naar het referendum reeds aantoonde: de Grieken zullen zich blijven verzetten tegen het Europese dictaat. Het maakt de evolutie van Syriza wel des te opmerkelijker. Zoals de volksmobilisatie tijdens het juli referendum ook al toonde, was er binnen Griekenland immers wel degelijk animo om de strijd aan te gaan.

De onvermijdelijk Europese dimensie

De Griekse crisis toonde echter tezelfdertijd dat – onafhankelijk van welke strategie er nationaal gevoerd wordt – een Europees sociaal verzet tegen de Europese superstaat nodig is. Wat er in Griekenland gebeurde was een Europese kwestie. Een Europese suprastaat gebruikte al haar macht om de hoop van een volk op verandering, de kop in te drukken. Men kan belangrijke bedenkingen hebben bij de Griekse regering en kritiek is nodig. Maar onafhankelijk van haar strategie en de reikwijdte van haar doelstellingen is één van de objectieve problemen waarmee geconfronteerd werd, het gebrek aan een sociale beweging. Niet enkel in het eigen land omwille van eerder vermelde redenen, maar ook op Europees vlak. Dat is vandaag een probleem waar ook andere regeringen, onafhankelijk hun strategische uitgangspunten en doelen, niet omheen kunnen. Wat gisteren de Grieken of de Chyprioten overkwam, kan morgen de Portugezen, Ieren of waarom niet Belgen overkomen.

De hoop van Tsipras om tegenstellingen binnen het Europese staatsapparaat uit te spelen bleek ijdel. Kevin Ovenden stelt dat nogal ondubbelzinnig vast op het niveau van de Europese Unie: “De Europese bureaucratieën waren geen lege speelterreinen voor de interactie van ‘getransfigureerde klassenkrachten’ of een andere barokke theoretische fantasie. Ze bleken monolithisch in de oorlog om Syriza af te botten en te temmen.”[20] Niet omdat deze tegenstellingen niet bestaan, wel omdat het mogelijke revolutionaire gevoel, waar Donald Tusk het later over zou hebben, moest ingedijkt worden. Wat dat betreft was de eenheid van de bourgeoisie en de bestaande instellingen onovertroffen, net als de daaropvolgende voorstellen zoals bijvoorbeeld het rapport van de 5 voorzitters om die Unie nog te versterken. Dat Griekenland slechts het kleine Griekenland was, vergemakkelijkte de taak voor Brussel natuurlijk. Zo volstond naar verluidt één telefoontje van Duitsland naar China om een einde te maken aan een poging van de Griekse regering om in Peking alternatieve financieringen te vinden.[21] Tegenover een verenigde Europese superstaat kan de meest radicale beweging in één klein land weliswaar een vonk vormen voor verandering, maar dergelijke verandering kan er tezelfdertijd enkel komen op grotere schaal.

Vanuit politiek standpunt vormt deze Unie een kapitalistisch Europa, voornamelijk bedacht door de patroonsorganisaties en de traditionele Europese politieke partijen die allemaal dezelfde taal spreken: die van de concurrentiekracht tegenover de andere economische machten en de opkomende landen. Deze Europese Unie is, zichtbaarder nog dan de nationale staten, opgevat als een oorlogsmachine tegen de eigen arbeidersklasse.

Daar is een reden voor. In zekere zin kopieerde het Europese staatsapparaat een voordeel dat de bourgeoisie in het begin verkreeg bij de initiële opbouw van het staatsapparaat van de Verenigde Staten. Net als bij de constructie van dat Noord-Amerikaanse staatsapparaat, blijft de EU één van de enige voorbeelden waar business de macht niet diende te delen met een ingebedde aristocratie, en in eerste instantie de opkomst van een sterke georganiseerde en eengemaakte arbeidersbeweging vermeed.[22] Als, begin jaren tachtig duidelijk wordt dat de opbouw van nieuwe Europese instellingen politiek vast zit, brengt Pehr Gyllenhammar, voorzitter van Volvo, 2 collega’s samen. Het gaat om Umberto Agnelli, van de FIAT familie, en de Nederlander Wisse Dekker, de verantwoordelijke van Philips. Samen stichten ze de ronde Tafel van de Europese Industriëlen (ERT). Op de eerste vergadering zijn naast 14 andere bedrijfsleiders, ook de Fransman François-Xavier Ortoli en de Belg Étienne Davignon aanwezig. Zij vertegenwoordigen de Europese Commissie. De bedoeling? De Europese constructie nieuw leven in blazen. Gyllenhammar maakt zich zorgen. Net als andere vertegenwoordigers van het Europees grootkapitaal wil hij de productie rationaliseren en zonder kosten meer dan 300 miljoen klanten bevoorraden. Verder wil men een politieke instantie die in staat is de Europese multinationals te steunen, vooral op het terrein van het onderzoek en van het vastleggen van technische normen. Een grote binnenmarkt met lage lonen, lage sociale lasten en flexibele werkkrachten waren doelstellingen die hen verenigden en die voor allen nodig waren om de concurrentiestrijd op wereldvlak aan te gaan.

Deze Europese grootbourgeoisie is geen minderheid. In de meeste sectoren zijn het vandaag de grootste bedrijven die zich groeperen in de schoot van de ERT. Globaal gezien zijn de bedrijven van de ERT goed voor 55 % van de omzet van de grote Europese industriebedrijven en 48 % van de tewerkstelling. Voor sommige sectoren liggen de ramingen nog hoger: 90 % in de petroleumsector, 70 % de agroalimentaire industrie, 77 % de elektronica, 100 % in het glasindustrie.[23] Hierdoor stellen de zaken zich soms duidelijker op EU-vlak.

Het Europees Parlement is zowat de enige instelling met een zekere democratische legitimiteit. Maar de bourgeoisie heeft ervoor gezorgd dat dat parlement, meer nog dan de nationale parlementen, een tandeloze tijger is. De bevoegdheden zijn beperkt. Het parlement kan zelfs geen wetgevend initiatief nemen. Dat ligt enkel en alleen bij de niet-verkozen Europese Commissie. Het verdrag van Lissabon breidde de parlementaire bevoegdheden weliswaar uit, maar ondertussen kwam er ook minder tijd voor fundamenteel politiek werk. Daarenboven zijn alle instellingen, van commissie tot parlement dermate georganiseerd dat ze lobbyisten zoveel mogelijk toegang garanderen.[24] Recent voorgestelde hervormingen, als het “Better Regulation Package” van de Europese Commissie geven aan één man of vrouw, de vicevoorzitter van de Commissie, zelfs de macht om ieder wetgevend voorstel zonder enig debat verticaal te klasseren. En dan hebben we het nog niet gehad over het gebrek aan transparantie van het parlementaire werk. Olivier Winants, juridisch adviseur bij de linkse GUE/NGL groep vat samen: “Wanneer een parlement enkel aan achterkamerpolitiek doet om zo elke publieke openbaarheid en politieke toerekenbaarheid van haar beslissingen te ontwijken, dan is het parlement een gefaald instituut, een tandeloze tijger die enkel af en toe wat met wat holle woorden dreigt maar nooit tot actie overgaat.”[25] Dat is geen toeval, maar een rechtstreeks gevolg van hoe deze Europese superstaat werd opgebouwd.

Ook in Brussel dienen de Europese instellingen om het ‘algemeen belang’ van de burgerij, te organiseren. Lobby’s van bepaalde sectoren, federaties of bedrijven proberen die definiëring van het ‘algemeen belang’ te beïnvloeden. Uiteraard bestaan er tegenstellingen binnen de bourgeoisie op Europese schaal. Die tegenstellingen kunnen ook een nationale basis hebben. Denk bijvoorbeeld aan de concurrerende projecten voor investeringen in de Noord-Afrikaanse energiesector, aan de tegenstellingen over de toekomst van de kernindustrie tussen Frankrijk en Duitsland. Op andere momenten hebben dergelijke tegenstellingen helemaal geen nationale basis. Binnen de Griekse elite leek er een bepaald verschillende initiële houding tegenover de Syriza-Anel regering tussen de reders enerzijds en die van bepaalde takken van het industriële kapitaal anderzijds. Zoals binnen nationale staten heb je ook binnen de EU-leidende burgerijen. Vandaag maakt de Duitse burgerij daarvan het leeuwendeel uit.

Maar dit soort tegenstellingen doen niets af aan het feit dat tot nu iedere crisis geleid heeft tot een versterking van het Europese staatsapparaat. Wanneer een land van de lijn afweek werden zelfs wurgmiddelen gebruikt (Cyprus, Griekenland) of niet-verkozen technocraten geïnstalleerd (Italië, Griekenland). De bourgeoisie wil haar nieuwe speeltje niet kwijt en zal ervoor vechten.

Men mag dus niet de fout maken het politieke de facto los te koppelen van de productieverhoudingen en de limieten die op die politieke actie wegen. Het lijkt duidelijk dat een ‘sociale en democratische Europese Unie’ scheppen die kapitalistisch zou blijven onmogelijk is, net als België nooit democratisch en sociaal kan zijn zolang de grote kapitalistische groepen hun wetten aan de hele maatschappij opleggen. Om dat te veranderen moeten we de maatschappij veranderen en het type instellingen van de Europese Unie zelf in vraag stellen.

Naar een Europese sociale beweging

De relatieve zwakte van de solidariteitsbeweging met het Griekse verzet tegen de Europese staat illustreerde opnieuw de noodzaak hiervan. De sociale bewegingen hebben een objectieve achterstand tegenover de monopolies. Het is daarom noodzakelijk om na te denken op het niveau van het continent, zoals de partijen van het kapitaal al lang doen. De crisis en de besparingsmaatregelen van de EU brengen in heel Europa sociale bewegingen op gang voor een ander beleid, voor een betere toekomst. Maar die staan nog te vaak alleen in hun verzet, in verspreide slagorde, terwijl hun tegenstanders spreken met één stem.

Een groot aantal partijen, organisaties en bewegingen die in Europa samen sociale en democratische campagnes voeren en van buiten uit op de Europese suprastaat wegen kan hierin verandering brengen. Eerder dan de hoop versterken dat deze EU kan worden hervormd en uitgebouwd tot een sociale en progressieve kracht, toont de Griekse crisis dat de werkende klassen sociale bewegingen nodig hebben die samen en verenigd machtsverhoudingen opbouwen en Europese doorbraken tot stand brengen.

Op geen enkel terrein kunnen verworvenheden duurzaam zijn zolang multinationals en kapitalistische monopolies de macht hebben. Dat is echter geen reden om aan de kant te gaan staan. Een grote mobilisatie in Griekenland zou de regering kunnen hebben helpen radicaliseren. Dergelijke dynamiek zagen we onder meer op 5 mei 2010, waar de basis van de Griekse vakbonden hun weinig radicale leiders tot algemene staking dwongen. De Europese solidariteitsbeweging met Griekenland was belangrijk. Het kon de Griekse regering niet alleen meer ademruimte geven en op Europees vlak een beweging uitbouwen tegen de Unie. Op Europees vlak zijn er ook de historische positieve ervaringen van de dokwerkers, die tot tweemaal toe een Havenrichtlijn van de Europese Commissie weg mobiliseerden.[26] En staat er zowel rond gezondheidszorg, openbare diensten en het Trans-Atlantisch verdrag wel het een en ander op til. Het is nu tijd om de verschillende strijdbewegingen en ervaringen te helpen samenvloeien in een grotere beweging voor maatschappelijke verandering. De aanzet is gegeven rondom Griekenland, maar een aanzet maakt nog geen schilderij.


 

[1]    M. Botenga, “Griekenland: van de machtsstrijd tot het Dictaat van Brussel”, Marxistische Studies, nr. 111.

[2]    AFP, “Wikileaks publie un document sur les négociations entre la Grèce et ses créanciers”, 2 februari 2016.

[3]    R. Godin, “Grèce: Alexis Tsipras va faire adopter son ‘programme anti-austérité’”, La Tribune, 20 februari 2016. Zie: http://www.latribune.fr/economie/union-europeenne/grece-alexis-tsipras-v....

[4]    Syriza’s 40-point programme, 27 mei 2012. Zie: http://links.org.au/node/2888.

[5]    D. Zamora, “Is kritiek op Foucault geoorloofd?”, Marxistische Studies, nr. 109, maart 2015. Zie:  http://www.marx.be/nl/content/kritiek-op-foucault-geoorloofd.

[6]    “Stathakis to powerful shipping community: ‘There will be no surprises’”, The Press Project, 23 januari 2015. Zie: http://www.thepressproject.gr/details_en.php?aid=71894.

[7]    S. Kouvelakis, “Syriza’s Rise and Fall”, New Left Review, nr. 97, januari-februari 2016.

[8]    D. Belantis, “Για την αναγκαία «αποσυριζοποίηση» της Αριστεράς σήμερα. Μέρος πρώτο: η περίπτωση του Αριστερού Ρεύματο”, RedNoteBook, 17 maart 2016. Zie: http://rednotebook.gr/2016/03/gia-tin-anagkea-aposirizopiisi-tis-arister....

[9]    M. Spourdalakis, “Rekindling Hope: SYRIZA’s Challenges and Prospects”, The Bullet, nr. 1213, 27 januari 2016.

[10]  K. Ovenden, “The beginnings of honest accounting”, Facebook, 27 maart 2015. Zie: https://www.facebook.com/kevin.ovenden/posts/10156638661595468.

[11]  D. Papadimoulis, “The Success of Greek Structural Reforms”, The Project Syndicate, 23 maart 2015. Zie: https://www.project-syndicate.org/commentary/syriza-greek-reforms-succes....

[12]  T. Andreadis Synghellakis, “Tsipras: Vi spiego cos’è oggi una sinistra europea”, Il Manifesto, 31 december 2015.

[13]  Paul Mason, “Greece in chaos: will Syriza’s last desperate gamble pay off?”, The Guardian, 29 juni 2015. Zie: http://www.theguardian.com/world/2015/jun/29/greece-chaos-syriza-gamble-....

[14]  M. Husson, “Europe. Plan B: de la pensée binaire, ou comment faire du surplace”, Alencontre, 23 februari 2016. Zie: http://alencontre.org/europe/europe-plan-b-de-la-pensee-binaire-ou-comme....

[15]  R. Miliband, The State in Capitalist Society, Merlin Press, Londen, 2009 (1969), p. 73.

[16]  K. Ovenden, Syriza: Inside the Labyrinth, NLB-Pluto Press, Londen, 2015, p. 117-130.

[17]  R. Miliband, The State in Capitalist Society, Merlin Press, Londen, 2009 (1969), p. 72-73.

[18]  S. Kouvelakis, “Syriza’s Rise and Fall”, New Left Review, nr. 97, januari-februari 2016.

[19]  S. Coppieters, “Peter Mertens in gesprek met Kevin Ovenden: ‘We moeten durven te zeggen dat we tegen die ondemocratische kliek eurotechnocraten zijn’”, Solidair, 2 april 2016.

[20]  K. Ovenden, Syriza: Inside the Labyrinth, NLB-Pluto Press, Londen, 2015, p. 138-139.

[21]  Euractiv, “Varoufakis: China was ready to support Greece, but Berlin killed the deal”, 20 januari 2016. Zie: http://www.euractiv.com/section/euro-finance/news/varoufakis-china-was-r....

[22]  R. Miliband, “State Power and Class Interests”, New Left Review I/138, maart-april 1983, p. 61.

[23]  H. Houben, “Europa stapsgewijs: de Europese staat als eindpunt?”, Marxistische Studies, nr. 57, 2002.

[24]  S. Laurens, Les courtiers du capialisme, Agone, Marseille, 2015, p. 93-95.

[25]  O. Winants, “Het Europees Parlement als een tandeloze tijger”, Mo* Magazine, 29 oktober 2015. Zie: http://www.mo.be/opinie/het-europese-parlement-als-gefaald-instrument.

[26]  A. Decoene, “La libéralisation des services portuaires et la grève des dockers”, Courrier hebdomadaire, nr. 1966-1967, 2007.