Over de politieke actie van de arbeidersklasse

Friedrich Engels, Karl Marx

“Het is absoluut onmogelijk om zich van politieke zaken te onthouden. Zelfs de kranten die niet aan politiek doen, laten de kans niet liggen om de regering aan te vallen en zich dus in de politiek te mengen. Het gaat dus maar om één zaak, weten welke politiek men volgt en met welke middelen? Overigens voor ons, is onthouding onmogelijk. De arbeiderspartij bestaat al als politieke partij in de meeste landen. Het is zeker niet aan ons om haar te vernietigen door op te komen voor onthouding. De praktijk van het reële leven en de politieke onderdrukking die de bestaande regeringen de arbeiders opleggen voor politieke zowel als sociale doeleinden, verplichten de arbeiders aan politiek te doen, of zij dat willen of niet. Hun onthouding in politieke zaken voorhouden, zou er op neer komen hen in de armen van de burgerlijke politiek te duwen. Na de Commune van Parijs, die de politieke actie van het proletariaat op de dagorde heeft geplaatst, is de politieke onthouding, meer dan ooit, volledig onmogelijk.

Wij willen de klassen afschaffen. Met welk middel zullen we daarin slagen? Door de politieke macht van het proletariaat. Maar nu dat iedereen met dit punt akkoord gaat, vraagt men ons om ons niet aan de politiek deel te nemen. Alle niet-stemmers noemen zich revolutionairen, en zelfs revolutionairen bij uitstek. Maar is de revolutie niet de hoogste daad op politiek gebied? Maar wie het doel wil moet ook de middelen willen: de politieke actie die de revolutie voorbereidt, voedt de arbeider op en, zonder haar, zal het proletariaat altijd gefrustreerd worden en de dag na het gevecht door de Favres en Pyats bedrogen worden.

De politiek die men moet voeren moet nochtans de politiek van het proletariaat zijn: de arbeiderspartij moet geen aanhangsel zijn van om het even welke burgerlijke partij, maar moet zich altijd als autonome partij opstellen met haar eigen politiek en haar eigen doel nastreven.

De politieke vrijheden, het recht van vergadering en vereniging, de persvrijheid: dat zijn onze wapens. En wij zouden er moeten mee instemmen om deze wapens slechts beperkt te gebruiken op het moment dat men probeert ons ervan te beroven?

Men beweert dat elke politieke actie betekent dat men de bestaande orde erkent. Maar als wat bestaat ons de middelen geeft om tegen de bestaande toestand te protesteren, dan is het gebruik van deze middelen geen erkenning van de heersende orde. (...)

Men moet niet geloven dat het van een gering belang is om arbeiders in de Parlementen te hebben. Als men hun stem verstikt, zoals dat het geval is voor De Potter en Castiau, of als men ze uitsluit zoals Manuel, dan hebben deze onwrikbaarheid en deze onverdraagzaamheid een diepgaande invloed op de massa’s. Als zij integendeel, zoals Bebel en Liebknecht, kunnen spreken van op deze tribune, dan hoort heel de wereld hen. In beide gevallen is dat een grote publiciteit voor onze principes. (…)

Wij moeten de regeringen verklaren: wij weten dat u de gewapende macht tegen de proletariërs bent. Wij zullen vreedzaam tegen u optreden daar waar wij dat kunnen, en met de wapens wanneer dat noodzakelijk zal zijn.”

 (F. Engels en K. Marx, « Sur l'action politique de la classe ouvrière », 1871, in Le parti de classe, deel 3, François Maspéro, 1973. http://marxists.catbull.com/francais/marx/works/00/parti/kmpc073.htm)