Over fictief kapitaal

Auteur: 
Henri Houben

Het fictief kapitaal[1]. Sinds het begin van de financiële crisis (subprimes, uiteenspatten van speculatiezeepbellen enz.) is deze notie ons blijven achtervolgen. En waarop het slaat, feitelijk en theoretisch, daar moeten we het dan ook nog over eens worden. Laat ons proberen het te begrijpen.

       Stellen dat de wereldeconomie doordrenkt is van het geldwezen, dat haar volledig domineert, is nog zwak uitgedrukt. Financiële globalisering, Planeet Financiën, financialisering, systeem van accumulatie met financieel karakter … termen genoeg om het fenomeen te benoemen.

       De cijfers leveren het bewijs, dit is een realiteit waar niemand meer naast kan kijken. Zo schat men de totale voorraad financieel kapitaal (aandelen, privéobligaties, overheidsschulden, bankactiva en goudreserves) in 2013 op een slordige 270.000 miljard dollar (246.000 miljard euro) of bijna viermaal het totale bruto binnenlands product van alle landen ter wereld samen (ook wel wereld bbp genoemd). Dat is vier keer de som van de totale geldwaarde van alle geproduceerde goederen en diensten.[2] Op de laatste genoteerde datum, in april 2013[3], stond de teller van de dagelijkse deviezenhandel op 5.345 miljard dollars (op jaarbasis ongeveer 1.283.000 miljard dollar of 1.170.000 miljard euro). Ter vergelijking, datzelfde jaar, eind 2013, bedroeg de internationale goederenhandel 18.800 miljard dollar (17.100 miljard euro) en de internationale verhandeling van diensten 4.600 miljard (4.195 miljard euro).[4] Minder dan 2 procent van de geldtransacties. Waarvoor dienen de overige 98 procent anders dan voor internationale bankleningen of voor speculatieve activiteiten op die deviezen zelf?

       De sommen die in het geding zijn bij de ‘afgeleide producten’ – die waardepapieren die circuleren om een eventuele stijging of daling van onderliggende activa zoals aandelen, obligaties, valuta, indexcijfers enz. in te schatten – haalden eind 2014 een totaal van 629.000 miljard dollar (574 miljard euro).[5] Omdat het bruto binnenlands product op wereldschaal (wereld bbp) op datzelfde tijdstip nauwelijks 77.000 miljard dollar bedroeg[6] (70.000 miljard euro), zou de instorting van de derivatenmarkt acht jaar creatie van handelsrijkdom compleet in rook kunnen doen opgaan.

       Zes maatschappijen (Visa, MasterCard, American Express, Discover, JCB en Diners Club) leverden eind 2012 voor 3,5 miljard aan kredietkaarten af, goed voor de betaling van bijna 8.000 miljard dollar.[7] De twee eerstgenoemde stonden samen zelfs in voor 93 % van het aantal kaarten, tegelijk ook goed voor 85 % van de betalingen. Tussen 2000 en 2006 werd 63,6 miljard dollar gestort aan 160.000 New Yorkse traders, onder de vorm van lonen, bonussen en diverse voordelen.[8] Evenveel als het bbp van een land als Birma (Myanmar) met een bevolking van meer dan 50 miljoen mensen in 2014. Dergelijke veelzeggende voorbeelden zijn legio.

De realiteit van het fictieve

Cédric Durand, economist en lector aan de Universiteit Paris-13[9], ondernam in zijn jongste boek[10] een poging om dit fenomeen te illustreren en te analyseren met de notie van ‘fictief kapitaal’. We vinden dit concept zowel terug bij de ultraliberale Friedrich von Hayek als bij Karl Marx. Die twee visies staan weliswaar bijzonder ver van elkaar af, al vormt in beide gevallen onderzoek van het fenomeen van economische crisissen het uitgangspunt.

       Hayek vertrekt van de te overvloedige geldemissie. Dat feit zet ondernemingen aan zich te engageren in teveel projecten in verhouding tot de beschikbare materiële middelen. Op dat moment is het spaargeld ontoereikend ten opzichte van het krediet. Dit soort geldinjectie zorgt voor fictief kapitaal: “De stimulus opgewekt door de creatie van fictief kapitaal is slechts een illusie en verspilling, want het impliceert dat een deel van het kapitaal, dat in de productie werd ingezet, hieruit wordt weggetrokken om voor andere zaken besteed te worden waar het minder resultaat blijkt op te leveren.”[11] Er komt een recessie op gang en om die ongedaan te maken, moet het evenwicht tussen spaargeld en creatie van krediet worden hersteld.

       Maar Cédric Durand blijft met deze uitleg op zijn honger zitten. Dus zoekt hij hulp bij de auteur van Het Kapitaal die deze kwestie behandelt in boek III vanaf hoofdstuk 29. Voor hem verschijnt het fictief kapitaal allereerst als versneller van de kapitaalaccumulatie. Het komt neer op het creëren “uit het niets” van kapitaal, dat pas echte waarde zal krijgen of “gevalideerd” zal worden in de daaropvolgende productie. Het is een “prevalidatie van de valorisatie van het kapitaal”.[12] “Het fictief kapitaal, zo voegt Cédric Durand toe in een interview, is een vorm van kapitaal (schuldpapieren van de overheid, aandelen, schuldvorderingen), dat circuleert terwijl de inkomsten uit de productie die dat kapitaal zou moeten opleveren, niet meer dan beloften zijn met een per definitie onzekere uitkomst.”[13] We komen deze vorm van kapitaal voornamelijk tegen in drie gevallen: kredietvaluta, schuldpapieren van de overheid en aandelen.[14]

       In deze drie gevallen wordt dus kapitaal gevormd uit het niets – het is vooral de kredietsituatie –, maar hierdoor komt onmiddellijk het nodige geld beschikbaar om een economische activiteit te starten. Anders had dit moeten wachten tot die sommen bijeengebracht waren door te sparen of door autofinanciering: je leent bijvoorbeeld geld om een huis te bouwen. Het is dus een aansporing tot accumulatie en stimuleert de voortzetting van de economische ontwikkeling: door in het gebouw te investeren moet je daarna beroep doen op andere industriële activiteiten om de woning op te trekken, voor de ramen bijvoorbeeld, de elektriciteitsleidingen, de steunbalken nodig om het huis te bouwen enz. Maar de inkomsten, gestort als gevolg van dit initiatief, vormen in eerste instantie het initieel uit het niets gecreëerde kapitaal: met de intresten die je als klant maandelijks aan je bank betaalt, los je geleidelijk de lening af, met een zekere winst voor de bank. En dat is onbetrouwbaar, want dit kapitaal werd gevormd op basis van anticipatie, van ‘vooruitzicht op verwachte inkomsten’, terwijl de daarop volgende werkelijkheid niet noodzakelijk beantwoordt aan die vooruitzichten. Dit hele proces heeft een uiterst onzeker karakter. Het deel van het kapitaal, dat niet wordt omgezet in reële verrichtingen, wordt uiteindelijk fictief.

       Voor de lening is de kans klein dat de berekeningen en de terugbetalingprocedure verkeerd ingeschat worden. Het kan de klant zelf daarentegen wel overkomen dat hij niet in staat is om zijn afbetalingstermijnen aan te houden, bijvoorbeeld als zijn familiale situatie of zijn beroepssituatie verandert. De bank zal in dat geval trachten de voorgeschoten sommen te recupereren door het goed over te nemen en te proberen te gelde te maken. Wat verlies kan inhouden en dus de annulering van dit kapitaal, dat fictief was geworden.

       Aandelen op de beurs van hun kant doorlopen een parcours, dat niet noodzakelijk nog iets te maken heeft met reële activiteit. In de beurskoersen zitten de in de toekomst verwachte winsten, uitgaande van een gemiddelde uitkering van dividend. Karl Marx: “De marktwaarde van dit papier is deels speculatief, omdat het niet berekend en bepaald is door het reële inkomen, maar ook door het geanticipeerde.”[15] In die omstandigheden krijgt de stijging van de beurskoersen tot boven het niveau van wat door de reële winsten kan worden uitgekeerd, het karakter van een fictief kapitaal. Net zoals de circulatie van dat kapitaal ook de uiting is van het fictief karakter van dit kapitaal, alsof het van de ene hand in de andere hand kon overgaan zonder enig verband met de productie. Op dit laatste legt Cédric Durand trouwens weinig nadruk.

       Momenteel is over de definitie van het fictief kapitaal een polemiek aan de gang tussen Jean-Marie Harribey[16], François Chesnais[17] en de auteur van het boek.[18] De polemiek heeft zowel betrekking op de draagwijdte van het begrip als op de noodzakelijke verankering in de marxistische waardetheorie. De twee eersten verwijten Cédric Durand een te brede interpretatie van het concept. Bovendien vinden ze dat hij de creatie van deze onverwachte accumulatie enigszins loskoppelt van de realiteit van de productie en de creatie van handelswaarde door arbeid. Dit is ongetwijfeld duidelijk van groter belang bij de voorstelling van de alternatieven. We komen er dan op terug.

Het fictief kapitaal maakt zeepbellen

Probleem is dat de mogelijkheid om kapitaal te creëren uit het niets om dit later pas te gelde te maken een aantrekkelijke operatie is om tot een nog snellere kapitaalaccumulatie te komen. En omdat er maar weinig remmen staan op dit systeem, slaat de motor zeer snel op hol. Niemand van de betrokken partijen heeft er belang bij om vertragingsprocedures in te bouwen, want het bevordert de groei en dat zorgt op zijn beurt voor werkgelegenheid (in theorie tenminste) en belooft de kapitalistische investeerders steeds riantere winsten. De bedrieglijke schijn kan niet groter zijn.

       Vandaar de bemerking die Marx in zijn tijd al maakte en die we ook vandaag geregeld horen: “Voor elke crisis zijn er wel een aantal illustere economen en machtige financiers die zonder een spier te vertrekken aankondigen dat het tijdperk van recessies voorbij is, dat de economie weer op gang is gekomen, op weg naar nieuwe groei, en dat ze in de toekomst niet meer zal afwijken van deze weg.” Cédric Durand besluit hieruit: “De overaccumulatie van fictief kapitaal leidt in dit geval onverbiddelijk tot crisis.”[19]

       “De explosie aan fictief kapitaal wijst op een duizelingwekkende toename van de hoeveelheid waarde, gevalideerd door anticipatie, in verhouding tot de warenproductie.”[20] Het verschil in de waarde, potentieel vertegenwoordigd door dit fictief kapitaal, en de waarde die rechtstreeks wordt voortgebracht door het productiesysteem, neemt toe. Op een bepaald moment wordt zo groot dat sommige investeerders van mening zijn dat het onmogelijk is om terug te keren naar ‘normale’ exploitatievoorwaarden. Ze beginnen hun meest twijfelachtige tegoeden van de hand te doen en brengen een beweging op gang, wijzend op een dalende tendens die zich al heel snel uitbreidt tot algemene paniek. Ofwel slaat de verkoop op eigendomstitels van kapitaal en is er een beurskrach, ofwel concentreert het zich op de kredietverrichtingen die plotseling gestopt worden en dat is een bankcrisis of kredietcrisis.

       Dat is nu precies wat we de voorbije drie decennia hebben meegemaakt. Concreet hebben vooral twee fenomenen zich aan een duizelingwekkende vaart ontwikkeld: de afgeleide producten of financiële derivaten, enerzijds, het fenomeen van shadow banking anderzijds. Zo zagen we de markt van de derivaten – die volledig gericht is op speculatie – stijgen van 47.500 miljard dollar in maart 1995 naar 629.000 miljard eind 2014, met een piek van zelfs meer dan 710.000 miljard in december 2013.[21] Uitgedrukt in de waarde van het bbp, neemt deze markt alleen maar toe. In 1994 ging het om tweemaal de totale handelswaarde, gecreëerd op een jaar tijd. Twintig jaar later is dit al acht maal, met een hoogtepunt in juni 2008, toen het verhoudingsgewijs neerkwam op bijna elf maal de totale handelswaarde, precies net voor de crisis.

       Het fenomeen van shadow banking – letterlijk de bank ‘in de schaduw’ – of ‘schaduwbankieren’ is het meest mistige onderdeel van de geldwereld. Het komt voort uit het verknippen van leningen onder allerlei verschillende vormen. Dat wordt georganiseerd door totaal niet gereglementeerde markten, vaak via onderhandse aanbesteding, tussen twee financiële actoren die het onderling op een akkoordje hebben gegooid wat de contractvoorwaarden betreft. Het is in de woorden van Cédric Durand “een parallel kredietsysteem, dat fungeert als intermediatie door het hele proces van kredietverstrekking op te knippen in een groot aantal stappen. Het gaat om een transformatie van het bankwezen in de zin van wat we ‘multi-intermediatie’ zouden kunnen noemen. De band tussen de uiteindelijke kredietnemer en de eerste kredietverschaffer wordt losser. Op elke trap in de hele ‘keten’ worden financiële winsten opgestreken, onder de vorm van commissies en kosten.”[22]

       Om dit te illustreren kunnen we nog eens terugkomen op het geval van de subprimes, de rommelkredieten. In eerste instantie benadert een makelaar een gezin om een lening aan de man te brengen tegen gunstige voorwaarden, van het type 2/28: een afbetaling over dertig jaar; de eerste twee jaar ligt de rente heel laag, en in het derde jaar gaat die plots pijlsnel omhoog. De man werkt voor een hypotheekbank, die dit contract overlaat aan een instelling van een zwaarder kaliber, een zakenbank van het type Bear Stearns bijvoorbeeld. Die verzamelt een grote hoeveelheid van ditzelfde soort kredieten en belegt ze in een filiaal, dat men een Special Purpose Vehicle (SPV’s) noemt.[23] Als tegenprestatie voor het voor zijn rekening nemen van deze vastgoedleningen geeft dit filiaal, dat zelf maar over een zeer klein kapitaal beschikt, obligaties uit. Het rendement en de gegarandeerde rente-uitkering zijn afhankelijk van de kwaliteit van de kredieten die als financiële activa worden opgenomen. De obligaties die zijn uitgegeven als waarborg voor ‘veilige’ leningen worden als eerste uitbetaald, maar aan een lage rendabiliteit; de obligaties die het meeste risico inhouden, worden als laatste uitgekeerd, maar tegen een hogere rente. Die obligaties worden op de financiële markten gekocht door verschillende beleggingsfondsen. Deze investeringsfondsen zijn op het eind van de rit de uiteindelijke leners, zonder te weten dat ze misschien een serie subprime-kredieten financieren. Het geheel wordt gewaarborgd door noteringsagentschappen. Maar de vastgoedmakelaar, de hypotheekbank en de zakenbank strijken op de transfer van de leningen wel een commissie op en het SPV profiteert theoretisch gezien van het verschil in rente tussen wat het ontvangt van de subprime-kredieten en wat het moet uitkeren voor de obligaties.

       We zien dus wel degelijk een ongebreidelde expansie van duistere speculatieve operaties met fictief kapitaal. Zij die dit op gang gebracht hebben, zijn bovendien overtuigd dat deze groei tot in het oneindige zal blijven duren. Aan de andere kant is er de gerechtvaardigde vrees van sommige investeerders dat deze ontwikkeling niet zal kunnen blijven duren, omdat de productiebasis niet aan dezelfde snelheid uitbreiding neemt. Dat benadrukt ook Jean-Marie Harribey: “De zeepbellen spatten uit elkaar als de kloof tussen de gerealiseerde en de verwachte waarde te groot wordt en een aantal speculanten doorhebben dat de verwachtingen voor winstgevende vereffening niet voor iedereen zullen kunnen worden ingelost. Of met andere woorden als er niet meer financiële meerwaarde gerealiseerd kan worden als gevolg van onvoldoende meerwaarde in de productie.”[24]

       Deze benadering van de crisis is bijzonder interessant en vinden we in grote lijnen ook terug bij Marx zelf. Ze houdt echter enkel steek als het ook effectief verwijst naar wat er echt gebeurt. De oorzaak voor het uitbreken van een crisis kan liggen bij de kloof tussen de waarde van het fictief kapitaal die op hol geslagen is, en de reële waarde van de productie. Het fundamentele probleem vindt zijn oorsprong in het proces van kapitaalaccumulatie. Als ze niet snel genoeg groeit in de ogen van de kapitalisten of als ze hier en daar al aan het haperen is, neemt het fictief kapitaal toe en die gigantische vlucht maakt het hele economische systeem erg kwetsbaar. Aan de ene kant willen de investeerders hun productiemachines steeds meer en steeds langer doen draaien om te blijven voldoen aan een vraag die naar hun mening onverzadigbaar is. Aan de andere kant is er de consumptiecapaciteit van de bevolking die niet aan hetzelfde ritme verhoogt. Vandaar een steeds groter verschil tussen de productie en de consumptie, wat in feite tegemoetkomt aan de creatie van fictief kapitaal. Maar dat is slechts voor even. Maar omdat het ‘fictief’ is, creëert deze inbreng de illusie dat het probleem is opgelost, terwijl het oplossen van het probleem alleen is uitgesteld. En de oplossing zal almaar ingewikkelder worden omdat het fictief kapitaal door vooral op de eerste betalingstermijn, de productie, te spelen, in feite de kloof tussen de productie en de consumptie nog heeft verscherpt.

       Karl Marx vat deze visie perfect samen: “De uiteindelijke reden van elke echte crisis blijft altijd de armoede en de beperking van de consumptie van de massa’s tegenover de tendens van de kapitalistische productie om de productiekrachten te ontwikkelen alsof ze als enige grens de absolute consumptiecapaciteit van de maatschappij zouden hebben.” [25]

       Over deze relatie binnen het proces van kapitaalaccumulatie zelf, is Cédric Durand niet erg duidelijk en ook niet heel expliciet. Je kunt heel gemakkelijk de indruk hebben dat hij de recessie in haar volle omvang toeschrijft aan deze buitensporige creatie van fictief kapitaal. Waar dan ook de oproep uit voortvloeit om meer afstand te nemen van een financiële economie en niet zozeer van het kapitalisme zelf, dat verantwoordelijk is voor deze ‘financialisering’.

Geglobaliseerd fictief kapitaal?

Cédric Durands analyse van de internationale geldstromen is niet minder interessant. Hij probeert namelijk te verklaren waarom de bedrijven, en in het bijzonder de grote multinationale ondernemingen, hun winsten zien stijgen, terwijl de accumulatie toch de indruk geeft te stagneren. Dit is een mechanisme dat al herhaaldelijk aan de orde is gesteld, onder meer door Michel Husson.[26]

       Hij komt op zijn minst tot verbazende vaststellingen op basis van gegevens die hij hoofdzakelijk heeft gehaald bij de vijf grootste ontwikkelde kapitalistische economieën (Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië). Zo merkt hij op dat de financiële dominantie niet in de eerste plaats het gevolg is van een sterkere stijging van de winsten van de financiële maatschappijen in verhouding tot de winsten van maatschappijen die dat niet (of veel minder) zijn. Zo komt hij tot het besluit dat “behoudens misschien in de Verenigde Staten, de financiële sector niet beduidend meer netto winsten heeft ingepalmd van niet-financiële ondernemingen.”[27]

       Wat daarentegen wel vooruit is gegaan, is het aandeel van de financiële inkomsten van industriële en commerciële bedrijven. En dat maakt het mogelijk de aandeelhouders tamelijk vet te betalen. De investeringen richten zich immers steeds meer op de groeilanden en niet op de ontwikkelde regio’s. Deze laatsten worden daardoor over het algemeen minder belangrijk, want minder kapitaalintensief. Zo stijgen de winsten, gerealiseerd op de productie in derdewereldlanden voor de centra van de grote wereldsteden die een groter deel hiervan besteden aan de uitkering van dividenden.

       Hieruit leidt Cédric Durand af dat: “De overheersende ondernemingen die meestal in de landen in het Noorden gevestigd zijn, kunnen genieten van een vorm van oneerlijke handel in hun relatie met bevoorradingcentra die reserves van recentelijk beschikbaar geworden arbeidskracht exploiteren. De ruimtelijke verscheidenheid aan concurrentievormen en aan ontwikkelingsniveaus in een kader van vrij verkeer van goederen maakt het mogelijk de winsten te doen stijgen doorheen de hele keten tot aan de financiële markten. Het raadsel van de winsten zonder accumulatie is dus gedeeltelijk opgelost: vermits de winsten niet alleen afkomstig zijn van binnenlandse operaties, maar ook voor een deel van de controle over de internationale productiecircuits, hoeft het dus ook absoluut niet te verwonderen dat hun dynamiek is losgekoppeld van deze van de investering.”[28]

       Vanuit dit oogpunt functioneren de multinationals steeds meer als echte financiële holdings, met een winstopneming in de hele productieketen. De grenzen tussen industriekapitaal en financierskapitaal worden almaar vager.

       Dit sluit opmerkelijk sterk aan bij onze visie op het probleem.[29] Maar we zijn wel iets terughoudender in het gebruik van de notie van fictief kapitaal in deze context. We zouden hier liever gewoon de term ‘financierskapitaal’ hanteren, zoals die al in 1910 werd ontwikkeld door de Oostenrijkse marxistische econoom, Rudolf Hilferding.[30]

       Er is inderdaad weinig ‘fictief’ aan het geld dat niet-financiële ondernemingen of multinationals opstrijken. Het berust op de productiearbeid van mensen in de Derde Wereld aan mensonwaardige voorwaarden van uitbuiting die sterke gelijkenis vertonen met de arbeidsomstandigheden in de 19e eeuw in Europa en in de Verenigde Staten. De kapitaalaccumulatie is gebaseerd op de diefstal van de meerwaarde, het gedeelte van de waarde die gecreëerd wordt door arbeid en waarvoor de werknemer niet vergoed wordt. Ze draagt dus bij aan de groei van kapitalen in de grote centra en kapitalistische groepen en dit op de gekende en meest traditionele manier, vertrekkende van een doodeenvoudig productieproces. Het kan eigenlijk niet veel ‘reëler’.

       Dat de overheersende ondernemingen uit deze grote Westerse (en Japanse) wereldsteden functioneren op basis van winsten die werden gerealiseerd in regio’s die niets meer te maken hebben met waar de onderneming eigenlijk vandaan komt, wijst vooral de veralgemening van het financierskapitaal, met andere woorden op de versmelting, de verbinding, de verstrengeling van het kapitaal van het industriële type en het kapitaal met een bankiersconnotatie. Het is verwonderlijk dat Cédric Durand die het werk van Rudolf Hilferding kent, deze link niet heeft gelegd.

De geldwereld verlaten of weg uit het kapitalisme?

De conclusies van deze studie over het fictief kapitaal staan eigenlijk niet erg duidelijk in het boek zelf. Je kunt ze wel voortdurend tussen de regels lezen. De auteur is zelf wel veel duidelijker tijdens interviews die hij achteraf heeft gegeven of in artikels die hij schreef naar aanleiding van kritieken op zijn boek. Daaruit wordt meteen ook duidelijk dat het gebruik van – en de keuze – om de analyse te concentreren op de notie van ‘fictief kapitaal’ in plaats van ‘financierskapitaal’ niet onschuldig zijn.

       Zo stelde Cédric Durand in zijn antwoord op de kritieken van Jean-Marie Harribey: “Een van de belangrijkste politieke gevolgen van deze analyse is dat sociaal en politiek links zich bewust moet worden van de klasseninhoud van de notie van financiële stabiliteit. De financiële stabiliteit bewaren komt neer op het realiseren van de verzuchtingen van het fictief kapitaal. Om onze economieën te bevrijden uit de greep van het fictief kapitaal, moeten we in feite een financiële ‘desaccumulatie’ op gang brengen. Concreet brengt dit ons natuurlijk bij de kwestie van de annulatie van de overheidsschulden en van de privéschuld van de gewone gezinnen, maar ook bij de vermindering van het rendement van de aandeelhouders, wat automatisch uitloopt op een vermindering van de beurswaarde. Laten we ons hierin niet vergissen, dit zijn bijzonder ambitieuze doelstellingen: het houdt onvermijdelijk in dat we het financiële systeem moeten socialiseren en breken met het vrij verkeer van kapitaal. Maar hierdoor kunnen we dan weer wel grip krijgen op een aantal onontbeerlijke voorwaarden om de bladzijde van het neoliberalisme om te keren.”[31]

       Dat die ambitie groot is, daar twijfelen we geen seconde aan. Maar we staan toch perplex van dat voorstel van financiële ‘desaccumulatie’. Wat zou dit wel kunnen betekenen? Het accumulatieproces is immers per definitie financieel: het gaat altijd, ongeacht welke weg er wordt gevolgd, om het doen aangroeien van het geïnvesteerde kapitaal om in de toekomst nog meer winst te maken. En dat gebeurt altijd in een context van concurrentie, of het nu gaat om concurrentie tussen kleine en middelgrote bedrijven of om enorme multinationale mastodonten. Zelfs als een onderneming geniet van een monopoliepositie, staat ze steeds tegenover andere die niet aanvaarden dat ze door haar positie, en meer bepaald door hogere prijzen, een groter deel van de economische winst binnenrijft.

       Accumulatie is geen vreedzaam voortkabbelend proces. Het is een verbeten strijd waarin de slagen onder de gordel en de veroveringsstrategieën niet moeten onderdoen voor verraad en doodslag in de Middeleeuwen en de Europese Renaissance.

       Het voordeel van het concept van ‘financierskapitaal’, naar voor geschoven door Hilferding, is dat het wel rekening houdt met deze elementen. Het legt uit waarom in die op de spits gedreven concurrentieslag de banken zich op een gegeven moment in de geschiedenis meester maken van complete delen van de industrie. Vervolgens ontstaan er nieuwe types van financieringsmaatschappijen. Vandaag treden zelfs de grote multinationale groepen aan onder de vorm van een complete verstrengeling van de activiteiten met industrieel karakter en de eerder financiële domeinen. Wat vooral volgt uit het boek uit 1910 en daarna bijzonder stellig overgenomen door Lenin[32], is de noodzakelijke en onvermijdelijke ontwikkeling van dit proces: in het accumulatieproces moet het kapitaal ten volle financierskapitaal worden in de zin van Hilferding. In deze fase van het kapitalisme kan hiernaast geen niet-financiële accumulatie bestaan, tenzij misschien op een heel marginale manier.

       Met de notie van ‘fictief kapitaal’ is deze evidentie veel minder duidelijk. Je zou jezelf nog kunnen voorhouden dat het bij nader inzien misschien beter is het kapitalisme wat beter te omkaderen om te verkomen dat het op drift raakt in de draaikolk van zijn financiële misbruiken. Na de Tweede Wereldoorlog werden er strengere regels opgelegd zodat de groei meer gebaseerd zou zijn op vooruitgang zowel in de productie als in de consumptie van goederen, en vervolgens van diensten, maar dan wel degelijk reële goederen en diensten. Het kapitaal, de geldwereld, werd beteugeld en dit dankzij de toenmalige krachtsverhoudingen die vandaag niet meer bestaan. Natuurlijk kunnen we ervan dromen terug te keren naar deze ‘gouden tijd’.

       Maar dit lijkt ons wel heel erg utopisch. In het gevecht om de accumulatie, zijn het niet diegenen met het sterkste morele geweten die het halen, maar wel diegenen die erin slagen op de meest efficiënte manier de meerwaarde in te palmen overal waar die wordt gecreëerd. En voor die plannen is de geldwereld onontbeerlijk, vooral vandaag. Dat is niet wat het kapitalisme zo afschuwelijk en ondraaglijk maakt. Neen, dat zijn de voorwaarden die deze geldwereld oplegt aan de werkende bevolking, met andere woorden wereldwijd aan de meerderheid van de mensen (samen met de boeren die er niet beter aan toe zijn). Het geldwezen en het fictief kapitaal voegen alleen maar een nog waanzinniger, nog meer parasitaire en onmenselijke dimensie toe aan deze situatie.

       Het gaat er dus niet om de economieën te bevrijden uit de greep van het fictief kapitaal, maar uit de greep van het kapitaal in zijn geheel. Dat was het streven van Karl Marx en het is goed om daar nog eens aan te herinneren.

Het Fictief Kapitaal biedt stof tot discussie

Ondanks deze zwakke punten kunnen we alleen maar aanraden dit boek toch te lezen. Het is een interessante inleiding in de problematiek van de heerschappij van de financiële sfeer over de wereldeconomie vandaag. Ze gaat uit van een theoretische benadering gebaseerd op het marxisme. De auteur vertrekt voor zijn betoog van elementen uit de actualiteit. Dit schetst een redelijk boeiend portret van het hedendaagse kapitalisme. De vraag naar het alternatief, die ons het meest problemen bezorgt, die staat echter niet in het boek.

       Verder stelt Cédric Durand een aantal vragen waar hij niet altijd een antwoord op heeft. Hij doet nadenken en zet ons aan tot uitvoeriger onderzoek over dit thema, meer bepaald over het probleem van het financierskapitaal. Hij brengt een aantal discussies en debatten aan om de gehanteerde begrippen en hun bruikbaarheid te verduidelijken. En dat is zeker geen kleine verdienste.


[1] Noot van de vertaler: Marx gebruikt ook andere termen als ‘schijnkapitaal’ of ‘illusoir kapitaal’. In de tekst heb ik me aan de term ‘fictief’ gehouden.

[2] Laurent Carroué, La planète financière. Capital, pouvoirs, espace et territoires, Armand Colin, Parijs, 2015, p. 71.

[3] Bank for International Settlements (BIS), Triennial Central Bank Survey, Foreign exchange turnover in April 2013: preliminary global results, september 2013, p. 9.

[4] WHO, Rapport over de wereldhandel 2014, p. 24-25. Zie: https://www.wto.org/french/res_f/booksp_f/world_trade_report14_f.pdf.

[5] BIS, BIS Statistical Bulletin, december 2015, p. 225. Zie: http://www.bis.org/statistics/bulletin1512.pdf.

[6] IMF, World Economic Outlook Database, oktober 2015. Zie: http://www.imf.org/external/pubs/ft/weo/2015/02/weodata/index.aspx.

[7] Laurent Carroué, op. cit., p. 52.

[8] Laurent Carroué, op. cit., p. 66.

[9] De Universiteit Paris 13 is een multidisciplinaire universiteit in het noorden van Parijs, gespreid over de Franse gemeenten Villetaneuse, Saint-Denis, La Plaine Saint-Denis, Bobigny en Argenteuil.

[10] Cédric Durand, Le capital fictif. Comment la finance s’approprie notre avenir, Les Prairies ordinaires, Paris, 2014.

[11] Ibid., p. 62.

[12] Ibid.

[13] Cédric Durand, Le capital fictif, interview de Florian Gulli, La Revue du projet. Zie: http://projet.pcf.fr/70923.

[14] Cédric Durand, op. cit., p. 64.

[15] Karl Marx, Het Kapitaal, boek III. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1894/kapitaal-3/29.htm.

[16] Jean-Marie Harribey, “La baudruche du capital fictif, lecture du Capital fictif de Cédric Durand”, Les Possibles, nr. 6, 2015. Zie: https://france.attac.org/nos-publications/les-possibles/numero-6-printem....

[17] François Chesnais, “Capital fictif, dictature des actionnaires et des créanciers : enjeux du moment présent”, Les Possibles, nr. 6, 2015. Zie: https://france.attac.org/nos-publications/les-possibles/numero-6-printem....

[18] Cédric Durand, “Sur le capital fictif, Réponse à Jean-Marie Harribey”, Les Possibles, nr. 6, 2015. Zie: https://france.attac.org/nos-publications/les-possibles/numero-6-printem....

[19] Cédric Durand, “Le capital fictif”, interview de Florian Gulli, La Revue du projet. Zie: http://projet.pcf.fr/70923.

[20] Cédric Durand, op. cit., p. 90.

[21] BIS, Semiannual OTC derivatives statistics, verschillende jaren. Zie : http://www.bis.org/statistics/derstats.htm?m=6|32|71.

[22] Cédric Durand, op. cit., p. 82.

[23] In het Nederlands spreekt men “vennootschap met bijzondere doeleinden”, maar de Engelse term is courant.

[24] Jean-Marie Harribey, op. cit.

[25] Karl Marx, Le Capital, III, 2, p. 145.

[26] Bijvoorbeeld Michel Husson, Un pur capitalisme, Page Deux, Lausanne, 2008 of op zijn persoonlijke website: http://hussonet.free.fr/.

[27] Cédric Durand, op. cit., p. 169.

[28] Cédric Durand, op. cit., p. 177-178.

[29] Zie Henri Houben, Gresea Echos nr. 83, 3e trimester 2015.

[30] Rudolf Hilferding, Le capital financier, Minuit, Parijs, 1970.

[31] Cédric Durand, « Sur le capital fictif, Réponse à Jean-Marie Harribey », Les Possibles, nr. 6, 2015: https://france.attac.org/nos-publications/les-possibles/numero-6-printem....

[32] Lenin, “Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme”. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/lenin/1916/imperialisme/index.htm.