Over fruitvliegjes en koffieboeren

Auteur: 
Gunter Kathagen

The Dialectical Biologist - Een interview met Richard Levins

Richard Levins, geboren te New York in 1930 is overleden op 19 januari 2016. Hij was professor aan de universiteit van Harvard. Levins groeide op in een familie die kritisch denken en sociaal engagement sterk aanmoedigde. Op zijn eerste dag van de lagere school kreeg hij van zijn grootmoeder de boodschap mee dat hij op school alles moest leren wat hij kon, maar dat hij zeker niet alles mocht geloven wat ze hem leerden. Voor haar was het duidelijk dat de school deel uitmaakte van een systeem dat de mensen voorbereidde om te functioneren binnen de ideologische grenzen eigen aan het kaptialisme.

       Levins raakte al op jonge leeftijd gefascineerd door marxistische wetenschappelijke schrijvers zoals J.B.S. Haldane[1] en J.D. Bernal[2] en ging landbouwwetenschappen en wiskunde studeren aan de universiteit van Cornell. Daar ontmoette hij zijn Puerto Ricaanse vrouw Rosario, met wie hij na de beëindiging van zijn studies naar Puerto Rico vertrok. Daar was hij actief in de communistische partij en in verscheidene anti-imperialistische bewegingen. Toen al werd Levins geschaduwd door het FBI en had hij het bijzonder moeilijk om een baan te vinden. Uiteindelijk werd hij landbouwer en begon hij de plaatselijke koffieboeren te organiseren. Ook hierin werd hij gehinderd, deze keer door het Puerto Ricaanse regime. Na een hepatitisinfectie was hij niet langer in staat zijn landbouwgrond te bewerken en keerde hij samen met zijn vrouw terug naar de Verenigde Staten om er verder te studeren.

       Tijdens zijn doctoraatsstudie aan de universiteit van Colombia leerde hij Richard Lewontin kennen. Samen met Lewontin, zelf een gerenommeerd populatiegeneticus[3]en sociaal activist, schreef hij verschillende artikels en boeken over de nood aan een dialectisch denkkader in de wetenschappen, met name in de biologie. Ze voerden ook polemieken met wetenschappers als Richard Dawkins[4] en Edward Wilson[5], wier deterministische kijk op de biologie en het menselijk gedrag ze bekritiseerden. Tijdens die periode (1960-1970) ontwikkelde Levins bovendien verschillende invloedrijke inzichten in de evolutietheorie en de ecologie.

       Hij raakte ook almaar meer betrokken bij Cuba. Zo lag hij mee aan de basis van de Cubaanse programma’s voor populatiegenetica en duurzame landbouw, waarvoor hij trouwens onlangs nog een eredoctoraat van de universiteit van Havana kreeg.

       Uiteindelijk werd hij aangesteld als hoogleraar aan de Harvard T.H. Chan School of Public Health, waar hij tot aan zijn dood onderzoek doet naar de invloed van biologische en sociale factoren op de gezondheid van menselijke populaties. Hij bestudeert daarvoor de complexe interacties tussen maatschappijvormen, in het bijzonder het kapitalisme, en de biologie/ecologie van mensen.

       In mei 2015 kreeg ik tijdens een symposium aan de Harvard T.H. Chan School of Public Health de kans Richard Levins te interviewen ter gelegenheid van zijn 85e verjaardag.

De dialectiek in de wetenschap

Hoe benadert u als marxist de wetenschap? Hoe bestudeert u complexe systemen zoals ecosystemen en de menselijke maatschappij?

Richard Levins. De dialectiek leert ons de wereld te beschouwen als een complex geheel. Een van de eerste lessen is dat er iets meer is, ongeacht de omvang van het probleem! We kunnen beginnen met een klein probleem, maar dan moeten we ons afvragen: ‘Wat is er nog meer?’ We moeten iedere keer de bedenking maken dat ons begrip van de wereld gebaseerd is op onze plaats in de maatschappij. We moeten bijgevolg ook altijd volgende vraag stellen: ‘Wat als we verkeerd zijn?’ Beide vragen zijn belangrijk. Vervolgens moeten we ons er rekenschap van geven dat de dingen groter zijn dan ze lijken, dat iets dat er uitziet als een eenvormig ding, in feite intern heterogeen is. Dat een ‘ding’ een momentopname is van een proces, een proces dat traag genoeg is om een naam te krijgen. Dat de ‘dingen’ waarover we praten, processen zijn die lijken te behoren tot verschillende categorieën, maar met elkaar verbonden zijn. Zoals erfelijkheid en milieu, het psychologische en het sociale, het kwantitatieve en het kwalitatieve. En dat deze ‘tegengestelde polen’ niet alleen verbonden zijn, maar dat juist die verbondenheid het boeiendste en vruchtbaarste aspect van het onderzoek is.

       Stel je voor dat ik op een boerderij woon en dat daar de hele dag vliegen zijn, ook fruitvliegjes. Ik vraag me af waardoor de hoeveelheid vliegen bepaald wordt. We weten een aantal dingen, onder andere dat vliegen, als het warm is, water verliezen en gaan schuilen. Dus verzamel ik vliegen op zowel warme als koude plaatsen (studie naar heterogeniteit in plaats, nvdr). Ik kom dan tot de vaststelling dat de vliegen uit de warme plaatsen ’s morgens vroeger vertrekken en ook dat grote vliegen langer blijven hangen dan de kleinere vanwege hun waterbalans.[6] Zo krijg je een overzicht van het komen en gaan van vliegen in een tijdspanne van minuten tot uren (studie naar heterogeniteit in tijd, nvdr). Vervolgens stel ik de vraag: ‘Waarom bevinden ze zich juist hier?’ Dat heeft te maken met de aan- of afwezigheid van vijanden waardoor ze worden opgegeten, en met de omstandigheden die hun reproductie bevorderen. Hoeveel eten is er voor de vliegen?’ Ik kijk om me heen en zie dat ze leven van de gisten die op rottend fruit groeien. Ik ga dus rottend fruit bestuderen en leer dat verschillende soorten vliegen door verschillende soorten fruit worden aangetrokken (De vraag stellen ‘Wat is er nog meer?’, nvdr). Nog een mogelijke vraag is waarom vliegen uit de woestijn ongeveer even groot zijn als vliegen uit de bergen, hoewel hun leefomgeving totaal verschillend is. Dat komt doordat een vlieg zich sneller ontwikkelt in hoge temperaturen en een snellere ontwikkeling (van de vlieg) leidt tot een kleinere vlieg. Bij hoge temperaturen krijg je dus kleinere vliegen. Kleine vliegen sterven echter gemakkelijker door uitdroging en dus zorgt de natuurlijke selectie uiteindelijk voor grotere vliegen. De leefomgeving en de indirecte impact van de natuurlijke selectie oefenen dus rechtstreeks invloed uit in tegengestelde richtingen en leiden uiteindelijk tot vliegen van een bepaalde grootte. (Verschillende processen kunnen op verschillende manieren, zelfs tegengesteld [contradictie], op een bepaald niveau met elkaar interageren, nvdr).

Wordt de formulering van de vragen niet grotendeels bepaald door de manier waarop u gebruikmaakt van begrippen en abstracties? Is abstraheren ook niet een belangrijk aspect van de dialectiek?

Richard Levins. Ja, absoluut. Een abstractie betekent: iets uit zijn context halen om het te bestuderen. Belangrijk hierbij is dat je altijd blijf beseffen dat het abstractie is. Na de abstractie te hebben gemaakt, moet teruggaan en jezelf afvragen: ‘Hoe past dit in het geheel?’.

       Laten we even het voorbeeld van de studie van malaria nemen. Al sinds het begin van de twintigste eeuw weten we dat malaria door muggen wordt overgedragen. Er werd dan ook langdurig onderzoek gedaan naar de factoren die van invloed zijn op muggenpopulaties. Men stelde onder andere vast dat hogere temperaturen het groeipercentage doen toenemen. Een van mijn studenten trok voor haar studie van malaria naar Sri Lanka. De eerste vraag die zjj stelde, was: ‘Welke insecten vinden we in de buurt van de muggen?’ Zo wilde zij te weten komen door welke insecten de muggen worden opgegeten en beconcurreerd. Ze stelde een lange lijst samen van waterkevers, waterschorpioenen en nog andere insecten, iets wat niemand voor haar had gedaan. Zij zeggen: het wordt warmer en bijgevolg zal de muggenpopulatie toenemen. Wij zeggen: neen! Het wordt warmer en bijgevolg zal niet alleen de muggenpopulatie toenemen, maar ook die van haar vijanden. Wat er zal gebeuren spreekt dus niet voor zich, daarvoor moet je bijkomend onderzoek doen.

       Wanneer we dus het probleem van de gezondheidszorg aanpakken, moeten we volgende vragen stellen: ‘Waar komt deze of gene ziekte vandaan in de context van andere soorten?’ en ‘Waar komt ze vandaan in maatschappelijke termen?’ Elke sociale voorwaarde is volgens haar eigen dynamiek met ziekte verbonden. Kijk naar de geschiedenis van de ziektes in Europa of op het Amerikaanse continent. Die geschiedenis is bepaald door het soort van maatschappij en het soort van habitat. Het soort van maatschappij zal gegevens opleveren over de bevolkingsdichtheid en het gemak waarmee de ziekte kan overgaan van de ene mens op de andere, evenals gegevens over de gezondheid van de mensen en of hun lichamen de ziekte zullen overnemen of zich ertegen zullen verzetten. Een hele reeks vragen dus waardoor we gedwongen worden een ziekte te beschouwen als een biosociaal verschijnsel. Dan is het ook niet belachelijk ons af te vragen: ‘Wat is de biologie van de pancreas onder het kapitalisme?’ We zouden dit kunnen toepassen op andere ziektes en vaststellen dat de ziektes die de mensheid nu treffen, niet dezelfde zijn als de ziektes van tweehonderd jaar geleden, zoals de cholera in Europa.

       En het kapitalisme functioneert, naast de analyse van Marx, eveneens via processen zoals demografie.

       Er was na de 14e eeuw en periode waarin de Europese bevolking sterk afnam. Dit leidde tot verschuivende krachtsverhoudingen tussen arbeidskrachten van die tijd, de cijnsboeren en hun landheren. Deze boeren ontsnapten vaak van hun landbouwgrond en heer en migreerden naar het oosten. Zo waren er grootschalige migraties naar gebieden die nu Polen, Wit-Rusland en Rusland zijn. In die tijd waren er vele wetten die mensen verboden om de (landbouw)gronden te verlaten waarop ze leefden, maar tegelijkertijd was het ook verboden dat de landheren elkaars cijnsboeren steelden. Zo zie je dat de wettelijke en intellectuele structuur een gevolg was van hoe de productie georganiseerd was en meer specifiek wie het werk deed en wie daarvan de voordelen ontving. Dit geldt voor elk soort van maatschappij en ik verwacht dan ook dat het socialisme zijn eigen tegenstellingen zal hebben.

Hoe verschilt uw dialectische methode van de courante wetenschappelijke benaderingen in de studie van complexe systemen of complexiteit in het algemeen? Wat zijn volgens u de belangrijkste tekortkomingen van die benaderingen?

Richard Levins. Op het ogenblik is er een nieuwe golf van interesse voor complexiteit. Maar complexiteit betekent veelal de grootschalige berekening van de abundantie[7] van objecten, dezelfde objecten die voorheen al de belangstelling van de wetenschappers hadden. Terwijl een entomoloog[8] misschien zal willen weten wat de abundantie van muggen is die malaria kunnen overdragen, zullen wij ons ook afvragen welke de factoren zijn die de muggenpopulatie zo veranderen dat de muggenpopulatie en bijgevolg de malaria toenemen of afnemen of welke invloed de bananenindustrie – via de insecten – uitoefent op de gezondheid van de arbeiders in Centraal-Amerika. Wij verwerpen de biologische factoren dus niet, maar zeggen dat ze altijd ingebed zijn in de sociale factoren!

U stelt uw vragen dus voldoende ruim?

Richard Levins. Precies! Een vraag moet voldoende ruim gesteld worden zodat er een passend antwoord gevonden kan worden. Een te enge vraag kan leiden tot de vaststelling van een of andere externe factor met daarbij misschien nog wat slimme statistische manipulaties. Maar daarmee weten we nog niet waar de externe factor vandaan komt en ook niets over het hoe en het waarom ervan.

Is dat niet waar de reductionistische benadering vaak toe leidt? Reductionisme denkt dat we alleen maar de delen moeten bestuderen en dat die altijd worden verstoord door iets van buitenaf?

Richard Levins. Het reductionisme zegt dat als je de kleinste stukjes van iets kent, je ook het geheel begrijpt. De dialectiek daarentegen gaat niet akkoord met de bewering dat je als je weet waaruit iets gemaakt is, ook de sleutel tot het begrijpen ervan beet hebt.

Zoals het menselijkgenoomproject?[9] Is dat ook een grootschalig reductionistisch project?

Richard Levins. Dat probeert het in elk geval te zijn! Maar de grootste verworvenheid van het menselijkgenoomproject is dat het verkeerd was, dat de lijst van genen de natuur niet bepaalt.

En dat het project geen antwoorden biedt over de natuur van de mensheid?

Richard Levins. Inderdaad. Dat de grote antwoorden niet het gevolg zijn van een extrapolatie van de kleine.

Nog een interessant begrip is ‘partijdigheid’. Kunt u wat meer uitleg hierover geven?

Richard Levins. Als de wetenschap een sociaal product is, dan moet je uitzoeken wie de wetenschappers zijn. Je zult zien dat wetenschappers in de opeenvolgende stadia van de menselijke geschiedenis op een verschillende manier tegenover hun toenmalige heersers stonden. Gedeeltelijk komt dat doordat ze, als leden van de hogere klasse, ook beïnvloed waren met de vooroordelen van hun klasse. Zo was de universiteit van Harvard indertijd actief in de eugeneticabeweging.[10] Naarmate de beweging voor de afschaffing van de slavernij uitbreidde, doken theorieën van wetenschappelijk racisme op. Hoe we een probleem stellen hangt af van wie de oplossing zal uitvoeren.

       Ik geef een voorbeeld: de reden waarom we ongedierte of onkruid verdelgen met behulp van pesticides, is omwille van de financiële en intellectuele steun van de pesticide-industrie! De laatste tijd zien we een toename van reclame voor geneesmiddelen. De farmaceutische ondernemingen willen zich, over de hoofden van de artsen heen, rechtstreeks tot potentiële patiënten wenden, dat wil zeggen de consumenten van hun producten. Als we ons afvragen waarom de farmaceutische bedrijven moleculaire oplossingen voorstellen voor problemen, dan is het antwoord omdat ze willen dat de consumenten die producten elk jaar, elke week moeten kopen. Maatregelen zoals een verkorting van de arbeidsdag of een verlaging van de pensioenleeftijd, die ook de gezondheid beïnvloeden, kun je de werkers niet als een pakketje verkopen. Ze vereisen sociale verandering. Ze vergen actie. Bijgevolg zijn het de producten die kunnen worden verkocht, waarnaar onderzoek wordt gedaan, waarna ze op de markt te koop worden aangeboden. We kunnen de structuur van onze kennis en onze onwetendheid op het vlak van farmacologie en epidemiologie, en op andere domeinen, dus begrijpen door te kijken naar wie er voordeel zal bij hebben en wie niet. Maar daarnaast is er ook nog het reductionistische standpunt:, de twee gaan samen. Het kapitalisme is van bij het begin reductionistisch, want het is het model van atomische individuen die elkaar ontmoeten op de markt en daarna elk hun eigen weg gaan.

De wetenschap wordt ook gebruikt ter rechtvaardiging van ongelijkheid en agressie.

Richard Levins. Natuurlijk moeten wij de ideologie van de wetenschap aanvechten, want ze bepaalt de richting die de wetenschap uitgaat. Maar dat is niet alles. Ook de wereldvisie van de wetenschappers moeten we ter discussie stellen en dat wordt heel belangrijk, want – dat is niet slecht bedoeld – wetenschappers zijn nu eenmaal opgevoed om zaken te geloven waarvan mijn grootmoeder zei dat ik ze niet mocht geloven. We moeten het overheersende denken, dat reductionistisch is, ter discussie stellen. En zo kom ik tot mijn slogan: alle theorieën die onrechtvaardigheid bevorderen, rechtvaardigen of tolereren, zijn verkeerd.

Dialectiek in de gezondheidszorg

Hoe hebt u de dialectiek toegepast op de gezondheidszorg? Hoe beïnvloeden onrechtvaardigheid, armoede, de sociale klasse waartoe we behoren, onze gezondheid?

Richard Levins. Dat doen ze op verschillende manieren. Eerst en vooral zullen de voorwaarden waaronder mensen zich ontwikkelen en groeien, verschillend zijn naargelang van de sociale klasse waartoe ze behoren. Dat beïnvloedt de voeding en dus ook de toestand van de verschillende lichaamsorganen. Dan is er de kwestie van de toegang tot gezondheidszorg wanneer mensen ziek worden. Dat heeft te maken met wie de gezondheidszorg in handen heeft, en hierbij gaat het niet alleen over de ziekenhuizen en de artsen, maar ook over de geneesmiddelen en de mogelijke behandelingen. En vervolgens is er nog het probleem van de technische en de elektronische uitrusting die door de elektronicabedrijven geproduceerd wordt zodat artsen die kunnen gebruiken. De CAT-scan wordt hierdoor een noodzaak juist omdat we deze machines hebben.

Wat zijn de specifieke verschillen op het vlak van de gezondheid tussen de verschillende klassen?

Richard Levins. Uit statistieken blijkt dat Afro-Amerikanen minder lang leven dan blanke Amerikanen. Uit statistieken blijkt dat mensen die in industriegebieden wonen, te maken krijgen met pollutie. Denk maar aan Bhopal[11], maar zo zijn er honderden gevallen geweest. Ten eerste, bepaalt het kapitalisme in welke omgeving de werkers en de armen moeten leven. Ten tweede, bepaalt het kapitalisme wat zij consumeren, want het kapitalisme bepaalt welke producten er op de markt komen. Ten slotte, bepaalt het kapitalisme, als iets tot gezondheidsproblemen leidt, de behandelingsmogelijkheden.

       Ik geef een voorbeeld. In Maleisië concentreerde de Britse koloniale gezondheidszorg, die haar hoofdkwartier in Londen had, zich in de eerste plaats op de ziekten waaraan soldaten en leden van het koloniaal bestuur konden sterven. In een volgend stadium werden de werknemers van de rubberplantages beschermd en nog later werd gebruikgemaakt van geneesmiddelen om opstanden te voorkomen. Met andere woorden, de list over ‘de harten en geesten van de bevolking winnen’ werd in feite gebruikt om opstanden te voorkomen.

Dat behoort allemaal tot wat u het ‘ecosociaal noodsyndroom’ noemt?

Richard Levins. Precies. Het ecosociaal noodsyndroom is een combinatie van biologische en sociale factoren die zodanig op elkaar inwerken dat een populatie zieker is dan nodig.

In het verleden hebt u vaak voorbeelden gegeven die aantonen dat verschillende mensen of mensen van verschillende klassen meer of minder kwetsbaar zijn voor verschillende invloeden. Zo zijn sommige geneesmiddelen niet goed voor iedereen, want mensen kunnen meer of minder kwetsbaar zijn voor verschillende dosissen van bepaalde producten.

Richard Levins. Kwetsbaarheid heeft vooral te maken met stress en voeding. Ik heb vastgesteld dat in de VS gebieden met een hoge werkloosheidsgraad ook veel mensen met levercirrose tellen. Levercirrose is een stressreactie ten gevolge van alcoholisme. Maar bij een lage werkloosheidsgraad, als dus veel mensen aan het werk zijn, leidt de stress op het werk tot hartzieken. Daaruit konden we besluiten dat onder het kapitalisme niet alleen werkloosheid slecht is voor je gezondheid, maar ook werken. En je zou je kijk op dat probleem nog verder kunnen verfijnen en de vraag stellen: ‘Wat is de structuur van een job in relatie tot stress?’ De mensen aan University of Massachusetts Lowell hebben hier fantastisch werk geleverd. Ze toonden aan dat mensen met een baan die veel stress en druk met zich meebrengt, vaak aan een hartziekte lijden.

Sociaal activisme

Wanneer ben je voor het eerst naar Cuba gegaan?

Richard Levins. In 1964.

Met welk doel?

Richard Levins. Mijn doel was tweevoudig. Ten eerste ging ik in het kader van de onafhankelijkheidsbeweging, want Cuba steunde Puerto Rico in de Verenigde Naties en we zochten naar een manier om iets terug te kunnen doen. Ten tweede was ik tot de conclusie gekomen dat de richting die de Sovjet-Unie insloeg, niet de onze was. Ik hoorde veel goeds over Cuba, maar dat had ik destijds ook over de Sovjet-Unie gehoord. Het leek mij een goed idee zelf een kijkje te gaan nemen.

Hoe heb je dat bezoek ervaren?

Richard Levins. Het was tegelijk boeiend en bevrijdend en het heeft me gedreven tot een engagement voor de rest van mijn leven: ik wou de Cubanen helpen bij de organisatie van een biologie als wetenschap en ecologische landbouw. Vooral het feit dat Cuba experimenteert met een ander soort van democratie, wekte mijn enthousiasme. Onder het kapitalisme bijvoorbeeld is de politiek een beroep. Je hebt mensen die er carrière in maken, mensen die het dus vrij staat om te liegen, de grote ondernemingen te helpen veel geld binnen te rijven enzovoort. Het resultaat is dat je uiteindelijk een afwisseling krijgt van verschillende groepen van de heersende klasse.

       Cuba wilde gebruik maken van de collectieve intelligentie van heel het volk via verkiezingen gebaseerd op wijken of buurten en niet zozeer op partijen, zodat het land in bepaalde mate geregeerd wordt door verschillende organisaties van de bevolking zoals de landbouwersunie, de vakbonden, de schrijversbonden, de vrouwenfederatie, de vereniging van kleine boeren. Het waren die organisaties die de wetgeving en de doelstellingen voorlegden aan de Nationale Assemblee. Het leek mij een democratie in de vorm van een volksconsensus. Nu, zoals elk land maakte ook Cuba vreselijke fouten en wij namen deel aan de discussies daarover, meestal via wetenschappers en de vakbond van wetenschappers. Dus ja, zelfs als Cuba meer fouten had gemaakt dan werkelijk het geval was, dan nog zou ik de Cubaanse revolutie hebben ondersteund alleen al omdat een land van Latijns-Amerika zich had losgewerkt van de Amerikaanse overheersing.

In die context zijn wellicht zaken zoals de Groene Revolutie en de openbare gezondheidszorg in dienst van het volk van belang?

Richard Levins. Een van de belangrijkste aspecten van de Cubaanse gezondheidszorg is dat ze gratis is en toegankelijk voor iedereen. Maar daarnaast is de Cubaanse gezondheidszorg ook erg flexibel qua medische benadering. Mijn dochter leed aan epilepsie en had een beroerte gekregen. Ze werd behandeld in een neurologisch revalidatiecentrum. Ik kon zien dat men er een veel soepeler manier had van geneeskunde beoefenen en dat er in het sociale leven van de instelling geen muren werden opgetrokken tussen de patiënten en het personeel. Het is een ander soort van geneeskunde en daardoor kunnen ze als eersten ter plaatse zijn bij elke catastrofe, waar die zich ook voordoet. Je hebt bijvoorbeeld een internationale school voor geneeskunde waar mensen worden opgeleid om te werken in de moeilijkste omstandigheden. De school begint met een opleiding tot huisarts en daarna volgen de meer technische onderwerpen.

En hoe was het in Puerto Rico?

Richard Levins. Ik probeerde daar de werkers op de koffieplantages te organiseren. Dat project mislukte omdat het regime zich kwam moeien en de mensen afschrikte. Maar wat ik nu zeker zou doen is ervoor zorgen dat je zelfs van een gematigde regering steun krijgt voor een belangrijke diversificatie van de landbouw. Gedurende lange tijd werd er ontbost om koffie te telen. De zon deed de koffieplanten snel groeien en zorgde voor een hoge opbrengst. Maar we kwamen al snel tot de vaststelling dat koffieplanten schaduw nodig hebben en dat ze zonder schaduw misschien wel snel groeien, maar uiteindelijk zouden verbranden en niets meer opbrengen. Wij verzetten ons tegen deze vorm van landbouw omdat ze geen rekening houdt met verschillende vormen van interactie. Ook de landhervorming is belangrijk. Niet alleen omdat de boeren zo arm zijn, maar omdat boeren het land verschillend gebruiken. Boeren uit Indonesië bijvoorbeeld gebruiken een mengeling van verschillende rijstvariëteiten. Er moet dus geen met vitamine A verrijkte gouden rijst ingevoerd worden. Er moet worden nagegaan welk specifiek gewas in de mozaïekstrategie past.

De laatste jaren steken allerlei vormen van verzet de kop op: er wordt geprotesteerd tegen werkloosheid, besparingsmaatregelen, huisuitzettingen enzovoort. Bewegingen zoals de Indignados en Occupy organiseren veel mensen, maar na een tijdje verdampt het verzet. Hebt u hiervoor een verklaring? En belangrijker nog: wat is er nodig om deze bewegingen duurzaam te maken? Is er nu een gebrek aan organisatie?

Richard Levins. Nu zijn we bij het probleem van de organisatie van mensen aanbeland. Om te beginnen moet je weten dat de meeste mensen die eigenlijk aan onze kant zouden moeten staan, tegen ons zijn. We moeten ons dan ook afvragen waarom dat zo is. De reden is een ideologie die zegt: ‘De dingen zijn zoals ze moeten zijn en het is gevaarlijk daarvan af te wijken’. Dat is de overheersende ideologie. Een eerste vraag die wij daarbij stellen is: ‘Welke zijn de nu heersende ideeën die wij zouden willen veranderen?’ En een tweede: ‘Hoe worden de nu heersende ideeën in stand gehouden en wat is er nodig om ze te veranderen?’

       Gramsci[12] en ook anderen zegden dat mensen niet van gedacht veranderen omdat iemand met een beter argument op de proppen komt. Ook ervaring doet hen niet van gedacht veranderen. Wat dan wel? Een combinatie, een integratie van de twee. Samen bezorgen ze de mensen de ervaring en de instrumenten om die ervaring te gebruiken, om de wereld te interpreteren, gebaseerd op die nieuwe ervaring. Het doel van het organiseren van mensen moet dan ook zijn hun een nieuwe ervaring te bieden. Wanneer we massaorganisaties opbouwen is de kwestie dus niet hoeveel mensen er op straat komen of hoeveel pamfletten we uitdelen, maar ‘Hoe heeft deze gebeurtenis invloed op de bewustwording van verschillende groepen mensen?’ Op de deelnemers, de toeschouwers … en ook op de politie waarmee we in contact komen.

       Kijk bijvoorbeeld naar de Women’s Pentagon Action. De bedoeling was onder andere de soldaten aan te spreken: ‘Wij zijn niet tegen jullie, wij zijn ertegen dat jullie ingezet worden als kanonnenvlees’. Ze zochten dus naar de link, de toegangsdeur waarlangs ze de huidige overtuigingen van de soldaten konden verbinden met overtuigingen die beter voor hen zouden zijn. En dat is iets ongelooflijk moeilijks, vooral als je geen goede banden hebt met dat deel van de bevolking en niet weet wat ze echt denken. Daarom is het volgens mij belangrijk om jonge mensen te interviewen die zich hebben losgewerkt uit hun familie-ideologie, en uit te zoeken waarom ze dat hebben gedaan. Welke krachten hebben hen bevrijd? En daarna: welke rol is weggelegd voor de universiteit? Een van de dingen die een universiteit doet, is mensen weghalen uit hun klassenachtergrond en hen voor korte tijd losweken van hun klassenideologie. Op dat ogenblik krijgen die mensen de kans om te leren de dingen op een andere manier te benaderen. Dat is een pijnlijk proces en dat moeten we respecteren. Zoveel mensen vertelden mij dat ze hun familie waren kwijtgeraakt. Ze zijn bang dat ze, als ze tijdens de vakantie naar huis gaan, niets meer hebben om over te praten met hun ouders. Wij moeten dus nagaan op welke manier wij hen kunnen ondersteunen.

       Een revolutionaire beweging moet ook ondersteuning bieden, moet de mensen helpen doorheen het moeilijke proces van bevrijding van de heersende ideologie. Dat proberen we te doen. We hebben het niet erg goed gedaan, maar we hebben het hier en daar wel gedaan. Een van de dingen die de coöperatieve ondernemingen in Argentinië of de coöperaties in Spanje hebben gedaan, is aantonen dat er een alternatief is. Je ontdekt dan de betekenis van Lenins slogan dat ‘iedere kok in staat zou moeten zijn te regeren’.[13] Het is niet gemakkelijk om te leren regeren. Je moet kunnen zeggen: ‘Dit zijn de overtuigingen die we willen veranderen’. De oorlogspropaganda van het leger, bijvoorbeeld, die van terugkerende soldaten helden maakt en die zegt: ‘Wij steunen onze jongens!’ of ‘Wij eren onze helden!’ Wat links moet doen is zeggen: ‘Wij hebben niets tegen de soldaten, maar we zijn heel erg gekant tegen hun rekrutering en de manier waarop ze worden ingezet.’

Keuze uit de werken van Richard Levins

Richard Levins, Evolution in changing environments: some theoretical explorations, 1968, Princeton University Press. Een belangrijk werk waarin Levins evolutionaire processen modelleert die zich kunnen voordoen in veranderende omgevingen daar waar vroegere modellen veeleer van een statische omgeving uitgingen.

Richard Levins, “Some demographic and genetic consequences of environmental heterogeneity for biological control” in Bulletin of the Entomological Society of America, vol. 15, nr. 3, 1969, p. 237-240. Dit artikel introduceert voor het eerst het concept van metapopulaties, namelijk de specifieke dynamiek van ‘een populatie van populaties’. Dat concept wordt momenteel veelvuldig gebruikt in ecologisch onderzoek.

Richard Lewontin en Richard Levins, The Dialectical Biologist, 1985, Harvard University Press. Dit boek handelt over de dialectische methode in de wetenschap en over wetenschapsfilosofie.

Richard Lewontin en Richard Levins, Biology under the influence: Dialectical essays on ecology, agriculture, and health, New York, Monthly Review Press, 2007. Een opvolger van The Dialectical Biologist. Het boek bevat een reeks essays met een dialectische analyse van ecologie, evolutie, landbouw en gezondheidszorg.

Richard Levins, “The Road to Wholeness in Medicine and Public Health”, International Critical Thought, vol. 4, nr. 2, 2014, p. 221-240. Een recent artikel waarin Levins wetenschappers en beleidsmakers oproept opnieuw een dialectisch analysekader in te voeren betreffende geneeskunde en openbare gezondheidszorg.

Gunter Kathagen (gunter.kathagen at gmail.com) is bioloog gespecialiseerd in ecologie en populatiegenetica. Hij bereidt een doctoraat biomedische wetenschappen aan de KU Leuven en verricht hiervoor onderzoek naar de darmflora bij de mens. 


[1]     John Burdon Sanderson Haldane (1892-1964) was een veelzijdige Britse wetenschapper die onder meer aan de basis lag van de van de moderne synthese van de evolutietheorie en de populatiegenetica.

[2]     John Desmond Bernal (1901-1971) was een Britse wetenschapper die belangrijke bijdragen leverde in het veld van de kristallografie en de geschiedenis van de wetenschap.

[3]        De populatiegenetica onderzoekt de dynamieken en de processen die invloed hebben op de genetische opmaak van bepaalde groepen van individuen binnen een soort.

[4]      Richard Dawkins (1941) is een Britse evolutionair bioloog en vooral bekend van zijn (populair) wetenschappelijke boeken zoals The Selfish Gene (1976) en The God Delusion (2006).

[5]      Edward Wilson (1929) is een Britse bioloog. Hij verwierf zijn wetenschappelijke status door de formulering van de theorie van de eilandbiogeografie samen met Robert MacArthur. Wilson wordt ook wel de vader van de sociobiologie genoemd, een tak van de wetenschap die vooral bekend werd door de publicatie van Wilsons boek Sociobiology: The New Synthesis (1975), waarin hij tracht het sociaal gedrag van dieren (onder meer de mens) te verklaren vanuit evolutionair oogpunt.

[6]      De verhouding tussen oppervlakte en volume (oppervlakte-volumeratio) zorgt ervoor dat onder andere grotere dieren een relatief groter volume bezitten in vergelijking met hun oppervlakte dan kleinere dieren. Dat heeft tot gevolg dat, in het algemeen, grotere dieren (kleinere oppervlakte-volumeratio) relatief minder last hebben van bijvoorbeeld waterverlies of hitteverlies dan kleinere dieren, die door hun grotere oppervlakte-volumeratio meer worden blootgesteld aan hun omgeving.

[7]     Overvloedig aanwezigheid.

[8]     Entomoloog: wetenschapper die insecten bestudeert.

[9]      Het menselijkgenoomproject (afgekort HGP (van human genome project)) is een programma om alle menselijke genen te identificeren en te lokaliseren en de structuur van het menselijke DNA volledig op te helderen, tot op het niveau van de individuele basenparen.

[10]     De eugenetica of rasveredeling is het wetenschappelijk onderzoek naar het verbeteren van de genetische samenstelling van een populatie. Eugenetica is in strijd met de in de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkelde mensenrechten en antidiscriminatiewetgeving. Aangezien eugenetica in verband wordt gebracht met de Holocaust en het nazistische sterilisatiebeleid, is het onderwerp in vele landen een politiek taboe.

[11]    In de stad Bhopal (India) stierven in 1984 duizenden mensen na het vrijkomen van veertig ton methylisocyanaat uit een fabriek van Union Carbide.

[12]    Antonio Gramsci (1891-1937) was een Italiaanse marxistische theoreticus en politicus die werd gevangen genomen en uiteindelijk stierf onder het fascistisch regime van Benito Mussolini.

[13]    Deze uitdrukking komt voor op een affiche van Ilya Pavlovich Makarychev uit 1925 die de vrouwelijke werknemers aanmoedigde om deel te nemen aan het politieke leven: museum.edu.ru/catalog.asp?cat_ob_no=13047&ob_no=13426. De inspiratie hiervoor kwam uit een tekst van Lenin: Wij zijn geen utopisten. We weten dat de eerste de beste fabrieksarbeider of kokkin niet plotseling in staat zijn om deel te nemen aan het staatsbestuur. […] Wij eisen dat door de bewuste arbeiders en soldaten onmiddellijk wordt gestart met de scholing in het bestuur van de staat; met andere woorden alle arbeiders en arme burgers moeten onmiddellijk aan deze scholing kunnen deelnemen.” (Les bolchéviks garderont-ils le pouvoir ?, oktober 1917, in Œuvres, deel 26, p. 109.)