Politiek als een strijd om betekenis

Auteur: 
Ico Maly

Politiek is in hoog gemediatiseerde samenlevingen, naast veel andere zaken, ook steeds een strijd om betekenis. Een strijd over wat bepaalde woorden betekenen, hoe we bepaalde feiten moeten interpreteren en hoe we de ideologie van een partij moeten begrijpen. Woorden hebben dan ook geen vaste betekenis, maar zijn steeds onderhevig aan een politiek-ideologische machtsstrijd. Alle taalgebruik is potentieel gekleurd, er bestaat dus geen a priori neutraal taalgebruik.

Taal, macht, politiek en ideologie

Taal is een historisch gegeven. We gebruiken allemaal een taal die we niet zelf uitgevonden hebben. Aangezien taal historisch is, betekent dat ook dat we ons, als taalgebruikers, niet altijd bewust zijn van de macht die we door ons taalgebruik uitoefenen op anderen. Dit komt omdat we niet altijd een idee hebben van de oorspronkelijke doelstellingen die anderen voor ogen hadden. Zo kan iemand die niet vertrouwd is met de negatieve gevoelswaarde van het woord ‘neger’, dit woord gebruiken als een louter beschrijvende term zonder de intentie een waardeoordeel uit te spreken. Ondanks de intenties van de gebruiker, zal deze term wel degelijk heel de koloniale geschiedenis en de bijhorende machtsverhoudingen oproepen bij toehoorders die zich bewust zijn van die geschiedenis.

     Naargelang de context en de spreker zullen betekenis en impact anders zijn. De context, zo zegt Blommaert, “bestaat in verschillende vormen en opereert op verschillende niveaus, van het oneindig kleine tot het oneindig grote”.[2] Die ‘kleine context’ zit hem bijvoorbeeld in het feit dat elke zin die mensen produceren, zich situeert in een omgeving waarin zowel voordien als nadien nog zinnen geproduceerd worden die elk zullen bijdragen tot de betekenis van de zin die geproduceerd wordt. Het kleine kan echter ook een klank zijn, een bepaalde intonatie of een bepaalde gezichtsuitdrukking. Als iemand bijvoorbeeld het woord ‘neger’ gebruikt, maar het tussen aanhalingstekens plaatst, dan wordt duidelijk dat die persoon ten eerste weet heeft van de negatieve connotatie en ten tweede dat hij er afstand van neemt.

     We verstaan iets omdat het zinvol is in een bepaalde context.[3]

Taal en betekenistoekenning zijn historische, sociale, culturele en politieke gegevens. Omgekeerd is het ook door en met taal dat een samenleving vorm krijgt. Taal heeft te maken met machtsuitoefening.

     Macht, taal en politiek brengen ons naadloos bij discours. Volgens Foucault[4] is het immers door middel van discours dat de nieuwe rituelen van macht uitgeoefend worden. Zij houden de definitie in van wat als gewoon en verwacht wordt bestempeld en wat wordt neergezet als een afwijking, een uitzondering.

     Objecten bestaan in de realiteit, maar hoe we kijken naar die objecten en hoe we ze begrijpen, dat is een gevolg van het discours over het object.[5]

     Discoursen zijn manifestaties van ideologieën. Als politiek en ideologie in één zin worden gebruikt, dan duikt meteen een welbepaalde definiëring op van ‘ideologie’. Dan denken we meteen aan de welbekende ‘-ismen’: socialisme, liberalisme, fascisme, communisme en conservatisme. ‘Ideologie’ staat hier voor een partijdige, niet-feitelijke kijk op de wereld. Een blik met vooroordelen, gekleurd door een politieke of andere voorkeur.

     Er is echter ook een tweede categorie aan definiëringen van het concept ‘ideologie’. In deze categorie wordt ‘ideologie’ een algemeen fenomeen dat kenmerkend is voor een sociaal of politiek systeem. Elk lid, elke actor in dat systeem, draagt die ideologie mee uit. Thompson, professor sociologie aan de universiteit van Cambridge, beschrijft ‘ideologie’ als volgt: “Het concept van ‘ideologie’ […] richt onze aandacht op de manieren waarop betekenissen gemobiliseerd worden in functie van dominante individuen en groepen, waarop betekenis geconstrueerd en gecommuniceerd wordt via symbolische vormen en hoe ze, in specifieke omstandigheden, relaties in het leven roept en onderbouwt waarvan sommige individuen en groepen meer profiteren dan anderen, en waarbij sommige individuen een belang hebben deze te behouden, waar anderen deze beogen uit te dagen.”[6] Ideologie’ is dan “een constellatie[7] van normatieve overtuigingen en ideeën die verband houden met aspecten van de sociale realiteit en die als fundamenteel of als vanzelfsprekend overkomen”.[8] In die laatste categorie staat ‘common sense[9], of in de geest van Barthes[10], ‘normaliteit’ centraal. Door Barthes weten we dat die normaliteit inherent ideologisch is.[11] Het is de normaliteit die, volgens hem, macht onzichtbaar maakt.

     De norm wordt verondersteld vrij te zijn van ideologie en zo lijken de machthebbers eveneens politiek-ideologisch vrij te zijn. Niets is minder waar: juist die afwezigheid van het ideologisch karakter van de normaliteit laat zien dat de ideologie van de machthebbers als norm gehanteerd wordt. Thompson definieert ‘ideologie’ als “betekenis in dienst van de macht”.[12] Deze definiëring van ‘ideologie’ komt zeer dicht bij het idee van Gramsci over ideologie en hegemonie.

Deze twee categorieën om na te denken over ideologieën zijn niet noodzakelijkerwijs elkaars tegengestelden. Meer nog, als we Barthes volgen, dan zijn deze twee visies, twee aspecten van een en hetzelfde fenomeen.

     Ideologie ontstaat als een reeks genormaliseerde ideeën, niet zomaar uit het niets. Ideologieën hebben een duidelijke relatie met materialiteit, met ‘harde’ machtsverhoudingen. Althusser[13] benadrukte de materiële productie van ideologie door middel van wat hij ‘ideologische staatsapparaten’ noemde. Deze apparaten van ideologieproductie zijn niet louter te begrijpen als letterlijke apparaten van de staat. Zo zag hij niet alleen scholen, het juridisch apparaat, het politiek systeem en politieke partijen, maar ook kerken, de vakbonden, de media en het cultureel landschap allemaal als ideologieproducerende apparaten.[14]

     Dus ook ‘het middenveld’ is een ideologisch staatsapparaat. ‘Ideologie’ handelt met andere woorden over ideeën waarvan de structuur en de verspreiding door en door verweven zijn met maatschappelijke structuren. Dat houdt ook in dat ideologie niet gelijk verdeeld is in de samenleving. Er zijn producenten, reproducenten en consumenten van ideologie. Dat betekent ook dat ideologie per definitie een historisch fenomeen is. “Ideologieën hebben een echte geschiedenis, met echte actoren, echte instellingen, momenten waarop van alles gebeurt gevolgd door momenten waarop alles wat langzamer en stabieler lijkt te evolueren.”[15]

     Ideologieën zijn dus maatschappelijke fenomenen die heel duidelijk in verband staan met macht en politiek. Ideologieën houden machtsverhoudingen in stand. Dat betekent ook dat niet iedereen dezelfde ideologie heeft. En het betekent ook niet dat iedere ideologie evenveel waarde toegekend wordt. Sommige ideologieën zijn hegemonisch[16] en gaan daarom door als ‘normaal’. De normaliteit is volgens Barthes juist een uiting van macht. Zo slagen de machtigen er, volgens Barthes, in zichzelf en hun ideologie te verbeelden als normaal, neutraal en feitelijk. De ideologie van de machthebbers wordt niet meer gezien als ideologie. Ze wordt vanzelfsprekend en net hierdoor wordt die ideologie het nulpunt waartegen alle andere ideologieën worden beoordeeld en vaak veroordeeld. Het is voor Barthes dan ook geen toeval dat er in Europa geen politieke partijen zijn die expliciet hun strijd voor de bourgeoisie vermelden in hun naam of beginselen: “De bourgeoisie definieert zich als de maatschappelijke klasse die niet genoemd wil worden.”[17]

Ideologie, zo weten we sinds het werk van Gramsci[18], is een instrument van machtsuitoefening. Gramsci gebruikt de term ‘hegemonie’ om te verwijzen naar de ideeën en overtuigingen die via intellectueel en moreel leiderschap een dominante positie toebedeeld krijgen. Hij stelt dat dergelijk leiderschap minstens even belangrijk is voor de bewerkstelliging van machtsverhoudingen als klassieke repressie. Gramsci maakt een onderscheid tussen regeren met dwang (politie, justitie, …) en regeren met instemming. Deze beide manieren van regeren vormen samen machtsuitoefening. Hegemonie zorgt dus voor instemming. Het is via hegemonische ideeën dat de bestaande orde – inclusief de ongelijke machtsrelaties en waarden – vanzelfsprekend en natuurlijk lijkt. Die machtsuitoefening via hegemonie is echter niet los te koppelen van repressie, disciplinering, straffen en surveillance: “Uiteindelijk is hegemonie misschien wat het is omdat er een reële prijs moet worden betaald om antihegemonisch te zijn. Deze prijs kan zijn dat men niet wordt begrepen, niet wordt gehoord, niet wordt erkend als een subject, maar het kan ook zijn dat men wordt verbannen, uitgestoten, vermoord, gevangen, ontslagen of gek wordt verklaard.”[19]

Omdat hegemonie samenhangt met ideologie en macht, hebben we te maken met een politiek fenomeen. Men kan zelfs stellen dat politiek in essentie draait rond het hegemoniseren van de eigen ideologie of zienswijze. Politici zullen namelijk trachten om hun eigen opvattingen – en die van hun groep of partij – voor te stellen als de normen, waarden en percepties van de maatschappij in haar geheel.[20] Politiek wordt vanuit dit perspectief gezien als een ideologische strijd door middel van de productie en circulatie van discoursen met als doel macht te verwerven.

N-VA, antiverlichting en de strijd om hegemonie

De Wever en zijn N-VA staan vandaag in het centrum van de macht. Hun discours en hun ideologische overtuiging worden niet meer herkend als ideologie, maar circuleren als waarheid. Hun discours is de norm waarmee alle andere discoursen en ideologieën op hun waarde worden beoordeeld. Het discours van De Wever lijkt een zuivere uiting van realisme te zijn ten opzichte van al die utopische, abstracte en wereldvreemde hersenspinsels van wat hij ‘de linkse kerk’ noemt en de heersende belgicistische elite. De Wever heeft op die manier in Vlaanderen de hegemonie verworven in het denken over democratie, solidariteit en over België. Bovendien is hij erin geslaagd om zijn radicaal nationalistisch, neoliberaal en antiverlichtingsdenken te laten circuleren als een gematigde, democratische, solidaire en moderne opvatting over de samenleving.

De ideologie van N-VA

Taal, discoursen en ideologieën zijn historische gegevens. Dat betekent dat de woorden van De Wever en N-VA niet louter hun woorden zijn. Door de mond van De Wever spreken talloze anderen. Sommige van de gebruikte woorden en betekenissen zullen bewust worden gereproduceerd, andere onbewust. Hoe dan ook, het discours van De Wever spreekt, zoals elk discours over de geschiedenis, door allerhande referenties, woorden en cues uit een reeks historische discoursen samen te brengen in een enkel heterogeen en hedendaags discours. Het spreken van De Wever oriënteert zich op de geschiedenis. Hij spreekt vanuit een bepaalde positie of meerdere posities uit de geschiedenis.

De Wevers ideologieën en synchronisatie

In ideologieën zien we een gelaagde historiciteit aan het werk. Dat is bij de ideologie van N-VA niet anders. We illustreren dit aan de hand van de inleiding tot de column “9/11” die De Wever aan de oorspronkelijke column toevoegde in zijn eerste boek.[21]

     In het spreken van De Wever over de aanslagen van 9/11 in het hier en nu, zien we uiteenlopende historische ideologieën gereproduceerd. De inleiding van De Wever gaat als volgt:

De vraag naar de compatibiliteit van de islam met onze publieke cultuur, met andere woorden ons westers normen- en waardenstelsel, is een belangrijke kwestie. […] De islam en zeker het islamisme – de politieke vertaling die de gehele islam politiek wil verankeren in alle wetgeving en dus niet wil beperken tot de privésfeer – worden vaak gezien als een antimoderne (of ‘achterlijke’) stroming die de verlichting nog door te maken heeft. Daar is op bepaalde vlakken iets van aan: de scheiding van Kerk en Staat en andere ideeën zoals de gelijkwaardigheid van man en vrouw zijn voor deze lieden geen prioriteit.

     Toch loont het de moeite om dit debat ook vanuit een andere invalshoek te bekijken en bijvoorbeeld te wijzen op gelijkenissen tussen het moslimfundamentalisme en pakweg de Franse Revolutie, toch de uiting bij uitstek van verlichting en moderniteit. Beide zijn utopische denkwijzen en gaan uit van een blauwdruk van de samenleving, die soms ver weg staat van de concrete realiteit. En net als bij de jakobijnen, heiligt het doel de middelen voor fundamentalisten, zelfs als die middelen geweld impliceren.

     Geen wonder dat maatschappelijk conservatieven zo veel inspiratie vinden bij Edmund Burke, die deze uitwassen van de Franse Revolutie zo duidelijk aan de kaak stelde. […]

     In plaats van toe te laten dat migranten beïnvloed worden door fundamentalistische ideeën uit het buitenland, is het omgekeerde nodig: een doorgedreven blootstelling van nieuwkomers aan de verlichting zodat zij hun netwerk in het land van herkomst beïnvloeden. Daarnaast is het nodig dat Europa wint aan geloofwaardigheid in de buitenlandse politiek wil het een rol spelen in het bestrijden van het mondiale terrorisme en de voedingsbodem ervan.[22]

De Wever spreekt in dit stuk vanuit het hier en nu anno 2004, maar reproduceert in zijn spreken verschillende ideologieën vanuit diverse punten in de geschiedenis.[23] Hij spreekt vanuit Europa, meer bepaald België en Vlaanderen, een welvarend, westers land. De concrete context waarin dit stuk in eigen land verschijnt, is de op dat moment hevige mediadiscussie over de uitspraak van toenmalig kardinaal Danneels dat de islam nog een verlichting moet doormaken zoals het christendom dat gedaan heeft.

     Naast dit hier-en-nu-perspectief in de geschiedenis, is er ook de middellange geschiedenis in eigen land die De Wever reproduceert, namelijk het migrantendiscours zoals het Vlaams Belang en Verhofstadt dat vorm gegeven hebben in de jaren 1990. Zo start De Wever zijn inleiding met “de vraag naar de compatibiliteit van de islam met onze publieke cultuur, met andere woorden ons westers normen- en waardenstelsel”. Deze vraag is niet nieuw, maar is een letterlijke reproductie van de vraag die Verhofstadt zich al stelde in zijn Tweede Burgermanifest. Verhofstadt antwoordt daarin, net zoals het Vlaams Blok voor hem, negatief op deze vraag. Volgens hem is de islam niet compatibel met de westerse samenleving. Daarom moet er voor hem worden ingezet op inburgering, op het aanleren van onze waarden en normen zodat ‘zij’ hier kunnen leven. Ook De Wever reproduceert dit, door zijn inleiding te besluiten met de oproep om ‘nieuwkomers’ doorgedreven bloot te stellen ‘aan de verlichting’. Dat migrantendiscours is echter geen louter Belgische of Vlaamse aangelegenheid, maar is ook heel duidelijk beïnvloed door gelijkaardige debatten in Frankrijk of bestsellers als Samuel Huntingtons The Clash of Civilizations[24] in diezelfde jaren 1990. In dit discours zijn moslims fundamenteel anders dan ‘wij’ waardoor zij ‘botsen met ons westers normen- en waardenstelsel’.[25]

     Kortom, dit discours reproduceert een machtig discours dat twee decennia eerder al centraal stond in de verantwoording van het militair ingrijpen van de VS.

     De premissen van dat discours waren ook toen niet nieuw, maar gaan terug op een lange traditie in het denken over cultuur en beschaving.

     En zo komen wij bij een volgende orde van historiciteit die deze inleiding van De Wever oproept, namelijk de eeuwenlange politiek-ideologische strijd tussen de verlichting en de antiverlichting. De Wever switcht hier tussen de beide tradities. Als hij ‘onze publieke cultuur’ definieert, doet hij dat met de concepten die de Verlichting ons gegeven heeft. Onze waarden en normen staan dan voor de scheiding van kerk en staat, de democratie en de moderniteit. Tegelijkertijd spreekt De Wever ook vanuit de Burkeaanse[26], Herderiaanse[27], nationalistische en antiverlichtingstraditie.

     De antiverlichtingstraditie in het algemeen en de standpunten van Burke in het bijzonder spreken  rechtstreeks tot ons door de mond van De Wever als hij ‘de gelijkenissen tussen het moslimfundamentalisme en pakweg de Franse Revolutie, toch de uiting bij uitstek van verlichting en moderniteit’ benadrukt. Om deze gelijkenissen te beargumenteren, herhaalt De Wever, door de gelijkschakeling van de Franse Revolutie, jacobinisme[28], utopisme, fundamentalistisch, gewelddadig en het doel heiligt de middelen, de striemende kritiek van Burke op de Franse Revolutie.[29]

     De Wever spreekt hier duidelijk niet meer vanuit het verlichtingsdenken. Dit spreken reserveert hij enkel voor een multiculturele context, waarin de verlichting geïnstrumentaliseerd wordt ter distantiëring van ‘de ander’, ‘de islam’. De verlichting wordt dan ingezet om een cultureel evolutionisme te verantwoorden.

     In dit citaat spreekt De Wever vanuit de antiverlichtingspositie en meer bepaald vanuit het gezichtspunt van Burke dat hij bestempelt als ‘inspiratievol’, als een ‘zo duidelijke kritiek van de uitwassen van de Franse Revolutie’. De gelijkschakeling van de Franse Revolutie door de ogen van Burke met de aanval van moslimfundamentalisten dient een heel duidelijk politiek doel in het hier en nu. Immers, via Burke en de synchronisatie van twee gebeurtenissen waartussen meer dan twee eeuwen zitten, slaagt De Wever erin om zich politiek in de markt te zetten als tegenstander van het moslimfundamentalisme (en zelfs de islam en de moslims) en zich te distantiëren van de ‘socialisten’ en andere progressieven die geloven in de maakbaarheid van de samenleving. Meer nog, beide visies op de wereld worden niet alleen neergezet als utopisch, maar ook als ideologieën die er niet voor terugdeinzen om geweld te gebruiken om hun doelen te halen. Impliciet benadrukt De Wever, steunend op Burkes aanval op de verlichting, de gelijkenissen tussen de linkse kerk en de moslims die die kerk zou beschermen.

     Met de reproductie van Burke, reproduceert hij ook het standpunt van Hayek[30] en Berlin[31]: namelijk dat elk ingrijpen van de staat en de politiek ten aanzien van een rechtvaardige en gelijke samenleving niet alleen utopisch is, maar ook onvermijdelijk uitmondt in geweld, chaos en barbarij.

De ideologische lagen in de N-VA-ideologie

In de politieke communicatie van De Wever zien we de reproductie van een hele rij andere ideologische stemmen. De Wever misbruikt de verlichting om als gematigd over te komen, als glijmiddel om een antiverlichtingsproject te realiseren en als een instrument ter normalisering van het cultureel evolutionisme.

De antiverlichting

De eerste en dominante ideologie die De Wever constant reproduceert, is de ideologie van de antiverlichting. We hebben het hier dan over het Herderiaans en Burkeaans nationalisme in combinatie met conservatisme. In dit nationalisme begrijpt men de natie als een organisme met een morele en culturele sokkel die doorheen de geschiedenis is vormgegeven. De natie is geen kwestie van maken, maar van groeien. Die etnische, homogene natie moet bewaard blijven met de bestaande orde. Dat houdt in dat die oude historische natie en de reproductie van die natie primeren boven bijvoorbeeld de mensenrechten. De Wever en N-VA komen op voor het particuliere en tegen het universele, tegen een kosmopolitische moraal en bijgevolg tegen de Natural Law[32].

Tabel 1. Categorisering van Wij (goede Vlamingen) en Zij (linkse kerk, moslims, Walen)
Wij Zij
Rechtschapen Vals
Trouw Verraden
Eerlijk Leugenaars
Volhardend Compromissen/toegevingen
Moedig Laf
Hardwerkend Hangmat
Serieus Spelletjes spelen
Consequent Postjespakkers

Het primaat van de natie betekent ook dat de morele en culturele orde van de natie moet worden gereproduceerd. Media en onderwijs moeten de burgers niet voorbereiden op een leven in een complexe en superdiverse wereld, maar moeten meebouwen aan de homogene natie. Dit alles gaat gepaard met een cultureel evolutionisme. De typering van Vlaanderen als een ‘morele gemeenschap’ is hiervoor een heel krachtig discursief frame[33] dat een zeer sterke retoriek en scherpe contrasten mogelijk maakt.

     Nieuwkomers kunnen lid worden van de gemeenschap enkel en alleen als ze de identiteit van die etnische natie onderschrijven, als ze de morele orde uitdragen en in stand houden. Concreet houdt dit in dat zowel de democratie als de verlichtingswaarden van vrijheid en gelijkheid ondergeschikt worden gemaakt aan de natie. Deze ideologische uitgangspunten zijn dominant. Alle andere ideologische invloeden worden binnen dit globaal kader ingevuld en gereproduceerd.

Het neoliberalisme

Een tweede ideologie die spreekt doorheen het discours van De Wever is die van het neoliberalisme. De Wever neemt dan wel om de haverklap dat neoliberalisme onder vuur, in die aanvallen viseert hij enkel de ethische dimensie van het neoliberalisme. De Wever is een neoliberale nationalist en verwerpt dan ook het individualisme dat met het neoliberalisme gepaard gaat in zijn denken. Het neoliberalisme wordt aanvaard zolang het niet in strijd is met het belang van de natie. Kijken we naar de opvattingen die De Wever spuit over de inrichting van de staat, de invloed die de staat moet hebben op de economie en de organisatie van de economie zelf, dan zien we dat De Wever, net zoals Dalrymple[34], de neoliberale dogma’s van Hayek, Friedman[35] en de Chicago-school[36] reproduceert.

     De staat moet zo minimaal mogelijk zijn en mag niet optreden om gelijkheid te bewerkstelligen. De staat mag enkel maatregelen nemen om de natie te reproduceren of de concurrentie te organiseren. De indexering moet worden afgeschaft, werkloosheidsuitkeringen moeten dalen en beperkt worden in de tijd. N-VA trekt in die zin zonder veel moeite de Europese kaart, en ze doet dat steeds op een voorwaardelijke wijze. N-VA onderschrijft de economische koers die Europa vandaag uitdraagt en zolang die de strijd voor de Vlaamse natie niet dwarsboomt, onderschrijft N-VA de Europese politiek. Meer zelfs, ze wordt een absolute en dogmatische pleitbezorger van dit beleid.

Het Vlaams-nationalisme

Een derde ideologische invloed is uiteraard de opgang van het Vlaams-nationalisme en de bijhorende historische ideologische ontwikkelingen. In eerste instantie denken we bijvoorbeeld aan Lodewijk De Raet en zijn economisch nationalisme, maar ook zijn pogingen om via de volkshogescholen een Vlaamse elite op te bouwen. Uiteraard kan de ideologische erfenis van de Volksunie hier niet ontbreken. N-VA ziet zichzelf niet alleen als de legitieme erfgenaam van de Volksunie, de partij verbeeldt zichzelf in dezelfde traditie van wat zij een humanitair en democratisch

     De Volksuniestempel zet de partij ook in om zich te onderscheiden van de andere erfgenaam van de Volksunie, het extreemrechtse Vlaams Belang. Om dit onderscheid te benadrukken, introduceert N-VA, bovenop het concept van de etnische en harmonieuze natie die de partij deelt met het Vlaams Belang, een tweede natieconcept. Dit concept benoemt N-VA als een civiel nationalisme, waarmee ze meteen ook het verlichtingsdenken oproept. Dit natieconcept heeft echter ook niets te maken met de verlichting. Immers, die civiele Natie is heel duidelijk geënt op de etnische natie. De etnische natie primeert, waardoor het verschil tussen N-VA en het Vlaams Belang minimaal is.

Homogeneïsme

Een laatste ideologie die spreekt door de woorden van De Wever is de ideologie van het homogeneïsme.[37] Ook deze ideologie is schatplichtig aan en een gevolg van het antiverlichtingsdenken, het nationalisme en de Vlaams-nationalistische strijd die N-VA uitdraagt. Centraal in dit idee is dat een samenleving slechts kan overleven, maar gezond kan zijn, als er een voldoende mate van homogeniteit is. Diversiteit of heterogeniteit in het discours van N-VA is iets dat het land onbestuurbaar maakt en enkel kosten met zich meebrengt.

     In het geval van N-VA komt het belang bovendrijven van de normen én waarden, van de rechten én plichten die nieuwkomers zich moeten eigen maken. N-VA ziet de ene gedeelde morele en culturele basis als de voorwaarde voor een (h)echte en harmonieuze samenleving. Centraal staat het behoud en de reproductie van de ethnische Natie: de Vlaamse taal en de Vlaamse waarden en normen moeten ook door de nieuwkomers worden uitgedragen, enkel dan zijn ze welkom. Vooral moslims en de islam komen hierbij in het vizier, omdat men zich inbeeldt dat zij de culturele sokkel van de Vlaamse natie en de verlichting niet delen. Enkel als nieuwkomers slagen voor een inburgeringsexamen inclusief taaltesten, genieten ze al hun rechten. Enkel als ze Nederlands spreken, hebben ze recht op arbeidsbemiddeling, op een sociale woning, op een leefloon en stemrecht. Kortom, die homogeniteit is zo belangrijk voor N-VA dat de mensenrechten en de democratie er ondergeschikt aan worden gemaakt.

Media en de strijd om hegemonie

De verkiezing van De Wever tot voorzitter van N-VA was meteen de keuze voor het inzetten van de massamedia als politiek instrument. Zonder circulatie in de massamedia kan de partij haar politieke project nooit realiseren en De Wever is zich daarvan ten volle bewust, zo blijkt uit zijn open communicatie over zijn verhouding met de media. De partij moet bovendien niet alleen in de massamedia komen, ze moet zich ook ontdoen van het extreemrechtse stigma waarmee het Vlaams-nationalisme worstelt. Het label conservatief moet worden ontdaan van zijn kille, harde en onpopulaire imago. De Wever moet zichzelf en zijn partij niet alleen presenteren als rechtlijnig,

zakelijk, gematigd, democratisch en niet-racistisch, hij moet ook het Vlaams-nationalisme in de markt zetten als een modern en gematigd product.

Het product

De zeer radicale ideologie van N-VA wordt dan ook zeer zorgvuldig verpakt. N-VA verkoopt haar antiverlichtingsdiscours, haar radicaal Vlaams-nationalistisch en neoliberaal politiek project als een project ter versterking van de democratie. Het nationalisme van N-VA is niet radicaal, noch discriminerend, maar is open en inclusief, dit in tegenstelling tot het nationalisme van het extreemrechtse Vlaams Belang. Conservatisme en democratisch, humanitair nationalisme is het antwoord op de ‘grondstroom in Vlaanderen’, op de behoeften van de Vlaming en dit antwoord is gematigd.

     Het voorwaardelijk maken van de democratie en de mensenrechten wordt in de markt gezet als een verhaal van kansen. De aanval op ‘solidariteit als herverdeling’ wordt gevoerd onder de banier van ‘echte solidariteit’. Dat die ‘echte solidariteit’ in de retoriek van N-VA in wezen verwijst naar voorwaardelijke liefdadigheid wordt zelden expliciet gemaakt. N-VA spreekt niet over ‘separatisme’, maar over ‘de nood aan het hervormen van dit land dat door haar twee democratieën enorme heterogeniteitskosten heeft’. N-VA investeert sterk in het verpakken van haar boodschap als een gematigde boodschap.

     N-VA zet haar boodschap in de markt als een uiting van realisme. Zij zegt waar het op staat zonder franjes, zonder taboe en zonder ideologische bril, tegen de heersende elite in. Ze zet zich op die manier af tegen de ‘linkse kerk’, de ‘belgicistische elite’ of ‘de bakfietshouders van Zurenborg’, kortom, tegen degenen die zogenaamd de macht hebben. Die elite streeft een utopisch en dus een gevaarlijk ideaal na. Hun denken is abstract, staat los van de realiteit en kan elk moment ontaarden in geweld. Dat dominante denken is de grote boosdoener volgens het discours van N-VA. Het zorgt er niet alleen voor dat België overeind blijft, het zet ook de aanval in op de Vlaamse identiteit en N-VA in het bijzonder.

     Dat dominante denken houdt ook nog eens de moslims de hand boven het hoofd met zijn politiek correct multicultureel verhaal. Net zoals alle antiverlichtingsdenkers verbeelden N-VA en De Wever zich als slachtoffers van het systeem, als strijders tegen de dominante stroom in.

     De Wever en zijn partijgenoot en ex-journalist Bracke weten hoe ze moeten communiceren in het huidige mediaveld. Nagenoeg alle politieke communicatie van N-VA presenteert een en hetzelfde master-narratief[38], ongeacht het debat waarbinnen de partij communiceert. Elk probleem in België is een gevolg van het feit dat België een land is dat op de afgrond staat, dat bijna failliet is. België is een non-natie op de terugweg met twee publieke opinies, twee identiteiten en twee democratieën en daarom werkt niets in dit land. N-VA bestrijdt die geblokkeerde democratie zodat Vlaanderen eindelijk het bestuur krijgt dat het verdient. Daarom moeten grote en structurele hervormingen worden doorgevoerd, er moet een copernicaanse omwenteling komen en het zwaartepunt moet naar de regio’s worden verlegd. Enkel dan kan Vlaanderen het beleid voeren dat het nodig heeft en vraagt. De PS en de Franstalige partijen houden dat echter tegen met de steun van de Vlaamse partijen die kiezen voor de postjes in plaats van de principes.

     Deze boodschap wordt gebracht in een vorm die op maat gemaakt is van de huidige media-economie. De communicatie is bondig, scherp en vermijdt politiek jargon. De oneliners, anekdotes en sensationele quotes staan steevast klaar. Voor elk media-optreden heeft De Wever een goede oneliner om de politieke strijd aan te gaan. De Wever maakt dankbaar gebruik van metaforen[39] en metonymieën[40] die alle ingezet worden om de boodschap te verpakken als normaliteit, als gematigd en als dé stem van het volk.

     De taal van De Wever lijkt voor iedereen te begrijpen en heeft tegelijkertijd het aura[41] van een intelligent, zelfs een diepgaand verhaal. In realiteit is die begrijpbaarheid louter schijn, immers, de zeer radicale historische traditie en ideologie die N-VA uitdraagt, worden versluierd in een retoriek die als enige doelstelling heeft om gematigdheid te projecteren. Zoals we hebben aangetoond begrijpen journalisten van uiteenlopende media, maar ook politieke tegenstrevers en intellectuelen, het politieke project van N-VA als gematigd, democratisch en legitiem. Nooit wordt bijvoorbeeld het antidemocratisch karakter van de partij duidelijk gemaakt, noch de radicaliteit van haar plan op economisch vlak. De enige radicaliteit die men bij momenten ontwaart, is de radicaliteit van haar communautair programma. De radicaliteit van het N-VA-programma is nauwelijks te begrijpen als men niet voorbij de retoriek kijkt.

     N-VA en De Wever communiceren niet alleen ‘zuivere politieke inhoud,’ ze communiceren ook een identiteit, een identiteit van de partij en een identiteit van haar voorzitter. Bart De Wever is een ware volksheld én de vleesgeworden morele gemeenschap – de perfecte Vlaming. Hij is een man van het volk, getuige zijn voorliefde voor het Draakske, de boekskes, zijn pakken van SKM, zijn huis zonder design, het feit dat hij zelf het gras maait en zijn dieet. Hij is niet alleen een gewoon mens, hij is ook nog eens een sarcastische grapjas, zo weet heel Vlaanderen sinds zijn optredens in De slimste mens ter wereld.

     Die gewone man heeft een buitengewoon karakter. De Wever is een doorzetter, iemand die moedig, eerlijk en vastberaden gaat voor zijn principes. De Wever is niet te corrumperen voor een postje. Hij liet zelfs het premierschap met graagte aan Di Rupo als dat de Vlaamse zaak zou dienen. Zijn moed en zijn opofferingen voor de goede zaak maken van hem een held, bijna een messias die op handen gedragen wordt door het volk.

De reproductie

Vooral De Wever is in de massamedia dominant aanwezig. Hij is de laatste jaren de meest gemediatiseerde politicus van Vlaanderen. In nieuws- en duidingsprogramma’s is hij een ideale sparringpartner. Hij is cassant, vlot van tong en altijd goed voor een sensationele opmerking, een goede oneliner of een sarcastische grap. De Wever is nieuws, hij zorgt altijd voor nieuws en het publiek wil hem zien. Zijn politieke communicatie is goed, in de zin dat ze perfect past binnen de dominante mediaformaten van vandaag.

     De massamedia geven niet alleen ruimte in hun programma’s en in hun kranten en magazines, ze reproduceren ook zelf de boodschap van De Wever.

     Het idee dat België twee democratieën heeft, wordt zowel door journalisten als politici van andere partijen gereproduceerd als hoge waarheid, als een feitelijke beschrijving van de realiteit. Zelfs woorden als ‘oversolidariteit’ worden gereproduceerd door kwaliteitsmedia, zonder dat men lijkt stil te staan bij de politiek-ideologische doeleinden waarvoor dit woord is geïntroduceerd in het maatschappelijk debat. We kunnen hier een lange lijst aanleggen van woorden, zinnen en ideeën die De Wever gelanceerd heeft en die nu gemeengoed zijn. Zo denken we aan de nieuwe definitie die aan democratie gegeven wordt, maar ook aan oneliners als ‘vette vis’ (goed akkoord) versus

‘borrelnootjes’ (slecht akkoord) of de uitdrukking dat je het paard wel kan leiden naar de drinkbak, maar het niet kan laten drinken. De circulatie van die woorden en ideeën is niet zonder gevolgen. De probleemdefiniëring van N-VA wordt vandaag aanvaard als realiteit. Journalisten lijken ook niet in te zien dat ze bijvoorbeeld in hun vragen deze ideologische bril reproduceren.

     Aan het begin van zijn carrière zei De Wever dat voor hem politiek een semantische strijd is waarbij je mensen moet overtuigen van je zaak door ze te verleiden met je woorden; door je tegenstanders jouw woorden op te dringen.

     De Wever is daar met glans in geslaagd. Begrippen als België, democratie, solidariteit maar ook vrijheid worden vandaag door een meerderheid van de mensen bekeken door de bril die N-VA ons aangereikt heeft.

     De hegemonie van N-VA is duidelijk als we naar de circulatie van haar discours op de verschillende web 2.0-applicaties kijken. Siegfried Bracke is voor N-VA de koning van de politieke communicatie via zijn blog en sociale netwerksites als Facebook en Twitter. Bracke is hierin niet alleen, verschillende N-VA-politici gebruiken Facebook als een politiek instrument. Zij worden daarbij bijgestaan door een groot aantal Facebookprofielen die bouwen aan het draagvlak voor de Vlaamse strijd. Zij laten de woorden van De Wever en in mindere mate die van Bracke massaal circuleren op het internet.

     Het discours van N-VA staat niet los van een groot gedeelte van de klassieke Vlaamse Beweging. Integendeel, de strijd van N-VA is geënt op een dominant discours binnen het Vlaams-nationalistisch middenveld. Dat middenveld, met organisaties als de VVB, het OVV en Res Publica, is ook sterk aanwezig op het net.

     Het discours van N-VA is ook dominant binnen de reactiemodules op de websites van de mainstreammedia. Zowel op De Standaard als onder de artikels op de Gazet van Antwerpen domineren de pro-N-VA-stemmen met meer dan 65 % van de posts. Opmerkelijk is dat ook daar zowel de zuiver politieke boodschap als de communicatie van de identiteit van N-VA massaal en vaak letterlijk gereproduceerd wordt. Bovendien spreken die mensen allemaal in eigen naam en dus met extra legitimiteit.

     Het is opvallend dat zowel de partij als de verschillende andere (on)afhankelijke stemmen de woorden van De Wever bijna letterlijk reproduceren. Dat is het kenmerk van geslaagde propaganda, het massaal laten reproduceren van een stem, van een boodschap, door honderden verschillende mensen die dat luidkeels en met zeer veel overgave en vaak met nog meer hoofdletters iedere dag opnieuw doen. Ze doen dat met het idee dat het hun woorden zijn.

Een case studie: N-VA, de aanval op de Belgische democratie

In de laatste twee decennia zijn herhaaldelijk aanvallen uitgevoerd op de democratie. In een relatief korte tijd is onder aanstuwen van het Vlaams Blok/Belang, Open VLD en N-VA de verlichtingsbetekenis van democratie in België verdwenen. Democratie staat nu voor een vox-populisme waarbij de politici zogenaamd de taal van het volk moeten spreken om echte democraten te zijn. Onze democratie is al lang in crisis en hoewel dat geen zuiver Vlaams of Belgisch probleem is, is het wel zeer acuut in België. Omdat er al zoveel aanvallen geweest zijn op onze democratie en ons democratisch bewustzijn, gaat de aanval van N-VA vandaag nagenoeg ongemerkt voorbij.

     De wereldwijde economische en financiële crisis gaat gepaard met een opstoot aan antidemocratische tendensen. Dat wordt onder andere gesymboliseerd in de wijze waarop men naar het Griekse verzet tegen de draconische Europese besparingsmaatregelen kijkt.

     De druk van de economische crisis op de democratie en de verworven rechten is ook in België duidelijk. Het stakingsrecht ligt onder vuur, en telkens opnieuw lijkt er een hele ideologische oorlog gevoerd te worden, met N-VA voorop, tegen de economische kosten van de stakingen.

Een overheid die werkt volgens bedrijfslogica

Ook de democratie zelf, en het democratisch bewustzijn, komen sterk onder vuur te liggen. Democratie en het overheidsapparaat worden al sinds de jaren 1990 begrepen vanuit een bedrijfslogica. De staat moest werken als een bedrijf: snel, efficiënt en met lage kosten. De staat en ook steeds meer de democratie moesten efficiënt en snel zijn. Sinds de hegemonie van het neoliberalisme, de opkomst van communicatiedeskundigen en marketinggoeroes in de politiek en de commercialisering van de media, moeten ook de overheid, de politiek en de democratie werken en communiceren met de burger zoals een bedrijf met zijn klant. Democratie is niet alleen de uiting van het volk door de mond van politici in de media, democratie en de overheid moeten ook efficiënt zijn. Ze moet marktgericht werken en dus lean and mean zijn. Veeleer dan het bewaken van het democratisch proces en de democratische ideologie staan efficiëntie en klantvriendelijkheid voorop.

Vandaag, in tijden van economische crisis wordt die bedrijfslogica door sommigen bijna tot in het extreme doorgetrokken. Niet alleen moet de democratie efficiënter worden en zijn er te hoge heterogeniteitskosten, als de economie daar om vraagt, moeten we de democratie maar even on hold zetten.

     In de uitzending van De zevende dag op 20 november 2011 zei Roland Duchâtelet, rijk zaakvoerder en lid van Open VLD : “De verschillen tussen politieke partijen zijn weg. De ideologische verschillen zijn weg […] je stelt vast dat het bestuur van het land geen strijd meer is van opinies, maar eigenlijk een kwestie van management. En in die zin spreekt dit er wel voor om anders te gaan nadenken over hoe gaan we dat land besturen. Een tweede zaak […] wat je vaststelt is dat de partijen eigenlijk mini-ondernemingen zijn die in eerste instantie bezig zijn met hun marktaandeel, meer kiezers, meer zetels enz. Die zijn niet in eerste instantie bezig met het algemeen belang. Ik denk dat de particratie, een heel groot probleem geworden is in de werking van onze democratie. […] Ik denk dat er vandaag, dankzij internet, ook een informatierevolutie is die het niet meer noodzakelijk maakt van een representatieve democratie te hebben. We hebben geen verkozenen des volks nodig, dat volk kan dat ook zelf.”[42]

     Duchâtelet pleit hier openlijk voor het afschaffen van de representatieve democratie. Die democratie is niet efficiënt.

     Zelfs de smalle democratie, democratie als verkiezingen en een parlement, wordt binnen economische kringen gezien als een kostenpost, als de oorzaak van economische vertraging en als een luxeproduct waarvan we ons moeten afvragen of het nog wel de moeite waard is.

Democratie herleid tot verkiezingsoverwinning en etnocratie

De Wever en zijn N-VA hebben deze aanvallen op de democratie voortgezet en aangevuld met een Vlaams-nationalistische aanval op de legitimiteit van de Belgische democratie. N-VA heeft in de voorbije jaren een heel specifieke definitie van ‘democratie’ geschapen. Democratie wordt herleid tot de verkiezingszege. De partij heeft deze definitie hegemonisch gemaakt. Democratie wordt zo herleid tot een tijdelijke dictatuur van de meerderheid. De verkiezingsuitslag van 2010 heeft N-VA aangegrepen om zichzelf vanaf dan te verbeelden als de enige ware stem van Vlaanderen en die stem is incountournable. De onderliggende visie op democratie betekent ook een diepe breuk met democratie zoals deze door de verlichtingsfilosofen gedacht wordt: van gelijkheid en vrijheid is geen sprake meer, net zoals de democratische mens en het recht op verzet geen deel meer uitmaken van dit concept van democratie. De verandering die N-VA nastreeft is revolutionair: ze streeft naar een Vlaamse democratie en zet daarom de frontale aanval in op de Belgische democratie. Deze democratie is volgens hen niet legitiem meer. Mijn democratie, zo stelt De Wever, is Vlaanderen. En als de Belgische regering geen meerderheid heeft in die democratie, dan is de premier ook zijn premier niet. Kortom, N-VA en De Wever kennen de bestaande Belgische democratie geen legitimiteit toe.

     De enige democratie die de partij aanvaardt, is de Vlaamse democratie die steunt op de Vlaamse identiteit. Democratie is in hun discours herleid tot een etnocratie. Die definiëring van democratie als een etnocratie is wijdverspreid, getuige de vele stemmen die de oneliners van De Wever reproduceren. Journalisten, intellectuelen en politici van rechts tot links onderschrijven meer en meer het idee dat België een land is met twee democratieën.

De Wever valt fundamenten van democratische samenleving aan

De Tocqueville[43] zei het al in de negentiende eeuw, Jefferson[44], Paine[45] en Rousseau[46] wisten het in de achttiende eeuw: een gezonde democratie vereist een sterke democratische burger. Die democratische burger wordt niet geboren, maar wordt opgevoed in een democratische samenleving. Dat vereist een gedegen onderwijssysteem dat niet alleen arbeidskrachten produceert, maar bovenal democratische burgers aflevert. Hoewel dit een fundament is van de democratie, zien we dat het daar al schort. Dat wordt ook duidelijk als we naar het mediaveld kijken. Immers, ook de media zijn van onschatbare waarde in een gezonde democratie. Die media moeten niet alleen de waakhond zijn van de democratie, ze moeten de burgers ook informeren over de democratie, ze mee vormen tot democratische burgers. Vandaag moeten we helaas vaststellen dat binnen de media, inclusief de kwaliteitsmedia, de aanvallen op de (Belgische) democratie circuleren alsof het hoogstaande democratische uitspraken zouden zijn.

     De aanval op de democratie die De Wever uitvoert, is niet alleen een nationalistische aanval op de democratie. Het is een alomvattende aanval op de democratie, de democratische mens en de verlichtingswaarden. Kortom, het is een aanval op de fundamenten van de democratische samenleving.

     Vanuit de antiverlichtingstraditie wordt een aanval ingezet op de vrijheid, de gelijkheid en de solidariteit als herverdeling zonder welke er geen sprake kan zijn van een gezonde democratie. Ook de democratische mens en het noodzakelijke recht op verzet en de bescherming van minderheden neemt N-VA openlijk en zonder veel tegenspraak in het vizier.

     De ideologie van N-VA is een antiverlichtingsideologie verpakt als een strijd voor Vlaamse democratie. Echter, niet democratie, maar het primaat van de natie staat voorop. De democratie, de democratische mens, vrijheid, gelijkheid en solidariteit worden allemaal ondergeschikt gemaakt aan de reproductie van de organische natie. In het wereld- en mensbeeld dat N-VA verspreidt en omzet in beleid, worden we allemaal geboren, niet met rechten, maar met plichten ten aanzien van de morele orde van de organische Vlaamse natie. Daarom stelt De Wever in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen in 2012: “’t Stad is niet van iedereen, iedereen is van ’t stad. Geen rechten zonder plichten.”[47]

     Bij De Wever zijn het niet de burgers die de stad of de natie uitmaken. Het zijn niet zij die rechten hebben en op basis van een sociaal contract een samenleving vormen. In de logica van De Wever ‘is’ die samenleving er gewoon en iedereen wordt geboren met plichten ten aanzien van die samenleving.

     De Vlaamse samenleving is eigenaar van zijn burgers en niet omgekeerd. In die Vlaamse natie heeft iedereen zijn plaats en die plaats zorgt ervoor dat de samenleving harmonieus is. Die harmonieuze orde moet bewaard blijven, elk ingrijpen in de samenleving, in die morele orde, is een bedreiging van de natie en moet dus worden vermeden. Nieuwkomers zijn in principe welkom, zij het met mate en enkel als ze bereid zijn om zich aan te passen aan de identiteit, de morele en culturele sokkel van de natie.

     N-VA zet de aanval in op de democratie in het algemeen en de Belgische democratie in het bijzonder, niet met geweld of een staatsgreep, maar met woorden en beelden. De politieke strijd van N-VA is een ideologische strijd tegen de democratie en de waarden van de verlichting. Ze doet dat in naam van de democratie, in naam van een open en inclusief civiel nationalisme, maar predikt een zuiver antiverlichtingsdiscours. Haar doel is de constructie van een heel nieuwe Vlaamse samenleving. Geen samenleving die gebaseerd is op het idee van een verlichte natie steunend op een sociaal contract tussen rationele en vrije individuen, op de verankering van vrijheid en gelijkheid en het streven naar een steeds betere en rechtvaardigere samenleving, maar naar een organische natie, een organische natie waar de belangen van de mensen als van de economie in dienst staan van de grootsheid van de oeroude Vlaamse natie. Deze natie primeert altijd en steeds opnieuw op het belang van het individu, op het streven naar geluk voor eenieder. N-VA voert, in naam van de democratie, een Vlaamse en Burkeaanse revolutie uit.

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen (Universiteit Tilburg), licentiaat in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen en post-licentiaat in de Ontwikkelingssamenwerking, optie politiek en conflict (Universiteit Gent). Hij is docent Nieuwe media en politiek aan de Universiteit Tilburg (NL) en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het RITS in Brussel. Hij schreef o.a. N-VA | Analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012) en De beschavingsmachine. Wij en de islam (EPO, 2009). [1]


[1]    Deze bijdrage is gebaseerd op het besluit van het boek van Ico Maly N-VA: Analyse van een politieke ideologie, Uitgeverij EPO, 2012 en op “Politiek als een strijd om betekenis. Over de verantwoordelijkheid van politicologen in het maatschappelijk debat”, gepubliceerd in het tijdschrift Res Publica, 4-2014.

[2]    J. Blommaert (2005). Discourse. A critical introduction, Cambridge, Cambridge University Press, p. 40.

[3]    Idem, p. 43.

[4]     Michel Foucault (1926-1984). Frans filosoof. In Marxistische Studies nr. 109 verscheen een bespreking van zijn werk door Daniël Zamora.

[5]    J. Zienkowski en I. Maly (2007). ‘“Tussen natuur en verbeelding”’ (p. 25-62). In I. Maly, (red.). Cultu(u)renpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten, Antwerpen/Apeldoorn, Garant, p. 26.

[6]         J.B. Thompson (1990). Ideology and Modern Culture. Critical Social Theory in the Era of Mass communication, Cambridge, Polity Press, p. 73.

[7]     Constellatie: een geheel van samenhangende elementen.

[8]    J. Zienkowski en I. Maly, op. cit., p. 32.

[9]     Common sense: gezond verstand.

[10]    Roland Barthes (1915-1980). Frans literatuurcriticus en -theoreticus en filosoof.

[11]  R. Barthes (1957). Mythologies, New York, Hill & Wang. Engelse vertaling van de oorspronkelijke Franse editie verschenen bij Les Lettres nouvelles. Nederlandse vertaling: R. Barthes, (2002). Mythologieën, Utrecht, IJzer.

[12]         J.B. Thompson, op. cit., p. 73.

[13]  L. Althusser (1971). On ideology, Londen, Verso. Louis Pierre Althusser (1918-1990): Frans marxistisch geïnspireerde filosoof.

[14]  Idem, p. 16-17.

[15]  J. Blommaert (2000). Racisme als perspectief: over het ideologisch karakter van racisme. Tekst naar aanleiding van de inaugurale feestzitting voor ‘Racisme en Beeldvorming. Zie: http://www.flw.ugent.be/ cie/CIE/blommaert6.htm.

[16] Hegemonisch: overheersend.

[17]  R. Barthes, op. cit., p. 237.

[18] Antonio Gramsci (1891-1937). Italiaans schrijver, politicus en politiek theoreticus. Mede-oprichter Partito Comunista Italiano, PCI.

[19] J. Blommaert (2005), p. 167.

[20]  J. Torfing (1999). New Theories of Discourse: Laclau, Mouffe and Zizek, Oxford, Blackwell, p. 302.

[21]  B. De Wever. Het kostbare weefsel. Vijf jaar maatschappijkritiek, Kapellen, Pelckmans, 2008.

[22]  B. De Wever, op. cit., p. 43-45.). In De Standaard verschenen op 8 november 2004.

[23]  J. Blommaert (2005). Discourse. A critical introduction.

[24]         S.P. Huntington (1996). The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order, Kingsway, The Free Press.

[25]  I. Maly (2009a); I. Maly (red.). (2007); D. Lesage (2004), p. 25.

[26]    Edmund Burke (1729-1797). Deze Ierse filosoof en politicus wordt beschouwd als de grondlegger van het moderne conservatisme. Fel tegenstander van de Franse Revolutie en de ideeën van de Verlichting. De Franse revolutie verstoort volgens hem de natuurlijke wereldorde. Hij verzet zich tegen de maakbaarheid van de samenleving.

[27]    Johann Herder (1744-1803) was een Duitse dichter, filosoof en theoloog. Hij kritiseerde de Franse verlichting en verwierp het individuele gelijkheidsideaal. Alle volkeren op aarde hebben volgens hem een unieke, onherhaalbare identiteit. In deze organische benadering openbaart zich de Volksgeist als een element in de geestelijke scheppingsorde, precies zoals dat in de materiële wereld ook plaatsvond in gesteenten en planten. Een van de grondleggers van het (Duitse) nationalisme.

[28]    De Jakobijnen vormden tijdens de Franse Revolutie van 1789 tot 1794 een de meest radicale groep van hervormers. Zij kwamen op voor meer sociale rechtvaardigheid, volkssoevereiniteit en de ondeelbaarheid van de Franse Republiek.

[29]  B. De Wever, op. cit., p. 43-45.

[30]    Friedrich Hayek (1899-1992). Oostenrijks econoom en politiek filosoof, voorvechter van het absolute vrijemarktkapitalisme en de radicale beperking van de rol van de overheid in de economie.

[31]    Isaiah Berlin (1909-1997). Brits liberaal filosoof, politicoloog, geboren in Letland en gevlucht naar Groot-Brittannië in 1921. Deed onderzoek naar ideeëngeschiedenis. Hij plaatste tegenover de maakbaarheid van de maatschappij de samenleving als een natuurgegeven groep waarbij men wil horen, met plichten en gehoorzaamheid.

[32]    Natuurwet: wetten en regels die algemeen gelden voor alle mensen.

[33]    Discursief frame: denkkader.

[34]    Theodore Dalrymple. Brits arts en schrijver. Hij stelt dat de persoonlijke verantwoordelijkheid doorslaggevend is bij bv. armoede en niet de sociale situatie en maatschappelijke structuren. Cultuurrelativisme en multiculturalisme acht hij in strijd met het gezond verstand. De teloorgang van onze cultuur en waarden, maatschappelijke problemen als armoede, alcohol-en drugsverslavingen, ontwrichte gezinnen, huishoudelijk geweld enz., zijn volgens hem veroorzaakt door de wijde verspreiding van de ideeën van de Verlichting van gelijkheid, vrijheid en zelfontplooiing.

[35]    Milton Friedman (1912-2006). Amerikaanse econoom, voorvechter van vrije marktkapitalisme en een beperkte overheid. Adviseur van Ronald Reagan.

[36]    Chicago-school. Economen aan de Universiteit van Chicago ontwikkelden in de jaren 1940-60 een economische visie die stelt dat de vrijemarkt zichzelf het best reguleert en dat overheidstussenkomst tot een minimum moet beperkt blijven. Grondlegger: Milton Friedman.

[37]  J. Blommaert en J. Verschueren (1992). Het Belgische Migrantendebat, Antwerpen, IPrA Research Center, Universiteit Antwerpen. J. Blommaert en J. Verschueren (1998). Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance, Londen & New York, Routledge.

[38]    Master-narratief: hoofdverhaal.

[39]    Metafoor: beeldspraak.

[40]    Metonymie: stijlfiguur waarbij een deel voor het geheel staat, waarbij een geval of voorval wordt uitvergroot tot het algemene.

[41]    Aura: uitstraling.

[42]  VRT, 20 november 2011, ‘Regering van technocraten of politici? Zie: http://www.deredactie.be/cm/VRTnieuws/mediatheek/programmas/dezevendedag....

[43]    Alexis de Tocqueville (1805-1859). Frans politiek filosoof en socioloog. Theoretisch grondlegger van het moderne politieke liberalisme. Voorstander van streven naar maatschappelijke gelijkheid in vrijheid.

[44]    Thomas Jefferson (1743-1826). Amerikaans staatsman, filosoof, architect, kunstenaar en de derde president van de Verenigde Staten. Hij schreef het grootste deel van de Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776. Ze bepaalde de principes van een democratische natie: alle mensen zijn gelijk geschapen, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zichzelf niet aan de wet houdt, en het natuurlijke recht op individuele vrijheid, leven en het nastreven van geluk.

[45]    Thomas Paine (1737-1809). Engels-Amerikaans filosoof, vrijdenker en revolutionair. Hij speelde een belangrijke rol in de Amerikaanse en de Franse Revolutie. In zijn werk Common Sense stelt Paine dat gewone mensen de gelijke waren van de landadel. Politieke legitimiteit is het resultaat van algemene, actieve instemming; hij pleit ook voor herverdeling van de rijkdom.

[46]    Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Frans filosoof en schrijver met verreikende invloed op literatuur, pedagogie en politiek. Zijn werk Le contrat social beïnvloedde de Universele verklaring van de rechten van de mens en de Franse grondwet van 1793.

[47]  ‘Niet bij voorbaat gewonnen’. In De Standaard, 23 april 2012.