Poulantzas en de rol van de staat

Auteur: 
Giovanni di Marco

Mei 1968 zal in Europa een nieuwe generatie en een nieuw type activisten richting links en, in sommige landen, richting communistische partijen duwen. Onder meer de evolutie van de Italiaanse Communistische Partij (PCI), is in dat opzicht bijzonder interessant.[1] Na de grote sociale bewegingen van onder meer studenten en metaalarbeiders in 1968-69, groeien de lokale afdelingen van de PCI sterk dankzij de instroom van onder meer jongeren, zelfstandigen, vrouwen, en intellectuelen. De teksten van Antonio Gramsci verwerven, vooral tussen 1970 en 1975, een hernieuwde populariteit.[2] Tezelfdertijd verliest de Sovjet-Unie veel van het aanzien dat het land door zijn rol tijdens de Tweede Wereldoorlog had opgebouwd.

Onder invloed van deze wijzigende context, komt in West-Europa een debat op gang over welke strategie communistische of radicaal-linkse partijen best voeren tegenover de staat. Een brede waaier aan theoretici gaat proberen de marxistische analyse van de staat en die van Vladimir Lenin in zijn werk Staat en Revolutie, te verdiepen of te vernieuwen.

Het debat in het Britse tijdschift The New Left Review tussen de Griek Nikos Poulantzas en Ralph Miliband, een marxistische professor aan de London School of Economics, zal in intellectuele en linkse kringen het debat over de rol van de staat binnen het marxisme sterk stimuleren. Poulantzas vertrekt onder meer van Karl Marx, Vladimir Lenin, Antonio Gramsci en Louis Althusser, maar wil ook innoveren. Poulantzas beschouwt zich als marxist, maar vindt dat de marxistische theorie over de staat niet volstaat. Sinds de jaren zestig is hij daarom bezig met de analyse van de rol van de kapitalistische staat en de eventuele conclusies die daaruit getrokken konden worden voor de overgang naar het socialisme.

In Griekenland is de context extra bijzonder. In 1967 komt er via een staatsgreep de dictatuur van de kolonels aan de macht. Poulantzas is in deze periode lid van de KKE-Interior, een splitsing van de Griekse communistische partij na de Sovjet-interventie in Praag in 1968. Deze KKE-Interior zal nooit veel invloed opbouwen en altijd stukken zwakker blijven dan de KKE. Uiteindelijk heft de partij zichzelf eind jaren tachtig op. Een deel van de partij zal begin jaren negentig Synaspismos, voorloper van Syriza, vervoegen. Een andere groep zal onder de naam AKOA nog een tijdje autonoom verder gaan, om in 2013 op haar beurt Syriza te vervoegen.

Welke visie op de staat?

Poulantzas’ denken is niet eenvoudig samen te vatten. Doorheen de jaren gaat het trouwens sterk evolueren. Als marxist bestrijdt hij de visie van de staat als een ‘subject’ dat op zelfstandige wijze zijn wil aan de sociale klassen zou opleggen. Het idee dat de staat zou los staan van de sociale klassen lijkt hem onzinnig. Maar hij gaat ook in tegen wat hij een ander uiterste noemt, de zogenaamde ‘instrumentalistische visie’ op de staat.

Gebaseerd op het Communistisch Manifest vat hij deze ‘instrumentele’ visie samen als het idee dat de staat een puur object of instrument, ‘het uitvoerend comité’, van de bourgeoisie is dat de bourgeoisie naar goeddunken gebruikt. Poulantzas gaat in het bijzonder in tegen de theoretici van het zogenaamde staatsmonopoliekapitalisme. De theorie van het staatsmonopoliekapitalisme is op dat moment binnen verschillende Europese communistische partijen populair. Volgens Poulantzas ziet deze theorie de staat als een puur instrument van het monopoliekapitaal, ofte de allergrootste monopolies. Hij verwijt de thesis niet te zien dat de staat nog steeds de langetermijnbelangen van de gehele bourgeoisie moet vertegenwoordigen. Poulantzas spreekt zo de bewering tegen van bijvoorbeeld Santiago Carrillo, toen secretaris-generaal van de Spaanse communistische partij, dat de staat niet langer de belangen van de gehele bourgeoisie zou verdedigen.[3] Volgens Poulantzas is er ook geen ‘fusie’ tussen de staat en de monopolies, zoals theoretici van het staatsmonopoliekapitalisme zouden beweren.

Poulantzas wijst op het achterliggende reformisme van deze stelling. Het zou volstaan de staat als instrument uit handen van het monopoliekapitaal te halen om er een instrument voor echte democratie of zelfs voor de belangen van de arbeidersklasse van te maken. De staat wordt zo eigenlijk als neutraal bekeken. Deze interpretatie opent, zo onderlijnt Poulantzas, de weg voor allianties tussen arbeidersklasse en niet-monopolistische fracties van de bourgeoisie, iets wat Carrillo inderdaad voorstaat.

De stellingen van het staatsmonopoliekapitalisme waren weliswaar iets genuanceerder dan Poulantzas doet uitschijnen. Ook Eugene Varga, een van de theoretici van deze theorie, geeft een autonomie aan de staat tegenover het economische. Varga spreekt over een samengaan, een soort van alliantie dus, van twee onafhankelijke krachten: de staat en het monopoliekapitaal. Dat veronderstelt een zekere autonomie. Het is iets anders, preciseert Varga, dan de simpele unilaterale onderwerping van de staat als instrument aan het monopoliekapitaal.[4] Voor Varga heeft de staat onder meer de functie om bepaalde economische taken uit te voeren die noodzakelijk zijn voor het beschermen van de sociaaleconomische orde, maar onvoldoende rendabel voor privékapitaal. Ralph Miliband merkte, vanuit een ander vertrekpunt, iets gelijkaardigs op in Groot-Britannië. Zelfs de nationalisaties van de socialistische Attlee-regering net na de Tweede Wereldoorlog dienden in de eerste plaats om het Britse kapitalisme nieuw leven in te blazen.[5] Ook hier is een bepaalde autonomie nodig.

Varga ziet trouwens ook tegenstellingen, niet enkel tussen de monopolies en de rest van de bourgeoisie, maar binnen de monopoliebourgeoisie zelf en tussen de staat en lagen van de monopoliebourgeoisie. Een hedendaags voorbeeld zou daarvan kunnen zijn dat bepaalde oliemonopolies het niet eens zijn met de sancties die de VS of de EU aan een olieproducerend land opleggen. Zelfs binnen dezelfde sector wordt er gerivaliseerd, voor bijvoorbeeld openbare aanbestedingen. Op basis van deze theorie zal Varga beschouwen dat het binnen het kapitalisme mogelijk is een anti-monopolistische alliantie te vormen met een niet-monopolistische bourgeoisie. Bedoeling is dan via politieke allianties de grote monopolies te doen verdwijnen nog vooraleer het kapitalisme zou verdwijnen.[6] Een gelijkaardige visie zal mee aan de basis liggen van het zogenaamde historisch compromis in Italië, waar de Communistische Partij in de jaren zeventig, een regering met de rechtse christendemocratische partij zal steunen.

Een condensatie van krachtsverhoudingen

Poulantzas zelf vindt het fout de staat als een monolithisch geheel te bekijken. Geïnspireerd door Karl Marx’ analyse van het Bonapartisme in Frankrijk, gaat hij de staat definiëren als de materiële condensatie van een krachtsverhouding tussen klassen en fracties van klassen zoals deze zich – op een specifieke manier – uitdrukt binnen de staat zelf.[7] Dat is een nogal moeilijke definitie, maar een belangrijk aspect ervan is dat de staat dus wel een ‘relatieve autonomie’ tegenover de heersende klasse verkrijgt. Het is dus niet een puur instrument. Dit is enerzijds een gevolg van de klassenstrijd.[8] Anderzijds is dit ook een noodzaak. De staat kan de heersende klasse enkel dienen als ze relatief autonoom is van de verschillende fracties van die klasse, om zo de hegemonie en langetermijnbelangen van de hele klasse te organiseren.[9] De staatsinstellingen zijn doorspekt met tegenstellingen, tussen organen en apparaten, in functie van tegenstellingen tussen klassenfracties. Het zijn deze verhoudingen die niet alleen de staat maken, maar ook via een complex proces er voor zorgen dat het algemene politieke belang van het machtsblok vastgesteld wordt. Het is noch een instrument dat men kan overnemen, noch een burcht die man kan innemen, maar wel “het hart van de uitoefening van politieke macht”.[10] De staat speelt zo de rol van mediator of ‘organisator’ van de heersende machten – terwijl ze op hetzelfde moment de gedomineerde klassen desorganiseert. De staat is ergens de politieke partij van de heerstende klassen [11].

Deze tegenstellingen bieden de ondergeschikte of gedomineerde klassen ook hoop, vindt Poulantzas. Ze kunnen proberen deze instellingen op de spits te drijven en zo de staat verticaal, van de top tot de basis, te splitsen. Zo kunnen ze de tegenstellingen gebruiken tegen de bourgeoisie. Daarvoor moeten ze natuurlijk wel strijden op het domein van de staat. Dat wil niet zeggen dat er geen verschil zit tussen wat Poulantzas stelt en de ideeën van het staatsmonopoliekapitalisme. Zo leidt de gedetailleerde klassenanalyse van Poulantzas ertoe te denken dat de tegenstellingen binnen de staat, tot op zowat het hoogste niveau, mogelijks een positief klassenkarakter hebben, iets wat Varga zelf niet verdedigt.

Poulantzas’ visie zal een impact hebben op het type overgang naar het socialisme dat hij voorstaat. Het fundamentele onderscheid tussen zijn stellingen en die van de sociaaldemocratie situeert de Griekse auteur dan weer in de rol die hij ziet voor autonome sociale bewegingen, die actie binnen de staat moeten ondersteunen[12].

Naar een democratisch socialisme

Poulantzas’ reflectie over de weg naar het socialisme, die hij samenvat in zijn laatste grote werk Staat, macht en socialisme[13] staat niet los van wat hij onder socialisme begrijpt. Volgens hem zal puur rechtstreekse democratie, die representatieve democratie geheel zou vervangen, sowieso tot dictatuur leiden. Om de democratie te vrijwaren wil Poulantzas de representatieve democratie combineren met instellingen van directe democratie.

Bezorgd om autoritaire uitwassen, neemt Poulantzas hiermee vooral afstand van Lenins zogenaamde ‘dubbele-machtsstrategie’. Poulantzas gaat die strategie samenvatten als het idee dat de hele staat vernietigd moet worden via een frontale aanval en, onder leiding van een communistische partij, vervangen door een andere staat, gekenmerkt door arbeidersraden en directe democratie.

Zoals hij ook doet in zijn polemiek met andere auteurs, geeft Poulantzas hier een te schematische visie op Lenins reflectie. Die laatste schrijft in Staat en Revolutie immers letterlijk: “Zonder vertegenwoordigende lichamen kunnen wij ons geen democratie, zelfs geen proletarische democratie denken, wel echter kunnen en moeten wij ons de democratie denken zonder parlementarisme.”[14] Met het voorbeeld van de Parijse Commune in gedachten noteert Lenin: “De uitweg uit het parlementarisme ligt natuurlijk niet in het afschaffen van de vertegenwoordigende lichamen en van de verkiesbaarheid, maar in het veranderen van de vertegenwoordigende lichamen van kletscolleges in ‘werkende’ lichamen.” De tegenstelling tussen Poulantzas en Lenin lijkt hem op dit vlak dus vooral te liggen in de bezorgdheid van Poulantzas om de bestaande representatieve instellingen met hun huidige functie te behouden.

Het is niet toevallig dat Staat, macht en socialisme eindigt met een hoofdstuk “naar een democratisch socialisme.”[15] Op zich mag dat een opmerkelijke formulering lijken. Het doet immers uitschijnen dat het socialisme tout court ondemocratisch is, wat op zich vreemd zou zijn voor een systeem dat de grote meerderheid van de bevolking wil en moet dienen. Meer nog dan een formele distantiëring van ondemocratische praktijken in voormalige Oostbloklanden, drukt deze stelling dus ook een alternatieve strategie uit.

Welke strategie voor verandering?

Poulantzas strategisch denken staat onder invloed van zowel zijn klassenanalyse, zijn visie op de staat als zijn visie voor het socialisme. Maar ook de Portugese Anjerrevolutie in 1974, die komaf maakte met de dictatuur van Salazar, gaat een keerpunt betekenen in zijn denken. De revolutie zelf wordt door vele krachten, ook ter linkerzijde, in de eerste plaats bekeken als een nationale en democratische revolutie. Poulantzas daarentegen vindt het jammer dat die revolutie niet verder gaat naar een socialistische maatschappij. Hij schrijft dat onder meer toe aan de strategie van links. Zo zou het niet mogelijk geweest zijn om een situatie van parallelle of ‘dubbele macht’ te creëren die de staat dan van buiten uit zou overnemen.

Mede uit deze analyse, concludeert Poulantzas dan dat dergelijke strategie niet langer wenselijk is. De bestaande staatsinstellingen moeten in het vervolg niet meer afgebroken, ontmanteld of vernietigd worden, schrijft hij. Integendeel, de democratisering van de bestaande instellingen vereist dat de huidige staat als een “operationele eenheid” blijft werken.[16] Dat kan des te beter, zal hij later schrijven, gezien de staat geen ‘monolithisch geheel’ is, noch instrument, noch burcht.

Maar hoe werk je dan wel aan verandering? Poulantzas stelt dus voor de tegenstellingen binnen de staat op te drijven. De sociale beweging en radicaal linkse partijen moeten de voornaamste tegenstelling niet meer zien tussen staat en een illusorische parallelle machtsstructuur erbuiten, maar binnen de bestaande instellingen zelf: “Het lange proces van de machtsovername bestaat voornamelijk in het verspreiden, ontwikkelen, versterken, coördineren en leiden van die diffuse centra van verzet die de massa’s bezitten binnen de staatsnetwerken, op zo’n manier dat deze echte machtscentra worden op het strategische gebied van de staat.”[17] Om het nog duidelijker te stellen: “Als ze de machtsverhoudingen willen veranderen, mogen dergelijke gevechten (struggles) en bewegingen niet naar een centralisatie als tweede macht neigen. Ze moeten eerder de machtsverhouding naar het terrein van de staat zelf proberen te verschuiven.”[18] Het zal dan onder meer gaan om het grondig democratiseren van de bestaande staatsinstellingen, eventueel onder een linkse regering.

Poulantzas verwijt zowel aan Lenin als aan Gramsci de staat enkel van buitenaf te willen aanvallen. Lenin bijvoorbeeld, schrijft Poulantzas, overweegt enkel binnen de staatsinstellingen te werken in de zin van: “De aanwezigheid van revolutionairen in de staat, maar eerder in de zin van een aanwezigheid die moet helpen om, op het juiste moment, deze staat te vervangen door een tegen-staat.”[19] Deze strategie verandert bij Lenin pas, beweert Poulantzas, op het moment dat op nationaal vlak de parallelle macht gecentraliseerd wordt en de oude staat ontmanteld. Ook Gramsci sluit hier bij aan, merkt Poulantzas op. Antonio Gramsci's (lange) stellingenoorlog, die hij stelt naast de snelle bewegingsoorlog, zou binnen het kader van de “omcirkeling” van de bestaande staatsinstellingen blijven. Net als Poulantzas eerder de theorie van het staatsmonopoliekapitalisme te clichématig voorstelt, geeft hij ook hier geen geheel correcte voorstelling van Gramsci's veelzijdige denken. Ook Lenin was genuanceerder dan Poulantzas doet uitschijnen. Het idee van delen van de ambtenarij te winnen voor de revolutie, was Lenin alles behalve vreemd. Het verschil tussen beiden lijkt hier vooral te liggen in waar ze het zwaartepunt van de strijd leggen. Bij Lenin ligt, onderlijnt Poulantzas, de voornaamste tegenstelling tussen de staat enerzijds, en de dubbele macht, met volksmassa's en partij, buiten de staat anderzijds. Poulantzas zelf verschuift inderdaad de hoofd- en klassentegenstellingen mede naar binnen de staat.

Links eurocommunisme

Hoe die politieke actie dan tot echte verandering zal leiden? Vroeg of laat komt er een ‘breukmoment’ waar, zo hoopt Poulantzas, bepaalde staatsinstellingen verticaal kunnen splitsen: één fractie van de bourgeoisie tegen een andere bijvoorbeeld, of één legerfractie tegen de andere, of eventueel velen tegen de monopoliebourgeoisie. Dat is mogelijk omdat de klassenstrijd niet enkel buiten, maar ook binnen de staat plaats heeft.[20] Sociale bewegingen moeten dat proces dan, van buiten uit, ondersteunen. Als dat niet gebeurt, dan is de zogenaamde sociaaldemocratisering van zo’n ervaring onvermijdelijk.

Terwijl hij zich aan de ene kant onderscheidt van Lenin en Gramsci, beschouwt Poulantzas zich anderzijds als een linkse ‘eurocommunist’. Hij wil zich zo onderscheiden van wat hij het ‘rechtse eurocommunisme’ noemt van bijvoorbeeld de Santiago Carrillo, één van de theoretici van het eurocommunisme. Carrillo schreef dat het fundamentele verschil tussen de sociaaldemocratie en zijn eurocommunisme erin bestaat dat de huidige sociaaldemocratie het kapitalisme wil beheren, terwijl eurocommunisten het willen omvormen.[21] Rechtse eurocommunisten, beïnvloed door het idee dat staatsinstellingen neutraal kunnen zijn, zien volgens Poulantzas niet in dat er vroeg of laat een breukmoment komt als je die staatsinstellingen diepgaand wil hervormen en democratiseren. Linkse eurocommunisten, aldus Poulantzas, geloven niet in een ‘graduele, progressieve omvorming’ van de staat. Ze geloven in het uitdiepen van de tegenstellingen binnen die staat door hervormingen, tot de breuk er komt. Een breukmoment, geen burgeroorlog maar een diepe staatscrisis, waar de bourgeoisie en de volksmassa’s elkaar tegen komen.

Poulantzas bekritiseert ook Luciano Gruppi, toenmalig lid van het Centraal Comité van de Italiaanse Communistische Partij en directeur van het Instituut voor Communistische Studies Palmiro Togliatti, die volgens hem reeds een situatie van ‘dubbele macht’ ziet binnen het staatsapparaat: enerzijds de macht van de bourgeoisie, anderzijds, onder meer in lokale of provinciale besturen, de macht van het volk.[22] Gruppi geeft dus een positief antwoord op de vraag of het voor de werkende klassen mogelijk is binnen de burgerlijke staat ‘machtsposities’ te veroveren. Dit was een vraag die Palmiro Togliatti, historisch leider van de Italiaanse communistische partij stelde.[23] Fout, stelt Poulantzas tegenover Gruppi, het is juist dat de gedomineerde klassen binnen de staatsinstellingen aanwezig zijn, maar wel steeds als gedomineerde klassen. Echte macht hebben ze daar momenteel niet, want hoe sterk de tegenstellingen binnen de staat ook mogen zijn, de staat heeft wel een bepaalde eenheid. Dit wil niet zeggen dat door die klassen daar geen strijd geleverd kan worden, maar het doel moet zijn de staat van binnenuit open te breken.

Wie mobiliseert?

Poulantzas’ aandacht voor mobilisatie en zijn kritiek op Gruppi zou kunnen doen denken dat hij aan het uitwerken van een autonome machtsbasis naast de staat een bepaald belang gaat geven. In werkelijkheid ziet Poulantzas nauwelijks een echte rol weggelegd voor een leidende radicaal linkse partij in die sociale bewegingen en strijd. Ongetwijfeld niet in het minst omdat zo’n partij ook al ergens een centralisatie van een tweede macht zou kunnen inhouden of zou kunnen leiden.

Poulantzas onderscheidt zich zo dus ook van Gramsci inzake de rol van een radicaal linkse partij. Gramsci denkt aan een revolutionaire partij, een Moderne Prins in een verwijzing naar Macchiavelli, die een massa-element heeft, een leidend element en een intermediair element dat de eerste twee met elkaar verbindt. De bedoeling van die Moderne Prins is dan “een nieuw type staat stichten.”[24] Poulantzas verwerpt de rol van zo’n partij, want die zou mee tot dictatuur leiden. En zijn “nieuw type staat” wil de Griekse auteur opbouwen met politieke instellingen van de oude staat.[25]

Hoewel ook Poulantzas steeds onderlijnde dat de huidige staat de macht van de burgerij dient, maakt hij zich misschien iets te veel illusies over het ‘democratisch gehalte’ van de staatsinstellingen. Als men er immers van uitgaat dat het monopoliekapitaal wél een gecentraliseerde organisatie heeft in een of meerdere staatsinstellingen die voor haar werken, dan vormt de weigering een autonome organisatie van het type partij, zoals Gramsci die zag uit te bouwen, waarschijnlijk een strategisch nadeel. Poulantzas vindt die visie echter zonder twijfel te ‘instrumentalistisch’. Zijn afkeer voor botsingen met de bestaande staatsinstellingen, vergemakkelijkt de facto wel de desorganiserende functie die de staat – volgens hemzelf – tegenover de arbeidersklasse en de massa’s speelt.

Poulantzas gaf zelf toe dat zonder grote sociale bewegingen en mobilisatie dit soort regeringservaringen gedoemd zijn niet meer dan een afdruk van de sociaaldemocratie te worden. Maar tezelfdertijd maakte zijn strategie het bijzonder moeilijk voor een partij om dergelijke mobilisatiekracht te ontwikkelen vooraleer ze verkozen wordt. Dat de actie binnen het staatsapparaat ondersteund moet worden door mobilisaties kan correct lijken, maar als men zelf zo'n capaciteit niet opbouwt, kiest men er bewust voor zichzelf in een positie van afhankelijkheid van de conjunctuur te plaatsen. Poulantzas gaat hierin erg ver. In een interview twijfelt hij zelfs of een partij die de gevestigde macht wil omverwerpen de feministische of ecologische kwestie moet opnemen.[26] Zo minimaliseert Poulantzas de rol van een communistische of radicaal linkse partij.

Van Gramsci en Althusser naar Vandervelde?

Tegen het einde van zijn leven – Poulantzas pleegt zelfmoord in 1979 – breekt de auteur zowel met zijn eerdere geschriften, als met Lenin en Gramsci. Eind jaren zestig lag in Politieke macht en sociale klassen nog de nadruk op fundamentele extra-parlementaire verandering.[27] In Staat, macht en socialisme is dat helemaal anders.

Door te spreken over volksmobilisatie en klassenstrijd, wil Poulantzas wel de nadruk blijven leggen op wat hem onderscheidt van de sociaaldemocratie. Historisch gezien gaven echter ook sociaaldemocraten heel wat aandacht aan volksmobilisatie. De Belgische socialist Emile Vandervelde bijvoorbeeld besloot in 1918 zijn boek Het socialisme tegen de staat dat de omvorming die alle juridische en politieke superstructuren zal verstoren bruusk of langzaam kan gaan en zich waarschijnlijk zal uiten in een lange reeks strijden en mobilisaties.[28] Hij benadrukt dat de verovering van macht niet langer hetzelfde is als “de verovering van een parlementaire meerderheid of de regering enkel via electorale weg, noch als het bruuske overnemen van de staat via een machtsgreep.” Een visie die Poulantzas niet vreemd is. De omvorming van de kapitalistische staat in een proletarische staat, zegt Vandervelde, zal via een hele reeks tussenstappen gebeuren. Vandervelde zag in het intimideren de heersende klassen door druk van buitenaf van de politieke functie van de massa’s. Hij legde de nadruk op de organisatie van de arbeidersklasse in coöperatieven en vakbonden. Terwijl hij de ‘verovering’ van het staatsapparaat door de kapitalistische klasse aanklaagt, besteedt hij aandacht aan het veroveren van mandaten binnen het staatsapparaat door de werkende klassen. De socialist maakt een onderscheid tussen de staat in brede zin en de staat in haar repressieve zin en benadrukt het belang de staat-regering te scheiden van de staat-industrieel, de staat als autoriteit van de staat als (economisch) beheerder. Het zou interessant zijn na te gaan in welke mate Poulantzas zo, op het einde van zijn leven, al dan niet in de buurt kwam van Vanderveldes werk inzake politieke strategie en visie.

De Britse socioloog Bob Jessop vindt dat Poulantzas in Staat, macht en socialisme Gramsci inwisselt voor de Franse filosoof Michel Foucault.[29] De verschuiving in Poulantzas’ denken in de richting van een meer politicistische visie, ziet hij als een gevolg van het feit dat Poulantzas langzamerhand het politieke domein bijna los van het economische begint te analyseren. Steeds de nadruk leggen op de relatieve autonomie van het politieke, stelt Jessop vast, “brengt [Poulantzas] ertoe staatstussenkomst te behandelen als de inmenging van het politieke in het economische en het te zien als een gevolg van politieke eerder dan economische factoren. […] Zo vergeet hij zowel de economische beperkingen die op de uitoefening van politieke macht rusten, als de rol van financiële (in tegenstelling tot juridische) controlemechanismen om de institutionele eenheid van de staat te garanderen.”[30]


[1]  G. Liguori, Qui a tué le parti communiste italien, Editions Delga, Paris, 2011 (2009).

[2]  G. Liguori, Gramsci conteso: Interpretazioni, dibattiti e polemiche, Editori Riuniti, Roma, 2012.

[3]  S. Carrillo, ‘Eurocommunisme’ et Etat, Parijs, Flammarion, p. 35.

[4]  E. Varga, Politico-economic problems of capitalism, Progress Publishers, Moskou, 1968, p. 52-56

[5]  R. Miliband, The State in Capitalist Society, Merlin Press, Londen, 2009 (1969), p. 78-79.

[6]  E. Varga, 1968, p. 48

[7]  N. Poulantzas, State, Power, Socialism, Verso, London, 2014 (1978), p. 129 en 142

[8]  N. Poulantzas, “The Capitalist State: A Reply to Miliband and Laclau”, New Left Review I/95, januari-februari 1976, p. 73

[9]  N. Poulantzas, “The Problem of the Capitalist State”, New Left Review I/58, november-december 1969, p. 74.

[10]  N. Poulantzas, State, Power, Socialism, Verso, Londen, 2014 (1978), p. 258.

[11] B. Jessop, “Althusser, Poulantzas, Buci-Glucksmann: Weiterentwicklung von Gramscis Konzept des integralen Staats”, in S. Buckel and A. Fischer-Lescano, Hegemonie gepanzert mit Zwang. Zivilgesellschaft und Politik im Staats-verständnis Antonio Gramscis, Baden-Baden, Nomos, 2007, p. 43-65. Zie: https://goo.gl/MBNynd.

[12] H. Weber en N. Poulantzas, “L'État et la transition au socialisme”, Critique communiste, nr. 16, juni 1977, zoals heruitgeggeven door http://www.contretemps.eu/interviews/l%C3%A9tat-transition-socialisme-in... en L. Gruppi, “Sur le rapport démocratie/socialisme”, Dialectiques, nr. 17, februari 1977.

[13]      N. Poulantzas, State, Power, Socialism, Verso, Londen, 2014 (1978).

[14] V. I. Lenin, Staat en Revolutie, 1917. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/lenin/1917/staat-revolutie/ch03.htm.

[15] N. Poulantzas, State, Power, Socialism, Verso, Londen, 2014 (1978).

[16] N. Poulantzas, The Crisis of Dictatorships, NLB, Londen, 1976 (1975), p. 152-153.

[17]      N. Poulantzas, State, Power, Socialism, Verso, Londen, 2014 (1978), p. 258.

[18]      N. Poulantzas, State, Power, Socialism, Verso, Londen, 2014 (1978), p. 260.

[19] H. Weber & N. Poulantzas, “L'état et la transition au socialisme”, Critique communiste, nr. 16, juni 1977.

[20] D.E. Greene, “Nicos Poulantzas: State, class and the transition to socialism”, Links International Journal of Socialist Renewal, 5 augustus 2015. Zie: http://links.org.au/node/4543.

[21] S. Carrillo, 'Eurocommunisme' et Etat, Parijs, Flammarion, p. 154-155.

[22] L. Gruppi, “Sur le rapport démocratie/socialisme”, Dialectiques, nr. 17, februari 1977, p. 35-50 (40).

[23] P. Togliatti, Il Memoriale di Yalta, augustus 1964. Zie: http://www.sitocomunista.it/pci/documenti/togliatti/memoriale_yalta.html.

[24] A. Gramsci, Textes (Cahiers 13 & 14, Notes sur Macchiavel), Messidor/Editions sociales, 1983, p. 291-297 en Y. De Belder, “Gramsci en de ‘prefiguratieve’ politiek”, Marxistische Studies, nr. 111.

[25] S. Hall en A. Hunt, “Interview with Nicos Poulantzas”, Marxism Today, juli 1979, p. 200

[26] Ibid.

[27] N. Poulantzas, Pouvoir politique et classes sociales, Vol I & 2, Maspero, Parijs, 1978 (1968).

[28] E. Vandervelde, Le socialisme contre l'Etat, Parijs, Berger-Levrault, 1918.

[29] B. Jessop, “Althusser, Poulantzas, Buci-Glucksmann: Weiterentwicklung von Gramscis Konzept des integralen Staats”, in S. Buckel and A. Fischer-Lescano, eds, Hegemonie gepanzert mit Zwang. Zivilgesellschaft und Politik im Staats-verständnis Antonio Gramscis, Baden-Baden, Nomos, 2007, pp.43-65 https://goo.gl/MBNynd.

[30] B. Jessop, Nicos Poulantzas: Marxist Theory and Political Strategy, MacMillan 1985, p. 73.