Rechterzijde valt pensioenen en lonen aan. Wat doen de socialisten?

Auteur: 
Herwig Lerouge

Langer werken en minder verdienen. De nieuwe rechtse Belgische regering is geïnstalleerd. Wat voor oppositie kunnen we verwachten van de socialistische partijen?

België heeft een nieuwe regering. Officieel wordt ze geleid door de liberaal Charles Michel, maar in werkelijkheid door de N-VA van Bart De Wever. Die heeft zijn programma meegegeven aan deze regering en zijn partij bezet ook alle belangrijke ministeries.

De doelstellingen van de regering blijven, net zoals die van de vorige regering van de socialist Di Rupo, netjes binnen het kader van de oriëntaties die de Europese Unie heeft opgelegd en die werden goedgekeurd tijdens de laatste Europese toppen. Overal in Europa brengen trouwens alle liberale, christendemocratische en socialistische regeringen deze oriëntaties in de praktijk. Ook de Franse socialistische eerste minister Manuel Valls en de Italiaanse sociaaldemocraat Matteo Renzi volgen dezelfde weg.

De hele saneringsoperatie van de overheidsbegroting zet voort wat de regering Di Rupo al had gelanceerd. De hervormingen van de arbeidsmarkt zijn een kopie van de zogeheten Hartz-hervormingen die de sociaaldemocratische kanselier Gerhard Schröder met zijn coalitiepartner, de Duitse Groenen, doorvoerde. Beurskrant L'Echo van 11 oktober 2014 schrijft hierover: “Wat ze er ook van mogen beweren, de Europese regeringen spelen ten volle de kaart van de fiscale en sociale concurrentie om eruit te geraken. Niet overal is rechts aan de macht. Maar ideologisch heeft rechts deze slag wel gewonnen.”

We willen twee aspecten van dit nieuwe strijdplan van de rechterzijde tegen de werkende mensen graag dieper toelichten: het optrekken van de pensioenleeftijd en de loonbevriezing. Alle Belgische regeringspartijen hebben hun eigen verkiezingsprogramma terzijde geschoven. Geen enkele partij had het optrekken van de pensioenleeftijd tot 67 jaar in haar programma staan. Vandaag, achteraf, stellen ze dat voor als een onvermijdelijke maatregel. Maar er is helemaal niets onvermijdelijks aan. Deze maatregel is absurd op een ogenblik dat meer dan 600.000 mensen werkloos zijn. Hij is bovendien niet uitvoerbaar: veel werknemers zijn ‘op’ en zijn niet meer in staat om te werken op die leeftijd. Er bestaan alternatieven om de vergrijzing betaalbaar te houden. De pensioenspecialist van de PVDA, Kim De Witte heeft het een en ander berekend. We publiceren hier zijn analyse.

Op dezelfde manier plegen de regeringspartijen MR en CD&V verraad met de aankondiging van een indexsprong voor de werknemers, de ambtenaren en alle sociale uitkeringen (met uitzondering van de armsten). Bovenop deze aanval die de werknemers 2,6 miljard euro zal kosten, bevriezen ze op de koop toe elke loonsverhoging tot minstens 2016. Dergelijk verbod om over loonsverhogingen te onderhandelen behoorde ook al tot de voornemens van regering Di Rupo, maar die heeft dat onder druk van de vakbonden toch niet in de praktijk durven brengen. Een dergelijk verbod betekent een breuk in ons model van loonvorming, gebaseerd op krachtsverhoudingen tussen patroons en werknemers. De regering schuift het overleg tussen werkgevers en vakbonden aan de kant en geeft op voorhand en op een autoritaire manier meteen aan de werkgevers wat zij vragen: de bevriezing van de lonen. Nic Görtz analyseert deze aanslag op de syndicale rechten en heeft het over ‘een omslag in het Rijnlands sociaaldemocratisch model’ (sociaal overleg om de maatregelen erdoor te krijgen) naar een zuiver en staalhard neoliberaal conflictmodel à la Thatcher. 

Hoogstwaarschijnlijk, en dat is ook hoogst wenselijk, gaan we een hete herfst tegemoet, met breed gedragen sociaal verzet. De socioculturele verenigingen en de studenten kwamen in Vlaanderen al op straat tegen de onrustbarende besparingen waar de Vlaamse regering toe beslist heeft. Er waren al allerlei vakbondsacties tegen het optrekken van de pensioenleeftijd en de indexsprong. Aan Franstalige kant is er al heel wat beroering onder de leerkrachten. Vandaag is wel degelijk de mogelijkheid aanwezig om een zeer brede beweging op gang te brengen om van onderuit een positief alternatief op de dagorde te zetten. Een alternatief dat besparingen verwerpt die de tewerkstelling afbreken en de bevolking alleen maar verarmen.

En voor de eerste keer in 27 jaar maken de socialistische partijen geen deel uit van de federale regering. De politieke leiders van deze partijen slaan vandaag een veel linksere taal aan tegen de nieuwe rechtse regering dan toen zij zelf nog in de regering zaten. Ze kondigen aan dat ze gaan strijden tegen de regering ‘van de rijken’, tegen deze ‘regering van bankiers, van speculanten en die zeer goede vriendjes is met de nucleaire lobby’.

Dit biedt ontegensprekelijk een kans om het oppositiefront tegen de rechtse federale regering aanzienlijk uit te breiden. Ten minste als de oppositie die de socialistische leiders voeren, niet in dezelfde fouten vervalt als vroeger. De arbeidersbeweging maakte het in het verleden al eens mee, met de socialisten in de oppositie, onder de regeringen van Eyskens (1958-1961), tijdperk van de grote staking van 1960-61, en later Martens-Gol (1981-1987).

Het lijkt ons nuttig om eens te kijken naar de houding van de socialisten in de oppositie in die periodes. Het waren jaren waarin de arbeidersbeweging een verbeten strijd voerde tegen de antisociale maatregelen van rechtse regeringen. In welke mate vond de arbeidersbeweging toen de leiding van de Socialistische Partij aan haar zijde? En wat deden de socialistische leiders, eenmaal opnieuw aan de macht? Maakten ze toen de antisociale maatregelen weer ongedaan van die rechtse regeringen die waren gevallen onder druk van de sociale strijd? Op deze vragen wilde Herwig Lerouge wel naar een antwoord zoeken.

​Herwig Lerouge (herwig.lerouge at gmail.com) is hoofdredacteur van Marxistische Studies.