Uomini contro, 1914-1918: Kunstenaars en schrijvers tegen de oorlog

Auteur: 
Maxime Tondeur

Alle analyses van de Grote Oorlog zijn het erover eens, de stroming van pacifisme en internationalisme tegen de oorlog had in België niet veel om het lijf. Heel anders ging het eraan toe in Rusland uiteraard, maar ook in Italië, Duitsland, Groot-Brittannië, Servië en Bulgarije, waar meerderheden en minderheden met elkaar botsten binnen de socialistische beweging. Terwijl vooraanstaande intellectuelen zoals Romain Rolland in Frankrijk opriepen tot vrede, zwaaide men in België eensgezind de vlag van ‘de verdediging van het vaderland’, allen samen rond de monarchie, de ‘heilige Unie’. Misschien is een verklaring hiervoor te vinden in het gewelddadige karakter van de Duitse aanval, de wreedheid van de troepen van de Kaiser, de moordpartijen, en vooral het statuut van bezet land. Elke daad van internationalisme, pacifisme, afwijzing van de oorlog kon worden − en werd ook − geïnterpreteerd als verraad aan het vaderland of, als daad van getrouwheid, gemanipuleerd door de bezettingsmacht.

In veel gevallen was verzet tegen de oorlog niet meer dan een vorm van ‘activisme’. Het was een politieke daad die van de oorlogssituatie gebruikmaakte om de Vlaamse Beweging vooruit te stuwen. De meeste bourgeois activisten die een leidende rol speelden, schaarden zich effectief achter de Flamenpolitik van de Duitse bezetter.

Na de Wapenstilstand van 1918 begon een heksenjacht. Wie niet de oorlogsdoelen van de Entente had verdedigd, had aan de kant van Duitsland en zijn bondgenoten gestaan en werd beticht van verraad. “Alle grootmoedige gedachten en alle nieuwe initiatieven worden verzwegen, in de clandestiniteit geduwd of onder collaboratie gerangschikt.”[2]

Toch zijn enkele “Mannen tegen” opgestaan. Zij hebben geschreven, gesproken, geschreeuwd of gefluisterd. Vaak liepen ze een of andere straf op, in een poging hen het zwijgen op te leggen. Hun geschiedenis is − en blijft − in duisternis gehuld. Ze waren de voorlopers van het ontwakende bewustzijn, dat in de jaren 1917-1920 de bezem door Europa en België haalde.

Boven het strijdgewoel[1]

We kunnen onmogelijk dit thema benaderen zonder eerst het licht te laten schijnen op de figuur van Romain Roland. Dat is de man die onder de kunstenaars en schrijvers de weg effende voor het verzet tegen de oorlog. Strijdbaar, tegen de oorlog, tegen de haat ... De schrijver van Jean Christophe interpelleert vanaf september 1914 de Europese elites, de intellectuelen, de Kerken, de socialistische partijen, die “het vuur aanwakkeren”. “Iedereen draagt zijn takkenbos bij”, zegt hij. Hij beschuldigt het imperialisme. Maar zijn analyse van het imperialisme is niet die van Lenin.

Hij wijst drie grote schuldigen aan, “drie roofzuchtige adelaars”, de drie keizerrijken: het Russische, het Duitse en het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Maar hij haast zich om toe te voegen: “De grootste vijand bevindt zich niet buiten de grenzen, maar binnen elk natie, en geen enkele natie heeft de moed die te bestrijden.” “Het is dat duizendkoppige monster dat imperialisme heet ... Elk volk heeft zowat zijn eigen imperialisme: ongeacht de vorm − militair, financieel, feodaal, republikeins, sociaal, intellectueel − het is de octopus die het beste bloed uit Europa zuigt.” Hij eist dat de neutrale landen een hooggerechtshof van de volkeren oprichten om de oorlogsmisdaden te berechten, van waar ze ook komen.

De grote verdienste van Romain Rolland is dat hij al heel snel, van bij het begin van de oorlog, tegen de stroom in durfde te gaan. Ten koste van de internationale vriendschappen die zijn roman Jean Christophe hem hadden opgeleverd, ten koste van zijn persoonlijke situatie en reputatie ... Hij vertrekt in ballingschap naar Zwitserland, waar hij 24 jaar zal wonen.

Zijn denken is allesbehalve proletarisch. Hij gelooft vóór alles in de rol van de ‘elites van de geest’ die volgens hem de opdracht hebben de volkeren te ‘verlichten’. Hij wil een kring van zuivere intellectuelen vormen die optreedt als het morele bewustzijn van de samenleving. Die kring moet elke discriminatie tussen de naties of rassen afwijzen. Het is een elitaire boodschap, ongetwijfeld met enige mystiek omkleed, maar universalistisch en diepzinnig humanistisch, als een lichtstraal in de duisternis van de moordpartijen en de haat.

Zowel in Frankrijk als in Duitsland is hij al snel ‘publieke vijand nummer 1’. In eigen land wordt hij gecensureerd. Iedereen verguist hem als ‘anti-Frankrijk’. “De gemeenste lasterpraat wordt hem niet bespaard: hij zou meewerken aan Duitse bladen; zijn Amerikaanse uitgever zou een agent van de Kaiser zijn; […] de pers boycot hem eensgezind.”[3] Toch krijgt hij in 1915 de Nobelprijs Literatuur.[4] Op basis van een krachtdadige afwijzing van de imperialistische slachterij weet hij opnieuw een internationaal netwerk van contacten en vriendschappen uit te bouwen. De pacifistische kern van Genève is zelf min of meer beïnvloed door de revolutionaire ideeën van socialistisch links van Zimmerwald en in 1917 door de Russische revolutie. De voornaamste intellectuelen van over de hele wereld scharen zich achter hem: S. Zweig, P. J. Jouve, M. Gorki, U. Sinclair, G. Duhamel, H. Mann en vele andere. Onder hen één Belg uit Gent: Frans Masereel.

Frans Masereel

Masereel, de onbetwiste meester van de houtgravure, is geboren in Blankenberge in 1889. Hij behoort tot de generatie jonge Vlaamse bourgeois die getekend zijn door de grote ideeënstromingen van het einde van de 19e eeuw: het anarchisme en het ontluikende socialisme. Hij komt uit een familie van vrijdenkers wat al een zeker ‘anarchiserend’ effect heeft. Daarnaast heeft het pleidooi voor sociale rechtvaardigheid van de stichter van de BWP, Edward Anseele, en zijn kritiek op de schaamteloze uitbuiting van de arbeiders veel invloed op hem. Hij neemt deel aan de grote betogingen voor het algemeen stemrecht en tegen de kinderarbeid. “Elke morgen ziet hij die anonieme massa voorbijkomen, op weg naar de fabriek, waar dag na dag, van zes uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds, aan de weefgetouwen gewerkt wordt voor een hongerloon van 2,5 frank per dag.” “Dat maakte mij opstandig”, zegt hij.[5]

Veel meer dan de avondlessen van de kunstacademie zullen zijn ontmoeting met een kunstenaar en vriend van de familie, zijn zwerftochten door de ontelbare kleine straatjes van Gent en later de ontdekking van Parijs bij hem de passie voor het tekenen en het zwart/wit palet doen ontbranden. In 1909 ontsnapt hij door een gunstige loting aan de militaire dienstplicht (het is het laatste jaar van de ‘bloedwet’ die de dienstplichtigen door loting rekruteerde).

Hij gaat op reis en vestigt zich uiteindelijk in Parijs. De vrienden die hij in de jaren 1911-1914 in de Franse hoofdstad maakt, zijn beslissend voor de ontwikkeling van zijn kunst en voor zijn toekomstig engagement. Een van hen is Henri Guilbeaux, kunstenaar en anarchist, een bewonderaar van Verhaeren, die later bij Lenin aanleunt en de communisten vervoegt. Masereel sluit ook vriendschap met Stéphane Zweig en vele anderen.

De oorlog verrast hem in Bretagne. Hij keert met spoed terug naar Gent, waar hij uit de bevolkingsregisters blijkt geschrapt. Niemand kan zeggen wat zijn militaire situatie nu juist is. Hij verlaat Gent vlak voor de Duitse troepen de stad bezetten, maar niet voor een aantal schetsen te hebben gemaakt van de martelaarstad Dendermonde in puin. Eerst trekt hij naar Parijs, vervolgens naar Genève. Daar installeert hij zich in 1915 met zijn familie. Hij leidt er het armoedige bestaan van een balling, trouw aan zijn politieke keuzes. Aan de zijde van Romain Rolland werkt hij als vrijwilliger voor de organisatie van krijgsgevangenen van het Rode Kruis. Maar hij heeft allerlei baantjes, zo werkt hij een tijdje als ober in een café.

De pacifistische, antimilitaristische en internationalistische tendens in Genève komt vooral tot uiting in drie publicaties: Demain, geleid door Henri Guilbeaux, Les Tablettes van Jean Salives en La Feuille, met Jean Debrit als directeur. De politieke en ideologische inslag van die bladen is heel divers: anarchisme, anarchopacifisme[6], antimilitarisme. Duidelijk is in elk geval dat de politieke stroming van de Conferenties van Zimmerwald en Kienthal, de stroming van het internationalistisch socialisme, een doorslaggevende rol speelt. Zeker de invloed van Guilbeaux is belangrijk. Hij nam als Frans afgevaardigde deel aan de tweede Conferentie van Kienthal in april 1916.[7]

De ervaring van La Feuille is in meer dan één opzicht voorbeeldig. Deze krant verschijnt vanaf augustus 1917, met een zekere verankering in de Zwitserse journalistieke wereld. Directeur Jean Debrit komt van de Journal de Genève. La Feuille kent een ruime verspreiding in heel Zwitserland, ook in het Duitstalige gedeelte. In Duitsland, Frankrijk en de Franstalige landen, met inbegrip van het bezette België, is ze verboden. Maar de censuur houdt La Vie ouvrière niet tegen om de krant toch te verspreiden in Frankrijk. Het levert de redactie veel sympathiebetuigingen op, naast berichten die verre van vriendschappelijk zijn: “We kregen van alles en nog wat naar het hoofd geslingerd: bandieten, verraders, jullie zijn omgekocht.”[8] De politieke lijn is duidelijk. Voor Debrit en zijn redactie is de oorlog niets anders dan een bloedige crisis van het kapitalisme. Men offert massaal de Europese arbeiders om de belangen van de haute finance en de grote industriëlen te vrijwaren. Militaristen, nationalisten, kolonialisten en wapenfabrikanten, ze halen een na een de voorpagina’s. De redactie wil haat en vooroordelen bestrijden door de waarheid aan het licht te brengen. Ze streeft naar een onpartijdig oordeel over alle oorlogvoerende volkeren zonder onderscheid.

Elke dag maakt Masereel voor de voorpagina een tekening over de actualiteit. “Hij komt pas ’s avonds laat, rond 23 uur, aan op de redactie. Hij doorbladert snel de kranten, de laatste communiqués en telegrammen. Dan heeft hij nog twee uur om zijn tekening te maken. Meestal laat hij zich inspireren door een citaat uit een regeringsmededeling of door de titel van een artikel. Het gebeurt dat hij zelf de tekst van het onderschrift verzorgt. Hij ontpopt zich tot een echte meester in het bedenken van wat Henry Van de Velde ‘een bondig, vlijmscherp en verpletterend onderschrift’ noemt.”[9]

In de herfst van 1917 krijgt hij een oproepingsbrief via het Belgisch consulaat in Genève. Hij weigert zich ter beschikking te stellen van de Belgische militaire overheid. De Belgische regering in ballingschap in Le Havre verklaart hem tot ‘deserteur’. Tot in 1929 blijft hij verbannen uit zijn eigen land!

Masereel is een man met een bindend engagement, een vredesmilitant die zijn kunst elke dag opnieuw in dienst stelt van zijn politieke strijd. Vandaag stelt men hem graag voor − in zoverre men zich in de huidige herdenkingsjaren al verwaardigt over hem te spreken − als gewetensbezwaarde, een voorbeeld van de pacifist die tegen elke oorlog en tegen elke vorm van geweld is, die gevlucht zou zijn uit Gent in augustus 1914. Toch wel een vreemde voorstelling van zaken voor een man die zich tot drie maal toe vrijwillig bij de Belgische overheid aanmeldt: bij het Belgisch consulaat in Brest, bij de gemeente Gent in augustus 1914 en bij het Belgisch consulaat in Parijs in 1915.

Op deze manier kan men het debat ten gronde over het karakter van de oorlog uit de weg gaan en een van de wereldmeesters van de houtgravure rustig afschilderen als een gewetensbezwaarde. Zeker nu niemand het nog als een misdaad ziet om gewetensbezwaarde te zijn. Maar tegenstanders van de oorlog waren alleen hetzij pro-Duitse activistische verraders, hetzij enkele zeldzame dienstweigeraars om morele redenen. Echte politieke opposanten, nee hoor! Wellicht is deze voorstelling het gevolg van de militante politieke activiteit van Frans Masereel in Genève. Die lag immers aan de basis van het bevel om het leger aan de IJzer te vervoegen, en zijn weigering om zijn eigen antimilitaristische strijd te staken − zijn tekeningen, zijn krant. Wat hem trouwens een politieke afstraffing van formaat oplevert, een schandelijke beschuldiging van desertie. Het Belgische chauvinistische triomfalisme, vermengd met het heersende anticommunisme, verhindert bovendien zijn terugkeer naar het land. Pas in 1929, na de goedkeuring van een wet over de stopzetting van de vervolgingen die ook van toepassing is op ‘weerspannigen’ en ‘opstandigen’, kan hij eindelijk terugkeren naar het land van zijn jeugd, naar Gent, de streek van de Leie, de vallei van de Schelde, het Vlaamse kustgebied. Hij kreeg in 1927 al een aanbod van Emile Vandervelde om terug te keren. Die stelde hem voor zich als opstandige te laten veroordelen, met de belofte dat alles goed zou komen. Maar de kunstenaar houdt vast aan zijn principes en weigert.

Geheel in lijn met het radicalisme van Les Tablettes en La Feuille begint Masereel in de lente van 1918 aan de samenstelling van een prachtig prentenboek, de 25 prenten van De Passie van een Mens.[10] Hiervoor haalde hij volgens zijn biograaf J. Van Parys heel waarschijnlijk zijn inspiratie bij de staking, eind 1917, in een wapenfabriek van Saint-Étienne in het departement van de Loire en bij Clovis Andrieu, de leider van deze staking. Andrieu was een vakbondsleider die actief de strijd aanbond met de heilige Unie. Hij werd ‘bestraft’ en kreeg het bevel zijn eenheid te vervoegen. Een staking van 210.000 werkers dreef de Franse regering achteruit. In mei 1918 organiseerde Andrieu een revolutionaire politieke staking voor vrede en het stilleggen van alle oorlogsfabrieken − een opmerkelijk maar miskend feit. Het leidde tot zijn arrestatie en opsluiting in de gevangenis tot in 1919.

Van internationalistisch pacifisme naar antifascisme

Het leven en het engagement van Frans Masereel net zoals dat van Romain Rolland illustreren het internationalistische ideeëngoed van de grote pacifistische figuren van de Eerste Wereldoorlog. Hun strijd tegen de imperialistische oorlog van 1914-1918 krijgt een verlengde in hun antifascistisch engagement in de jaren dertig. In 1933 schrijft Masereel: “We gaan naar een tijd waarin Goethe gevangen wordt gezet, Beethoven opgehangen, Shakespeare in de boeien geslagen, Rembrandt in een concentratiekamp opgesloten, Voltaire geguillotineerd.”[11] Hij ondertekent de oproep van Romain Rolland en Henri Barbusse voor de organisatie van een internationaal vredescongres in Amsterdam. Na de machtsovername van Hitler zal dit aan de basis liggen van de grote antifascistische beweging van kunstenaars, schrijvers en intellectuelen voor ontwapening, tegen oorlog en fascisme, bekend onder de naam Amsterdam-Pleyel. Onder de deelnemers treffen we heel wat grote namen. Vaak ondertekenden ze eerder al de oproepen van Rolland en Barbusse van 1919: Bertrand Russel, Albert Einstein, Heinrich Mann, Maxime Gorki, mevrouw Sun Yat-sen, John Dos Passos, Upton Sinclair.

Frans Masereel schaart zich aan de kant van de slachtoffers van het Hitlerfascisme. Een nazi uit Hamburg maakt hem uit voor ‘pacifistisch tekenaar-agitator in dienst van het judeo-marxisme’. De nazi’s zullen zijn complete oeuvre als ‘schadelijk en onwenselijk’ bestempelen. Hij verdedigt de Sovjet-Unie, is solidair met de Spaanse republiek, is een kunstenaar van het Volksfront. Met een vals paspoort doorkruist hij de door de nazi’s bezette gebieden. Hij ontsnapt aan de invallen van de Gestapo. Als hij zich in de lente van 1944 aan de zijde van de ondergrondse verzetsstrijders schaart − zijn schuilplaats, een molen, doet dienst als brievenbus − staan we veraf van het beeld van de fanatieke pacifist. Het gaat wel degelijk om een linkse strijder!

De beweging Clarté

Tegelijk met de ontwikkeling van de strijd tegen de oorlog in Genève rond Romain Rolland duiken in de loopgraven nog andere stemmen op: Henri Barbusse met zijn oorlogsdagboek Le Feu en later zijn roman Clarté, Paul Vaillant-Couturier en Raymond Lefebvre met La Guerre des soldats.

Vanaf 1916 werkt een aantal aan de oprichting van een nieuwe beweging. Ze wijzen de oorlog af en bekritiseren de oorzaken, het militarisme, het nationalisme en het imperialisme. Tegelijk verdedigen ze de breuk met de maatschappij van voor 1914 en steunen de Russische revolutie. Initiatiefnemers zijn Vaillant-Couturier en Lefebvre, twee intellectuelen die gerevolteerd zijn door de oorlog die ze van dichtbij hebben meegemaakt. Couturier was hulpverpleger in 1914 en later vrijwilliger aan het front, waar hij zelf gewond raakte. Lefebvre raakte gewond in de loopgravenoorlog aan het front van Champagne en overleefde een gasaanval. Enkele dagen voor de Wapenstilstand liep hij een veroordeling op tot 30 dagen opsluiting wegens pacifisme! Op basis van de ideeën van Romain Rolland willen ze samen met Barbusse een internationale beweging van humanistische intellectuelen oprichten die breekt met de ‘evolutionistische’ socialisten (die in feite reformisten en chauvinisten waren), een beweging die sympathiseert met de Derde Internationale. Ze beginnen eraan in 1916. In mei 1919 volgt de oprichting van Clarté. Het tekent een nieuwe etappe in de evolutie van het bewustzijn naar het communisme.[12]

Heel die ideeënstroom (strijd voor onmiddellijke vrede, antimilitarisme, steun aan de Russische revolutie) vindt weerklank in België, waar schrijvers zich tegen de oorlog kanten.

Georges Eekhoud

Georges Eekhoud is in 1914 zestig jaar. Gekend als een Belgische meester van de Franstalige literatuur, komt hij uit de klasse van de oude Antwerpse burgerij. Zijn bekendste roman is La Nouvelle Carthage. Daarin schrijft hij over de arbeiders, de marginalen, de paria’s van de metropool. Hij stelt de belangen van de kapitalisten tegenover de miserie in de fabrieken. Hij leunt aan bij de ideeën van de anarchosyndicalisten en wordt lid van de afdeling Kunst en Onderwijs van het Volkshuis. In 1894 sluit hij aan bij de Nieuwe Universiteit van Brussel. Dat is een progressieve dissidentie aan de ULB, opgericht door links na de uitsluiting van Élisée Reclus, een groot geograaf die het ongeluk had anarchistische ideeën aan te hangen. Verder verwierf Eekhoud bekendheid doordat hij zijn proces wegens ‘schending van de goede zeden’ wint voor het Assisenhof van Brugge. Daar stond hij in 1900 terecht naar aanleiding van zijn werk Escal Vigor, een van de eerste moderne romans over mannelijke homoseksualiteit.

Eekhoud is een vriend van Verhaeren en Maeterlinck. In de jaren voor de oorlog en in het prille begin van de oorlog deelt hij met hen een zeker Belgisch patriottisme. Dan scharen zijn kompanen zich achter de vlag van de verdediging van het vaderland en zingen zelfs haatliederen tegen de boche. Zijn scherpzinnigheid en zijn waarden verhinderen hem mee te huilen met de wolven. Hij kritiseert ‘de geest van verklikking, profijt of schandelijk egoïsme’ die zich onder andere in de marge van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité verspreidt. Hij vermaant Verhaeren: “... die poëten waarover hij me sprak op het terras van La Lanterne, heeft hij er zich bij neergelegd dat hij ze nu moet haten? Dat is niet mijn zielstoestand ... Ik vergeet de enkele vrienden niet die ik heb in Berlijn, in München, die me gesteund hebben […] in de donkerste jaren van mijn leven […], die blijk gaven van een geest van rechtvaardigheid en vooruitgang [...] Duitsers aldaar, ik moet wel van hen houden.”[13]

In 1916 noteert hij in zijn dagboek: “Dit is de meest weerzinwekkende oorlog ooit. Iedereen roeit iedereen uit en men moordt elkaar uit ten voordele van financiers en industriëlen.” Maar in tegenstelling tot Romain Roland die als banneling in Zwitserland de strijd tegen de oorlog omvormt tot een publieke internationale strijd, zal Georges Eekhoud in het bezette Brussel zwijgen. Ongetwijfeld was het in die omstandigheden moeilijk iets anders te doen.

Zijn enige publieke tussenkomst is een interview in het door de Duitsers gecontroleerde dagblad La Belgique, dat verschijnt op 5 september 1917 met als titel: “La question flamande chez M. Eekhoud”. Hij antwoordt: “Ik blijf liever neutraal om dan later mijn standpunt in volledige onafhankelijkheid te ontwikkelen en desgevallend de excessen van de enen en de anderen te bestrijden. […]. Ik heb de oprichting van een Vlaamse universiteit in Gent, in Brugge of in elke andere stad van Vlaanderen verdedigd: de inrichting van Vlaamse technische cursussen en de kennis van beide talen, het Frans en het Vlaams, door mijn medeburgers.”[14]

‘Neutraliteit’, ‘Vlaamse universiteit’, woorden die in de tijd van het blinde Belgische chauvinisme van november 1918 niet door de beugel kunnen. Het uur van vereffening is geslagen! Zijn nochtans gematigde uitlatingen volstaan om hem in december 1918 tot ontslag te dwingen en te verwijderen uit de Academie voor Schone Kunsten van Brussel. Hij moet ook weg uit de twee normaalscholen (voor meisjes en jongens) van de stad Brussel, waar hij literatuur doceert.

In zijn dagboek tekent hij het relaas op van die dagen: “Die vergeldingsmaatregelen, die beschuldigingen die wij vreesden ten gevolge van de tirannie van de bezetting […], bedreigen ons met een ‘patriottische’ terreur na de terreur van de boche.” (19 november 1918.) “Nu de boches vertrokken zijn, zou men me wel eens kunnen beschuldigen van medeplichtigheid met de activisten, hoe categoriek mijn verklaringen aan de interviewer van La Belgique ook waren: ah ! wat een ‘patriotarderie’![15] […] Ik heb meer dan genoeg van deze afschuwelijke wereld van huichelaars en dogmatici die het gemunt hebben op een open geest, op de intellectuele en erotische anarchist, op de leerling van Diderot, op de libertaire geest.” (22 november.) “Het is geschied. Het onrecht is compleet. Men heeft mij gedwongen ontslag te nemen als professor […] Ah! Hoe schoon toch, het patriottische regime.” (27 december 1918)[16]

Al gauw gebruiken de meest chauvinistische rechtse krachten dit interview van tijdens de oorlog (1917) als voorwendsel. De overwinning van november 1918 geeft de chauvinistische partizanen van het unitaire België vleugels (met inbegrip van bepaalde socialisten en franskiljons). Zij roepen op tot repressie. De harde lijn van de regering in Le Havre en van de kopstukken van de BWP die tijdens de oorlog gekant waren tegen elke poging tot vrede, en de pro-Kaiser-houding van de bourgeois activisten uit de Raad van Vlaanderen inzake de Flamenpolitik (soort officieus Vlaams parlement, los van de Belgische regering) voeden deze repressie. ‘Defaitisme’, ‘activisme’, ‘pacifisme’, zij willen de heilige Unie verder zetten door jan en alleman te ontmaskeren. Arrestaties, campagnes in de pers, beroepsverbod, veroordeling, verblijfsverbod, alles is goed om andere stemmen het zwijgen op te leggen.

Zo komt het dat een Manifest van Belgische schrijvers Eekhoud (samen met Edmond Picard) aan de kaak stelt. “Ze zijn wel degelijk met zijn tweeën, zij die wij vereerd hebben met de titel van ‘Meester’ en die de afgezanten van gecensureerde bladen hebben ontvangen om ze zaken toe te vertrouwen die ons deden blozen. Het is ons recht hen nu met de vinger te wijzen en hun het respect te onthouden dat we hun hebben betoond.” En om de puntjes op de i te zetten: “[…] Gegroet zijn zij die over u gewaakt hebben (oh volk) en uw toekomst voorbereid hebben! Gegroet, gij Bondgenoten! Gegroet, Frankrijk die ons het Licht van zijn Genie aanreikt!”[17]

Georges Eekhoud is gekwetst maar blijft overeind. Hij komt de episode van het interview te boven en antwoordt met een prachtige tekst − waarin hij de haat afwijst en blijk geeft van humanisme en broederlijkheid: Des Hommes, een tekst die ze op alle scholen zouden moeten onderwijzen. Hij looft hierin zes of zeven Duitse soldaten die werden gefusilleerd omdat zij hadden geweigerd Belgische burgers te executeren. “[…] af en toe kwam ik een alinea tegen waarin beknopt en heel terloops te verstaan werd gegeven dat men naast die patriotten een half dozijn en misschien nog meer Duitse soldaten had begraven. […] Jawel, Duitsers, die door hun eigen landgenoten waren gedood omdat ze hadden geweigerd als beul op te treden! […] De onzen waren echte Belgen, jullie, jullie waren echte Mannen ! Jawel, de zes of zeven − we kennen zelfs het juiste cijfer niet, maar zij vertegenwoordigen toch een ongelooflijk aantal − jullie waren waardige Duitsers van het vaderland van Schiller, die samen met Beethoven de broederlijkheid van de volkeren bezong in zijn Ode aan de Vreugde. Ik zou hele bossen bloemen willen strooien op jullie gemeenschappelijke graf en het kussen van de lippen van jullie wonden zou een van de mooiste gebaren van protest en afschuw zijn die de echte moed zou kunnen betonen tegen de Oorlog!”[18]

Eekhoud schreef die tekst in 1919. Hij werd gepubliceerd in het tijdschrift van Clarté in februari 1920. Een moreel en internationalistisch hoogstaande tekst. We kunnen zijn woorden maar echt naar waarde schatten als we er ons rekenschap van geven dat de hand drukken van een Duitse soldaat misschien revolutionair is, maar in november 1918 gelijk stond met verraad! Daarnaast mogen we niet vergeten dat in het toenmalige Frankrijk een dusdanige nationalistische en chauvinistische sfeer heerste dat de moordenaar van Jaurès werd vrijgesproken en zijn weduwe voor de proceskosten mocht opdraaien! Eekhoud maakt deel uit van het Internationaal Comité van Clarté en ondertekent de Oproep van Romain Rolland, de ‘Verklaring van onafhankelijkheid van geest’. Naar het schijnt werkt hij in 1919 mee aan L’Exploité, de krant van de radicale en internationalistische vleugel van de BWP, onder leiding van Joseph Jacquemotte.

Wanneer de schrijver het slachtoffer wordt van het beroepsverbod, richten medestanders een Frans-Belgisch steuncomité op. Ensor, Emile Vandervelde en uit Frankrijk Romain Rolland en Henri Barbusse verdedigen hem. De arbeidersspil van dit comité is een advocaat, Raoul Ruttiens, die op 1 februari 1920 een conferentie geeft in het Volkshuis in het kader van de Brusselse Kring voor de Opvoeding van de Arbeiders. Het onderwerp is: “Georges Eekhoud aan de schandpaal genageld”. Hij zal die conferentie later nog tien keer geven in Brussel, twee keer in Aarlen, Gent en Luik en een keer in Molenbeek, Laken en Bergen. Het literaire tijdschrift Le Geste publiceert de tekst integraal, in maart 1920.

Aan de basis van die steunbetuigingen ligt een massale studentenbeweging. Eekhoud schrijft in een brief aan André Baillon: “[…] de oorsprong van die groepering? Mijn voormalige leerlingen van de Academie voor Schone Kunsten, van de Nieuwe Universiteit en van de normaalscholen, die erop stonden me te steunen en me hun achting en genegenheid te betonen ondanks de profiteurs en de hinderlagen van het patriottisme.” Zijn leerlingen aan de Academie (waaronder René Magritte) waren bijzonder gepikeerd door zijn vervanging en de nieuwe prof die zij onbekwaam noemden, “een onvermoeibare pieskous van de doctrinaire Gazette en van de stomvervelende avondcursus Franse literatuur aan de ULB.” Ze schoppen keet tijdens de les en eisen de terugkeer van Eekhoud. De leerlingen van de normaalschool schrijven hem een brief die in maart 1920 gepubliceerd wordt in Clarté.

Het hoogtepunt van de beweging is een democratische en artistieke voorstelling in het Lyrisch Theater van Schaarbeek op 27 maart 1920. “Doorheen Eekhoud eren de jongeren die hem omringen, terzelfder tijd een belangrijke figuur van de Belgische literatuur van de 19e eeuw, en een man die in staat is een persoonlijk en grootmoedig antwoord te formuleren op de problemen van onmiddellijk na de oorlog. […] Dit pacifistische en internationalistische ideaal raakt individuen uit zeer diverse milieus. Politiek gezien vinden we er het hele gamma van ‘progressieven’, socialisten, toekomstige communistische militanten, vertegenwoordigers van de ‘individualistisch-anarchistische’ tendens, naast christendemocraten. Op artistiek en literair vlak vertegenwoordigen sommigen het expressionisme (Kurt Peiser, de toenmalige Magritte), anderen illustreren het modernisme, het surrealisme; nog anderen de proletarische literatuur (Ayguesparse, Jean Tousseul). Het is niet zonder belang dat vertegenwoordigers van die verschillende bewegingen zich op een bepaald moment solidair voelden met eenzelfde zaak.”[19]

De overwinning van de beweging brengt de feitelijke rehabilitatie van de schrijver. Jules Destrée, de toenmalige minister van Kunst en Wetenschap, zorgt ervoor dat in augustus 1920 koning Albert hem opnieuw aanstelt aan de nieuw opgerichte Koninklijke Academie voor de Franse Taal- en Letterkunde. Zijn leerstoel aan de scholen van de Stad Brussel is hij voorgoed kwijt.

Op het ogenblik van de Wapenstilstand ziet men hem als vertegenwoordiger van de vrijheid van denken, een grootmoedig verdediger van het internationalistische ideaal, over alle verschrikkingen van de oorlog heen. Zo biedt hij een alternatief voor het blinde patriottisme en het enge nationalisme. Bij zijn dood schrijft Michel De Ghelderode onder zijn pseudoniem Babylas in het tijdschrift Haro: “Omdat hij zijn geweten stelde boven de schandelijke slachtpartij van 1914-18 en de Brabançonnes met verplichte begeleiding, omdat hij vrij sprak in dit verkochte land waar de gemiddelde imbeciel, volgens de kranten die naar zijn pijpen dansen, het recht heeft zich uit te spreken, zag Eekhoud, oud en eigenzinnig, zich geplaatst in de rangen van de paria’s, de ongewensten, samen met de klaplopers, de activisten, de souteneurs. Meer nog, hem werd zijn broodwinning ontstolen. […] Eekhoud, ik herinner me nog die vreemd verlichte avond van de ‘Grote Oorlog’, minder groot dan uw verontwaardiging als Europeaan, goede man, trotse man, minder groot dan uw pijn en uw afkeer, ik herinner me nog die avond dat we vernamen dat de revolutie was uitgebroken in het witte Rusland. Ik zag u, oude man, wenen van emotie! De hypocrieten begraven u. Maar u vertoeft nu in het kosmische heelal. Voor mannen van uw formaat is er geen graf.”[20]

Jean Tousseul

Ook in Wallonië valt een kunstenaar als slachtoffer van de Belgische chauvinistische repressie. Olivier Degée die schrijft onder het pseudoniem Jean Tousseul, komt uit de streek van Seilles. Hij is een arbeider-schrijver. In La mort de la petite Blanche beschrijft hij heel indringend het slavenwerk van de steenhouwers en kalkbranders[21] in het begin van de 19e eeuw.[22] Zijn werkgever was de achtergrootvader van baron Rodolphe Collinet, de huidige CEO van Carmeuse[23] in Seilles. Georges Eekhoud, de oude meester, erkent in het voorwoord het nieuwe, grote talent van zijn jonge collega.

Augustus 1914: het keizerlijke leger stroomt België binnen met de zegen van de Duitse sociaaldemocratie die zich van de ene op de andere dag achter haar eigen burgerij heeft geschaard. Op 20 en 21 augustus 1914 wordt de regio Andenne-Seilles het slagveld van een van de bloedigste moordpartijen op de burgerbevolking. Jean Tousseul is getuige van de afslachting van alle mannen uit de familie van zijn jonge echtgenote Magdeleine Hubaux.

Later, in oktober 1938, schrijft hij: “Ik heb niet gediend in de oorlog 14-18, maar ik heb wel de vreselijke invasie meegemaakt in de Maasvallei. Rondom mij werden vierhonderd van mijn medeburgers vermoord of verkoold. Ik was voldoende koelbloedig en kon ontsnappen aan zes dronken moordenaars. De oorlog is van een grenzeloze stompzinnigheid. En ik geloof dat de mens het zaad van de oorlog in zich draagt.” Aan Georges Eekhoud schrijft hij: “Ik voer oorlog tegen de dieven en de voorstanders van de harde lijn. Al vier jaar lang schreeuw ik het woord van Jezus Christus uit: ‘Bemint elkander’. Hier word ik gehaat. Wat kan het mij schelen!”

Op 28 augustus 1918 schrijft hij onder het pseudoniem Figulus in de Naamse krant L’Écho de Sambre et Meuse een ironisch artikel over de leugenachtige oorlogspropaganda van de pers: “Vandaag wordt de geschiedenis op een afschuwelijke manier geslachtofferd. Hoe vaak is de kroonprins al gevangen genomen? De troepen die deze of gene treinsporen overstaken en twee of drie keer de ronde van België deden om ons te doen geloven dat het Duitse leger zeer talrijk is. Het leger van generaal X werd al zeven keer omsingeld en dat van generaal Z vier keer totaal gedecimeerd. In januari 1915 werd nog de val van Antwerpen ontkend!!! Is Pasen al voorbij? Dan is het op de feestdag van de Heilige Drievuldigheid zoals in Malbrough[24] of met Kerstmis dat de vredesklokken zullen luiden. U zult zeggen: U moet zo de spot niet drijven met uw medelandgenoten. Alle oorlogvoerders doen zoals wij. De pers liegt overal! enzovoort. Dat kan ik gemakkelijk geloven, beste lezer, maar ik wil er deze roddelblaadjes toch aan herinneren dat het is omdat de strategen die hen hebben gebaard − knoeiers met landkaarten en herkauwers van gemeenplaatsen − vandaag bijna allemaal fervente voorstanders van de harde lijn zijn. […] Blinde en opgeblazen oorlogshitsers, gij die nooit de loopgraven hebt gezien behalve op kermisprentjes, studeer aardrijkskunde, en vooral geschiedenis!”[25]

Men zal zijn bijtende satire over de pers in 1918 aanzien als defaitistische uitlatingen, gepubliceerd in een krant die verschijnt onder Duitse controle. Op 10 december 1918 volgt zijn arrestatie en opsluiting in cel 158 van de gevangenis van Saint-Léonard. Later brengen ze hem over naar de gevangenis van Sint-Gillis. De autoriteiten gaan altijd op dezelfde manier te werk: ze schilderen tegenstanders van de oorlog af als verraders van het vaderland in dienst van de bezetter. Onder druk van een internationale campagne voor zijn bevrijding zullen ze hem op 10 april 1919, na vier maanden gevangenis, van elke rechtsvervolging ontslaan.

Romain Rolland en Henri Barbusse steunen hem: “Ik heb gehoord dat Jean Tousseul opgesloten is in Luik en beschuldigd wordt van pacifisme of humanisme […]. Ik heb alle reden om te vrezen dat een aanbeveling van mijn kant op dit ogenblik zijn aanklacht alleen maar zal verzwaren. Maar ik denk dat het nuttig is dat ik me tot u richt, want ik weet dat u ruimdenkend bent. En omdat ik geloof dat de schrijver van La mort de petite Blanche later een literaire parel aan de kroon van België zal zijn, wil ik toch waarschuwen voor de trieste gevolgen die zijn veroordeling in serenere tijden zou hebben ...”[26].  […] hij geloofde terecht dat het correct was niet in te stemmen met de uitspattingen van het militarisme en het onnodig verlengen van de oorlog, en hij geloofde bovendien dat het zijn plicht was luidop zijn mening te verkondigen. De afschuwelijke en laaghartige beschuldiging van defaitisme […] heeft eens te meer een waardig slachtoffer gemaakt.”[27]

Na zijn bevrijding zet Jean Tousseul zich in voor de verdere ontwikkeling van Clarté in Luik. Zijn afwijzing van de oorlog van 1914-18 en van de harde lijn blijft een kenmerk van zijn werk. Daarvan getuigen onder meer de laatste regels van zijn roman La Rafale, een eerbetoon aan ‘de beste gewetens’: “Alleen gebleven met Jean […] zegt M. Nalonsart hem: ‘Clarambaux, je moet opletten, sterk zijn als een rots, ondanks de dwaasheden en de leugens. De mensen rondom ons overtuigen zou het belangrijkste zijn, maar geloof me, Clarambaux, de mens kan troost vinden in de vaststelling dat vier jaren van schande zijn ideeën hebben bestookt zonder er enige invloed op uit te oefenen. Ziedaar, wanneer men overwonnen is, zoals het geval was voor de beste gewetens sinds 1914, ziedaar de unieke schoonheid van het leven, Clarambaux.’”[28] Kunnen we ons nog een mooier eerbetoon aan de Uomini contro indenken dan dit teken van ultiem geloof in La Rafale?

Maxime Tondeur (maxime.tondeur at gmail.com) is vandaag een ingenieur met pensioen. Hij publiceert een blog met politieke en historische inslag: ROUGEs FLAMMEs. Zie: www.rouges-flammes.blogspot.be.


[1]     Uomini Contro (Mannen tegen) is de titel van een Italiaanse oorlogsfilm over een episode uit de Eerste Wereldoorlog. Zie https://it.wikipedia.org/wiki/Uomini_contro.

[2]     Daphné de Marneffe, Entre modernisme et avant-garde : Le réseau des revues littéraires de l’immédiat après-guerre en Belgique (1919–1922), doctoraatsthesis Taal- en Letterkunde, Universiteit van Luik 2007, p. 104. Zie:  bictel.ulg.ac.be/ETD-db/collection/available/Ulgetd-09292007-212823/unrestricted/02These_DdeMarneffe.pdf.

[3]     S. Zweig, Romain Rolland, Le Livre de Poche, 2014, p. 311-312.

[4]     Die prijs wordt hem maar overhandigd in 1916.

[5]     Geciteerd in Joris Van Parys, Frans Masereel: Une biographie, AML éditions, Brussel, 2008, p. 27.

[6]          Anarchopacifisme: tegen alle vormen van geweld. Tolstoj was een ‘anarchopacifist’.

[7]     J. Van Parys, op. cit., p. 56-57.

[8]     Zie Pierre Vorms, Gespräche mit Frans Masereel, VEB Dresden, 1967, p. 36.

[9]     J. Van Parys, op. cit., p. 62-66.

[10]    Frans Masereel, Die Passion eines Menschen, 25 houtgravures, Kurt Wolff, Munich, 1928, www.frans-masereel.de/15377_Passion.html.

[11]    Frans Masereel, “Brief aan Georg Reinhart” , 16 oktober 1933, in J. Van Parys, op. cit., eindnoot 12.

[12]    Over Clarté zie Alain Cuenot, Clarté 1919-1924, deel 1: Du pacifisme à l’internationalisme prolétarien, Itinéraire politique et culturel, L’Harmattan, Parijs, 2011.

[13]    Lucien Mirande, Eekhoud le Rauque, Presses universitaires du Septentrion, 1999, p.168.

[14]    Ibid., p. 176.

[15]    Patriotarderie: door Eekhoud uitgevonden woord. Staat voor overdreven patriottisme, chauvinisme.

[16]    Lucien Mirande, “Le Journal de Georges Eekhoud (1914-1920)” in Lettres ou ne pas lettres, Presses universitaires de Louvain, 2001, p. 149-159.

[17]    Lucien Mirande, Eekhoud le Rauque, op. cit., p. 173.

[18]    Georges Eekhoud, “Des hommes”, in Dernières Kermesses, Éditions de la Soupente, 1920.

[19]    Daphné de Marneffe, op. cit., p. 100.

[20]    Geciteerd in Lucien Mirande, Eekhoud le Rauque, op. cit., p. 194.

[21]    Kalkbrander: iemand die de kalk uit schelpen gloeit of brandt. Een kalkbranderij was een belangrijke afnemer van turf. In een kalkoven werden de schelpen met behulp van turf verhit tot een temperatuur van 900-1200 graden Celsius. Daardoor werd koolzure kalk omgezet in koolzuurgas en ongebluste kalk.

[22]    Jean Tousseul, La mort de petite Blanche : Biographie d’un traîne-misère, Huy, 1918.

[23]    Carmeuse is een Belgisch bedrijf dat zich bezighoudt met de productie van kalk, kalksteen en afgeleide producten. De Carmeuse Group is gespecialiseerd in de winning van kalksteen met een hoog calciumgehalte en dolomiet, en de verwerking daarvan tot steen, kalk en kalkderivaten voor uiteenlopende industriële doeleinden. Carmeuse heeft in totaal circa 90 vestigingen in verschillende Europese landen, Canada, de Verenigde Staten en Ghana. Het hoofdkantoor bevindt zich in de Louvain-la-Neuve. De huidige CEO is Rodolphe Collinet.

[24] Tousseul verwijst hier naar het Franse liedje Malbrough s’en va-t-en guerre.

[25]    Geciteerd in de tentoonstelling IHOES “Jean Tousseul & le mouvement social de son temps”, IHOES, 1990.

[26] Brief van Romain Rolland aan Émile Vandervelde (toenmalig minister van Justitie), tentoonstelling IHOES, 1990.

[27]    Voorwoord van Henri Barbusse bij “La Mélancolique Aventure”, tentoonstelling IHOES, 1990.

[28]    Jean Tousseul, La Rafale, Éditions de Belgique, Brussel, 1933.